Het A-brevet modelhelicopter

Laatste wijziging 25 januari 2009
Een beknopt overzicht welke richtlijnen (2009) er worden gehanteerd voor het behalen van het A-brevet ( veiligheids vliegvaardigheids certificaat) opgesteld door de KnVVL hier een globaal overzicht:

De brevetten zijn niet erkend door de luchtvaart autoriteiten er kunnen geen wettelijke consequenties aan worden verbonden en geen wettelijke rechten aan worden ontleend aan het bezit er van. (bron: KnVVL  -> Modelvliegsport -> Brevetten -> Algemeen  -> 8.1.2)


Ze worden hoofdzakelijk gebruikt binnen de clubs onderling als aantoonbaar bewijs van vliegvaardigheid t.b.v. de veiligheid.

Voor een aandrijving met elektromotor geldt dezelfde eis als voor een zuigermotor, met dien verstande dat de vlucht maximaal tweemaal onderbroken mag worden om accu’s te wisselen.

BESCHRIJVING FIGUREN BREVET HELIKOPTER A

1. ZWEEFVLUCHT ZIJWAARTS LINKS-RECHTS

Het model stijgt verticaal op van het centrale helipad tot ooghoogte en stopt.
Verplaatst zich vervolgens zijwaarts naar links met de neus in dezelfde richting tot boven de zijlijn van het vierkant en stopt.
Vliegt zijwaarts naar rechts tot boven de tegenover gestelde zijlijn van het vierkant en stopt.
Vliegt zijwaarts naar links tot boven het centrale helipad en stopt.
Daalt daarna verticaal en landt in het centrale helipad.

Een onvoldoende kan gebaseerd zijn op de onderstaande onvolkomenheden:

1. Het opstijgen en landen verloopt ruw met verandering van richting.
2. Opstijgen en landen niet verticaal.
3. Model blijft niet op juiste positie gedurende de draai.
4. Model verandert van hoogte, richting of snelheid tijdens de horizontale vlucht.
5. Deelnemer slaagt er niet in het model boven de stoppunten stil te hangen.

2. ZWEEFVLUCHT DIAGONAAL, VOORUIT - ACHTERUIT

Het model stijgt verticaal op van het centrale heli pad tot ooghoogte en stopt. Verplaatst zich  vervolgens diagonaal over het veld met de neus in dezelfde richting.
De diagonaal kan naar alle vier de hoeken begonnen worden.
Het model vliegt tot boven de hoekvlag en stopt.
Vliegt vervolgens horizontaal in tegengestelde richting tot boven de diagonaal geplaatste hoekvlag en stopt.
Vliegt vervolgens horizontaal terug tot boven het centrale heli pad en stopt, waarna vervolgens verticaal geland wordt in het centrale heli pad.

Een onvoldoende kan gebaseerd zijn op de onderstaande onvolkomenheden:

1. Het opstijgen en landen verloopt ruw met verandering van richting.
2. Opstijgen en landen niet verticaal.
3. Model verandert van hoogte, richting of snelheid tijdens horizontale vlucht.
4. Model raakt van koers of deelnemer slaagt er niet in het model boven de stoppunten stil te hangen.

3. FIGUUR M

De deelnemer ongeveer 2 meter achter het buitenste heli pad. Het model stijgt verticaal op tot ooghoogte en stopt.
Met de neus in dezelfde richting houdend, zweeft het horizontaal in diagonale lijn achterwaarts naar vlag 1of 4 en stopt. Zweeft vervolgens horizontaal op ooghoogte rechtuit tot boven vlag 2 of 3 en stopt.
Zweeft vervolgens horizontaal op ooghoogte zijwaarts van vlag 2 naar 3 of van 3 naar 2 en stopt boven de vlag.
Zweeft daarna horizontaal achterwaarts tot boven vlag 4 of 1 en stopt.
Vervolgens diagonaal voorwaarts tot boven centrale heli pad stopt en land verticaal in centrale heli pad.

Een onvoldoende kan gebaseerd zijn op de onderstaande onvolkomenheden:

1. Het opstijgen en landen verloopt ruw met verandering van richting.
2. Opstijgen en landen niet verticaal.
3. Model verandert van hoogte, richting of snelheid tijdens horizontale vlucht.
4. Model raakt van koers of deelnemer slaagt er niet in het model boven de stoppunten stil te hangen.

4. GESCHOVEN HORIZONTALE ACHT

De deelnemer moet ongeveer 2 meter achter het buitenste heli pad staan. Het model stijgt verticaal op tot ooghoogte en stopt.
Het model vliegt vervolgens horizontaal op ooghoogte vooruit en beschrijft een cirkel links of rechtsom,
waarbij de neus van het model in de vliegrichting blijft waarmee het de figuur is begonnen .
De cirkel heeft een diameter van 10 meter en loopt over de twee vlaggen aan een kant van het vierkant en eindigt boven het centrale heli pad.
Zonder snelheid te verminderen vliegt het model door en maakt een cirkel in de andere richting, waarbij het model over de twee andere vlaggen vliegt en terugkeert tot boven het centrale heli pad en stopt. Vervolgens wordt verticaal geland in het centrale heli pad.

Een onvoldoende kan gebaseerd zijn op de onderstaande onvolkomenheden:

1. Het opstijgen en landen verloopt ruw met verandering van richting.
2. Opstijgen en landen niet verticaal.
3. Model verandert van hoogte, richting of snelheid tijdens horizontale vlucht.
4. Model raakt van koers of deelnemer slaagt er niet in het model boven de stoppunten stil te hangen.
5. Cirkels niet rond, gelijk aan elkaar en niet boven de vlaggen gevlogen.

5. CIRKEL GESCHOVEN

Op deze wijze van uitvoering kan de deelnemer geen positie innemen binnen de te vliegen cirkel (veiligheid).
De vlieger heeft de keuze mee te lopen met het model of in ieder geval op veilige afstand positie in te nemen buiten de cirkel.
De vlieger plaatst de helicopter in het helipad tussen hoekpunten 2 en 3. Het model stijgt verticaal op tot ooghoogte en stopt. Het model vliegt dan zijwaarts naar links of rechts en beschrijft een volledige cirkel met een diameter van 10 meter. Hierbij houdt het een constante hoogte aan en houdt de staart wijst steeds naar het middelpunt va de cirkel in de dezelfde richting en stopt waarna het verticaal landt in het centrale heli pad.

Een onvoldoende kan gebaseerd zijn op de onderstaande onvolkomenheden:

1. Het opstijgen en landen verloopt ruw met verandering van richting.
2. Opstijgen en landen niet verticaal.
3. Model verandert van hoogte, richting of snelheid tijdens horizontale vlucht.
4. Model raakt van koers of deelnemer slaagt er niet in het model boven de stoppunten stil te hangen.
5. Cirkel niet rond en niet aan de zijlijnen van het helipad raak.

6. LANDING VANAF 10 m HOOGTE EN 15 m VAN LANDINGSDOEL

De deelnemer kiest een zelf gekozen positie in de nabijheid van het vierkant tussen het vierkant en de beoordelaars.
Het model stijgt op vanuit het centrale helipad naar een door de deelnemers zelf gekozen positie op een hoogte van tenminste 10 meter. Vervolgens wordt vanuit die positie een landing onder een hoek van ongeveer 45 graden of een verticale landing ingezet, waarbij het model
wordt geland in het vierkant.

Een onvoldoende wordt gegeven indien:
1. Het model niet wordt geland in het vierkant.
2. Harde landing.
3. Er schade ontstaat aan het model bij of kort na de landing.
4. Omvalt bij of kort na de landing.

Figuren veiligheidsbrevet A Helikoptermodellen:

Vliegprogramma Veiligheidsbrevet A Helikopter


 

6. Landing vanaf 10 m hoogte en 15 m van doel
(landingstrajecten zijn optioneel)