Strenge winters. Een verschijnsel uit het verleden?

De laatste jaren worden we regelmatig geconfronteerd met onderzoeken die soms onheilspellende stijgingen van de wereldgemiddelde temperatuur laten zien. Zo verwacht het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) tussen het jaar 2000 en het jaar 2100 een gemiddelde temperatuurstijging van tussen de 1.4 en 5.8 graden Celsius. Nu wil dit niet zeggen dat dit scenario ook voor Nederland geldt. Het is een berekening van de toekomstige wereldgemiddelde temperatuur, misschien pakt de stijging in West-Europa wel heel anders uit. Zelfs een daling van de gemiddelde temperatuur in West-Europa zou tot de mogelijkheden kunnen behoren wanneer door het smelten van de sneeuw en de ijskappen in gebieden als Siberië en Groenland de Warme Golfstroom in het noordelijke deel van de Atlantische Oceaan tot stilstand komt. Wat betekent het bovenstaande scenario nu voor de toekomstige winters? Zijn strenge winters echt verschijnselen uit het verleden?

Allereerst is het belangrijk op te merken dat het Nederlandse klimaat grote schommelingen kent: zachte winters worden afgewisseld met koude winters en natte jaren met droge jaren. Het jaar 2003 bood genoeg voorbeelden van deze grote schommelingen: zo was de zomer de op één na warmste van de afgelopen honderd jaar, maar was oktober juist één van de koudste oktobermaanden van de afgelopen eeuw.

Met name in de 20e eeuw is de wintertemperatuur behoorlijk opgelopen. Het KNMI beschikt over dagelijks temperatuursgegevens vanaf het jaar 1706. Van voor die tijd zijn er ook gegevens bekend, deze zijn afgeleid uit gegevens van de vervoersmaatschappijen die de trekvaarten tussen Amsterdam, Haarlem en Leiden beheerden en bijhielden wanneer deze door ijsvorming niet te gebruiken waren. Op basis van deze gegevens is er een temperatuurreeks vanaf 1634 gereconstrueerd. Daaruit blijkt dat het langjarig gemiddelde van de wintertemperatuur in de tweede helft van de zeventiende eeuw ongeveer 1,6 of 1,7 graden was, in de 18e en 19e eeuw bedroeg de gemiddelde wintertemperatuur 1,8 graden en in de 20e eeuw 2,6 graden. Er is duidelijke sprake van een stijging en deze stijging wordt steeds sterker. Sinds 2001 geldt de gemiddelde wintertemperatuur over de periode 1971-2000 als normaal. De gemiddelde temperatuur over december, januari en februari bedroeg in deze periode 3.3 graden. De winters waren in deze periode gemiddeld dus zo’n anderhalve graad warmer dan de winters in de 18e en 19e eeuw. Dat de Nederlandse winters warmer worden is wel duidelijk. Een volledig overzicht van de gemiddelde wintertemperaturen sinds 1735 is elders op deze site te vinden.

In de afgelopen vijfentwintig jaar beleefden we de zeven zachtste winters van de laatste honderd jaar. De top tien wordt aangevoerd door 1990 met een wintergemiddelde van 6,0 graden. Op de tweede plaats staat de winter van 1989 met een gemiddelde van 5,6 graden, gevolgd door 1975 (5,5 graden), 1998 (5,4 graden), 1995 (5,3 graden), 1988 (5,0 graden) en 2000 (5,0 graden). Vooral de periode 1988-1990 was met drie zeer zachte winters op rij een deprimerende voor winterliefhebbers. Ondanks het grote aantal zeer zachte winters, kwamen koude winters de laatste vijfentwintig jaar ook voor: de beruchte winter van 1979 was met een gemiddelde temperatuur van –0,8 graden behoorlijk koud en bezorgde Nederland twee sneeuwstormen waardoor hele dorpen ingesneeuwd raakten. In de winter van 1979 werd er geen elfstedentocht verreden. Dat gebeurde wel in de winters van ’85, ’86 en 97’. De winter van 1996 was met een gemiddelde temperatuur van –0,1 de koudste sinds 1979, maar leverde (net) geen Elfstedentocht op. Vooral in het noorden van het land was deze winter zeer lang en koud. In Eelde (Groningen) was de winter van ‘96 bijna streng.

Het onderstaande overzicht van de gemiddelde wintertemperaturen in de Bilt over de periode 1900 – 2000 geeft een mooi beeld: de grillige afwisseling van koude en warme winters is duidelijk te zien. De gemiddelde wintertemperatuur over deze periode bedroeg 2,6 graden Celsius.


Bron: www.knmi.nl, ‘Een eeuw winter: laatste kwart meestal zacht’

Zachte winters zijn gedurende de gehele 20e eeuw voorgekomen, maar in de laatste twintig jaar is hun aantal snel toegenomen. Vooral tussen 1988 en 1995 waren de winters (met uitzondering van 1991) zacht. Er zijn in de afgelopen honderd jaar echter wel meer periodes voorgekomen waarin koude winters ontbraken, zoals van 1910 tot en met 1916 en 1971 tot en met 1978 (de sneeuwrijke en koude winter van 1979 kwam na acht vrij zachte winters als een complete verrassing).

De gemiddelde wintertemperatuur zegt vaak niet alles over de koudeproductie van een winter. Een zeer zachte februari kan een winter die tot dan toe juist vrij koud was verlopen alsnog aan een zachte status helpen. Mede daarom is het Hellmann- of koudegetal beter geschikt om de winters qua koudeproductie met elkaar te vergelijken. Om het Hellmanngetal van een winter te berekenen worden alle etmaalgemiddelden onder de 0 graden bij elkaar opgeteld en vervolgens wordt het minteken weggelaten. Dit geeft een duidelijker beeld van de koudeproductie van een winter en dus ook over de eventuele schaatsmogelijkheden.

Wanneer we de koudegetallen van de winters sinds 1901 op basis van het Hellmanngetal met elkaar vergelijken, dan blijkt dat de winter van 1963 met een koudegetal van 345,9 de laatste strenge winter (koudegetal > 300) is geweest. Naast 1963 kende de 20e eeuw nog twee strenge winters, namelijk die van 1947 (342,8) en 1942 (331,8). Alleen mensen van tegen de 50 jaar hebben de laatste strenge winter bewust meegemaakt. De laatste zeer koude winter (met een Hellmanngetal tussen de 160 en 300) was de winter van 1985 het een koudegetal van 193,6. Dat is ook alweer twintig jaar geleden. Naast de winter van 1985 waren ook de winters van 1917, ’29, ’40, ‘56’ en ‘79 zeer koud. Koude winters zijn de afgelopen vijfentwintig jaar wel voorgekomen. De winters van ‘82, ’86, ’87, ’96, en ’97 hadden een koudegetal tussen de 100 en 160 en werden als koud geclassificeerd.

In de bovenstaande grafiek zijn de (vrij) koude Nederlandse winters sinds 1901 in de volgende vier categorieën geclassificeerd: de winters met een koudegetal (K) boven de > 300 zijn de tot de verbeelding sprekende strenge winters (winters als die van 1963). De winters met een koudegetal boven de 160 zijn de zeer koude winters waarin veelal een Elfstedentocht gereden kon worden. De winters met een koudegetal tussen de 100 en de 160 zijn de koude winters waarin op uitgebreide schaal sprake was van schaatstochten en waarin er ook nogal eens een Elfstedentocht georganiseerd kon worden. De laatste categorie is die van de winters met een koudegetal van tussen de 60 en de 100. In deze winters kon veelal wel geschaatst worden, maar vroor het vaak niet lang of hard genoeg om grote schaatstochten te organiseren.

Als we de grafiek eens goed bekijken valt op dat er in ieder decennium minimaal driemaal sprake was van een schaatswinter (K > 60), maar dat er vaak nog wel in meer winters geschaatst kon worden. Bovendien telde ieder decennium (op dat van 1911-1920 na) wel een tweetal koude winters (K > 100) en kwam een zeer koude winter ook vaak wel een keer voor. De uitzonderingen zijn het eerste decennium van de twintigste eeuw (maar dat decennium kende wel veel (vrij) koude winters) en het laatste decennium van de vorige eeuw (de winters van '96 en '97 kwamen wel ruim boven de 100 hellmannpunten uit). Het is wel duidelijk dat het huidige decennium tot nog toe nogal winterarm is geweest. Aangezien uit de grafiek blijkt dat het aantal echt koude winters in de laatste decennia weliswaar is gedaald, maar dat ieder decenium toch wel een aantal schaatswinters voortbracht, zou je verwachten dat de kans op dergelijke winters in de komende jaren extra groot is, ondanks de eerder beschreven stijging van de gemiddelde wintertemperatuur in de afgelopen eeuw en het grote aantal zeer zachte winters in de afgelopen jaren. Hoewel zeer koude en met name strenge winters in het Nederlandse klimaat dusdanig schaars zijn dat je uit de bovenstaande grafiek eigenlijk geen conclusies kan trekken, is het toch alweer ruim 20 jaar geleden dat Nederland te maken kreeg met de laatste zeer koude winter (die van 1985) en voor de laatste strenge winter moeten we terug tot 1963. Wordt het niet weer eens tijd voor een winter van formaat?

Conclusies

Wat voor conclusies kunnen we nu uit deze gegevens trekken? Het aantal (zeer) zachte winters is in de afgelopen jaren duidelijk toegenomen en het aantal zeer koude of strenge winters is afgenomen. Ook de gemiddelde wintertemperatuur stijgt de laatste jaren behoorlijk, zeker in vergelijking met vorige eeuwen. De kans op een zeer koude of strenge winter lijkt behoorlijk af te nemen. Daar moet echter bij gezegd worden dat deze wintertypen in het Nederlandse klimaat altijd al schaars waren. Tussen twee strenge winters zit soms 5 (tussen ’42 en ’47) en soms 50 jaar (tussen 1891 en 1942). Koude winters zijn de laatste jaren wel voorgekomen, al is 1996 alweer een tijdje geleden. Zachte perioden zoals we die van 1988 tot 1995 en 1998 tot 2002 kenden kwamen ook eerder deze eeuw voor. Ook onze verre voorouders schreven al over zacht winterweer. Zo schreef men in het jaar 1116 over rijpe aardbeien met kerst en in 1494 over koeien die de hele winter niet op stal hoefden.

Zachte winters zijn net als koude winters van alle tijden. Het aantal zachte winters is in de laatste tientallen jaren wel duidelijk toegenomen, terwijl werkelijk koude winters steeds minder voorkomen. Het lijkt waarschijnlijk dat deze trend zich de komende jaren voort zal zetten. Het KNMI verwacht dat de toekomstige winters gemiddeld zachter en korter zullen worden. Een (zeer) koude winter blijft in de toekomst zeker mogelijk en ook zullen er nog wel stevige koudeperiodes waarop een Elfstedentocht volgt voorkomen. Vorst, sneeuw en ijs zullen wel steeds zeldzamer worden, maar zeker niet uit het Nederlandse klimaat verdwijnen, dat hebben de eerste dagen van maart 2005 met een enorm pak sneeuw en recordlage temperaturen voor de tijd van het jaar wel bewezen. Ook in de 21e eeuw zal Nederland nog wel een aantal zeer koude of zelfs strenge winters meemaken. Bovendien zou het statistisch gezien weer eens tijd worden voor een koude winter. Wie weet overtreft de winter van 2008 de winter van 1963 wel in koudeproductie? Of zal de winter van 2005/2006 hier al toe in staat zijn?

 

Literatuur- en bronnenlijst:

Buisman, J., Bar en boos. Zeven eeuwen winterweer in de Lage Landen (Baarn 1984).

Geurts, Harry, ‘Schaatsperiodes blijven bestaan maar worden wel zeldzamer’, in: Schaatssport 7 (Februari 2003) 14 en 15.

www.knmi.nl, ‘(Hellman) Koudegetallen sinds 1901’.

www.knmi.nl, ‘Koude winters’.

www.knmi.nl, ‘Zachte winters’.

.