Vijfenzeventig jaar v.v. Baronie
1926- 2001


Hoofdstuk 3

'Het lelijke eendje van het betaald voetbal'; Baronie en het profavontuur, 1955-1971

In 1955 was het zover. In navolging van de ons omringende landen werd ook in Nederland gestart met (semi-) betaald voetbal.
Dit hoofdstuk zal de periode 1955-1971 behandelen waarin Baronie met wisselend succes - maar veélal toch met matige resultaten - zich mengde in het Nederlandse betaald voetbal.
Deze episode in de geschiedenis van het Ginnekens cluppie moest noodgedwongen ten einde komen, want naast N.A.C. een tweede profclub in Breda3 daar was (- en is -) de Parel van het Zuiden toch echt te klein voor: In 197I werd de vereniging Baronie gesaneerd en teruggewezen naar de regionen der amateurs.
Toch draagt de betaalde periode in belangrijke mate bij aan de rijke historie van Baronie en heeft de naam Baronie juist daardoor in den lande bekendheid gekregen. Al met al een kleurrijke periode, waaraan ook weer niet met teveel weemoed moet worden teruggedacht. 'Het lelijke eendje van het betaald voetbal', zo werd Baronie eens genoemd in een krantenartikel. Een weinig complimenteuze status, maar wellicht wel zo realistisch. Baronie speelde tussen 1955 en 1971 in de marge van het vaderlandse betaald voetbal - het eerste jaar daargelaten - in de toenmalige Tweede Divisie.

De eisen voor betaald voetbal

Niet zomaar konden voetbalverenigingen deel gaan nemen aan de betaalde competitie.
Naast goede sportieve resultaten moest aan andere voorwaarden voldaan worden alvorens een zogenaamde proflicentie werd verleend waarna men werd ingedeeld in een van de betaalde afdelingen. Op sportief gebied was er voor Baronie eigenlijk geen vuiltje aan de lucht. Men had in het voorafgaande decennium bewezen steeds tot de subtop van de amateurs te behoren en was menigmaal kampioen geworden in de 2e klasse.

Maar daarnaast was met name het financiële plaatje belangrijk, wilde men toegelaten worden tot de profs. Zo werd gesteld dat de vereniging Baronie een waarborgsom van f 50.000,- tot haar beschikking moest hebben (waarbij overigens alle roerende en onroerende eigendommen
meetelden).
Ook aan de accommodatie werden eisen gesteld: minimaal 7.000 plaatsen moesten beschikbaar zijn voor toeschouwers. Vergelijk dit eens met R.B.C. Roosendaal dat voor het seizoen 2000-2001 een stadion liet bouwen met een capaciteit van slechts 5.000 en daarmee al 'eredivisiewaardig' is.

Het grootste verschil met de situatie in het verleden bestond er natuurlijk in dat de verhouding speler-club een complete gedaante-wisseling onderging.
Speelde men in vroegere tijden louter en alleen voor de spelvreugde en bij een club die het meest aan het hart ging, nu werd de club de werkgever en de voetballer de werknemer. Ook wat het punt van betaling betreft stelde men regels op. Een contractspeler moest minimaal f 600,- per jaar verdienen, maar mocht niet meer krijgen dan f 3.000,- in de Eerste Klasse.
Voor de Hoofdklasse was het maximumbedrag dat een speler mocht verdienen f 3.600,- per jaar. Wat betreft transfers stelde het reglement dat in twee achtereenvolgende jaren ten hoogste zes spelers van buitenaf mochten worden aangetrokken. De transfersom moest tot stand komen door een overeenkomst tussen de twee betrokken clubs, maar wanneer geen overeenkomst bereikt kon worden, dan werd het overschrijvingsbedrag op f 600,- per jaar vastgesteld, met een maximum
van vijf jaar of f 3.000,-. Tenslotte zou vijf procent van de transfersom aan de desbetreffende speler worden uitgereikt.

Hoe dan ook, in de beginperiode van de profstatus, zoveel is zeker, betaalde Baronie haar spelers een basissalaris van f 600,- per jaar; daarnaast bestond een premiestelsel.
Een gewonnen wedstrijd leverde per persoon f 30,- op, een gelijkspel f 15,- en een verloren duel was nog altijd goed voor vijf harde guldens. Bovendien kreeg iedere contractspeler f 5, uitgekeerd per bijgewoonde trainingssessie.
Even uitgaande van het aantal van 34 wedstrijden per seizoen en 46 weken waarin vier keer getraind werd, konden Baroniespelers dus maximaal f 2.540,- per jaar verdienen. Dan moest wel iedere wedstrijd gewonnen worden - iets wat nooit voorgekomen is - en mocht een speler niet eenmaal een training verzuimen.
Het reële bedrag dat een Baroniespeler jaarlijks verdiende lag dus een stuk lager dan hierboven is aangegeven. Het moge duidelijk zijn dat het zeker bij Baronie ging om semi-betaald voetbal, met de nadruk op 'semi'. Want zelfs medio jaren vijftig kon een gezin niet een jaar leven van een 
bedrag dat ergens tussen de een en tweeduizend gulden gelegen zal hebben.

hoofdstuk 2.12 hoofdstuk 3.2