koolmees


De grootste van de algemene mezensoorten met een lengte van 14 cm. Mannetjes intens zwart op de kop en brede "stropdas' over de borst en buik. Vrouwjes zijn minder fel gekleurd en hebben een smallere stropdas.
Witte wangen, gele borst en buik, groenig aan de bovenzijde.

Zang/geluid
Groot repertoire aan geluiden, in het vroege voorjaar vaak een "fietspomp"-achtig, karakteristiek geluid.

Broeden
Broedt in alle soorten bos, nauwelijks in dennen- of sparrenplantages, en in tuinen. Daar graag in nestkastjes; het is dan ook een holenbroeder. Vaak meer dan tien eieren.

Voedsel
Het voedsel is zeer gevarieerd. Ze eten o.a. voorjaarsknoppen, zaden, vruchten, bessen, spinnen en keukenafval.

Voorkomen
Standvogel, in sommige jaren winterinvasies vanuit het noordoosten. Het aantal broedparen in Nederland wordt geschat op 500.000-600.000. De grootste dichtheden tref je aan in de oostelijke helft van ons land.

Naamvorming
Latijnse naam: Parus major: de grotere Parus.
"Kool" wordt in verband gebracht met de steenkoolachtige kleur van kop en hals.
Volksnaam in Oost NB: Koelder, eveneens verwijzend naar kool.
Ook komt voor: Grote Mees of Dubbele mees.
In de winter wil een Koolmees nog wel eens (dode) bijen eten. Hij tikt dan met de snavel in de buurt van het vlieggat van een bijenkorf en hoopt op uitvliegende, trage bijen. Namen die daardoor zijn geinspireerd: Bijmees, Biebijter, Biemeeske en in de Kempen: Biemukske (mukske van mook = koeienmaag)

INFO SOORTENBANK

TERUG NAAR INHOUDSOPGAVE
pimpelmees



Borst en buik (licht-)geel, kop wit met een blauw petje, afgezet met een zwart randje. Bovendelen groen, vleugels blauw.
Met een lengte van 11,5 cm iets bewegelijker en acrobatischer dan de Koolmees. Wacht bij een voederplank tot een Koolmees verdwenen is.

Zang/geluid
Zang is lieflijk en helder. De triller aan het eind van het liedje lijkt op het rinkelen van een zilveren tafelbelletje.


Broeden
Broedt in bossen, parken en tuinen. Het is een holenbroeder en kan dus ook in nestkastjes worden aangetroffen.

Voedsel
Eet procentueel minder zaden en bessen dan de Koolmees, maar meer insecten. 's Winters in rietvelden op zoek naar overwinterende insektenlarven en poppen. Foerageert vooral aan de toppen van twijgen en hangend aan bladeren. Pimpels weten precies wanneer de hoogste dichtheid aan rupsen wordt bereikt in een eikenbos en stemmen daar hun broedseizoen op af.

Voorkomen
Algemene broed- en standvogel, heeft een lichte voorkeur voor eikenbossen. Vogels uit de noordelijke en oostelijke delen van het broedgebied zakken 's winters soms massaal naar het zuiden. In de jaren '80 daalde het broedsucces als gevolg van de zure regen; er was te weinig kalk voor de eischalen. Door de gemiddelde temperatuurstijging is de eerste eilegdatum met maar liefst 11 dagen vervroegd, hoewel het voedselaanbod niet gelijktijdig is verschoven.Het aantal broedparen wordt geschat op 275.000-325.00

Naamvorming
Latijnse naam: Parus Caeruleus: blauwe parus
De aanduiding "pimpel" wijst naar een zwakke of tere gezondheid in het Middelnederduits. Maar pimpelpaars verwijst wel naar deze mees. Blauwkopje en Blauwköpke zijn Brabantse volksnamen.

INFO SOORTENBANK

TERUG NAAR INHOUDSOPGAVE
staartmees



De Staartmees hoort niet tot de mezenfamilie, hoewel de uiterlijke kenmerken veel overeenkomsten hebben.
Het lijkt een pluizig rond bolletje met een extreem lange staart, zodat hij nog net zo lang is als een Koolmees. Onmiskenbaar is het wit, zwart en roze verenkleed, de trapsgewijs gevormde staart lijkt zwart. Er is een noordelijke vorm met zuiver witte kop. In herfst en winter blijven ze in groepen bij elkaar. Ze houden tijdens het foerageren onderling contact met korte roepjes. Het lijken rusteloze vliegers, maar waarschijnlijk volgen ze dagelijks ongeveer dezelfde voedseltochten.

Zang/geluid
Een kenmerken tup, een trillend tsirrp en een hoog tzie-tzie-tzie.

Broeden
Broedt in een groot kogelvormig nest van korstmossen met de ingang opzij of bovenvoor. 's Winters kunnen ze met zijn tienen in een nestkast de nacht doorbrengen.
Voedsel
Spinnen en insecten.

Voorkomen
De Staartmees heeft een voorkeur voor een rijk gevarieerde struiklaag met veel afwisseling tussen dekking en open ruimte. De grootste dichtheden worden gevonden in de oostelijke delen van ons land. De Staartmees is ook 's winters vrijwel geheel afhankelijk van klein dierlijk voedsel, de soort is gevoelig voor perioden met sneeuw en ijzel. Dan kan een populatie wel met tientallen procenten afnemen. Het herstel kan tot 3 jaar duren. Het aantal broedparen wordt geschat op 30.000-40.000.

Naamvorming
Latijnse naam: Aegithalos Caudatus: staartmees
De Brabantse volksnamen Startje of Hangstèrtje duiden op de lange staart en aan het speelse gemak waarmee zij aan de takken hangen.

INFO SOORTENBANK

TERUG NAAR INHOUDSOPGAVE
merel



Een heel algemene soort, die langzamerhand veranderd is van een schuwe bosvogel in een overheersende tuinvogel. Het mannetje is pikzwart met een oranje-gele snavel en gele oogring, het vrouwtje is rood-of grijsachtig donkerbruin en donkere snavel. Het vrouwtje heeft een wat lichtere keel en borst,juvenielen zijn rossiger en meer gevlekt. Merels houden de staart opgewipt en de vleugels omlaag als ze neerstrijken.

Zang/geluid
Bij verstoring laat de merel een luide schreeuw horen, bij alarmering door een kat hoor je een geagiteerd gekwetter. De zang heeft een hoogtepunt in het vroege voorjaar. Die zang wordt vaak vanuit een hoge standplaats ten gehore gebracht en bestaat uit goed gearticuleerde fluittonen en een kwetterend slotstuk.

Broeden
Maakt een nest van modder gevoerd met gras in struikgewas of laag in boom of heg. Heeft 2-4 legsels, met telkens 3-5 eieren, van maart tot augustus.

Voedsel
De merel zoekt zijn voedsel voornamelijk op de grond.
Het voedsel bestaat uit wormen, slakken en insecten; daarnaast uit bessen en vruchten.

Voorkomen
Algemene broedvogel en ten dele ook standvogel. Merels houden van regen, versnipperde landschappen, zachte winters en stedelijke gebieden, en komen overal in Nederland voor. Het aantal broedparen wordt geschat op 0,9-1,2 miljoen; de Merel is onze meest talrijke broedvogel. Vaak een tweede broedsel in juni.

Naamvorming
Latijnse naam: Turdus Merula
Er zijn vele volksnamen voor zo'n algemeen bekende vogel.
Voor het Brabantse gebied kunnen genoemd worden: Merling of Meerling, Mellinger en Mulder. Deze namen zouden ontleend zijn aan het Latijnse merula=morel=kers, en verwijst naar het besetend gedrag.

INFO SOORTENBANK

TERUG NAAR INHOUDSOPGAVE
roodborst


Rond vogeltje dat fier rechtop staat en regelmatig door de knieën gaat. Bovendelen en vleugels zijn bruin. Warm oranje/rode borst en zwarte kraaloogjes. Sterk territoriaal, verdedigt zich heftig tegen indringers. Tikt daarom tegen zijn spiegelbeeld in het raam.

Zang/geluid
De alarmroep lijkt op die van de Winterkoning en bestaat uit een reeks snelle tik-geluidjes, de zang is moeilijk in te delen maar kan enigszins vergeleken worden met het geluid van een waterfluitje met een erwtje erin. Het zijn hoge, parelende fluitonen.

Broeden
Broedt in bossen, tuinen en parken; in muurspleten, in de klimop en op de grond onder heggen.

Voedsel
Bladhaantjes en snuitkevers vormen hun stapelvoedsel. In de winter komen roodborstjes ook op of onder de voedertafel op zoek naar havervlokken en brokstukjes van de vetbollen. Het aantal broedparen wordt geschat op 350.000-450.000. Roodborstjes ontbreken in de weide-gebieden van ons land. Toch worden ze in elk atlasblok geteld omdat ook kleinschalig cultuurlandschap hen aantrekt.

Voorkomen
Het Roodborstje is een standvogel, onze winterpopulatie komt uit noordelijke gebieden en onze broedvogelpopulatie overwintert zuidelijker.

Naamvorming
Latijnse naam: Erithacus Rubecula: kleine rode Erithacus.
De oranjerode kleur van de borst heeft een intimiderende functie. Door de borstveren op te zetten wordt de rode vlek nog groter. Een Bretonse legende verhaalt dat het rood een bloedvlek is die ontstond toen de vogel een doorn uit de doornenkroon van Jesus wilde trekken.

INFO SOORTENBANK

TERUG NAAR INHOUDSOPGAVE
winterkoning




Een kleine, gedrongen bruin vogeltje met een korte opgewipte staart. Onderdelen zijn vaal-bruin.
Buitengewoon bewegelijk, foerageert als een muis over de grond en vangt insecten in de vegetatie. Hij vliegt snorrend met snelle vleugelslagen, in een rechte lijn over korte afstanden.

Zang/geluid
De alarmroep is een fel tikkend geluid, dat erg op dat van de Roodborst lijkt. In zijn zang kun je een opeenvolging horen van triller-slag, triller-slag.

Broeden
Het mannetje maakt een aantal speelnesten, het vrouwtje kiest er één uit om in te broeden.

Voedsel
Eet vooral slakjes, spinnen, duizendpoten, andere insecten en hun larven, poppen en eieren met zijn priemvormige snavel.

Voorkomen
De Winterkoning is in Nederland een standvogel en daardoor gevoelig voor strenge winters. Hij komt in vrijwel het gehele land voor. Het aantal broedparen wordt geschat op 500.000-600.000.

Naamvorming
Latijnse naam: Troglodytes Troglodytes: holbewoner.
Zijn naam is verweven met een Griekse koningssage. De vogel die het hoogst kon vliegen zou koning worden, en de Winterkoning had zich verborgen op de rug van de arend, die de eerste plaats zou opeisen. De meest bekende bijnaam is Klein Jantje, gezien zijn klein formaat. De Engelse volksnaam; Jenny Wren betekent vrij vertaald: Jansje Kortstaart.

INFO SOORTENBANK

TERUG NAAR INHOUDSOPGAVE
heggenmus




Een onopvallende vogel, bruin-gestreepte rug en donkergrijs bij kop en borst, ter grootte van een Huismus. Zoekt zijn voedsel op de grond en komt zelden uit de dekking van de vegetatie. Vrij langzame gang maar met nerveuze vleugeltrekken.

Zang/geluid
Zingt het hele jaar door en is in januari al weer vaak te horen. Zijn zang is vrij kort zonder trillers, begint direct op sterkte en eindigt ook weer abrupt. Kiest opvallende zangposten: hoge takken van bomen, antennes en schuttingranden.

Broeden
Vrij algemene broedvogel van heggen, struiken en kreupelhout.

Voedsel
Leeft van zaden en 's zomers van insecten, heeft dan ook een priemsnaveltje.

Voorkomen
Heggenmussen zijn standvogels die in heel Nederland voorkomen. Het aantal broedparen wordt geschat op 200.000-250.000. Er is veel onderzoek gedaan naar Heggenmussen, daaruit blijkt overspel, veelmannerij en veelwijverij veel voor te komen. Je zult je als Heggenmus goed moeten laten horen om een plaats te vinden tussen je soortgenoten. Als vele andere standvogels met een voorkeur voor insecten zijn ze gevoelig voor strenge winters met veel ijzel of sneeuw.

Naamvorming
Latijnse naam: Prunella Modularis : melodisch bruintje.
Ondanks het feit dat de Heggenmus een vrij onopvallende vogel is, heeft hij toch veel volksnamen. Naar aanleiding van zijn grijs/blauwe borst wordt hij in Brabant wel genoemd als: Blauwke, Blauw Pieperke of Blauwpijpke. Blauwlegger of Blauwleggerke wijst echter op de blauwgroen gekleurde eieren die geproduceerd worden.

INFO SOORTENBANK

TERUG NAAR INHOUDSOPGAVE
huismus




Wellicht de meest bekende vogel, maar vrij lastig om te beschrijven. Lengte 14-15 cm. Bruine bovendelen, grijsbeige onderdelen. Mannetje heeft donkergrijze kruin, bruine nek en zwarte bef. Vrouwtje en juv. hebben geen zwarte keel en zijn dofbruin van boven. Dikke snavel. Rechtlijnige vlucht

Zang/geluid
Praatziek; tjilpende en kwetterende geluiden: tsjiep, tjilp, etc.

Broeden
Broedt bijna altijd in holen van gebouwen; onder dakpannen, in gaten van muren; maar ook in heggen of klimop. Nestelt soms in de onderbouw van grote nesten van reigers, kraaien of roofvogels. Broedt vanaf mei, 3-5 eieren per legsel, vaak 3 legsels per jaar. Broedduur 11-14 dagen. Hoofdzakelijk broedt het vrouwtje. Broedzorg ongeveer 2 weken.

Voedsel
Alleseter, zaden en insecten. Komt 's winters ook op vetbollen. Jongen worden met insecten gevoerd.

Voorkomen
Zeer algemene standvogel; stadsvogel. Cultuurvolger. Komt zelden verder dan 600 m. van zijn geboorteplaats. In de afgelopen 25 jaar is de stand bijna gehalveerd. Toch zijn er nu nog 500.000-1.000.000 broedparen. Huismussen zijn vaak een prooi voor Kerkuilen en Sperwers.


Naamvorming
Latijnse naam: Passer domesticus: domesticus = bij het huis horend Er zijn redelijk wat streeknamen; geen specifiek Noord-Brabantse. Iemand blij maken met een dooie mus: een mus is onaanzienlijk De mussen vallen van de warmte van het dak: niet de mussen maar de –verdroogde- mossen vallen er af. Hij(zij) is een echte huismus: mensen die graag thuis blijven. Mussen waren altijd rondom huis aanwezig.


INFO SOORTENBANK

TERUG NAAR INHOUDSOPGAVE
ringmus




Warm chocoladebruine kruin; zwarte vlek midden in witte wang- en oorstreek die bijna een witte halsband vormt. Geen verschil tussen mannetjes en vrouwtjes. Iets kleiner en slanker dan de Huismus. Rechtlijnige vlucht.

Zang/geluid
Tjilpt hoger van toon en zachter dan de Huismus.

Broeden
Broedt in boomholtes, soms in gebouwen. Ook in nestkasten. Nestelt soms in de onderbouw van grote nesten van reigers, kraaien of roofvogels. Begin april begint het broedseizoen, 4-6 eieren, 2 of 3 legsels. Broedduur 11-14 dagen. Beide ouders broeden. Broedzorg ongeveer 2 weken.

Voedsel
Zoekt voedsel op de grond

Voorkomen
Vogel van het platteland. Op akkers vaak samen met gorzen en vinkachtigen. Ringmussen komen in het hele land voor, de grootste dichtheden vinden we in het oosten en zuiden van ons land. Door de schaalvergroting en intensivering van de landbouw is het aantal Ringmussen de afgelopen 25 jaar sterk afgenomen. Er zijn waarschijnlijk 50.000-150.000 broedparen over van de 500.000-750.000 rond de zeventiger jaren.

Naamvorming
Latijnse naam: Passer montanus: montanus = in bergstreken voorkomend. Ringmussen maken doorgaans een nest in boomholten, vandaar een aantal streeknamen met bos of hout: Boommus, Houtmus, Houteren Jilleke.


INFO SOORTENBANK

TERUG NAAR INHOUDSOPGAVE
vink




Herkenbaar aan dubbele witte vleugelstreep, wit bij de vleugelbocht en witte buitenste staartpennen. Mannetje met leiblauwe kruin en wijnrode borst en onderzijde. Vrouwtje is minder kleurrijk. Diep golvende vlucht

Zang/geluid
Het meest bekend is de "vinkenslag": hiep-hiep-hiep-hoera, met het accent op het laatste woord. Er zijn veel verschillende dialecten. Roept ook een hoog pink.

Broeden
Broedt in bossen en bosranden, ook in tuinen en parken. Nest meestal in de vork van een boom of heester. Een diep, komvormig nest. 4-5 eieren, soms een tweede legsel. Alleen het vrouwtje broedt 11-13 dagen. Jongen worden nog 2 weken door beide ouders verzorgd.

Voedsel
Zaadeter, kijk maar naar de korte, stevige snavel. Foerageert vaak met andere vinkachtigen. In de zomer vormen insecten en kleine ongewervelden het hoofdvoedsel, later in de tijd ggat de Vink over op plantaardig voedsel als graszaden, granen en beukennoten.

Voorkomen
Standvogel en ook veel doortrekkers. Vinken komen overal in ons land voor, met de grootste dichtheden in de bosrijkere delen, zoals het oosten en zuiden van het land. De soort is de afgelopen jaren in aantal toegenomen, er zijn nu 600.00-700.000 broedparen


Naamvorming
Latijnse naam: Fringilla coelebs: celibataire tjilper. Celibatair omdat mannetjes en vrouwtjes gescheiden op trek gaan. Vink is een onomatopee, een klanknabootsing. De oorspronkelijke Nederlandse naam is Beukvink, verwijst naar zijn gedrag in het najaar om beukennootjes te eten. Een Meivink is een term uit vogelvangerskringen en duidt op standvogel die in Mei werd gevangen. Op het vinkentouw zitten: een geschikt ogenblik afwachten; om het net dicht te slaan. Luistervink: iemand die iets afluistert.

INFO SOORTENBANK

TERUG NAAR INHOUDSOPGAVE
groenling




Olijfgroene vogel met opvallend veel geel op vleugels en staart. Geelgroens stuit. Vrouwtje is doffer en heeft minder geel. Krachtige snavel. Golvende vlucht, net als andere vinkachtigen.

Zang/geluid
In broedseizoen een langgerekt, blèrend en nasaal tsjwieeh, vaak vanaf een hoge zangpost. Ook een kanarie-achtig gekwetter.

Broeden
Een omvangrijk komvormig nest in een vork of tegen de stam. Broedt vanaf eind april, legt 4-6 eieren; alleen het vrouwtje broedt een kleine, 2 weken. De jongen worden door beide ouders gevoerd met opgebraakt voedsel. De jongen verlaten het nest na 2 weken voordat ze goed en wel kunnen vliegen. Soms 2-3 legsels.

Voedsel
Heeft een voorkeur voor rozenbottels. Foerageert in gemengde groepen op akkers en ruige terreinen. Kan agressief optreden bij de voedertafel.

Voorkomen
Grotendeels standvogel in halfopen landschappen. De soort komt vrijwel overal in Nederland voor, de grootste aantallen komen voor in stedelijke gebieden. Naar schatting zijn er 50.000-100.000 broedpare

Naamvorming
Latijnse naam: Carduelis chloris: de geelgroene op distels voorkomend


INFO SOORTENBANK

TERUG NAAR INHOUDSOPGAVE
zanglijster




Vogel met geheel bruine rug; gelige borst en flanken met kleine vlekken; iets kleiner dan een Merel. Geelachtige/oranjebeige okselveren.

Zang
Rijke, luide zang, afwisselend met imitaties; iedere frase wordt twee tot driemaal herhaald. Friederiek-friederiek-friederiek. Kiss me, kiss me, do-it-quick, do-it-quick. Zingt vaak in de avondschemering.

Broeden
Broedt in hakhoutbossen, parken en tuinen met struiken en dichte heggen. Nestelt in boom of struik dicht tegen de stam tot 4m hoog; goed verborgen 4-6 eieren, soms wel 4 legsels vanaf maart. Broedduur 11-15 dagen, vrouwtje broedt. Jongen worden door beide ouders gedurende 2 weken op het nest verzorgd.

Voedsel
Wormen, slakken, insecten en vruchten. Slakken worden op een harde ondergrond – de lijster smidse kapot geslagen

Voorkomen
Komt overal in ons land voor, relatief weinig in West-Friesland en het Noorden. Onze broedvogels overwinteren in Frankrijk en Engeland. Onze wintervogels komen uit Scandinavië. In kalkarme gebieden is de Zanglijster zeldzaam; er zijn daar weing huisjesslakken. Er zijn ruim 140.000 broedparen.

Naamvorming
Latijnse naam: Turdus philomelos: philomelos: liefhebber van de zang


INFO SOORTENBANK

TERUG NAAR INHOUDSOPGAVE
spreeuw




Donkere vogel met korte staart, blauwgroene glans over de veren; loopt over het grasveld. (Merel hipt) In vers kleed witte stippen aan de veerranden, die snel afslijten. Lange scherpe snavel. Jongen zijn egaal bruin en lijken op jonge lijsters. In vlucht driehoekige vleugelvorm. Overnacht in de winter met velen tegelijk op slaapplaatsen in bomen, rietvelden. Tevoren verzamelen ze zich in indrukwekkende zwermen.

Zang/geluid
Kan andere soorten imiteren, maakt allerlei geluiden; kenmerkend is een scherpe uithaal: Tsjie-----eer.

Broeden
Nestelt in holtes van bomen, gebouwen en onder daken. 1-2 legsels met 5-7 eieren. Beide geslachten broeden, 12-15 dagen. De nestperiode duurt ongeveer 3 weken.

Voedsel
Spreeuwen zijn alleseters; in de broedtijd zoeken ze in vochtige graslanden insecten, spinnen en regenwormen.

Voorkomen
Op wereldniveau is de Spreeuw een van de talrijkste vogels, Onze broedvogels overwinteren in België, Noord-Frankrijk en Zuid-Engeland. De afgelopen 25 jaar is de stand, ook op europees niveau, met 30% gedaald. Er zijn naar schatting nu 500.000-900.000 broedparen. De ruime marge komt doordat er in stedelijke gebieden minder betrouwbare waarnemingen gedaan worden.


Naamvorming
Latijnse naam: Sturnus vulgaris: vulgaris = alledaags Vroeger werden spreeuwenpotten opgehangen om ze tot nestelen uit te nodigen, en dan te consumeren.


INFO SOORTENBANK

TERUG NAAR INHOUDSOPGAVE
kauw




Kleinste kraaiachtige; zwart met grijs achterhoofd en lichte iris. Paartjes gaan een binding voor het leven aan.

Zang/geluid
Een metalig kja en tjak, korte kefferige roepjes.

Broeden
Losvaste kolonies in steden, ruïnes en bossen. Broedt in schoorstenen, holten soms in konijnenholen. Maakt een nest van takken. Kraakt soms nesten van Zwarte spechten of Bosuilen. 1 legsel met 4-6 eieren, eind april. Alleen het vrouwtje broedt 17-18 dagen. Jongen blijven 4 weken op het nest en vliegen pas na 5 weken goed.

Voedsel
Foerageert op weilanden, soms ook op straat.

Voorkomen
Standvogel, vaak in troepen met Roeken en Spreeuwen. 180.000-200.000 broedparen.


Naamvorming
Latijnse naam: Corvus monedula: raafachtige centenpikker. De naam Kerkkraai of Torenkraai verwijst naar broedplaatsen. Tamme kraaien kregen vaak persoonsnamen als Gerrit, Jacob, Akke. In de Kempen: Tjan.


INFO SOORTENBANK

TERUG NAAR INHOUDSOPGAVE