Manifest van Rotterdam
|
|
I lnleiding |
Softdrugs zijn een probleem in Rotterdam. In het leven van te veel van
onze Rotterdamse jongeren spelen softdrugs een rol en in te veel wijken ondervinden
Rotterdammers overlast door handel in en gebruik van softdrugs. Van tijd tot
tijd klinkt het pleidooi voor verruiming van het gedoogbeleid door regulering
van de teelt en aanlevering van cannabis. Dit is niet alleen contraproductief
en juridisch onmogelijk, maar bovenal het verkeerde antwoord op de verkeerde
vraag en doet geen recht aan de terechte zorgen die leven onder ouders,
professionals in onderwijs en hulpverlening en bewoners van onze Rotterdamse
wijken.
De opstellers van dit Manifest van Rotterdam zijn werkzaam bij diverse
organisaties en instellingen. Zij staan een vijftal maatregelen voor die
softdruggebruik, met name onder jongeren, ontmoedigt en overlast in wijken
tegengaat. De opstellers zullen zich, ieder binnen de eigen verantwoordelijkheid
en invloedssfeer, inspannen om de inhoud van dit manifest te verwezenlijken.
Namens de opstellers,
Leonard Geluk
Rotterdam, 13 februari 2006
|
Manifest |
Softdrugs hebben een grote invloed
op het leven van teveel Rotterdamse jongeren en in te veel van onze wijken
heeft men te kampen met overlast van softdrugs. Van tijd tot tijd klinkt de
roep om regulering van de teelt en de aanvoer richting de gedoogde
verkooppunten, vanuit de argumentatie dat het spanningsveld in de Nederlandse
regelgeving van een gedoogde verkoop en een verboden productie dient te worden
opgelost. Het publieke debat richt zich hiermee op de verkeerde vraag. Het is
namelijk niet het spanningsveld in wet- en regelgeving dat opvoeders,
professionals in het onderwijs en de hulpverlening, en burgers in wijken zorgen
baart. Tegelijkertijd klinkt in het publieke debat op deze verkeerde vraag het
verkeerde antwoord. Regulering zal de problemen niet verkleinen maar vergroten.
Opstellers van dit manifest zijn van mening dat het publieke debat over
softdrugs zich dient te richten op de juiste vragen. Hoe dringen we het gebruik
met name onder jongeren terug en hoe voorkomen we dit gebruik? Hoe dringen we
overlast en verloedering terug, die samenhangen met wietteelt en (illegale)
verkoop? Op deze vragen dient het publieke debat zich te richten en het juiste
antwoord te verschaffen. Een antwoord waarmee de gezondheid en het
toekomstperspectief van jongeren in de Rotterdamse samenleving gediend zijn.
Een antwoord waarmee Rotterdammers in onze wijken gediend zijn. Dit manifest
bedoelt hiertoe een aanzet te zijn.
Softdrugs en gezondheidsrisicos
De toevoeging soft lijkt
onmogelijk betrekking te kunnen hebben op de gezondheidsrisicos die
softdruggebruik met zich meebrengen. Deze zijn aanzienlijk te noemen. Leidt
tabaksgebruik tot het inhaleren van allerlei kankerverwekkende stoffen, bij
cannabisgebruik gaat het om een veelvoud hiervan. Cannabisgebruik heeft niet
slechts lichamelijke gezondheidsrisicos. De relatie van cannabisgebruik en
depressie wordt op dit moment onderzocht. Er is toenemend wetenschappelijk
bewijs dat cannabisgebruik het risico op latere psychische stoornis vergroot,
met name bij gebruikers die een aanleg hebben voor psychosen (Zie 1).Er zou een verband kunnen zijn
met het THC-gehalte (Zie 2). Dit is in de periode 1999 tot
2004 ruim verdubbeld, van 9% naar 20%. In ieder geval lijkt hiermee het verslavingsrisico
toegenomen. Er is ook een relatie tussen softdruggebruik en harddruggebruik,
onverlet het nadrukkelijk onderscheid dat de wetgever maakt. Onlangs heeft
tweelingonderzoek aangetoond dat er een statistisch verband is tussen gebruik
van cannabis op jonge leeftijd het risico op harddruggebruik op latere leeftijd
(Zie 3).
De vermeende onschuld van
cannabisgebruik, waarop het Nederlandse softdrugsbeleid sinds jaren is
gebaseerd, wordt meer en meer door wetenschappelijk bewijs ontkracht. Het gaat
niet om af en toe een jointje, maar om een grote, vaak jonge groep frequente
gebruikers.
Softdrugs en het toekomstperspectief van jongeren
Softdruggebruik kent niet
alleen gezondheidsrisicos. Softdruggebruik benvloedt het toekomstperspectief
van jongeren in alle opzichten negatief. Het gebruik staat vaak ook niet op
zich, maar is onderdeel van een patroon van verminderde leerprestaties,
verminderd initiatief en ondernemingszin, verzuim en zelfs schooluitval.
Al in 1998 gaf 20% in een
Rotterdams onderzoek onder risicojongeren (spijbelen/delinquent gedrag) aan
dat zij in de afgelopen maand 11 of meer dagen cannabis gebruikt te hebben (Zie
4). Ook onderzoek in deelgemeente Charlois toonde een verband aan tussen
softdruggebruik en verzuim. Oorzaak en gevolg is in dit type onderzoek niet
eenvoudig te onderscheiden. Met andere woorden: het is (nog) niet duidelijk of
softdrugsgebruik de oorzaak is van een levenspatroon van verzuim en
inactiviteit of het gevolg. Wel duidelijk is dat de combinatie funest is voor
het toekomstperspectief van jongeren. Verzuim is vaak het eerste symptoom van
een negatieve spiraal die leidt tot uitval. Het niet hebben van een diploma
brengt jongeren in een buitengewoon slechte startpositie voor de arbeidsmarkt.
En dat in een tijd, waarin jongeren op de arbeidsmarkt toch al een kwetsbare
groep zijn.
Softdrugs en overlast
Er lijkt een onlosmakelijk
verband te zijn tussen cannabis en overlast. Overlast bijvoorbeeld die de teelt
met zich meebrengt, die de laatste jaren mede door de export fors is toegenomen
en een meer en meer bedrijfsmatig karakter heeft gekregen door inmenging van
georganiseerde criminaliteit (Zie 5). Er lijkt onder sommige Rotterdammers
sprake te zijn van normalisering van wietteelt als bron van (neven)inkomsten.
De teelt op zolderkamers en in kelders leidt tot onveilige situaties, en
daarnaast tot hoge maatschappelijke kosten. De Rotterdamse aanpak die stevig
is, waarbij de kosten worden verhaald op de teler, en waarbij wordt
doorgerechercheerd op achterliggende criminaliteit, dient te worden voortgezet.
Hiermee geeft de gemeente een helder en normstellend signaal af: cannabisteelt
is illegaal en er wordt streng tegen opgetreden.
Overlast wordt ook
veroorzaakt door de niet-gedoogde verkoop, drugspanden en straatverkoop. Dit
werkt verloedering van de buurt in de hand. Maar ook de gedoogde verkooppunten,
de coffeeshops, veroorzaken overlast. Eens te meer toont dit aan dat regulering
geen panacee is voor alle problemen, zeker niet in een branche die voor een
deel zo nauw verweven is met criminaliteit. Het geen overlast voor omwonenden
is een van de gedoogcriteria die het OM hanteert (Zie 6). Hoewel het handhavingsarrangement in Rotterdam ook op dit
punt is aangescherpt, is het nog altijd zo dat een coffeeshop tot 3 keer de
fout in kan gaan voordat tot (tijdelijke) sluiting wordt overgegaan (Zie 7). Voor veel Rotterdammers is dit
niet te begrijpen.
Opstellers van dit manifest verklaren:
I. dat de
(gemeentelijke) overheid duidelijk dient te zijn in haar afkeuring van softdruggebruik
en om die reden alles in het werk dient te stellen om het gebruik, met name
onder jongeren, te ontmoedigen;
II. dat het
aanbod van softdrugs de vraag creert en dat om die reden het aanbod dient te
worden teruggebracht;
III. dat het
aanbod van softdrugs sterk wordt benvloed door de vraag en dat om die reden de
vraag naar softdrugs dient te worden ontmoedigd;
IV. dat zij, ieder vanuit de eigen verantwoordelijkheid en invloedsfeer, het
volgende zullen verwezenlijken:
Het
onderwijs is geen Haarlemmer-olie tegen alle maatschappelijke problemen. De
school is wel de plaats waar maatschappelijke problemen samenkomen. Rotterdamse
scholen moeten drug-free zijn. Ouders moeten daarop kunnen rekenen en alles
doen wat in hun vermogen ligt om daaraan bij te dragen. Scholen kunnen dat niet
alleen, maar slechts in samenwerking met partners: ouders, gemeente, politie,
etc. Allereerst is daarvoor openheid van zaken nodig. Openheid rondom drugs in
en om de school is geen vanzelfsprekende zaak. Gemeenschappelijke afspraken
kunnen daarbij helpen. Gemeenschappelijke afspraken van Rotterdamse scholen
voor PO, VO en MBO over wijze van omgaan met drugs in en om de school,
bijvoorbeeld op het gebied van voorlichting, samenwerking met hulpverlening,
melden van gebruik aan ouders, sanctionering bij gebruik van en bij handel in,
doen van aangifte, etc. Opstellers verzoeken de gemeente in het komende jaar de
totstandkoming van een Rotterdamse code of conduct bij drugs in en om de
school te stimuleren en te faciliteren.
Blowen op het schoolplein,
maar ook blowen in de omgeving van de school zou verboden moeten zijn. Sterker
nog: dit is krachtens de APV (Zie 8)
in heel Rotterdam verboden, maar het verbod wordt slechts sporadisch
gehandhaafd. Handel in en gebruik van softdrugs vindt vaak niet op het
schoolplein plaats, maar vlak daarbuiten. Scholen zijn niet gequipeerd om voor
dat toezicht mensen in te zetten, de gemeente dient hen daarin tegemoet te
komen door te kiezen voor het toewijzen van stadstoezicht aan iedere locatie
voor VO en MBO. In een straal van
Hangende jongeren en de
stankoverlast door blowen zijn niet bevorderlijk voor de leefbaarheid en het
gevoel van veiligheid in de wijk en de uitstraling van winkelcentra. Naast een
blowverbod rondom scholen, dient het blowverbod ook op andere plaatsen
gehandhaafd te worden.
Vraag
creert aanbod. Uiteindelijk is het vooral de vraag naar softdrugs die moet
worden teruggedrongen en scholen hebben daartoe kansen. Uiteraard zijn niet
scholen maar ouders primair verantwoordelijk. Maar daar waar ouders deze
verantwoordelijkheid niet kunnen of willen waarmaken, is toch de school de
plaats waar alle kinderen te bereiken zijn. Alle Rotterdamse scholen voor
basis- en voortgezet onderwijs zouden actief aandacht moeten besteden aan de
gevaren van softdrugs. Voorlichting die aanspreekt, die structureel en
meerjarig is ingebed in het onderwijs kan verschil maken in het leven van
jongeren en een mentaliteitsverandering teweeg brengen (Zie 9). Daarbij hoort ook dat de school de weg wijst naar de
hulpverlening voor jongeren die dat nodig hebben.Het is goed als het onderwijs
en de hulpverlening hiertoe de handen ineen slaan. Korte lijnen tussen de
school en de hulpverlening zorgen ervoor dat de stap naar hulpverlening, die
soms nodig is, ook daadwerkelijk gemaakt wordt.
Aanbod creert ook vraag. Rotterdam heeft, met ongeveer 1 coffeeshop
per 10000 inwoners te veel coffeeshops (Zie 10). Het sluiten van coffeeshops is
een doel op zich, te beginnen rondom scholen en in woonwijken. Allereerst dient
hiertoe een afstandscriterium te worden
gentroduceerd in het Rotterdamse coffeeshopbeleid. Dat wil zeggen dat een
coffeeshop niet binnen een straal van
Regulering van de
achterdeur is een zwaktebod, een verkeerd signaal, juridisch onmogelijk en
werkt bovendien contraproductief. De teelt is toegenomen en het gebruik is
gelijk gebleven. Dit leert dat de illegale teelt vooral voor de export is. Dat
betekent dus dat de overlast blijft en van ontlasting van politie en justitie
dus geen sprake zal zijn. Het veelsoortige aanbod in de coffeeshops komt voor
een groot deel ook niet van Nederlandse bodem. Het ombouwen van een paar
Westlandse kassen tot wietkwekerij zal de drugsimport dus niet doen
verminderen. Het reguleren van de achterdeur is bovendien krachtens
internationale verdragen onmogelijk omdat het legalisering betreft. Rotterdam
kent een genadeloze aanpak van illegale teelt die werkt. Laat Rotterdam zich
niet van die koers doen wijken.
Growshops faciliteren
illegale thuisteelt en dragen bij aan de verloedering van wijken. Alles moet in
het werk worden gesteld om deze te sluiten.
|
|
Bronnen |
1.
Jaarboek 2004, Nationale Drugsmonitor
2.
De werkzame stof in hasj en wiet
3. Michael T. Lynskey, Jacqueline M. Vink, Dorret I. Boomsma: Early onset
cannabis use and progression to other drug use in a sample of Dutch twins,
2006 Behavior Genetics
4.
Jaarboek 2004, Nationale Drugsmonitor
5.
Cannabisbrief 2004
6.
AHOJG-richtlijnen Openbaar Ministerie: (geen affichering, geen harddrugs,
geen overlast voor omwonenden, jongeren onder de 18 worden
geweerd en er mogen geen grote hoeveelheden worden verkocht.)
7.
Coffeeshops met beleid 2003, actualisering en aanscherping van het
Rotterdamse Coffeeshopbeleid.
8.
Artikel 3.3.4 van de Algemeen Plaatselijke Verordening: Het is
verboden, op of aan de weg, op een voor publiek toegankelijke plaats of in een
voor publiek toegankelijk gebouw, middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3
van de Opiumwet te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te
verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te
hebben.
9.
Het project de gezonde school en genotmiddelen van het
Trimbos-instituut is daartoe een heel goede mogelijkheid. Andere mogelijkheden
zijn het School Adoptie Plan, en voorlichting van de GGD, gekoppeld aan de
Rotterdamse Jeugdmonitor.
10.
De 103 Nederlandse coffeeshopgemeenten hebben
gemiddeld 0,57 coffeeshops per 10.000 inwoners. Amsterdam heeft de hoogste
coffeeshopdichtheid met 3,37 coffeeshops per 10.000 inwoners, terwijl Almere
met 0,06 coffeeshops per 10.000 inwoners de laagste coffeeshopdichtheid heeft.
(Intraval Coffeeshops in Nederland, 2004)
11.
Van de 103 gemeenten met
coffeeshops hebben 80 gemeenten (78%) in het coffeeshopbeleid een afstands- of
nabijheidcriterium ten opzichte van scholen opgenomen. In de meeste (42) is een
afstand van (minimaal)
|
|
Ondertekening |
1.
Dhr. W. Blok, algemeen directeur Bestuur Openbaar Onderwijs Rotterdam
2.
Dhr. P. Boekhoud, voorzitter CVB Albeda College
3.
Dhr. H. Bofarid, rector ISG Ibn Ghaldoen
4.
Dhr. S. Boot, directeur basisschool De Akker
5.
Dhr. J.N. de Bruin, algemeen directeur Lodewijk Rogier college
6.
Dhr. M. Cerit, directeur St. Instituut Het Centrum
7.
A. Cifi, directeur stichting Reflex
8.
Dhr. S.O. R. Clancy, algemeen directeur Zuiderpark college
9. Dhr. G.W.D. Jeelof, adjunct-directeur OBS De Catamaran
10.Dhr. H. Fledderus, rector
PENTA college CSG
11.Dhr. A.H.M. Frissen, rector
Emmauscollege
12.Dhr. L.K. Geluk,
lijsttrekker CDA Rotterdam
13.Mw. M.L. Hamburger,
directeur Ds. O.G. Heldringschool
14.Dhr. J.A.P. van der
Heijden, algemeen directeur Roncalli mavo
15.Dhr. A. Kooyman, algemeen
directeur Accent
16.Dhr. H. Koedood, directeur
OBS De Boog
17.Dhr. A.J.M. Kroonen,
algemeen directeur vmbo Nieuw Rotterdam
18.Dhr. J. Kweekel, algemeen
rector scholengemeenschap Melanchton
19.Dhr. W.P. Littooij,
bestuursmanager CVO
20.Mw. S.J. de Leeuw, rector
Marnix gymnasium
21.Dhr. L. Martijn, portfeuillehouder
soc. en ec. zaken Deelgemeente Charlois
22.Mw. X. Mendeszoon, Regionaal Coordinator Europa, Victory Outreach
23.Dhr. P. Mey, algemeen
rector Farel College
24.Dhr. B. Naas, voorzitter
Islamitische Stichting voor Voortgezet Onderwijs
25.Dhr.
S.J. Sies, Youth for Christ, Teamleider The Mall
26.Dhr. T. Soetekouw,
ex-voorzitter st. Samenwerkende Bewonersorganisaties Rdam
27.Dhr. C.J. Terdu, lid CvB
PCBO
28.R. Trimp,
voorpostfunctionaris Bureau Jeugdzorg
29.Dhr. P. van
Rikxoort, directeur Da Costa School
30.Mw. Roodvoets, algemeen rector CSG Calvijn
31.Dhr. R. Vijn, rector
32.
Dhr. G.L.J. Visser, voorzitter CvB
LMC Voortgezet Onderwijs
33.
P.A. de Visser, algemeen directeur
NOVA College
34.
Dhr. H. van Vlodrop, voorzitter CvB
Zadkine College
35.Dhr. W. Vonk, rector Citycollege St. Franciscus
36.Dhr. G. Vroegindeweij, algemeen directeur Rotterdamse Scholengemeenschap
37. Dhr. J.P.H.M. Wiertz, afdelingsleider 1e klas, Laurenscollege