DEEL IVoor de eerste Kerstdag Jauchzet, frohlocket, auf, preiset die Tage |
De
geboorte van Jezus in de stal; de menswording van Christus, het wonder waar
de mensheid vol deemoed en ontroering tegenover staat, wordt bezongen. |
|
|
1. Koor |
|
|
|
Jauchzet, frohlocket, auf, preiset die Tage, |
Juicht nu en jubelt! Komt, prijst deze dagen. |
Jubelend
vol barokke klankpracht wordt dit oratorium geopend: een oproep tot het
vieren van een zestal feestelijke dagen. De vele omhooggaande lijnen scheppen
blijdschap, de versiering op ‘lasset’ klinkt als een vrolijk bevrijdend
lachen, de trompetten en pauken, instrumenten die in Bachs tijd eigenlijk
alleen gebruikt werden in muziek ter ere van vorsten, klinken luisterrijk, om
zo de geboorte van Jezus te vieren. De
koninklijke trompetten en pauken klinken ook in deel 3 en 6 (resp. het bezoek
van de herders en van de wijzen) maar niet in de meer voorbereidende
tussenliggende delen. |
|
2. Recitatief, evangelist Lukas 2: 1 en 3-6 |
|
|
|
Es begab sich aber zu der Zeit, daß ein Gebot von dem Kaiser
Augusto ausging, daß alle Welt geschätzet würde. Und jedermann ging, daß er
sich schätzen ließe, ein jeglicher in seine Stadt. Da machte sich auch auf
Joseph aus Galiliäa, aus der Stadt Nazareth, in das jüdische Land zur Stadt
Davids, die da heißet Bethlehem; darum, daß er von dem Hause und Geschlechte
Davids war, auf dass er sich schätzen ließe mit Maria, seinem vertrauten
Weibe, die war schwanger. Und als sie daselbst waren, kam die Zeit, dass sie
gebären sollte. |
En het geschiedde in die dagen, dat er een bevel uitging van keizer Augustus, dat in het gehele rijk een volkstelling moest worden gehouden. En allen gingen op reis om zich in te laten schrijven, ieder naar zijn eigen stad. Ook Jozef vertrok van Galilea, uit de stad Nazaret, naar het Joodse land, naar de stad van David, die Bethlehem heet, omdat hij uit het huis en het geslacht van David was, om zich te laten inschrijven met Maria zijn ondertrouwde vrouw, die zwanger was. En toen zij daar waren, kwam de tijd dat zij baren zou. |
De
beroemde woorden uit het kerstverhaal die vertellen dat Jozef en Maria naar
Judea gingen om zich in te laten schrijven vanwege een volkstelling. Ook de
aankondiging van de barenstijd van Maria. |
|
3. Recitatief, alt |
|
|
|
Nun wird mein liebster Bräutigam, |
Nu zal mijn liefste bruidegom, |
Het
lijkt hier of Maria zelf gaat zingen. Zij introduceert de metafoor van de
bruidegom Jezus met zijn bruid Sion, de berg waarop de tempel in Jeruzalem
gebouwd is en tot aanspreektitel verworden is voor het volk van God en de
gehele christelijke wereld. De relatie God-volk is als bruidegom-bruid. |
|
4. Aria, alt |
|
|
|
Bereite dich, Zion, mit zärtlichen Trieben, |
Bereid u, o Sion, om met teder verlangen |
De
volgelingen van Jezus wordt met korte uitroepen gevraagd zich voor te
bereiden om Jezus, ‘de schoonste!’, ‘de liefste!’ te ontvangen. |
|
5. Koraal, koor |
|
|
|
Wie soll ich dich empfangen, |
Hoe zal ik U ontvangen, |
Na
deze oproep vraagt de gemeente zich af hóe zij hem zullen ontvangen. Als een
kind, is het antwoord. Bach,
de theoloog, blikt vooruit op het offer van Jezus voor de zonde van de wereld
door hier de melodie van het lijdenskoraal uit de Matthäus Passion ‘O Haupt
vol Blut und Wunden’ te plaatsen, ook nog eens in een lage ligging. De komst
van Jezus wordt meteen in het teken van zijn lijden gezet. Sommige
koralen hebben een eenvoudige instrumentale dubbeling van de stemmen, andere
hebben uitgebreide orkestrale begeleiding en intermezzi. Dit koraal is
eenvoudig. De melodie komt één keer terug: in nr. 64, het slotkoraal van het
Weihnachts-Oratorium, maar dan met volledig orkest. |
|
6. Recitatief, evangelist Lucas 2:7 |
|
|
|
Und sie gebar ihren ersten Sohn, und wickelte ihn in Windeln
und legte ihn in eine Krippen, denn sie hatten sonst keinen Raum in der
Herberge. |
En zij baarde haar eerste zoon en wikkelde Hem in doeken en legde Hem in een kribbe, omdat voor hen geen ruimte was in de herberg. |
Een
expressieve verklanking van de geboorte van Jezus meteen gevolgd door mineur
klanken waar de kribbe genoemd wordt, zo de vernedering daarvan verwoordend. |
|
7. Koraal, koorsopraan, met recitatief bas |
|
|
|
sopraan Er ist auf Erden kommen arm, |
sopraan |
Drie
totaal verschillende delen, een sopranenkoraal, een basrecitatief en een
hoboaria, heeft Bach tot een prachtige eenheid vol ontroering gesmeed. De
sopranen zingen hemelse lijnen, de bas becommentarieert en mediteert over de
liefde van het pasgeboren mensenkind. |
|
8. Aria, bas |
|
|
|
Großer Herr, o starker König, |
Grote Heer, o sterke Koning, |
Het
arme kind uit nr. 7 is wel de zoon van de Allerhoogste, dus een koning, zingt
de bas in verheven felheid. De triomf wordt benadrukt door de trompet. Het
ritme met het accent op de tweede tel (syncopisch) maakt het geheel blij en
vrolijk. Alleen op de soberheid van de ‘kribbe’ horen we mineurklanken. |
|
9. Koraal, koor |
|
|
|
Ach mein herzliebes Jesulein, |
Ach, Jezuskind, zo teer bemind, |
Het
volk reageert in stemmige aanbidding op het koningslied nr.8. De strijkers
spelen mee met het koraal maar na elke tekstregel spelen de trompetten en
pauken een melodie die zegt ‘Geboren!’ wat aan de feestelijke sfeer van het
openingskoor doet denken. |
DEEL IIVoor de tweede Kerstdag Und es waren Hirten in derselben Gegend |
|
De
engel verkondigt de geboorte van Jezus aan de herders: de blijde boodschap is
een vervulling van een belofte. In dit deel geen trompetten en pauken maar
wel een verdubbeld aantal hobo’s: typische herdersinstrumenten. |
|
10. Sinfonia, pastorale |
Een werk voor orkest |
Deel
2 opent als enige niet met een koorwerk maar met een pastorale, een
herderslied: een instrumentaal stuk met een landelijke idyllische stemming. We
horen twee groepen. In de één voeren de violen en fluiten de boventoon, in de
ander de hobo’s. Het is, als ware het een lieflijke dialoog tussen engelen en
herders. |
|
11. Recitatief , evangelist Lukas 2: 8,9 |
|
|
|
Und es waren Hirten in derselben Gegend auf dem Felde bei den Hürden, die hüteten des Nachts ihre Herde. Und siehe, des Herren Engel trat zu ihnen, und die Klarheit des Herren leuchtete um sie, und sie fürchteten sich sehr. |
En er waren herders in diezelfde landstreek, die zich ophielden in het veld, en des nachts hun kudde bewaakte. Opeens stond een engel des Heren bij hen en de heerlijkheid des Heren omstraalde hen, en zij vreesden met grote vreze. |
Een
engel van de Heer verschijnt en de heerlijkheid omstraalt hen, met hoge
accenten op ‘heer’ en ‘heerlijkheid’. Dit beangstigt de herders, hoorbaar
door de snelle bewegingen in de cello en de overgang naar mineur op “sie
fürchteten sich sehr”. |
|
12. Koraal, koor |
|
|
|
Brich an, o schönes Morgenlicht, |
Breek aan o helder morgenlicht |
Het
is bijzonder dat Bach hier een koraal laat volgen, dit is in tegenstelling
tot de gebruikelijke opbouw van een (Bach)cantate. Waarschijnlijk wil hij
hiermee uitdrukking geven aan de schrik van de herders. De herders worden
echter toegesproken níet te schrikken omdat het mensenkind de duivel zal verdrijven
(met een dissonant op ‘Satan’) en vrede zal brengen; deze laatste zin klinkt
lieflijk. |
|
13. Recitatief, evangelist Lucas 2:10,11 |
|
|
|
Und der Engel sprach zu ihnen: |
En de engel sprak tot hen: |
De
blijde boodschap wordt verkondigd door de engel-sopraan: opnieuw klinkt “Wees
niet bang, Christus is geboren”. De engel zingt niet zoals de evangelist in
secco recitatief maar wordt begeleid door hemelse strijkers. |
|
14. Recitatief, bas |
|
|
|
Was Gott dem Abraham verheißen, |
Wat God Abraham beloofde,
nu in vervulling is gegaan. |
Aan
de herders wordt als eerste de vervulling van de oudtestamentische belofte
aan Abraham (die ook herder was) verteld, weer begeleid door de
herdershobo’s. |
|
15. Aria, tenor |
|
|
|
Frohe Hirten, eilt, ach eilet, |
Blijde herders, haast u, haast u, |
Hier
krijgen de herders de opdracht het kind te gaan zoeken, met een solofluit als
ware het wederom een hemelse stem die de herders toespreekt. |
|
16. Recitatief, evangelist Lucas 2:12 |
|
|
|
Und das habt zum Zeichen: |
En dit krijgt u als teken: |
Ondanks
dat hier de verkondiging door de engel uit het evangelie (nr. 13) verder gaat
klinkt hier toch geen sopraan met strijkers. Misschien wilde Bach de
vernedering van de kribbe verbeelden. |
|
17. Koraal, koor |
|
|
|
Schaut hin, dort liegt im finstern Stall, |
Ziet, daar ligt Hij in de donk're stal, |
Deze
koraalmelodie komt drie keer voor in het Weihnachts-Oratorium (nr. 9, 17 en
23). Hier in de laagste toonzetting geschreven om nederigheid uit te drukken. |
|
18. Recitatief, bas |
|
|
|
So geht denn hin, ihr Hirten, geht, |
Dus ga dan heen, gij herders gaat, |
Nogmaals
worden de herders toegesproken, begeleid door hobo’s, om de Zoon te gaan
zoeken en vervolgens een wiegelied voor Hem te zingen. De herders zingen dit
echter pas in deel 3 (nr. 33) als zij daadwerkelijk in de stal zijn. Hier
zingt de alt, Maria, eerst voor haar zoon. |
|
19. Aria, alt |
|
|
|
Schlafe, mein Liebster, genieße der Ruh, |
Slaap, mijn liefste, geniet van de rust, |
Een
wiegelied, niet tijdens het herdersbezoek in deel 3 maar hier,
vooruitgrijpend op wat komen gaat; wel aangekondigd door voorgaand
basrecitatief. Dit mooie en subtiele lied is één en al liefelijkheid van
moeder tot kind. |
|
20. Recitatief, evangelist Lucas 2:13 |
|
|
|
Und alsobald war da bei dem Engel die Menge der himmlischen
Heerscharen, die lobten Gott und sprachen: |
En plotseling was er bij de engel een grote hemelse legermacht, die God loofde en zeiden: |
We
zijn weer terug in het bijbelverhaal dat een groot engelenkoor aankondigt: |
|
21. Koor, koor Lucas 2:14 |
|
|
|
Ehre sei Gott in der Höhe und Friede auf Erden und den
Menschen ein Wohlgefallen. |
Ere zij God in de hoge, en vrede op aarde en laat het de mensen goed gaan. |
Het
hemelkoor van engelen zingt een jubellied om God te eren. Slechts drie
tekstregels, waarvan de eerste, “Ehre sei Gott in der Höhe” drie keer herhaald
wordt, om de goddelijke drie-eenheid te loven. |
|
22. Recitatief, bas |
|
|
|
So recht, ihr Engel, jauchzt und singet, |
Welnu gij engelen heft nu uw loflied aan, |
De
bas roept ook de mensen, de gemeente, op een loflied te zingen. |
|
23. Koraal, koor |
|
|
|
Wir singen dir in deinem Heer |
Wij zingen U, verheven Heer |
De
gemeente antwoordt de bas met dezelfde koraalmelodie als bij nr. 17 (en 9)
maar dan vijf tonen hoger: stralend, verheerlijkend. Na elke zin flarden uit
de melodielijn van de openingspastorale met weer de fluiten en hobo’s. Zo
sluit deze tweede cantate af met een sterke binding aan de opening wat de
cyclische opbouw versterkt. |
DEEL IIIVoor de derde Kerstdag Herrscher des Himmels, erhöre das Lallen
|
|
Het
bezoek van de herders aan de stal; dankbaarheid staat centraal. |
|
24. Koor, koor |
|
|
|
Herrscher des Himmels, erhöre das Lallen |
Heerser des hemels, verhoor het gestamel. |
Een
vrij kort maar zeer feestelijk openingskoor dat aan het eind van deel 3 ter
afsluiting herhaald wordt. De koninklijke trompetten en pauken uit deel 1
zijn weer terug. We horen veel versieringen en korte noten maar op de
slotregel “befestiget steht” (unsere Wohlfahrt) een lange noot: ons welzijn
is nu een feit! |
|
25. Recitatief, evangelist Lucas 2:15a |
|
|
|
Und da die Engel von ihnen gen Himmel fuhren, sprachen die
Hirten untereinander: |
En toen de engelen van hen weggevaren waren naar de hemel, spraken de herders tot elkander: |
De
evangelist kondigt de herders aan: |
|
26. Koor, koor Lucas 2:15b |
|
|
|
Lasset uns nun gehen gen Bethlehem und die Geschichte sehen,
die da geschehen ist, die uns der Herr kundgetan hat. |
Laten wij naar Bethlehem gaan om te zien hetgeen geschied is en ons door de Here is bekend gemaakt. |
Hier
de herders in koor enthousiast aan het woord. De voortdurende snelle
bewegingen van de violen en fluiten tonen iets van de haast en het ongeduld
waarmee de herders naar Betlehem gaan. |
|
27. Recitatief, bas |
|
|
|
Er hat sein Volk getröst', |
Hij heeft zijn volk getroost, |
Bezinnend
wordt stilgestaan bij de weldaden van Jezus die ons lijden beëindigd heeft. |
|
28. Koraal, koor |
|
|
|
Dies hat er alles uns getan, |
Dit heeft Hij allemaal voor ons gedaan, |
Ook
de gemeente spreekt haar grote dankbaarheid uit voor het goeddoen van Jezus;
wel te verstaan, eeuwige dankbaarheid geaccentueerd door de basmelodie op
‘Ewigkeit’. |
|
29. Duet, sopraan en bas |
|
|
|
Herr, dein Mitleid, dein Erbarmen |
Heer, uw medelijden, uw erbarmen |
Deze
drie bespiegelende liederen (nr. 27 t/m 29) over Jezus’ goedheid worden
afgesloten door een liefdesduet van bas en sopraan tot de Heer met een
hobosolo als emotionele reactie. Daarna vervolgt het evangelieverhaal. |
|
30. Recitatief, evangelist Lucas 2:16-19 |
|
|
|
Und sie kamen eilend und funden beide, Mariam und Joseph, dazu
das Kind in der Krippe liegend. Da sie es aber gesehen hatten, breiteten sie
das Wort aus, welches zu ihnen von diesem Kind gesaget war. Und alle, für die
es kam, wunderten sich der Rede, die Ihnen die Hirten gesaget hatten. Maria
aber behielt alle diese Worte und bewegte sie in ihrem Herzen. |
En zij gingen haastig en vonden Maria en Jozef en het Kind dat in de kribbe lag. En toen zij het gezien hadden, maakten zij bekend hetgeen tot hen gesproken was over dit kind. En allen, die er van hoorden, verbaasden zich over hetgeen door de herders tot hen gezegd werd. Maria echter bewaarde al deze woorden en overlegde ze in haar hart. |
De
evangelist vertelt hoe de herders daadwerkelijk moeder en kind vinden en dit
nieuws verspreiden. Maria bewaart deze woorden lieflijk en blijft er in haar
hart mee bezig. Hierop volgt een stemmingsvolle meditatie op ‘Herze’, waarin
zij, Maria (in nr. 31 en 32), Jezus bewaart. Ook de gemeente sluit Jezus in
het hart (in nr. 33 “mit Fleiss bewaren”). Deze metafoor komt terug in deel 4
(nr. 40) en deel 5 (nr. 45). In 40 wordt ook Zijn Naam in het hart gesloten
en in 45 vertelt Maria de drie wijzen uit het oosten waar zij Jezus moeten
zoeken: in je borst, de plek waar je hart zit. |
|
31. Aria, alt |
|
|
|
Schließe, mein Herze, dies selige Wunder |
Sluit, mijn hart, dit zalige wonder van uw zwak geloof! |
Maria
en soloviool mediteren over het godswonder dat ons geloof sterkt. Men neemt
aan dat dit de enige originele (niet geparodieerde) aria in het
Weihnachts-Oratorium is. |
|
32. Recitatief, alt |
|
|
|
Ja, ja, mein Herz soll es bewahren, |
Ja, ja mijn hart moet het bewaren, |
Meestal
gaan reflecterende recitatieven (accompagnato) vooraf aan de bijbehorende
aria; hier komt deze erna. |
|
33. Koraal, koor |
|
|
|
Ich will dich mit Fleiß bewahren, |
Ik wil U met liefde vervuld bewaren, |
Nu
zingen de herders in de ik-vorm hun wiegelied tot het Godskind, waar de bas
in nr. 18 in deel 2 tot opriep (toen volgde Maria’s wiegelied). Het hele
bezoek van de herders aan Jezus wordt beschreven in termen van liefde. |
|
34. Recitatief, evangelist Lucas 2:20 |
|
|
|
Und die Hirten kehrten wieder um, preiseten und lobten Gott um
alles, das sie gesehen und gehöret hatten, wie denn zu ihnen gesaget war. |
En de herders keerden terug, God lovende en prijzende om alles wat ze hadden gehoord en gezien, zoals het hun gezegd was. |
De
evangelist vertelt verder over de terugkeer van de herders. De melodie
bereikt haar hoogtepunt op ‘prijzende’. |
|
35. Koraal, koor |
|
|
|
Seid froh dieweil, dass euer Heil |
Weest verheugd, omdat uw heil |
Dit
koraal klinkt als een statement: nu is hij er echt, als mens van vlees en
bloed: het wonder van de menswording van God is een feit. |
Nr. 24 da capo
|
|
|
|
Herrscher des Himmels, erhöre das Lallen, etc. |
Heerser des hemels, verhoor het gestamel, etc. |
De
cantate eindigt zoals hij begonnen is, “Herscher des Himmels”, als een
omarming om deel 3. |
DEEL IVBij het feest van de naamgeving en de besnijdenis Fallt mit Danken, fallt mit Loben |
|
Nieuwjaarsdag:
alleen hier in het Weihnachts-Oratorium komen hoorns voor, wat vorm geeft aan
iets nieuws, een nieuw jaar. De
zoetheid van de naam van Christus en de betekenis van Zijn naam staan
centraal. |
|
36. Koor, koor |
|
|
|
Fallt mit Danken, fallt mit Loben vor des Höchsten
Gnadenthron! Gottes Sohn will der Erden Heiland und Erlöser werden. Gottes
Sohn dämpft der Feinde Wut und Toben. |
Buigt u dankend, buigt u lovend neer voor de genadetroon van de allerhoogste. Gods Zoon zal de Heiland en verlosser der aarde worden. Gods Zoon maakt een einde aan de woede en razernij van de vijand. |
Een
openingskoor vol dank, lof en liefde voor (de komst van) de Verlosser. Alle
dankwoorden worden centraal geplaatst door ze heel lang aan te houden of door
ze te verlengen door het woord op een lange reeks tonen te zingen (coloratuur):
‘Loben’, ‘Gnade’, ‘Sohn’, ‘Heiland’, ‘Erlöser’. |
|
37. Recitatief, evangelist Lukas 2: 21 |
|
|
|
Und da acht Tage um Waren, dass das Kind beschnitten würde, da
ward sein Name genennet Jesus, welcher genennet war von dem Engel, ehe denn
er im Mutterleibe empfangen ward. |
En toen acht dagen vervuld waren, en het kind besneden zou worden, ontving Hij de naam Jezus, die door de engel genoemd was, voordat Hij in de moederschoot was ontvangen. |
Het
enige evangeliebericht in deze cantate: het mens geworden kind ontvangt de
naam Jezus, op dit woord bereikt de melodie zijn hoogtepunt. |
|
38. Recitatief met koraal, koorsopraan met recitatief bas |
|
|
|
recitatief bas Immanuel, o süßes Wort!
|
recitatief bas
|
Het
eerste woord van het basrecitatief ‘Immanuel’ (God met ons) komt uit Jesaja
7:14 waar een jonge vrouw in een tijd van Godsverduistering haar zoon deze
naam durft te geven als teken van geloof. Zo zal hij in staat zijn het kwade
te verwerpen en het goede te kiezen. In Matteüs 1:23 wordt deze naam ook aan
Jezus gegeven. Qua
opzet, inhoud en sfeer hebben nr. 38 en 40 veel gemeen: een ernstig duet
tussen bas (recitatief) en sopranen (koraal) mediterend over de liefde voor
Jezus (en Zijn naam). Hier vertoond in de vorm van de overwinning van de angst
voor de dood, de werkelijke betekenis van de naam Jezus. De tussenliggende
echo-aria (nr. 39) werkt ditzelfde inhoudelijke thema uit. In
het laatste basrecitatief lossen de donkere mineur klanken van ‘Tod’ en
‘sterbe’ op in een stralend C-groot op het woord ‘verdreven’; de overwinning
op de dood. |
|
39. Aria, sopraan en (antwoord)-sopraan |
|
|
|
Flöst, mein Heiland, flöst dein Namen |
Mijn Heiland, boezemt uw naam van zware schrik? |
In
deze ontspannen aria adviseert de sopraan: ‘Schrik? Nee!’, ‘Verheugen? Ja!’
waar de woorden ‘nee’ en ‘ja’ soms door de hobo, soms door de menselijke stem
geëchoed worden. Een soort spirituele dialoog tussen de gelovige ziel en het
reddende Christuskind. |
|
40. Recitatief met koraal, bas en sopraan in duet |
|
|
|
bas Wohlan, dein Name soll allein |
bas U, mijn Heer Jezus kunnen prijzen? |
Nr.
38 gaat hier verder: de bas heeft het recitatief, de sopranen het koraal. Nu
de angst voor de dood is overwonnen vragen beiden zich af hoe ze (de naam
van) Jezus in hun hart kunnen sluiten (het hart waarin Jezus woont uit nr. 30
keert terug). De sopranen doen dit door de vele koosnamen voor Jezus in dank
uit te spreken. |
|
41. Aria, tenor |
|
|
|
Ich will nur dir zu Ehren leben, |
Ik wil alleen tot eer van U leven. |
De
naam die toevlucht is in leven (en sterven) is hier alleen nog ‘Heiland’, dus
de betékenis van Zijn naam. In deze vierstemmige fuga waar het thema
achtereenvolgens door de eerste viool, tweede viool, cello en als laatste
door de tenor wordt ingezet hebben stem en instrumenten gelijkwaardige
partijen toebedeeld gekregen; hierdoor is het geheel sterk instrumentaal van
karakter. De tenor maakt meditaties (d.m.v. coloraturen) op de kernwoorden
‘leven’, ‘kracht’, ‘genade’ en ‘dank’. De melodie en bezetting doen aan
zigeunermuziek denken, om te benadrukken dat Jezus een mens is, van vlees en
bloed, één van ons, en voor ons. |
|
42. Koraal, koor |
|
|
|
Jesus richte mein Beginnen, |
Jezus ticht nu mijn beginnen, Jezus moet mijn enige begeren zijn, |
De
hoorns uit het openingskoor van dit deel zijn terug. Een meditatie op de Naam
als slot: elke regel begint met ‘Jezus’, steeds gevolgd door intermezzi met
triomfantelijke hoorns. De melodie van dit koraal komt niet uit de kerkelijke
liedboeken; hoogstwaarschijnlijk is zij door Bach zelf gecomponeerd. |
DEEL VOp de zondag na Nieuwjaar
Ehre sei dir, Gott, gesungen |
|
In
1734/35 was er geen zondag tussen kerst en oud en nieuw maar wel tussen oud
en nieuw en driekoningen. In deze cantate zijn de drie wijzen uit het oosten
in Jeruzalem bij Herodes; dit deel vertelt over het licht dat de wijzen
gezien hebben. |
|
43. Koor, koor |
|
|
|
Ehre sei dir, Gott, gesungen, |
Eer zij U, God, toegezongen; |
De
instrumentatie is beperkt vergeleken bij de andere cantates. Accenten op
‘Ehre’, ‘Lob’ en ‘Dank’. |
|
44. Recitatief, evangelist Matteüs 2: 1 |
|
|
|
Da Jesus geboren war zu Bethlehem im jüdischen Lande zur Zeit
des Königes Herodis, siehe, da kamen die Weisen vom Morgenlande gen Jerusalem
und sprachen: |
Toen Jezus geboren was te Bethlehem in het Joodse land, in de tijd van koning Herodes, zie, daar kwamen wijzen uit het Oosten naar Jeruzalem en vroegen: |
Het
verhaal verplaatst zich van het evangelie van Lucas naar het evangelie van
Matteüs . De drie wijzen komen aan in Jeruzalem en vragen: |
|
45. Koor met Recitatief, koor, alt Matteüs 2: 2 |
|
|
|
koor Wo ist der neugeborne König der Jüden? Wo? |
koor Waar is de pasgeboren Koning der Joden? Waar? Hoe helder, hoe klaar moet dan wel u schijn, |
Unaniem
(homofoon) vragen de wijzen waar ze Jezus kunnen vinden: ‘Wo?’ De vraag
blijft in de lucht hangen. Maria antwoord dat je Jezus in je hart kunt
vinden; de metafoor uit nr. 30 komt terug. Vervolgens zegt de een na de ander
Zijn ster gezien te hebben. Maria reageert met een beschouwing over het
goddelijke licht. |
|
46. Koraal, koor |
|
|
|
Dein Glanz all Finsternis verzehrt, |
Uw glans doet alle duisternis verdwijnen, |
De
gemeente reageert stralend en onderstreept nogmaals de ‘Glanz’ en het
‘Licht’. |
|
47. Aria, bas |
|
|
|
Erleucht auch meine finstre Sinnen, |
Verlicht ook mijn duistere gemoed, bij al mijn werken zijn, |
De
straling van Christus, het Woord, is zelf verlicht en zal al het donker en
duister verlichten. Met coloraturen op ‘verlicht’ en ‘stralen’ en een hoge
noot op ‘helderste’. |
|
48. Recitatief, evangelist Matteüs 2:3 |
|
|
|
Da das der König Herodes hörte, erschrak er und mit ihm das
ganze Jerusalem. |
Toen koning Herodes hiervan hoorde, schrok hij en geheel Jeruzalem met hem. |
De
schrik van Herodes (door het bericht van de wijzen uit nr. 45) klnikt er in
de hoogte duidelijk bovenuit. |
|
49. Recitatief, alt |
|
|
|
Warum wollt ihr erschrecken? |
Waarom zoudt u zo schrikken? dat Hij belooft het menselijk welzijn te vernieuwen. |
De
alt, Maria, reageert ontsteld op de schrik van Herodes; hij krijgt een
uitbrander voor zijn angst. Waar zij over vreugde spreekt maakt mineur plaats
voor majeur. |
|
50. Recitatief, evangelist Matteüs 2:4-6 |
|
|
|
Und ließ versammlen alle Hohenpriester und Schriftgelehrten
unter dem Volk und erforschete von ihnen, wo Christus sollte geboren werden.
Und sie sagten ihm: Zu Bethlehem im jüdischen Lande; denn also stehet geschrieben
durch den Propheten: Und du Bethlehem im jüdischen Lande bist mitnichten die
kleinest unter den Fürsten Juda; denn aus dir soll mir kommen der Herzog, der
über mein Volk Israel ein Herr sei. |
En hij liet de overpriesters en schriftgeleerden van het volk
vergaderen en trachtte van hen te vernemen, waar Christus geboren zou worden.
En zij zeiden tot hem: Te Bethlehem in het Joodse land, want aldus staat geschreven door de profeet: En gij, Bethlehem, in het Joodse land, zijt geenszins de minste onder de leiders van Juda, want uit u zal een leidsman voortkomen, die over mijn volk Israël een heer zal zijn. |
Herodes
vraagt de Joodse theologen waar hij dan geboren is. (Ondertussen stijgt de
continuo negen tonen.) Wanneer de geestelijken aan het woord zijn krijgt het
een arioso karakter: het klink opeens veel liever en levendiger, nu de
profetie van Micha (Mi 5:1) geciteerd wordt. |
|
51. Terzet, sopraan, tenor en alt |
|
|
|
sopraan Ach, wenn wird die Zeit erscheinen?
|
sopraan Ach, wanneer zal de tijd verschijnen?
|
De
gelovigen, in de vorm van sopraan, tenor en viool solo, zingen van hun wens
dat Jezus zal verschijnen: ‘O, wanneer?’. Ze worden onderbroken door de alt
‘Zwijg, hij is er al!’. Maria wacht niet meer omdat zij Hem al gevonden heeft
en rotsvast gelooft. Daarna roepen tenor en sopraan in canon Jezus tot zich. |
|
52. Recitatief, alt |
|
|
|
Mein Liebster herrschet schon. |
Mijn geliefde heerst reeds, |
De
alt gaat verder en legt uit wat Jezus’ aanwezigheid in het hier en nu
betekent. |
|
53. Koraal, koor |
|
|
|
Zwar ist solche Herzensstube |
Zo een hartenkamer is weliswaar niet een prachtige paleiszaal, deze kamer slechts zal aanraken |
Het
koor vat ter afsluiting samen wat het licht en stralen met een donker hart
zal doen. |
DEEL VIHerr, wenn die stolzen Feinde schnauben |
|
Zes
januari: het bezoek van de drie wijzen aan Jezus. Centraal in deze cantate
staat dat Jezus, en met Zijn bescherming de gelovigen, het volk, ons, geen
schade door vijandelijke machten toegebracht kan worden. |
|
54. Koor, koor |
|
|
|
Herr, wenn die stolzen Feinde schnauben, |
Heer, als de trotse vijanden razen, |
De
tekst benadrukt dat het om ons gaat: wíj geloven, vertrouwen en overwinnen.
De trompetten zijn weer terug. Veel stijgende lijnen (‘Macht’, ‘Glauben’) en
coloraturen (‘vertrauen’). Het koorwerk is fugatisch maar sluit af met een
homofoon ‘nach dieser Macht und Hülfe sehn’. |
|
55. Recitatief, tenor en bas Matteüs 2: 7 |
|
|
|
evangelist Herodes |
evangelist Toen riep Herodes de wijzen in het geheim en deed bij hen
nauwkeurig navraag, wanneer de ster verschenen was. En hij zond hen naar
Bethlehem en zei: |
De
valse Herodes (de bas) roept de wijzen op het kind te zoeken, met hoogte
accenten op ‘zoek’ en ‘kind’, zodat hij het ook kan aanbidden. |
|
56. Recitatief, sopraan |
|
|
|
Du Falscher, suche nur den Herrn zu fällen, |
Gij, valsaard, tracht maar de Heer te doden. om de Heiland te vervolgen, |
Hier
is het niet de alt die zich verdedigt tegen Herodes’ onechte motieven maar de
sopraan als anonieme gelovige. ‘Dein falsches Herz’ beklemtoond door een gang
van zeven tonen (septiemsprong) van a naar hoge g. |
|
57. Aria, sopraan |
|
|
|
Nur ein Wink von seinen Händen |
Slechts een wenk van zijn handen de gedachten der stervelingen zich tot Hem keren. |
De
sopraan vervolgt haar recitatief accompagnato middels een dansende aria met
een spottende versiering op de trots (‘Stolz’) van de vijand Herodes. De
spottende versieringen worden door de violen bevestigd. |
|
58. Recitatief, evangelist Matteüs 2:9-11 |
|
|
|
Als sie nun den König gehöret hatten, zogen sie hin. Und
siehe, der Stern, den sie im Morgenlande gesehen hatten, ging für ihnen hin,
bis dass er kam und stund oben über, da das Kindlein war. |
Toen zij nu de koning gehoord hadden, gingen zij op weg; en
zie, de ster, die zij in het Oosten gezien hadden, ging hun voor, totdat zij
kwam en stond boven de plaats, waar het kind was. |
Het
evangelie vertelt verder over de reis van de wijzen begeleid door de ster. In
de stal vinden zij Maria en Jezus, vallen voor Hem op de knieën (op een
dalend akkoord) en geven hun geschenken. |
|
59. Koraal, koor |
|
|
|
Ich steh an deiner Krippen hier, |
Ik kniel aan uw kribbe neer |
De
overgave en aanbidding van de wijzen slaat over op de hele gemeente: vol
eerbied en bewondering knielen ook zij bij de kribbe. |
|
60. Recitatief, evangelist Matteüs 2:12 |
|
|
|
Und Gott befahl ihnen im Traum, dass sie sich nicht sollten
wieder zu Herodes lenken, und zogen durch einem anderen Weg wieder in ihr
Land. |
En van Godswege in de droom gewaarschuwd om niet tot Herodes terug te keren, trokken zij langs een andere weg naar hun land terug. |
De
wijzen keren niet terug naar Herodes
maar kiezen een ándere weg, duidelijk belicht door een hoge gis op ‘andere’.
Dit is het laatste evangeliebericht uit het Weihnachts-Oratorium. De continuo
speelt twee solistische maten ter afsluiting. |
|
61. Recitatief, tenor |
|
|
|
So geht! Genug, mein Schatz geht nicht von hier, |
Gaat heen! Genoeg, mijn schat gaat niet van hier, bij zo'n groot geluk, kunnen kwetsen? |
Weer
een combinatie van recitatief en aria na elkaar, nu door de tenor. De relatie
tussen de ziel en Jezus wordt gereflecteerd. Hij spreekt over de liefde
waarmee Christus in het hart van de gelovigen blijft wonen, gered van de
bedreiging van Herodes. Die liefde is innig en zachtmoedig, zoals die van een
bruidegom of goeie vriend. |
|
62. Aria, tenor |
|
|
|
Nun mögt ihr stolzen Feinde schrecken; |
Nu kunt gij, trotse vijanden, schrikken. |
De
tenor vervolgt met een aria over de kracht van het geloof: de gelovige heeft
de zekerheid dat God bij hem blijft. |
|
63. Recitatief, kwartet solo |
|
|
|
Was will der Höllen Schrecken nun, |
Wat kan de angst voor de hel nu doen. |
Een
vierstemmig recitatief ter voorbereiding van de finale (net als in de
Matthäus Passion). In canon zingen de vier solisten over de overwonnen angst,
“Nu wij in Jezus’ handen zijn”, klinkt de slotregel unisono. |
|
64. Koraal, koor |
|
|
|
Nun seid ihr wohl gerochen |
Nu hebt ge wel gewroken de weerstand van het kwaad. van het menselijke geslacht.. |
Wederom,
net als in deel 1, het passiekoraal ‘O Haupt vol Blut und Wunden’, nu echter
als triomflied. Lijden wordt omgezet in jubelen, nu door Christus’
menswording de positie van heel de mensheid bij God verzekerd is. Niet alleen
de koninklijke trompetten triomferen, ook de strijkers gaan tijdens de
koraalregels niet met de stemmen mee maar houden hun eigen melodieën:
iedereen maakt op zijn manier deel uit van de totale vreugde! |