Ein Deutsches Requiem (1868)

Johannes Brahms (1833 – 1897)

1. Selig sind, die da leid tragen - Koor

 

Selig sind, die da leid tragen, denn sie sollen getröstet werden.

(Matth 5:4)

 

Die mit Tränen säen, werden mit Freuden ernten.

Sie gehen hin und weinen und tragen edlen Samen,

und kommen mit Freuden und bringen ihre Garben.

(Psalm 126:5-6)

 

Selig sind, die da leid tragen, denn sie sollen getröstet werden.

 

 

Gelukkig de treurenden, want zij zullen getroost worden.

 

 

 

Zij die in tranen zaaien, zullen oogsten met gejuich.

Wie in tranen op weg gaat, dragend de buidel met zaad,

zal thuiskomen met gejuich, dragend de volle schoven.

 

 

Gelukkig de treurenden, want zij zullen getroost worden.

 2. Denn alles Fleisch, es ist wie Gras - Koor

 

Denn alles Fleisch, es ist wie Gras und alle Herrlichkeit des Menschen wie des Grases Blumen.

Das Gras ist verdorret und die Blume abgefallen.

(1 Petrus 1:24)

 

So seid nun geduldig, liebe Brüder bis auf die Zukunft des Herrn.

Siehe, ein Ackermann wartet auf die köstliche Frucht der Erde

und ist geduldig darüber, bis er empfahe den Morgenregen und Abendregen. So seid geduldig.

(Jacobus 5:7)

 

Denn alles Fleisch es ist wie Gras

und alle Herrlichkeit des Menschen wie des Grases Blumen.

Das Gras ist verdorret und die Blume Abgefallen.

 

 

Aber des Herrn Wort bleibet in Ewigkeit.

 

Die Erlöseten des Herrn werden wiederkommen und gen Zion kommen mit Jauchzen;

Freude, ewige Freude wird über Ihrem Haupte sein;

 

Freude und Wonne werden sie ergreifen,

und Schmerz, un Seufzen wird weg müssen.

 

Die Erlöseten des Herrn werden wiederkommen und gen Zion kommen mit Jauchzen;

Freude, ewige Freude wird über Ihrem Haupte sein.

(Jesaja 35: 10)

 

 

De mens is als gras en zijn schoonheid als een bloem in het veld:

het gras verdort en de bloem valt af,

 

 

Heb geduld, broeders en zusters, tot de Heer komt.

Denk eens aan de boer, die geduldig blijft wachten op de kostbare opbrengst van zijn land,

tot de regens van najaar en voorjaar zijn gevallen. Wees net zo geduldig.

 

 

 

De mens is als gras

en zijn schoonheid als een bloem in het veld:

het gras verdort en de bloem valt af.

 

 

 

Maar het woord van de Heer blijft eeuwig bestaan.

 

Zij die de Heer heeft bevrijd, keren terug.

Jubelend komen zij naar Sion, gekroond met eeuwige vreugde.

 

Gejuich en vreugde trekken de stad binnen,

gejammer en verdriet vluchten eruit weg.

 

Zij die de Heer heeft bevrijd, keren terug.

Jubelend komen zij naar Sion, gekroond met eeuwige vreugde.

 

 

3. Herr, lehre doch mich – Bariton en koor

 

Herr, lehre doch mich, daß ein Ende mit mir haben muß,

und mein Leben ein Ziel hat, und ich davon muß.

 

Siehe, meine Tage sind einer Hand breit vor dir,

und mein Leben ist wie nichts vor dir.

 

Herr, lehre doch mich, daß ein Ende mit mir haben muß,

und mein Leben ein Ziel hat, und ich davon muß.

 

Ach, wie gar nichts sind alle Menschen, die doch so sicher leben.

Sie gehen daher wie ein Schemen, und machen ihnen viel vergebliche Unruhe;

Sie sammeln und wissen nicht, wer es kriegen wird.

Ach, wie gar nichts sind alle Menschen, die doch so sicher leben.

 

Nun Herr, wes soll ich mich trösten?

 

Ich hoffe auf dich.

(Psalm 39:5-8)

 

 

Der Gerechten Seelen sind in Gottes Hand und keine Qual rühret sie an.

(Wijsheid van Salomon 3: 1)

 

Geef mij weet van mijn einde, Heer, van de maat van mijn levensdagen

laat mij weten hoe vergankelijk ik ben.

 

U maakte mijn dagen een handbreed lang,

mijn levensduur is niets in uw ogen.

 

Geef mij weet van mijn einde, Heer, van de maat van mijn levensdagen

laat mij weten hoe vergankelijk ik ben.

 

Niet meer dan lucht is het bestaan van een mens,

niet meer dan een schaduw zijn levenspad,

niet meer dan lucht wat hij rusteloos najaagt,

hij vergaart en weet niet wie het toevalt.

 

 

 

Wat heb ik dan te verwachten, Heer?

 

Mijn hoop is alleen op u gevestigd.

 

 

 

De zielen van de rechtvaardigen zijn in Gods hand, geen marteling kan hun deren.

 

 4. Wie lieblich sind Deine Wohnungen - Koor

 

Wie lieblich sind Deine Wohnungen, Herr Zebaoth!

Meine Seele verlanget und sehnet sich nach den Vorhöfen des Herrn;

mein leib und Seele freuen sich in dem lebendigen Gott.

Wie lieblich sind Deine Wohnungen, Herr Zebaoth!

 

Wohl denen, die in Deinem Hause wohnen, die loben dich immerdar.

Wie lieblich sind Deine Wohnungen.

(Psalm 84:2,3 en 5)

 

 

Hoe lieflijk is uw woning. Heer van de hemelse machten.

Van verlangen smacht mijn ziel naar de voorhoven van de Heer.

Mijn hart en mijn lijf roepen om de levende God.

Hoe lieflijk is uw woning. Heer van de hemelse machten.

 

Gelukkig wie wonen in uw huis, gedurig mogen zij u loven.

Hoe lieflijk is uw woning.

 

 5. Ihr habt nun Traurigkeit – Sopraan met koor

 

Sopraan:

Ihr habt nun Traurigkeit;

aber ich will euch wiedersehen, und euer Herz soll sich freuen,

und eure Freude soll niemand von euch nehmen.

(Johannes 16:22)

 

Koor:

lch will euch trösten, wie einen seine Mutter tröstet.

(Jesaja 66:13)

 

Sopraan:

Sehet mich an: lch habe eine kleine Zeit Mühe und Arbeit gehabt und habe großen Trost funden.

(Sirach 51.35)

 

Koor:

lch will euch trösten, wie einen seine Mutter tröstet.

 

Sopraan:

Ihr habt nun Traurigkeit;

aber ich will euch wiedersehen, und euer Herz soll sich freuen,

und eure Freude soll niemand von euch nehmen.

 

Koor:

lch will euch trösten, wie einen seine Mutter tröstet.

 

 

Sopraan:

Jullie hebben nu verdriet,

maar ik zal jullie terugzien, en dan zul je blij zijn,

en niemand zal je vreugde afnemen.

 

 

 

Koor:

Zoals een moeder haar zoon troost, zo zal ik jullie troosten;

 

Sopraan:

Zie mij: Ik heb een korte tijd moeilijkheden en werk gehad en grote troost gevonden.

 

 

Koor:

Zoals een moeder haar zoon troost, zo zal ik jullie troosten

 

Sopraan:

Jullie hebben nu verdriet,

maar ik zal jullie terugzien, en dan zul je blij zijn,

en niemand zal je vreugde afnemen.

 

Koor:

Zoals een moeder haar zoon troost, zo zal ik jullie troosten.

6. Denn wir haben hie keine bleibende Statt - Bariton met koor

 

Denn wir haben hie keine bleibende Statt, sondern die zukünftige suchen wir. Denn wir haben hie keine bleibende Statt.

(Hebr. 13:14)

 

Siehe, ich sage euch ein Geheimnis:

Wir werden nicht alle entschlafen,

wir werden aber alle verwandelt werden,

und dasselbige plötzlich in einem Augenblick,

zu der Zeit der letzten Posaune.

Denn es wird die Posaunen schallen und die Toten werden auferstehen unverwerslich; und wir werden verwandelt werden.

 

Dann wird erfüllet werden das Wort, das geschrieben steht:

 

Der Tod ist verschlungen in den Sieg.

Tod, wo ist dein Stachel?

Hölle, wo ist dein Sieg?

(1 Cor. 15:51,52,54 en 55)

       

 

Herr, du bist würdig zu nehmen Preis und Ehre und Kraft,

denn Du hast alle Dinge erschaffen,

und durch Deinen Willen haben sie das Wesen und sind geschaffen.

Herr, du bist würdig zu nehmen Preis und Ehre und Kraft

(Openbaringen 4:11)

 

 

 

Onze stad is immers niet blijvend, wij kijken juist verlangend uit naar de stad die komt. Onze stad is immers niet blijvend.

 

 

Ik zal u een geheim onthullen:

wij zullen niet allemaal eerst sterven

toch zullen wij allemaal veranderd worden,

in een ondeelbaar ogenblik, in een oogwenk,

wanneer de bazuin het einde inluidt.

Wanneer de bazuin weerklinkt, zullen de doden worden opgewekt met een onvergankelijk lichaam en zullen ook wij veranderen.

 

Dan zal wat geschreven staat in vervulling gaan:

 

De dood is opgeslokt en overwonnen.

Dood, waar is je angel?

Dood, waar is je overwinning?

 

 

 

 

U komen alle lof, eer en macht toe, Heer, onze God,

want u hebt alles geschapen:

uw wil is de oorsprong van alles wat er is.

U komen alle lof, eer en macht toe, Heer, onze God.

 

7. Selig sind die Toten – Koor

 

Selig sind die Toten, die in dem Herren sterben, von nun an.

Ja, der Geist spricht, daß sie ruhen von ihrer arbeit; denn ihre werke folgen ihnen nach.

Selig sind die Toten, die in dem Herren sterben, von nun an. Selig, selig

(Openbaring 14:13)

 

 

Gelukkig zijn zij die vanaf nu in verbondenheid met de Heer sterven.

En de Geest beaamt: zij mogen uitrusten van hun inspanningen, want hun daden vergezellen hen.

Gelukkig zijn zij die vanaf nu in verbondenheid met de Heer sterven. Gelukkig, gelukkig.