De hoofdrotor:
Grofweg kunnen we hierin twee hoofdgroepen onderscheiden t.w. de fixed pitch en
de collectieve pitch rotors al dan niet voorzien van een stuur(hulp)rotor.
De rotors komen voor in zowel links als rechtsomdraaiende uitvoeringen.
De fixed pitch rotor:
Bij dit type rotor wordt het stijgen en dalen bepaald door bij een vast
ingestelde hoek (invalshoek) van de rotorbladen t.o.v. de luchtinstroom het toerental te
verhogen of te verlagen.
Hoofdzakelijk komt de fixed-pitch rotor voor bij de kleinere elektro modelhelikopters.
De reden is dat in het algemeen de
elektromotor simpeler en beter in toeren
regelbaar is dan de brandstofmotor en daardoor dus meer geschikt is voor de
fixed-pitch rotor.
Het voordeel van de fixed-pitch rotor is dat meestal gebruikt gemaakt
kan worden van een
simpelere constructie met minder onderdelen en het geheel
hierdoor dan lichter en
goedkoper wordt.
Omdat bij dit type rotor de hoogte variatie
tijdens het vliegen wat minder goed controleerbaar is
(zeker bij de brandstof heli) dan de collectieve pitch wordt meestal dan ook de voorkeur gegeven aan een
ook meestal duurdere collectieve pitch rotor.
De collectieve pitch rotor:
Bij de collectieve-pitch rotor wordt het stijgen en dalen
geregeld door bij
een constant blijvend toerental de invalshoek van de rotorbladen te verstellen
en hierdoor meer of minder lift te creëren.
De
coaxiale rotor:
Dit type rotor bestaat uit twee rotors
die tegengesteld draaien.
Het voordeel hiervan is niet alleen
dat dit type rotor een hoge
eigenstabiliteit bezit maar ook dat
hier geen extra tegen kracht nodig is
om de de kracht te compenseren die de
motor uitoefent op de romp die
daardoor de andere kant op wil
draaien.
Dit betekend dus een beter rendement
van het verbruikte vermogen.
Het nadeel van dit type rotor is de
beperking in voorwaartse snelheid door
deze rotor opstelling.
De technieken die gebruikt worden bij de rotor:
Het rotorblad is basis van een
vliegende heli:
Een rotor bezit een of meerdere bladen
die de zelfde basis werking bezitten
als een vliegtuig vleugel.
Het blad t.o.v. de inkomende
luchtstroom (A) zorgt voor een tweedeling
(B en C)
die gedeeltelijk over en gedeeltelijk
onder de vleugel door gaat.
Afhankelijk van de invalshoek en
luchtsnelheid vindt een drukverdeling
plaats aan boven en onderzijde van de
vleugel.
Aan de onderzijde wordt de lucht
samengedrukt (C) en ontstaat een
langzamere luchtstroom met overdruk
die de vleugel naar boven drukt.
Aan de bovenzijde ontstaat het
omgekeerde en versneld de lucht (B) omdat
de luchtmoleculen de neiging hebben de
kromming te blijven volgen (Coanda
effect).
Hierdoor ontstaat een snellere
luchtstroom met een lagere luchtdruk.
Is de inkomende luchtsnelheid groot
genoeg en wordt de invalshoek niet te
groot dan is dit de basis voor een
goed werkende vleugel.
Het kan echter ook verkeerd gaan.
Is nu de luchtsnelheid te laag en / of
wordt de invalshoek te groot,ontstaat
de volgende situatie:
De luchtstroom aan de bovenzijde kan
het profiel niet meer kan volgen.
Achter de vleugel ontstaan altijd
wervelingen veroorzaakt door de
wrijving tussen de snellere en
langzamere luchtstroom.
Laat de luchtstroom aan de bovenzijde
te vroeg los dan wordt dit effect
verder terug gevoerd naar voren dan
wenselijk is.
De hierdoor ontstaan luchtwervelingen die
dusdanig gericht zijn dat de
achterzijde van de vleugel omlaag
gedrukt wordt veroorzaakt het z.g.
"overtrekken" van de vleugel c.q.
rotorblad.
Omdat de omtreksnelheid van de rotor
en de snelheid van de heli
rechtstreeks de snelheid van
toegevoerde luchtstroom bepaald zie je
het gevaar van overtrekken groter
wordt naar mate je korter bij het
middelpunt van de rotor komt.
Om dit effect beter te kunnen
begrijpen de onderstaande tekening.

Dit verschijnsel zal
zeker moeten mee genomen bij het
bepalen van maximale pitch en
rotortoeren.
De ophanging en bewegingen van de hoofdrotorbladen:
Behalve voor de hoekverdraaiing voor de pitch te regelen (hierover
later meer) komen we voor de ophanging en bewegingen van de hoofdrotorbladen komen we
meerdere technische oplossingen tegen.
Om een inzicht in de constructiemethode te kunnen verkrijgen zal eerst
duidelijk moeten zijn welke bewegingen de rotorbladen moeten
kunnen maken om een goed
vliegende heli te krijgen.
In de onderstaande schematische voorstelling voor de
noodzakelijke bewegingsvrijheden wordt dit weergegeven.
.
Een verdere toelichting:
Behalve de cirkelvormige beweging die iedereen kent moeten de
rotorbladen zich ook naar voor, achter en omhoog en naar beneden (in beperkte
mate) kunnen bewegen.
Bij de grote broers zijn dan ook deze
scharnierpunten ook in werkelijkheid
aanwezig.
Voor de modelheli kunnen wat
compromissen gesloten worden zoals bij
de praktische uitvoering verder wordt
toegelicht.
Bij het op toeren komen van de heli moeten de bladen zich door de centrifugaalkracht kunnen richten zodat de in een lijn
kunnen gaan staan die
de rotor in balans brengt.
Om nu te verduidelijken waarom dit niet
altijd in een lijn is die in eerste
instantie wordt gedacht, heb ik een ander tekeningentje
toegevoegd en zal er wat uitleg bij geven.
Om de krachten op de bladen te kunnen
verwerken moeten de rotorbladen moeten ook met een bepaalde vrijheid omhoog en omlaag
kunnen bewegen.
Als dit niet zou kunnen, zouden door de
altijd aanwezige variatie in mechaniek
en variërende luchtstromingen rond de
bladen het geheel gewoon afbreken.
Deze variatie wordt bij de modelheli gedeeltelijk
opgevangen door de buffers in de
rotorkop.
Ook zit er nog een bepaalde
doorbuiging in het blad (lees
stijfheid), waardoor beweging mogelijk is.
Als nu de heli een voorwaartse vliegbeweging maakt moeten de bladen
zich anders kunnen gedragen.
Immers de rotor draait rond iets wat betekend dat bij een voorwaartse snelheid
het ene rotorblad wat zich tegen de wind in beweegt meer lift zou krijgen door
de hogere luchtsnelheid dan het blad wat zich van de wind af beweegt wat een
lagere luchtsnelheid ondervindt.
Door de extra luchtweerstand gaat het blad dat zich tegen de vliegrichting in
beweegt wat naar achter draaien t.o.v. draaipunt 2 en zal het blad wat zich
tegenovergesteld beweegt dus de andere kant op draaien.
Je zou denken dat dit effect dan zou resulteren in een zijwaartse
kantelbeweging van de heli een rolbeweging dus.
Om dit nu te verduidelijken heb ik een ander tekeningentje toegevoegd en zal
er wat uitleg bij proberen te geven waarom dit niet het geval is.

De rotorbladen moeten
dus ook met een bepaalde vrijheid omhoog en omlaag kunnen
bewegen. Ook zit er nog een bepaalde doorbuiging in het blad (lees stijfheid),
waardoor de beweging mede mogelijk is.
Krijgt het naar voren bewegend blad nu meer luchtweerstand zal het ook naar
boven buigen en draaien het geen weer resulteert in een kleinere invalshoek
met minder lift. Bij het naar achter bewegend blad is het effect omgekeerd en
veroorzaakt weer vermindering van lift.
Het is dus een soort "flappende" beweging die ontstaat met de frequentie van
het toerental.
Hieruit kunt U tevens zien dat de bewegingsvrijheid die de rotor moet bezitten
erg belangrijk zijn voor een goed vliegende heli.
Dus zowel de verdraaiing naar voor en achteren (as 2) als omhoog en omlaag (as
1) moet mogelijk zijn.
Een tweede oorzaak:
Laten we nu eens kijken naar wat er gebeurd als de heli voorwaarts moet gaan
vliegen.
Als eerste kantelt bij het aansturen de tuimelschijf naar voren waardoor (bij
een rechtsom draaiende rotor) het linker rotorblad een kleinere invalshoek
krijgt dan het rechter rotorblad.
Het gevolg is dat rechts meer lift gecreëerd wordt dan links.
Dit effect is pas na 90 graden verdraaiing merkbaar waardoor de heli naar
voren gaat hellen en dus naar voren gaat vliegen omdat er dan meer lift aan de
achterkant ontstaat i.p.v. aan de rechterkant.
Door de voorwaartse snelheid die dan plaats gaat vinden wordt de luchtsnelheid
over het linker tegen de wind in bewegend blad groter dan het rechterblad wat
zich van de wind af beweegt.
Hierdoor krijgt dus het linkerblad weer wat meer lift en het rechterblad weer
wat minder waardoor de heli zich min of meer gaat terug kantelen, het z.g.
"opbomen" van de heli.
Dit heeft dan ten gevolge dat het aansturen naar voor (nick) wat meer moet
worden en de hoogte (pitch) wat moet worden verminderd om de heli toch verder
rechtdoor naar voren te laten vliegen.
Hoe hoger de voorwaartse snelheid hoe erger dit effect is.
Het lijkt misschien dat de rotor op dat moment minder lift behoeft te leveren
omdat de pitch aansturing verminderd maar de heli blijft toch zijn zelfde
gewicht behouden en dus is de te leveren liftkracht door de rotor nog steeds
even groot.
De praktische uitvoering hiervan:
In de praktijk komen we bij de modelheli waarbij zowel draaipunt 1 als draaipunt 2 (schema bewegingsvrijheden) buiten het hart van de rotor
valt zoals
boven getekend niet zo vaak tegen.
Soms ziet U de bovenstaande constructie wel bij meer dan 2 bladige modelrotors.
Ook kwam deze constructie voor in de pionierfase bij de eerste
modelhelikopters.
Bij de huidige constructies wordt er meestal wordt er gekozen voor een meer eenvoudige constructie waarbij
"flappende" beweging wordt verkregen door een bladhouderas uit een stuk te
kiezen en deze aan beide zijde op te hangen in rubbers.

De rubbers (bufferringen) worden opgesloten door
aandruk ringen aan de zijde van de bladhouder.
(
Zichtbaar in de doorkijk foto hier naast.)
De drukkracht uitgeoefend tegen de rubbers door de aandruk ringen in combinatie met
de rubberdikte en rubbersamenstelling bepalen de
demping van de rotorbeweging.
Immers een stuggere rubber geeft meer demping dan een meer flexibele rubber.
De buffer komt voor als enkele ring of meerdere ringen achter elkaar of
als een cilindervormige rubber per bladhouder.
De werking hiervan is bij allen echter gebaseerd op het zelfde principe.
Op de onderstaande tekening is te zien hoe dit er uit zou kunnen zien.
Ook hier zijn natuurlijk weer meerdere manieren denkbaar voor zowel bevestigen als
de ophanging in de buffers.
Pitch regeling en bufferwerking:
Bij een fixed-pitch rotor waarbij de bladhouders een vaste hoek hebben is het
niet nodig dat er ook een verdraaiing van de bladhouder om zijn as mogelijk is en wordt
er tevens bij dit type meestal ook gekozen voor een vast kantelpunt van de
bladhouderas in het centrum van de kop.
Bij de collectieve pitchrotor moet de verdraaiing van de bladhouder om
zijn as wel mogelijk zijn en wordt
b.v. gekozen voor de constructie zoals hieronder aangegeven waarbij dan aan de
bladhouder een aanstuurarm vast zit (zie doorlijk foto hierboven) om de
hoekverdraaiing (pitch) te kunnen regelen.

Door de bewegingsvrijheid in de rubbers kan
de rotor op die manier dus
de gewenste beweging maken.
Een andere methode is om bladhouders in een soort "schommel" te hangen met een
centraal draaipunt waardoor de bladen dan op en neer kunnen.
Hierbij moet dan gedacht worden aan een constructie waarbij de bladhouders met
as samen met het gedeelte van de kop waarin ze bevestigd zitten in zijn
geheel kunnen kantelen om het kantelpunt.
Ook komt een combinatie van beide bovengenoemde methode voor met een lager als
draaipunt (kantelpunt) en rubbers aan beide zijde denk maar aan b.v. het Raptor concept.
Periodieke bladverstelling en
tuimelschijf :
Voor het besturen van de rotor met de bedoeling dat de heli alle
kanten op kan vliegen moeten de rotorbladen zich bij elk stukje verdraaiing
(per periode of graad verdraaiing) van de roterende beweging zicht kunnen
verstellen naar een grotere of kleinere invalshoek.
Hier komt de naam periodieke bladverstelling dus vandaan.
Het tot stand komen hiervan gebeurd door een tuimelschijf die uit twee
gedeelte bestaat, een niet mee draaiend gedeelte waaraan de besturing
stangen (A) gekoppeld zitten die (soms direct of indirect) naar de servo's
gaan en een gelagerd meedraaiende
gedeelte waarvan de besturingstangen (B) naar het gedeelte van de rotorbladen
en stuurrotor gaan (via de pitchtcompensator m.u.v. het "moving flybar type").
Bij een rotor zonder extra stuurrotor
gaat de aansturing (B) rechtstreeks
naar de aanstuurarmen van de
bladhouders.
Het aantal aanstuurarmen (B) op de
tuimelschijf is dan afhankelijk van
het aantal hoofdrotorbladen op de
rotor.
De tuimelschijf komt voor wat het stilstaande gedeelte betreft (hierover later
meer) in
verschillende uitvoeringen voor .
De meest voorkomende zijn met de armen verdeeld met een hoek van 120 graden (3
armen) en verdeelt met een hoek van 90 graden ( 3 of 4 armen).
De keuze hierin hangt af van de gekozen stuur methode en verdere
aanstuur constructie.

Door de tuimelschijf in zijn geheel op te hangen in een kogelscharnier
(bollager) kan de tuimelschijf in alle richtingen kantelen en zal de hoek van
de rotorbladen zich dus aanpassen aan de stand van de tuimelschijf.
Dit wil dus zeggen dat als de schijf gekanteld staat de grootste invalshoek
van de rotorbladen zich NIET op het hoogste punt van de gekantelde schijf bevinden
en de kleinste invalshoek van de rotorbladen zich ook NIET op het laagste punt
van de gekantelde schijf bevinden (zie onderstaande tekening) maar juist hier
precies tussen in.
Het is wel zo dat als de tuimelschijf naar voor kantelt de heli wel vooruit
gaat vliegen dit komt omdat het effect van de aansturing pas 90 graden later
effectief is.
Een poging om dit effect uit te leggen is ook al vermeld bij de pagina over de
werking van de helikopter maar voor de duidelijkheid heb ik hem hier ook nog
maar even toegevoegd omdat dit de basis vormt van de rotoraansturing.
De uitleg van het 90
graden effect :
Om
je een voorstelling te hiervan te kunnen vormen kan je dit vergelijken met een
roterend kruis met 4 even zware bollen van een redelijk gewicht.
(Links of rechtsom draait maakt voor de werking niet uit.)
Als deze bollen roteren
wordt door de centrifugaalkracht de
bollenrotor in evenwicht
gehouden en is door het gewicht van de bollen ook moeilijk uit zijn baan te
brengen (figuur 1).
Dit is gebaseerd op de traagheidswet.
De traagheidswet is de eerste wet van Newton: Een deeltje blijft in rust of het beweegt met constante snelheid zolang er geen externe krachten op werken
Gaan we nu een kleine kracht uitoefenen om de as van de rotor te kantelen (
kracht F van figuur 3) dan wordt de baan van de bollen 1 en 2 in lichte mate
verstoord waardoor de bollen 1 en 2 uit zijn oorspronkelijke baan raken
(figuur 2 en 3).
Door de massatraagheid van de bollen samen met de werkende centrifugaal
krachten op de bollen wordt dit versterkt tot 90 graden verschoven van het
punt waar de aansturing plaats vond (punt A en B).
Dit is het punt waar de centrifugaal krachten elkaar weer compenseren.
Op deze manier is het dus mogelijk met een betrekkelijk kleine kracht,
omdat de bollen alleen maar uit hun baan gebracht hoeven te worden
de rotor waarin zich grote centrifugaalkrachten bevinden toch
te kunnen kantelen maar komt het effect hiervan pas 90
graden (1/4 omwenteling)
verdraaid later en kantelt de rotor dus richting punt A
en B.
Einde uitleg 90 graden effect
Het meedraaiende gedeelte van de gekantelde tuimelschijf blijft dus
onder die schuine hoek ronddraaien en alle tussen liggende hoeken worden dus per graad verdraaiing automatisch
aangepast.
Let op !! In de verdere tekeningen voor uitleg van de rotorwerking wordt
voor de duidelijkheid alleen het meedraaiende gedeelte weergegeven.
Indien nodig zal ook het onderste niet meedraaiende gedeelte erbij weergegeven
worden (hierover meer bij de aanstuur methodes op de andere pagina) .

De stuurrotor:
Voor het rechtstreeks aansturen van de hoofdrotorbladen zonder stuurrotor hulp is een kleine heli te
onstabiel doordat de eigenstabiliteit te laag is.
Bij de kleinere
modelheli is
dan ook de stuurrotor vrijwel onmisbaar voor een stabiel
vliegende heli te krijgen.
Bij een grotere heli wordt de eigenstabiliteit groter en neemt daardoor
ook de behoeften aan een stuur(hulp)-rotor af.
De stuurrotor komt voor in hoofdzakelijk twee type.
De boven liggende stuurrotor en de onder liggende stuurrotor
maar ook anderen varianten komen voor zoals een 'moving flybar' op een
variabele hoogte en een stuurrotor die op gelijke hoogte van de hoofdrotorbladen
ligt.
Voorlopig beperken we ons even tot de boven en onder liggende stuurrotor.
Voorbeelden van de onderliggende
en bovenliggende
stuurrotor


De keuze hierin
(boven of onder liggend) wordt bepaald door fabrikant en consument en de
vliegeigenschappen van de twee type is naar mijn mening meer een kwestie van
gevoel en afstelling dan de invloed van de daadwerkelijke
hoogte positie van de
stuurrotor.
Een ander verhaal is natuurlijk de eigenschappen van de stuurrotor zelf.
Wat kunnen we in het algemeen zeggen over de eigenschappen van de stuurrotor ?

De bewegingen van de stuurrotor
De bewegingen van de stuurrotor kunnen we herleiden tot drie bewegingen:
1: De beweging om Rotatie As 1 is een beweging die we zien bij een wip.
Dit is dan ook de reden waarom het mechaniek waarin de as (stabilisatorstang)
zit ook wel een stabilisatie-wip wordt genoemd.
Hoe dat mechaniek er uit kan zien komen we later op terug.
2: De tweede beweging is de beweging om Rotatie As 2 waarbij moet worden
opgemerkt dat de paddels vast zitten op de as, dus t.o.v. de as niet kunnen
verdraaien.
3: Beweging 3 is de roterende beweging van de complete rotor (om punt CG 1)
waarvan de stuurrotor deel uit maakt en waardoor de rotatie (centrifugaal)
krachten worden opgebouwd.
Schematische voorstelling van de stuurrotorarmen
Om
de stuurrotor te kunnen sturen zijn aan de stuurrotor zelf ook armen vast op de as gemonteerd die de Paddels
rechtstreeks aansturen.
Dit gebeurd d.m.v. het verdraaien van de stuurrotoras in zijn geheel op de
tekening van de stuurrotor as 2 genoemd.
Omdat de armen vast op de as gemonteerd zitten kunnen ze ook niet t.o.v.
elkaar en t.o.v. de paddels verdraaien.
Voor de vorm wordt soms gekozen voor twee losse armen maar soms wordt ook i.v.m.
de stabiliteit wat bij langere armen zeker van toepassing is voor een brug
aansturing zoals gestippeld op de tekening.
Het aanstuurpunt van de armen is zo gekozen dat ze t.o.v. de wip beweging bij
het aansturen geen invloed uitoefenen op de wip beweging maar alleen zorgen
voor een rotatie van as 2.
De lengte van de arm is niet bepalend voor de aansturing wat wel invloed heeft
is de afstand vanaf het hart van de stuurrotoras naar het aanstuurpunt.
De opstelling is in zijn geheel met de as opgehangen in een mechaniek die de verdraaiingen om zowel rotatieas 1 (wip beweging) als rotoatieas 2 (roll
beweging) kan bewerkstelligen wordt de z.g. "stabilisatie wip" genoemd.
De stabilisatie wip met zijn overbrengingen
Een
voorbeeld van een stabilisatorwip is hier op de foto te zien zonder stang en
bijbehorende stuurrotor armen .
In dit voorbeeld gaat het om een stabilisatiewip die "inwendig" in de
rotorschacht draait
Er zijn ook gevallen denkbaar die "uitwendig" om de schacht heen draaien.
Voor de werking maakt het niet uit.
De paddel as (2) kan hier draaibaar opgehangen worden in twee lagers die aan
de linker en rechter zijde in een aluminium huis zitten
In het midden aan de voor en achterzijde zitten twee lagers die als draaipunt
voor de wip beweging (om as 1) dienen.
De aankoppel punten op de foto zijn dus niet de aankoppelpunten van de
stuurarmen naar de stuurrotor maar de aan koppelpunten die naar de mixerarm
gaan.
Dit is te zien op een van de foto's van "de onderliggende
stuurrotor" wat verder op de pagina..
Deze punten maken dus alleen een wip beweging en geen draaiende beweging.
Bij andere constructies is het soms ook mogelijk om de aankoppeling naar de
mixerarm rechtstreeks op de stuurrotoras te maken zoals b.v. te zien is op de
foto van "de bovenliggende stuurrotor" wat verder op de
pagina. In dit geval vereist dit dan
wel een andere opstelling (90 graden draaien) van de mixerarmen.
Voor de mate van terugkoppeling van het stuurrotor effect naar de mixerarm is
hier de afstand van het hart van het draaipunt van de wip (as 1) naar de aankoppeling
verantwoordelijk.
Het stabiliserende effect van de stuurrotor
Door de stuurrotor perfect uit te balanceren op Rotatie As 1
(wip beweging) zal hij bij het roteren van de hoofdrotor door de
optredende centrifugaal krachten zich naar buiten gaan uitrichten.
Door de krachten die als een soort vliegwiel werken is het geheel
moeilijk te kantelen en heeft de neiging zich zelf te stabiliseren.
Dit noemen we het stabiliserende effect.
Het stabiliserende effect van de stuurrotor wordt in hoofdzaak dus
bepaald door de centrifugaalkrachten op de stuurrotor.
Omdat dit stabiliserende effect ook tevens inhoud dat het geheel moeilijk uit
balans te brengen is zijn de paddels toegevoegd, later hierover meer.
Dus het gewicht van de paddels + het gewicht van de stabilisatiestang + de
rotatiesnelheid van de rotor bepalen de centrifugaal kracht.
Om de centrifugaalkracht van de stang te kunnen berekenen moet het gewicht van de
stang door twee worden gedeeld met een CG punt de afstand tussen CG1 en CG2 (
1/4 L ) en rotortoerental.
Om de centrifugaalkracht van de paddel te kunnen berekenen moet het gewicht van de
paddel worden genomen met als afstand punt CG3 (1/2 paddel lengte) + 1/2
Lengte (L) en rotortoerental.
Door deze krachten samen te tellen kom je dan op de stabiliserende
centrifugaal kracht van de stuurrotor.
Op punt CG 1 staat dus twee maal deze kracht waaraan de as dus minimaal moet
voldoen.
Met deze gegevens zijn de stabilisatie krachten uit te rekenen.
U kunt dit eventueel bij te weinig theoretische kennis doen met het programma "heliberekeningen" elders op de
site.
Het sturende effect van de paddels op de stuurrotor
Zonder de paddels dus alleen met gewicht i.p.v. paddels zou de
stuurrotor de heli wel goed stabiliseren door het boven vernoemde effect maar
is de stuurrotor ook tevens moeilijk uit zijn baan te brengen en is de heli dus
ook moeilijker uit zijn ingenomen positie te sturen door dit zelfde effect.
De stuurmethodes:
Bij eerdere modelheli's werd gebruik gemaakt van deze stuur methode (Bell control systeem).

Om deze methode nu te verbeteren zijn de gewichten die dit effect veroorzaken vervangen
door paddels van het zelfde gewicht.
Hierdoor blijven de stabiliserende eigenschappen dus gehandhaafd.
Wat je ook tegen komt is een methode
waarbij ook nog eens extra gewicht
toegevoegd wordt bij de paddels om
Bell-effect te vergroten.

De paddels hebben de vorm van een symmetrisch vleugelprofiel waarbij de
invalshoek van de lucht instroming op nul graden wordt ingesteld.
Bij deze nul-graden invalshoek blijft het boven vermelde effect gehandhaafd.
Wordt nu echter door het verdraaien van rotatie as 2 de invalshoek versteld dan
krijgt door de luchtdruk op de ene paddel een neerwaartse en de andere een
opwaartse druk waardoor hij dus zonder zelf veel kracht te moeten leveren uit zijn
baan wordt gedrukt en een andere positie gaat in nemen afhankelijk van de
hoeveelheid invalshoek verdraaiing (aansturing).
Hieruit kun je dus opmaken dat de grote van het paddel oppervlak bepalend is
voor felheid en kracht waarmee de aansturing plaats moet vinden en het gewicht
van de paddel dus een grote rol speelt in het stabiliserende effect.
De overbrengingen naar de rotorbladen en stuurrotor
Als we nu zouden kiezen zelf de stuurrotor rechtstreeks aan te sturen
en de stuurrotor zelf de hoofdrotorbladen rechtstreeks te laten aansturen zou
dat dus een oplossing zijn om een stabiel vliegende modelheli te krijgen
(Hiller principe) die goed bestuurbaar is echter doen we dit liever niet.

De reden waarom we dit liever niet doen is de trage reactie tijd die ontstaat
door de indirecte aansturingen immers eerst wordt de stuurrotor dan aangestuurd en
deze stuurt op zijn beurt weer de hoofdrotorbladen aan.
De reden waarom we niet zelf de rotorbladen rechtstreeks willen aansturen is
al uitgelegd bij de inleiding van de stuurrotor.
Om deze twee reden is er gekozen voor een tussen oplossing:
De mixerarm (ook wel Bell-Hiller arm genoemd)
Deze tussen oplossing is gevonden in de vorm van een tuimelende arm
waaraan aan de stuurrotor gekoppeld zit, de aansturing naar de
hoofdrotorbladen en de rechtstreekse aansturing vanaf de tuimelschijf (het
Bell-Hiller systeem).
.
Je kunt het dus het beste beschouwen als dat de hoofdrotorbladen door twee
dingen tegelijk aan gedeeltelijk gestuurd worden tijdens het vliegen het enen is de
aansturing die je zelf doet en het tweede is de corrigerende werking van de
stuurrotor hierop die mee helpt om de rotor in de goede positie te houden.
Deze drie aansturingen zitten gekoppeld aan de drie draaipunten op de arm.
Schematische voorstelling v.d. mixer-arm:
De
armen komen in verschillende varianten voor en worden op verschillende
posities
op de rotorkop gemonteerd echter allemaal met het zelfde doel: het mixen van de
aansturingen.
Ook het draaipunt waaraan de arm bevestigd is zit niet altijd op zelfde plaats.
Dit is ook een beetje afhankelijk van de creativiteit van de constructeur en
type stuurrotor.
Het is wel zo dat waar de arm ook zit en hoe hij ook draait de afstanden A en
B de mix verhouding bepalen.
Dus welke invloed het grootst is, de invloed van de stuurrotor of de invloed
van de rechtstreekse aansturing op het rotorblad.
Als afstand A 3x de afstand B bedraagt zal de invloed dus ook 3x zo
groot zijn.
Dat deze afstanden erg veel invloed hebben op het stuurgedrag van de
heli zal duidelijk zijn.
Bij de veel rotorkoppen zit de mixer-arm rechtstreeks op de bladhouderarm
gemonteerd.
Dit gebeurd zowel evenwijdig aan de bladhouderarm als haaks op de bladhouderarm
zoals op de foto's van de bovenliggende en onderliggende stuurrotor te zien is.
Bij dit type zit het draaipunt op punt 2 op de bladhouderarm gemonteerd, punt
1 aan de tuimelschijf en punt 3 gaat naar de stuurrotor.
De mix verhouding hiervan is in dit geval ongeveer 1 : 1,2
Dit is afhankelijk van de vereiste felheid van de aansturing en
eigenstabiliteit van de stuurrotor.
De varianten zoals ze voorkomen en voor zover ze mij bekend zijn:
Type 1: Punt 3 naar de stuurrotorstabiwip
Punt 2 als draaipunt van de mixerarm op de bladhouderarm
Punt 1 naar de tuimelschijf
Type 2: Punt 1 naar de tuimelschijf
Punt 2 als draaipunt van de mixerarm op de stuurrotorstabiwip
Punt 3 naar de bladhouderarm
Type 3: Punt 1 als draaipunt op de stuurrotorstabiwip
Punt 2 naar de bladhouderarm
Punt 3 naar de tuimelschijf
Enkele voorbeelden van deze type ziet U hier onder weergegeven.
Het voorbeeld bij type 3 is zowel als type 2 en 3 uitvoerbaar

Voorbeeld type 1
Voorbeeld type 2
Voorbeeld type 3
Het hoe en waarom van de pitchcompensator bij de collectieve pitch rotor
Bij een collectieve pitch rotor wordt zoals al eerder vermeld het
stijgen en dalen geregeld door de hoofdrotorbladen een grotere of
kleinere invalshoek te geven.
Kijken we nu naar de boven staande schematische voorstellingen van de
verschillende systemen dan
valt op dat als we de tuimelschijf in zijn geheel omhoog bewegen
om de invalshoek van de hoofdrotorbladen te verstellen zoals bij een collectieve pitch rotor het geval
is, de stuurrortor in zijn geheel ook mee omhoog en omlaag moet om dit te
bewerkstellingen.
Als we hier niets aan veranderen hebben we te maken met een type rotor met "moving flybar"
(komen we later op terug).
Bij de andere typen collectieve pitch rotors moet dit op de een of andere manier "gecompenseerd" worden.
Dit compenseren gebeurd met de pitchcompensator.
De schematische werking van de pitchcompensator
De pitchcompensator bestaat meestal uit een over de hoofdas beweegbare
huls waaraan aan de zijkanten twee schaararmen gemonteerd zitten.
Zoals ook te zien op de foto's van type 1,2 en 3.
De armen zitten aan een draaipunt opgehangen.
De ene zijde van de arm gaat naar de tuimelschijf en de andere zijde van de
arm gaat naar de stuurarm van de stuurrotor.
Beweegt nu de tuimelschijf omhoog of omlaag bij het geven van meer
pitch zal dit geen invloed hebben op de stand van de stuurrotor echter als
deze gaat kantelen bij een stuurbeweging zal de stand van de stuurrotor wel
veranderen en dus de stuurrotor meesturen.
Door de afstand van het aankoppelpunt A t.o.v. het draaipunt kleiner
te kiezen dan de afstand van punt B naar het draaipunt wordt de kantelbeweging
versterkt.
Op deze wijze kan ook de aanstuurverhouding worden geregeld.
Een goed uitgangspunt is een
verhouding van 1 : 2.
Het principe van de werking maakt niet uit of we te maken hebben met een boven
liggende of onderliggende stuurrotor.
Dit is voor beide gelijk.
Voor de aansturing van het vaste gedeelte van de tuimelschijf verwijs is naar
een andere pagina "aanstuur methodes"
Wilt U info zien toegevoegd vermeld dit even op het mail-adres !