Vijfenzeventig jaar v.v. Baronie
1926- 2001


Hoofdstuk 3

Professionalisering maar te weinig publiek

En ook in het seizoen 1961-1962 werd de positieve trend doorgezet. Niet in de laatste plaats waren de betere resultaten te danken aan de komst van een nieuwe trainer. In het midden van het seizoen, december 1961, werd trainer Jan Remmers opgevolgd door de Hongaar Joseph Nagy als hoofdcoach. Oud-speler Kees van Ierssel - later onder meer FC Twente en het Nederlands Elftal - herinnert zich de komst van Nagy nog goed, hij zegt in de Baronie Presentatiegids 1996-1997 het volgende: "Nagy was mijn eerste trainer bij Baronie 1. Een ontzettend aardige man, die in 1956 uit Hongarije was gevlucht. Het schijnt dat deze Nagy nog in Boedapest met de grote Puskas gevoetbald had en zelfs een goede vriend van deze legende is geweest."

Baronie streed in dat eerste jaar onder Nagy mee voor de bovenste plaats en voor het eerst was het behalen van een plaats in de Eerste Divisie echt in zicht. In een thuiswedstrijd om het kampioenschap tegen Velox werd helaas verloren voor maar liefst 10.000 toeschouwers, een voor die jaren uitzonderlijke belangstelling. Baronie trok vanaf het begin van het betaald voetbal geen grote aantallen toeschouwers meer, zoals dat het geval was geweest eindjaren veertig, begin jaren vijftig.

Henk van Ierssel, broer van Kees en net als de andere broer Ad ook speler van Baronie 1 in die tijd, in dezelfde Baronie Presentatiegids: "Velox thuis was een uitzondering. Gemiddeld kwamen er bij ons twee- tot drie duizend man per wedstrijd kijken. Maar toen wij als kleine jongens zelf naar Baronie gingen kijken was het wel veel drukker.
Die generatie voor ons trok nog echt veel publiek en toen zat het regelmatig vol.

Kees vervolgt: "Het probleem met de tegenvallende publieksaantallen was, denk ik, dat N.A.C. toen al gewoon de club was in Breda. Bij ons kwam er geen hond uit de stad kijken, wij moesten het puur en alleen van 't Ginneken hebben. Ad, tenslotte: "Het gebrek aan voldoende publieke belangstelling was er ook de oorzaak van dat betaald voetbal bij Baronie eigenlijk nooit een succes is geworden. Een oplossing had misschien kunnen zijn met N.A.C. te fuseren. N.A.C. wilde geloof ik wel, maar Baronie hield het tegen omdat men de eigen identiteit wilde behouden. Tijdens een Algemene Vergadering is het fusieplan van tafel geveegd."

Breda als stad bleek te klein voor een tweede profclub naast N.A.C. en Ginneken bleek te klein om Baronie alleen te kunnen dragen. Met alle respect voor al die vrijwilligers die zich inspanden om Baronie financieel gezond te houden, het zette al met al te weinig zoden aan de dijk. Zo
bestond vanaf de start in het betaald voetbal een Baronie Voetbalpool, waarbij de sigarenwinkel op de Dillenburgstraat van Andel van lerssel (vader van Ad, Henk en Kees en toen al sinds mensenheugenis lid, supporter en vrijwilliger bij de Baronnen) een spilfunctie had, op touw gezet door Baronie-enthousiastelingen met als doel de vereniging financieel te steunen. Maar dergelijke goedbedoelde initiatieven pasten in de jaren zestig eigenlijk niet meer in een voetbalwereld die zich verder en verder professionaliseerde en waar het grote geld steeds zichtbaarder ging heersen.

De mening dat er in Breda geen plaats was (en is) voor twee betaalde clubs werd gedeeld door de voorzitter van het op dat moment ook niet florissant draaiende N.A.C., de heer Jacques Raaymakers. Op de vraag in De Stem van 24 december 1965 of Raaymakers iets voelt voor een
samengaan met Baronie antwoordt hij bevestigend en voegt daar aan toe: "In beide kampen heeft men natuurlijk te maken met sentimenten. Ik heb alle respect voor het Baroniebestuur. Dat verzet momenteel bergen werk. Ik geloof echter dat de situatie op den duur onhoudbaar is. Baronie zal hetzelfde standpunt dienen in te nemen als N.A.C. En wat is er nu beter en zakelijker dan een samengaan tussen de betaalde afdelingen van beide clubs?"

hoofdstuk 3.4 hoofdstuk 3.6