Het A-brevet modelhelicopter
De brevetten zijn niet erkend door de luchtvaart autoriteiten er kunnen geen wettelijke consequenties aan worden verbonden en geen wettelijke rechten aan worden ontleend aan het bezit er van. (bron: KnVVL -> Modelvliegsport -> Brevetten -> Algemeen -> 8.1.2)
Ze worden hoofdzakelijk gebruikt binnen de clubs onderling als aantoonbaar
bewijs van vliegvaardigheid t.b.v. de veiligheid.
Voor een aandrijving met elektromotor geldt dezelfde eis als voor een zuigermotor, met dien verstande dat de vlucht maximaal tweemaal onderbroken mag worden om accu’s te wisselen.

BESCHRIJVING FIGUREN BREVET HELIKOPTER A
1. ZWEEFVLUCHT ZIJWAARTS LINKS-RECHTS
Het model stijgt verticaal op van het centrale helipad tot ooghoogte en
stopt.
Verplaatst zich vervolgens zijwaarts naar links met de neus in dezelfde
richting tot boven de zijlijn van het vierkant en stopt.
Vliegt zijwaarts naar rechts tot boven de tegenover gestelde zijlijn van het
vierkant en stopt.
Vliegt zijwaarts naar links tot boven het centrale helipad en stopt.
Daalt daarna verticaal en landt in het centrale helipad.
Een onvoldoende kan gebaseerd zijn op de onderstaande onvolkomenheden:
1. Het opstijgen en landen verloopt ruw met verandering van richting.
2. Opstijgen en landen niet verticaal.
3. Model blijft niet op juiste positie gedurende de draai.
4. Model verandert van hoogte, richting of snelheid tijdens de horizontale
vlucht.
5. Deelnemer slaagt er niet in het model boven de stoppunten stil te hangen.
2. ZWEEFVLUCHT DIAGONAAL, VOORUIT - ACHTERUIT
Het model stijgt verticaal op van het centrale heli pad tot ooghoogte en
stopt. Verplaatst zich vervolgens diagonaal over het veld met de neus in
dezelfde richting.
De diagonaal kan naar alle vier de hoeken begonnen worden.
Het model vliegt tot boven de hoekvlag en stopt.
Vliegt vervolgens horizontaal in tegengestelde richting tot boven de diagonaal
geplaatste hoekvlag en stopt.
Vliegt vervolgens horizontaal terug tot boven het centrale heli pad en stopt,
waarna vervolgens verticaal geland wordt in het centrale heli pad.
Een onvoldoende kan gebaseerd zijn op de onderstaande onvolkomenheden:
1. Het opstijgen en landen verloopt ruw met verandering van richting.
2. Opstijgen en landen niet verticaal.
3. Model verandert van hoogte, richting of snelheid tijdens horizontale
vlucht.
4. Model raakt van koers of deelnemer slaagt er niet in het model boven de
stoppunten stil te hangen.
3. FIGUUR M
De deelnemer ongeveer 2 meter achter het buitenste heli pad. Het model stijgt verticaal op
tot ooghoogte en stopt.
Met de neus in dezelfde richting houdend, zweeft het horizontaal in diagonale
lijn achterwaarts naar vlag 1of 4 en stopt. Zweeft vervolgens horizontaal op
ooghoogte rechtuit tot boven vlag 2 of 3 en stopt.
Zweeft vervolgens horizontaal op ooghoogte zijwaarts van vlag 2 naar 3 of van
3 naar 2 en stopt boven de vlag.
Zweeft daarna horizontaal achterwaarts tot boven vlag 4 of 1 en stopt.
Vervolgens diagonaal voorwaarts tot boven centrale heli pad stopt en land
verticaal in centrale heli pad.
Een onvoldoende kan gebaseerd zijn op de onderstaande onvolkomenheden:
1. Het opstijgen en landen verloopt ruw met verandering van richting.
2. Opstijgen en landen niet verticaal.
3. Model verandert van hoogte, richting of snelheid tijdens horizontale
vlucht.
4. Model raakt van koers of deelnemer slaagt er niet in het model boven de
stoppunten stil te hangen.
4. GESCHOVEN HORIZONTALE ACHT
De deelnemer moet ongeveer 2 meter achter het buitenste heli pad staan. Het
model stijgt verticaal op tot ooghoogte en stopt.
Het model vliegt vervolgens horizontaal op ooghoogte vooruit en beschrijft een
cirkel links of rechtsom,
waarbij de neus van het model in de vliegrichting blijft waarmee het de figuur
is begonnen .
De cirkel heeft een diameter van 10 meter en loopt over de twee vlaggen aan
een kant van het vierkant en eindigt boven het centrale heli pad.
Zonder snelheid te verminderen vliegt het model door en maakt een cirkel in de
andere richting, waarbij het model over de twee andere vlaggen vliegt en
terugkeert tot boven het centrale heli pad en stopt. Vervolgens wordt
verticaal geland in het centrale heli pad.
Een onvoldoende kan gebaseerd zijn op de onderstaande onvolkomenheden:
1. Het opstijgen en landen verloopt ruw met verandering van richting.
2. Opstijgen en landen niet verticaal.
3. Model verandert van hoogte, richting of snelheid tijdens horizontale
vlucht.
4. Model raakt van koers of deelnemer slaagt er niet in het model boven de
stoppunten stil te hangen.
5. Cirkels niet rond, gelijk aan elkaar en niet boven de vlaggen gevlogen.
5. CIRKEL GESCHOVEN
Op deze wijze van uitvoering kan de deelnemer geen positie innemen binnen
de te vliegen cirkel (veiligheid).
De vlieger heeft de keuze mee te lopen met het model of in ieder geval op
veilige afstand positie in te nemen buiten de cirkel.
De vlieger plaatst de helicopter in het helipad tussen hoekpunten 2 en 3.
Het model stijgt verticaal op tot ooghoogte en stopt. Het model vliegt dan
zijwaarts naar links of rechts en beschrijft een volledige cirkel met een
diameter van 10 meter. Hierbij houdt het een constante hoogte aan en houdt de
staart wijst steeds
naar het middelpunt va de cirkel in de dezelfde richting en stopt waarna het verticaal
landt in het centrale heli pad.
Een onvoldoende kan gebaseerd zijn op de onderstaande onvolkomenheden:
1. Het opstijgen en landen verloopt ruw met verandering van richting.
2. Opstijgen en landen niet verticaal.
3. Model verandert van hoogte, richting of snelheid tijdens horizontale
vlucht.
4. Model raakt van koers of deelnemer slaagt er niet in het model boven de
stoppunten stil te hangen.
5. Cirkel niet rond en niet aan de zijlijnen van het helipad raak.
6. LANDING VANAF 10 m HOOGTE EN 15 m VAN LANDINGSDOEL
De deelnemer kiest een
zelf gekozen positie in de nabijheid
van het vierkant tussen het vierkant
en de beoordelaars.
Het model stijgt op vanuit het
centrale helipad naar een door de
deelnemers zelf gekozen positie op een
hoogte van tenminste 10 meter.
Vervolgens wordt vanuit die positie
een landing onder een hoek van
ongeveer 45 graden of een verticale
landing ingezet, waarbij het model
wordt geland in het vierkant.
Een onvoldoende wordt
gegeven indien:
1. Het model niet wordt geland in het
vierkant.
2. Harde landing.
3. Er schade ontstaat aan het model
bij of kort na de landing.
4. Omvalt bij of kort na de landing.
Figuren veiligheidsbrevet A Helikoptermodellen:
Vliegprogramma Veiligheidsbrevet A Helikopter


6.
Landing vanaf 10 m hoogte en 15 m van
doel
(landingstrajecten zijn optioneel)
