| Verslag Java Balie | Foto's Sunda | Foto's Java Bali| Linken |Contact | Home







© Webspul 2006


 

Verslag Sunda eilanden.


Sunda eilanden of Nusa Tenggara 2006.

Een rondreis langs de kleinere eilanden van Indonesië ten zuiden van Bali. Te beginnen bij Bali waarna we Sumba een bezoek brachten gevolgd door Timor, Roti, Timor, Alor, Pantar, Lembata, Flores en weer terug op Bali. Deze reis is georganiseerd door Arcadia en werd voor het laatst op deze manier uitgevoerd. Het belangrijkste criteria om deze reis te kunnen maken is een zeer flexibele houding en liefde voor heel Indonesië. Deze liefde en houding werd gedeeld door onze andere reisgenoten. Jan die we al kende van andere reizen door West Papua en Laos met Cambodja, Maarten, Maarten en Geke en door onze gids Jantje, wat je als Yance moet schrijven.. De eerste Maarten is een man van 70 jaren die hem beslist niet zijn aan te zien. De tweede Maarten die we voor ons gemak Martin zijn gaan noemen om misverstanden te voorkomen heeft deze liefde in lijf, hart en nieren, hij is zo’n beetje al vergroeid met zijn geliefde Indonesië en Geke, zijn andere liefde en de enige andere vrouw in dit reisgezelschap. Het leek net een klein gezin zeiden we in het begin, maar het werd een gezin die lief en leed met elkaar deelden en waarvan Jantje de Bapak Familial was, de mannen broers werden en Geke er een zusje bij kreeg.

Het begon allemaal op vrijdag 20 okt. 2006.
De dag van vertrek naar Bali via Kuala Lumpur. Tijdens het wachten op het vliegveld, inmiddels al op 21 okt., in Kaula Lumpur keken we al een beetje uit naar onze 3 andere reisgenoten die we nog niet kenden, maar het blijft gewoon een leuke bezigheid om tijdens het lange wachten mensen te bekijken zonder dat je ook maar iets herkenbaars ziet dan alleen maar andere wachtende en vermoeide mensen in allerlei houdingen en bezigheden om de tijd te verdrijven. We lopen in de aankomsthal van Bali te zoeken naar onze gids toen plotsklaps een lange in zwart geklede man op ons afstierd en zegt dat we deze kant op moeten. Enigszins verbouwereerd volgen we hem en hij verteld dat Jantje ons niet kan afhalen en dat er een busje van het hotel klaar staat om ons verder te brengen. Ja, ook hallo en wij zijn Edward, Jan en Elza en Geke werd ook nog even voorgesteld. Maarten stond al bij de bus. Hij had een vlucht gehad met Singapore Airlines en was al eerder aangekomen. Jeetje wat een aankomst. We zijn allemaal vermoeid en zeggen niet veel. Nadat we onze kamers hebben toegewezen gekregen gaan we op pad om geld, sigaretten om te delen en andere laatste spulletjes te kopen, want morgen vertrekken we meteen al van Bali. De reis die zou beginnen met twee dagen Bali en dan naar Flores is in zijn geheel omgedraaid dus we moeten wel. Geld is tegen een goede koers te halen bij de balie van ons hotel. Ons geliefd hotel waar we nu voor de vierde keer zijn. Het is of we niet weg zijn geweest. Het is lekker zweterig, de Mata Hari staat er ook nog, de markt is niet verdwenen en het verkeer is niet veranderd. Na een lange hete wandeling staan we dan weer in een gekoelde Mata Hari waar we de vergeten deo en sigaretten kopen. Op de markt een lichte katoenen broek gekocht tegen het verbranden tijdens het zwemmen. Daar blijkt een gulden een daalder waard als je een beetje goed kan tarwarren en ondanks dat we moe zijn lukt het ook dit keer weer aardig. We gaan ergens wat drinken en lopen op het gemak de weg terug. Er is een enorm nieuw gebouw neergezet waar verschillende winkels in zijn, maar die bezoeken we wel als we weer terug zijn op Bali. We zijn gewoon doodop en toe aan een verfrissende douche. In de lobby ontmoeten we dan eindelijk onze gids Jantje. Martin kende hem al van een andere reis en de ontmoeting tussen hen beide is onstuimig. We stellen ons nogmaals voor en zijn blij met de klein groep: “Het lijkt wel een klein gezin.” Jantje verteld dat de reis omgekeerd wordt gemaakt, omdat het makkelijker was om het vervoer per vliegtuig en boot te regelen. Hij benadrukt nog eens dat we flexi- bél, met de nadruk op –bél, moeten zijn. Oké Jantje het begint ons te rinkelen. We zitten wat stilletjes en nog wat onwennig bij elkaar. We zijn moe en willen gaan eten om daarna gauw te gaan slapen. Samen met Maarten gaan we naar onze favoriete eetgelegenheid aan het strand. Heerlijk met een zeebriesje, ruisende golven en over lekkere garnalen. Maar erg lang genieten doen we er niet van, want we zijn hondsmoe en liggen vroeg op bed.

Zondag 22 okt.
We mogen vandaag nog uitslapen en om acht uur hebben we een gezamenlijk ontbijt. We kunnen onder de happen en wimpers door elkaar stiekem bekijken wie er allemaal in ons gezin zit. Jantje, die zich als de Padre de Famille zal ontpoppen, is een joviale jonge man die overal de lol van in ziet. Hij is geboren en getogen op Sumba. Een echte regelneef, maar wat er allemaal geregeld wordt merken we niets totdat het gebeurt. Jantje heeft feilloos door wat voor pappenheimers hij in de groep heeft en wat hun wensen zijn. Hij praat erg goed Nederlands, maar met een Tante Lien uitspraak. De uitdrukkingen gaan wel eens verkeerd wat hilarische momenten oplevert. Martin en Geke komen uit Groningen, maar praten accentloos. Geke is een nuchtere tante die een heerlijk relativerende uitwerking heeft. Initiatief moet je nemen, niet schrijven. Ze heeft bergen snoep bij zich, maar vergeet die steeds mee te nemen met als gevolg dat we op het eind van de vakantie ons ongans snoepen om het maar op te krijgen. Kortom, een heerlijk mens. Martin is een lange Hollander die het liefst zwart gekleed is. Hij is licht kalende wat hij probeert te bedekken door het haar aan beide zijkanten over de grote blote middenscheiding van het hoofd te draperen waardoor er een soort vrolijk duiveltje ontstaat. Hij weet alles over Indonesië en vertelt daar graag en veel over. Spreekt de taal ook vloeiend en kan ook heerlijk Nederland-Indisch praten. Als Geke en Martin zich samen wanen, praten ze Gronings met elkaar wat geen mens verstaat. Voor ons een hele eigen taal. Maarten is het rustigst van ons allen en bescheiden. Ik vindt het zeer bewonderingwaardig dat hij op zijn leeftijd zo’n reis kan maken. Maar met gemak doorleefd hij alle aspecten van de eilanden. Wel heeft hij de steun nodig van het papier waarop staat hoe de volgorde is van de reis en in welk hotel we welke nacht slapen. Hij heeft een grote rode koffer bij zich waar gedurende de hele reis van alles uitkomt voor de kinderen die we ontmoeten. Van tennisballen tot duikbrillen en wat daar tussen zit. Voor zich zelf heeft hij weinig en we zien, waar we ook zijn, zijn wasje buiten hangen. De rode koffer heeft hij nieuw gekocht en dat was even wennen voor hem. Maarten heeft dan ook verschillende keren naar een verkeerde koffer gezocht, maar alles is goed gekomen. Jan kennen we van andere vakanties. De twee andere leden van het gezin zijn Edward, mijn man en ik, de Benjamin van het stel.

Vandaag verlaten we het ene eiland voor het andere. We gaan naar Sumba en doen dat door de lucht met het enige vliegende fossiel van Fokker, nl. de F27. We krijgen een doosje met een lekker fel gekleurd cakeje en een verpakt broodje. Geweldig zijn die pakketjes aan boord van de binnenlandse vluchten in Indonesië. Het is elke keer een verassing welk gekleurd etenswaar er in zit en waar het naar smaakt. We vliegen langs de kust van Lombok en Sumbawa. Het is werkelijk een prachtig uitzicht. De zee veranderd van kleur naarmate hij dichter bij de kust komt. Van diep donker blauw naar licht en azuur blauw/groen. Dan komt er een witte streep van golven en zand en daar achter de verschillende kleuren groen en bruin van het land. Terecht een smaragden gordel die onder ons door gaat. We landen op een klein vliegveld in het noorden van Sumba. Via een wankel trapje stappen we de intense hitte in. Allemachtig hier is geen enkele deo tegen bestand en we zijn al gauw niet oksel fris meer. We zijn zowat tot aan de deur van de aankomst die ook als vertrekhal fungeert afgezet. We lopen op ons gemak een klein laantje door met prachtige, enorm grote bloeiend bougainville struiken/bomen. Drie mannen zitten in de schaduw hiervan op een trapje te wachten tot alle passagiers zijn uitgestapt en gaan dan op hun dooie akkertje de koffers en tassen uitladen. Alles plan plan (rustig aan) zoals ze hier zeggen. Groot gelijk met die warmte. En waarom je druk maken, die koffers komen er heus wel uit. Wel wat anders dan de drukte die wij gewend zijn, maar een hele verademing. In de hal vermengen we ons met de vertrekkende tot de koffers voor hun weg zijn en de onze gearriveerd. Er staat een fel rood en groen met gele streep met op het rode vlak aan de chauffeurszijde een wit paard dat bij nader goed bekeken een hond bleek te zijn, gekleurd busje voor ons klaar. Deze bus zal ons over het hele eiland brengen. De bagage wordt er boven op goed vast gebonden en de trip kan beginnen. We rijden door druk chaotisch toeterend verkeer maar langzaam komen we in heuvelachtig gebied en wordt het verkeer ook minder. We kijken onze ogen uit. De huizen hebben hier aparte hoge daken en op het erf staan de graven. Deze zijn vaak met lichtblauwe of groene badkamertegels bekleed. Soms hebben de tegels een religieuze beeltenis erop van Jezus aan het kruis, het laatste avondmaal of Maria al dan niet met het kind. Meestal is er ook een golfplaten dak ter bescherming van het graf. Het is er heerlijk zitten op koele tegels en in de schaduw om wat kleine huishoudelijke klusjes te doen zoals het uitzoeken van de rawits (pepertjes) of elkaar te ontluizen. De graven staan in de eigen tuin of erf zodat men er zeker van kan zijn dat het huis in de familie blijft, omdat men de voorouders zal blijven eren. Niet overal op dit eiland zijn de graven zo gebouwd. In een groot weiland staan enkele enorme graven. De grote stenen komen van de kust en zijn met vereende krachten en zeer primitieve hulpmiddelen al zingend naar hun plaats gebracht. Je hebt vier staande stenen met daarop een stenen afdek plaat. Sommigen van deze graven zijn hoger dan de mens. De grotere graven hebben een uitgehouwen stierenkop met enorme horens aan de voorkant en op de achter kant zie je de billen en de staart of een vrouwen en mannenhoofd aan de voorkant en ook hun achterkantje zie je aan de achterzijde van het graf. Soms hebben ze een rood verfje gekregen. Op elk graf, groot en klein, zijn letters uitgehouwen die je vertellen wie er in ligt en soms zie je ook een kruisteken. Op deze eilanden is men overwegend christelijk en ondanks allerlei nare berichten over aanslagen leven de verschillende geloven in Indonesië gebroederlijk naast en met elkaar en daar zouden wij een voorbeeld aan moeten nemen. Zowel de islamieten als anders gelovigen. We rijden naar het dorp waar Jantje heeft gewoond. Hier kunnen we goed zien hoe de traditionele huizen zijn gebouwd. De huizen staan op korte palen. Dan krijg je om heel het huis heen een veranda die wat hoger ligt zodat je bij wateroverlast geen overlast hebt in je huis en er ook niet makkelijk ongedierte in je huis hebt en de honden en varkens van het gezin hebben een onderkomen onder het huis. Het dak hangt een eind over de veranda heen zodat er altijd en overal schaduw is om in te zitten en te werken. Aan de houten muren hangen in verschillende grote en aantallen buffelhorens. De grote en de aantallen geven de status van het gezin weer. Bij een begrafenis worden deze buffels, maar ook andere dieren zoals paarden, varkens en honden geofferd. De horens van de buffels komen aan de huizen te hangen en als je rijk bent heb je veel buffels. Dus rijkdom is hier aan de horens af te tellen. De dakbedekking is gemaakt van een soort palm, de zgn. atap wat je geregeld in kruiswoordraadsels tegenkomt. De vorm van het dak begint zoals een gewoon dak bij ons is, maar dan komt er een flinke toeter omhoog. Een soort van hele grote schoorsteen midden op het dak. Ze kunnen som wel tot negen meter hoog zijn. Het huis heeft twee ingangen. Eén voor de heren en één voor de dames. Elke ingang geeft toegang tot de slaapkamers van de vrouwen of mannen. De mannen komen niet aan de kant van de vrouwen ook niet binnenshuis en alleen de vrouwen die genetisch familie zijn mogen aan de mannen kant komen. In het midden is de keuken met daarboven dus die hoge toeter die inderdaad als schoorsteen dient maar ook als voorraad schuur voor de rijst en het vlees zodat alles goed droog gerookt blijft. De steunpalen in het huis zijn mooi bewerkt in het hout maar ook eromheen zodat ratten niet bij de voorraad rijst kunnen. We lopen door het dorp over een met lichte gekleurde keitjes ongelijk geplaveid mooi aangelegd paadje dat langzaam maar zeker heel steil wordt. Tot we bij het dorpsplein komen die bezaaid ligt met grote en kleine stenen graven. Op de dekplaten liggen traditionele ikats, staan gevlochten mandjes en tussen de graven ligt de rijst te drogen op hel gekleurde zeiltjes. Men kijkt onder het afdakje wat voor vreemd volk er nu langs komt en zijn meteen in voor een praatje vooral als ze Jantje zien. Een kleine hereniging met zijn dorpsgenoten. Adoe joh, wat leuk. De hoofdman zit trots voor zijn vele buffelhorens in kruiszit. De mannen hebben om hun middel ikats gedrapeerd met daarin een enorm zwaard gestoken. Deze wordt hier parang genoemd en wij zouden klewang zeggen. Het mes wordt overal voor gebruikt en de mannen hebben hem altijd bij zich. We delen wat sigaretten en wij krijgen een lekkere pruim aangeboden. Je ziet hier veel mensen het rode goedje kauwen. Ze tonen ons hoe zo’n pruim gemaakt wordt van betelnoot, siriblad en kalk. Voor de kalk hebben ze een mooi bewerkt houdertje van twee verschillende houtsoorten die ik zomaar cadeau krijg. Je ziet ook heel wat dames die de zo befaamde ikats aan het weven zijn. Iedere eiland met zijn eigen patronen zullen we merken. Jantje laat zijn ouderlijk huis zien en we mogen ook binnen kijken. Hij is een voortreffelijk causeur en verteld met trots over zijn kindertijd hier en over zijn ouders, broers en zussen. Het huis staat nu leeg, maar bij plechtige aangelegenheden is ieder van de familie present. Beneden het dorp ligt de plaats Waikabubak waar ons hotel is. We slapen op de tweede etage waar voor iedere kamer een zitje is. Het platje. Een mooie plek voor de jam Bintang (biertijd) en de indrukken van deze dag tot ons te laten doordringen. We zitten al gauw bij elkaar en kijken op de menukaart van een restaurant waar de maaltijd gehaald wordt door het hotel die niet over een kok beschikt. Ze hebben wel een enorme eetzaal met plastic stoelen en over de tafels ook een lekker plakplasticje. De slaapkamer is goed en de mandiebak is goed gevuld met koel water zodat we ons lekker kunnen opfrissen. Hoewel dat gevoel nooit lang blijft in de tropische hitte. Maar het is goed toeven op het platje met een bintang en goed gezelschap.

Maandag 23 okt.
We hebben een onrustige nacht. Er zijn veel blaffende honden en als we dan eindelijk inslapen beginnen de vijf moskeeën om ons heen de mensen in de wijde omgeving tot gebed op te roepen. Ik sta op met overal kleine rode bultjes die ik heb opgelopen in het bed. Vlooien! En het enige bed met vlooien of de andere worden er niet door lastige gevallen. Het jeukt natuurlijk enorm en het is een ware aanslag op mijn zelfbeheersing vooral niet te krabben, want één wondje en je kunt in de tropen een infectie opdoen. Azaron anti-jeuk moet wonderen gaan doen. Het ontbijt wordt in de grote eetzaal gebruikt en we praten wat zachtjes, want de resonantie is enorm. We zijn de enige gasten en het brood is daarop afgestemd. Ieder twee halve sneetjes licht geroosterd brood. Maar de koffie is lekker als je het laatste beetje maar in het kopje laat. Toch we zijn dol op koppie toebroek, vooral in de ochtend. Augus, de chauffeur en Nathal, de bushulp staan al klaar om ons vandaag rond West-Sumba te rijden. Jantje heeft niet in het hotel geslapen, maar was er wel tijdens het ontbijt. Zijn vader heeft de gisterenavond een brommer ongeluk gehad en ligt nu in het ziekenhuis. Als hij het verteld wrijft hij over zijn buik om de emotie die hij hierbij voelt tot uiting te brengen. Gelukkig is het allemaal niet ernstig. Het busje wordt normaliter gebruikt in het openbaar vervoer en de deuropening is op de kleine mensen hier afgestemd met als gevolg dat bij het instappen Martin zijn hoofd ongenadig stoot. Het wordt lichtelijk zwart voor zijn ogen, maar hij valt net niet flauw. Het ego is enigszins gered door het petje die hem voor verdere verwondingen op het hoofd heeft gered. Toch een klein deukje met een flinke schram opgelopen. We geven hem allemaal maar een aai over zijn bol. Blij dat het ons niet is overkomen. Ja, lief en leed wordt gedeeld in ons gezinnetje. Na deze consternatie kunnen we gaan. We rijden door heuvelachtig landschap wat er erg verdort uitziet. We zijn tegen het einde van de droge periode en alles is verdroogt. De vele sawa’s liggen geoogst en dof van kleur tegen de heuvels. Boven op een heuvel stappen we uit en gaan we een eind lopen om de omgeving nog beter in ons op te kunnen nemen. Marsliederen worden ingezet, maar de warmte en het imposante uitzicht houdt het tempo langzaam. Tegen de heuvels tussen de sawa’s en lage bossage zien we de hoge rieten daken van verschillende dorpjes. Beneden aangekomen stappen we weer in de bus en rijden verder. Een eind verder worden we tot stoppen gemaand door enkele vrouwen die wat willen verkopen. Wij kopen niets , maar stoppen wel even om te kijken wat ze verkopen en een praatje met de mensen te maken, maar natuurlijk ook foto’s van de dames met pruim. Die wordt in de rechter of linker bovenhoek onder de lip bewaart. Je ziet dan een flinke bult met een klein rond nat plukje tussen de tanden en lippen door. Het hindert ze geenszins, want ze kunnen er mee praten en lachen. Er komen enkele heren langs op de brommer en die blijven ook even gezellig mee kletsen, nieuwsgierig wie wij toch wel zijn. Een eind verder stoppen we weer. Warung Jantje gaat open. Heel verrassend heeft Jantje voor koffie gezorgd. Hij neemt elke dag in een thermoskan heet water mee en verdere benodigdheden om een heerlijk bakkie koffie te serveren op de meest mooie en onherbergzame plekjes. Dat is echt genieten! We gaan twee van de dorpjes die we in de verte zagen liggen bezoeken. Hier geen mooi pad, maar gewoon de stoffige zwarte aarde. Gelukkig dat het niet regent, want het moet dan een modderboel zijn. We hebben meteen al een schare kinderen om ons heen en in optocht gaan we het dorp in. De huizen staan om het plein heen waar de graven van verre voorouders liggen. Mensen liggen te ontspannen op hun veranda of doen een klein werkje. Er wordt veel geborduurd op kleine, van rieten gemaakte handtasjes. Enkele bejaarde vrouwtjes die van boven naakt zijn vluchten gillend weg. Zij zijn bang voor de blanke man, omdat vroeger de jonge dames uit de dorpen werden geroofd voor het gerief van die blanke man. Het is daarom ook dat vele oude dames van top tot teen op het lichaam tatoeages hebben. Er wordt koffie fijn gestampt in een kleine houten pot. Boon voor boon wordt op deze manier tot poeder verstampt en het vergt veel geduld. Een man is zijn tabak aan het snijden. Het is jonge, nog groene tabak. De bladeren zijn strak opgerold in staafjes. Die houdt hij voor een plankje met een rond gat erin. Centimeter voor centimeter duwt hij het rolletje door het gaatje en snijd met de parang een gedeelte van de rol af. Zo ontstaan er kleine sliertjes tabak. Meer bewerking is er niet nodig. Misschien nog wat drogen in de zon, want het is wel erg vers om te roken en het smaakt grassig. Mijn tabak uit het bekende blauwe zakje wordt met smaak opgerookt. De rijst wordt voor de maaltijd die dag uitgezocht op steentjes en andere ongerechtigheden. Kleine kinderen spelen met zelf gemaakt autootjes die ze met een touwtje voortrekken. Ze zijn gemaakt van plastic flessen waar raampjes en uitsparingen voor de wielen zijn uitgesneden. De wieltjes zijn gemaakt van hout. Het werkt uitstekend en je hebt vele varianten. Dat ligt er maar net aan hoe de auto is uitgesneden en welke kleur fles je hebt. Bij een huis zien we een wel hele grote buffelhoren hangen. Het blijkt de grootste van Sumba te zijn. Hij hangt tussen vele andere horens netjes boven elkaar. Het is en groot huis en over de hele muur hangen de horens netjes in de rij met ertussen een nieuwerwetse klok die niet meer werkt, want de batterij is op. Merkwaardig gezicht, maar ook de klok blijkt een status te geven. We komen goed van onze sigaretten af, want ieder paft er lustig op los. We zien prachtige bewerkte parangs. Het handvat van het mes is mooi bewerkt en de bewerking gaat door in de schede. De ikat om het middel waar de parang wordt gestoken is zo gedrapeerd dat het ook als een buideltas wordt gebruikt. Een stel opgeschoten jonge knullen laten zien hoe ze elke dag water moeten halen in een put ergens beneden de heuvel. Ze vervoeren de jerrycans op twee lange bamboestaken aan elkaar verbonden die op één van hun schouders rust met onderaan een houten wieltje. Zo rijden ze ieder met een jerrycan op staak elke dag een keer. In het tweede dorp waar we lopen is de stank niet te harden als we dicht langs een huis lopen. Er ligt een dode opgebaard in het huis. Een man verteld dat zijn zoon van 20 jaar na vijf jaar ziek te zijn geweest vier dagen daarvoor is overleden aan malaria. Wordt als malle ria uitgesproken. We leven met hem mee en worden dan begroet met het neuzen neuzen. De begroeting die je ook bij de Maori’s ziet in Nieuw Zeeland. We picknicken op een totaal verlaten strand. Wie had dat gedacht. Er wordt een zeiltje neergelegd onder een afdakje van bananenbaden en we krijgen ieder een kartonnen doosje met daarin de meest verrukkelijke maaltijd die je maar kan bedenken bij een strandje. Rijst, bami, kip wat groenten en eping, dat is zoiets als kroepoek. Daarna dobberen we wat in de zilte zee waar de stroming sterk is en zoeken de prachtigste schelpen op het tropische strand. Klapper wordt uit de boom gehaald en zo wordt het een exotische lunch. En reuze gezellig. We beginnen al een (h-)echt gezin te vormen. Martin houdt van zingen en we doen hem dan ook een woest genoegen. Bij elke gelegenheid ken ik wel een liedje met mijn scoutingachtergrond dus hij kan z’n lol nog op. Jantje houdt van zinnen waarvan elk woord met dezelfde letter begint of een zelfde klank heeft. Zoals : Jeukt jouw jeukende jeuk neus ook zo als mijn jeukende jeuk neus jeukt of: Als een potvis pist in een potvissenpispot, dan heb je een potvissenpispot vol met potvissenpis. Hij kan aan de studie. We gaan weer verder over de gebaande wegen tot we van de weg af gaan en in een soort woestijn komen maar dan niet met zand, maar van dor geel groen gras. We stappen onderaan een klein heuvel uit en lopen het kleine stukje omhoog naar twee grote graftombes gelijkend op een hunebed onder een eenzaam kaal boompje. Maar éénmaal boven wacht ons een verrassing. Een panorama van palmbomen in groen landschap die uitkomt in een diep blauwe zee met witte koppen op de golven. Augus en Nathal zijn vlakbij de bus gebleven onder een ander kaal boompje en zitten elkaar te luizen. Het zijn erg vriendelijke mannen. Maar dan is het toch echt jam bintang en gaan we op ons platje de dag nog eens bespreken. Jantje is naar zijn vader. Vanavond eten we in een restaurantje om de hoek van het hotel. Het is rumoerig op straat . De ramadan is afgelopen en het suikerfeest is begonnen en dat wordt met fakkeloptochten en in wit geklede mensen ingeleid. Dit onder begeleiding van de gamelan en gezang wat tot diep in de nacht zal blijven duren.

Dinsdag 24 okt.
Alleen Maarten heeft nog veel last van slapeloosheid. De vele geluiden om hem heen zijn een storend element. Ik ga met het verstand op nul naar bed en heb een rustige nacht waarin de vlooien hun dans maken op mijn lijf. Het enige genoegen dat ik er aan beleef is dat ze lekker dood gaan nadat ze mensen bloed hebben gedronken. De mensen in het hotel hebben nu ook door dat wij meer eten dan de gemiddelde twee halve sneetjes en met een gevulde maag gaan we op stap naar een waterval(letje). Nadat het water eenmaal beneden is wordt hij gekanaliseerd naar de sawa’s. Voor het bij de rijstvelden is gekomen hebben jonge lui pret in het water en de moeders doen de was. Een lieflijk tafereel. Maarten tovert een tennisbal te voorschijn en dan kan de pret helemaal beginnen. We lopen een eind langs het kanaal en we worden achtervolgd door de knullen die wel durven. Als jonge honden schieten ze achter de bal aan die Maarten steeds weg moet gooien. Jantje moet ook af en toe gooien, maar hij is wel een beetje gemeen, want hij gooit hem in een veld wat net onder water is gezet voor de nieuwe aanplant en het is een blubberig zooitje. Maar de knullen worden hierdoor niet gehinderd en springen er met z’n allen in. De natuur om ons heen is mooi groen zo bij het water. In een veld staan twee mannen de aarde onder het water los te stampen om de nieuwe rijstplantjes een goede ondergrond te geven. Een veld verder wordt de rijst gedorst met de hand. In het open veld onder de gloeiend hete zon staan ze de rijst uit de halmen te slaan. Er staan een paar hele grote bomen langs het kanaal die wij sneeuwbalbomen noemen. Het zijn kapok bomen waarvan de vruchtdoos net is opengesprongen en de witte pluizige kapok zichtbaar is. Als de wind er vat opkrijgt sneeuwt het en krijg je spontaan een niesbui. Wanneer we terug lopen langs het kanaaltje komt er een grote scoutinggroep aan. Natuurlijk maken we een praatje en ik leg aan Jantje uit hoe de scouting is georganiseerd in Nederland. Hij verteld dat weer aan de jongens en meisjes van de groep die dat heel interessant vinden. Bij het afscheid wordt er een yell gegeven en wij kunnen dan natuurlijk niet achterblijven. De ondergoedyell is gauw geleerd en even later staan we samen te schreeuwen: “B.I.J.Z. ondergoed bijzonder, bijzonder bijzonder goed. Leg dat maar eens uit. We gaan op weg naar een dorp waar de daken het hoogst zijn op Sumba. Wel negen meter. Op de weg er naartoe komen we een stoet tegen van mensen die op weg zijn naar een begrafenis. Ze hebben een buffel om te offeren bij zich. De dames zijn prachtig gekleed in sarong en kabaja. De mannen hebben ook een mooiste ikat om het middel met natuurlijk de parang. Enkele hebben rode vlaggen bij zich en andere torsen de zware gongen mee waarop gespeeld wordt. Al zingend en dansend zijn ze op weg en geven een kleine extra voorstelling zodat wij het op beeld kunnen zetten. Soms is de omgeving groener en staan de sawa’s er prachtig bij. Dan is er vast een bron in de buurt. Over het algemeen is het stoffig. We zijn van de hoofdweg af en rijden nu op een smal hobbelig pad. De weg gaat langzaam naar boven tot 2700 meter hoogte. We passeren kleine dorpjes en nog kleinere nederzettingen met hutjes waar de mensen maar eventjes wonen om dichter bij het werk te kunnen zijn. Veel mensen zwaaien, maar het zijn vooral veel kinderen die enthousiast zwaaien, roepen of zelfs met de bus mee hollen. Bij één nederzetting stoppen we en worden aan een oude baas met een enorme bril, die hij onder zijn neus draagt voorgesteld. De bril wordt recht op zijn neus gezet en men is reuze trots op hun oudste inwoner. Over het algemeen hebben de huizen het traditionele dak van atap met hoge nok, maar soms is de hoge nok weggelaten en we zien ook dat het dak van golfplaten is gemaakt met net zo’n hoge nok erop. En in de voortuin altijd wel een graf. Boven gekomen staan we op een vlakte van zwarte aangestampte aarde. Een eindje verder is er een groot kerkhof met enorme stenen graven. Achter een omheining zien we de hoge daken van het dorp uitsteken.Zo gauw de bus stopt worden we omringd door kinderen en mannen. De vrouwen staan verlegen wat achteraf. We worden van harte uitgenodigd het dorp te bezoeken. Het is een oud dorp met hele oude vervallen graven in het midden van het dorp. We moeten langs elk huis lopen en op enkele veranda’s worden uit hout gesneden beelden neergezet om aan ons te verkopen. Ze zijn prachtig primitief en we willen best wel wat kopen, maar we moeten het ook nog de gehele reis meeslepen. Dus jammer, maar helaas gaat de beurt voorbij. Men is geenszins uit het veld geslagen hierdoor en toont ons de kunstwerken. Ze laten met trots hun woonplaats zien en we mogen van alles en iedereen foto’s maken. Vooral de huwbare mannen zijn gewillig tot zelfs opdringerig om op de kiek te mogen. Zeker als ze kunnen zien hoe ze op de prent staan. Gelukkig heb ik een oud cameraatje en heb niet zoveel last van over mijn schouder hangende mannen. Het is er een gezellige boel en het duurt dan ook wel eventjes voor we verder kunnen. En we gaan verder over een nog smaller pad van zand die uitkomt bij een stel rotsen met daarachter de zee en een baai. De golven slaan met veel geweld stuk op de rotsen. Op een klein vlak stuk wordt het zeil uitgelegd en hebben we een prachtige lunchplek met een andere eetverrassing in het doosje. Jantje heeft ananas en papaja’s gekocht. Weer een andere tropische toetje. Ze zijn zoet, sappig en kleverig. Gelukkig hebben we poetsjetoetbabydoekjes bij ons. Jantje zorgt wel goed voor ons. Die morgen had hij zelfs een koekje bij de koffie, een lekker ouderwets smakend speculaasje. Warung Jantje heeft van alles en had een mooi plekje bij een kabbelend riviertje waar we in de schaduw van grote bomen konden zitten. Een stille koele omgeving voor de koffiestop en alleen wat geitjes op de weg en de toké hebben we gehoord. Iedereen telt dan netjes mee en deze toké kwam tot elf keer. Een record en gelukkig een oneven getal, want het brengt onheil als het even is. We buiken nog wat uit en gaan verder langs de rotsen in de zee over een heel stoffig pad. We komen uiteindelijk aan bij hele oude graven die over zee uitkijken. Na ons te hebben uitgeklopt zien we achter de graven een lagune. De lagune heeft een hagelwit strandje en het water is lichtgroen. Er lopen drie vrouwen met zwarte emmers op hun hoofd. We zien alleen hun silhouet met op de achtergrond palmbomen en de hoge daken van het dorp. In de lagune zijn kinderen aan het spelen en de buffels en paarden worden gewassen, ook door kinderen. We staan nu op een strand bij de graven en al gauw is het bekend dat wij er staan en komen de handelaren aangerend met hun spulletjes. Maar we moeten echt verder, want het is nog een eind terugrijden door het schilderij Sumba. We stoppen nog éénmaal als we zien dat door de bomen kleine kinderen aankomen op hun kittige paardjes. Ze zien er verslonsd uit, maar zitten trots zonder zadel of ander hulpmiddel. We kunnen stoppen waar we willen en doen dat nog maar een keer als er twee mannen met hun vrouwen in kleurige kleding lopen. Het hoofddeksel van de heren is interessant. Deze zijn gemaakt van roze en groene stof en zo gedrapeerd dat het net lijkt of ze konijnenoren op hun hoofd hebben staan. Op onze vraag of we er een foto van mogen maken gaan ze netjes in het gelid en krijg je een statieportret. We eten in hetzelfde restaurant als gisteren, maar nu met romantisch kaarslicht en geen neon. Het is verschrikkelijk gaan regenen en samen met het onweer geeft dat een donderend geweld en is de elektriciteit uitgevallen. We borrelen nog wat na op het platje en ik ben gelukkig nog maar één keer in het vlooienbed te hoeven slapen. Hoe zou Maarten deze nacht beleven?

Woensdag 25 okt.
Voordat we de lange trip gaan maken dwars over het eiland bezoeken we eerst de markt van Waikabubak. Heerlijk toch die markten. Vrouwen lopen met zwaar beladen manden op hun hoofd. Zo zwaar dat de manden half over hun hoofden hangen en ze er onder door moeten kijken waar er nog een plaatsje is waar ze hun waar kunnen uitstallen. Het hoeft geen groot plekje te zijn waar ze het zeiltje kunnen neerleggen waarop ze hun spulletjes netjes op hoopjes leggen. Zo zien we een klein stapeltje kleine paarse uitjes met daarop fier een witte knoflookknol. Lange bonen netjes op een rij. Kleine courgettes en aubergines, paars en groen en licht verschrompeld op een fel blauw zeiltje. Om alles nog meer smaak te geven kun je zeezout kopen die in hoge witte torentjes naast elkaar op een berg zeezout staan. Net een kasteel op een berg. Verschillende fruitsoorten op een hoopje en je fruitschaaltje is voor die dag gevarieerd gevuld. En dan de plastic huishoudelijke voorwerpen. De potjes, doosje en bekertjes in velerlei kleuren door elkaar en op elkaar gestapeld met hun dekseltjes ernaast, uitzoeken maar. Daarnaast in bijpassende kleuren, borsteltjes om het artikel weer schoon te krijgen na gebruik. Natuurlijk ook allerlei boerenartikelen en aan de mode is ook gedacht. Tafels vol met T-shirts, lange en korte broeken, blouses, sokken en mutsen (ja, die ook in dit warme land). In alle maten groot en klein. Tabak wordt in grote vellen van twee centimeter dik verkocht. Je geeft aan hoe groot je je stuk tabak wilt hebben en ze knippen het netjes op maat af. Bij gebrek aan een weegschaal de meest efficiënte oplossing. Natuurlijk wordt er ook vlees verkocht, maar niet in dode vorm. Ze willen het gekocht dier wel tegen een kleine meerprijs voor je slachten. Maar dan is het toch echt tijd om te vertrekken. Jantje is blij dat zijn vader goed gaat en uit het ziekenhuis is. Hij is er glazerig van, zijn uitdrukking voor betraande ogen. Zo heeft hij ook veelvuldig de uitdrukking bij iets wat hij heel mooi vindt dat hij een kippenveld op zijn armen heeft. We rijden door zeer wisselend landschap, we zien zelfs naaldbomen, we komen ook steeds hoger. Natuurlijk stoppen we weer om een dorp te bezoeken. Het dorp heeft een brede ongeplaveide straat met aan weerskanten houten huizen met de traditionele daken, maar nu bijna allemaal van golfplaat. In het midden van de straat en het dorp de graven van de voorouders. De grond om de graven is met bloed doordrenkt. Er was gisteren een begrafenis en er zijn vele dieren geofferd. Bij één van de huizen worden de geofferde dieren verwerkt in hapklare brokken zodat ze verdeeld kunnen worden onder de families die in het dorp wonen. Gezellig keuvelend en rokend snijden ze de buffel. De kop er eerst af. De bovenkaak met voorhoofd en horens wordt voor de honden op de grond gegooid. Zij knagen de botten schoon zodat deze later aan de huizen kan worden gehangen. Een varken ligt met zijn grote zwarte lijf geduldig te wachten in een veel te kleine kooi tot hij aan de beurt is. Hij is gisteren nog aan de dood ontsnapt, maar vandaag zal er geen ontkomen meer aan zijn. Op een tafeltje staan de manden met bebloede stukken vlees met huid en haar en in een verroest blik liggen de longen en daarnaast een vergeten kopje koffie. Op een dak liggen de manen en de staarten van de twee geofferde paarden te pronken. Aan het einde van het dorp staan de belangrijkste graven. De dekplaten zijn wel vijf bij vijf meter. Een man vertelt zingende hoe ze de stenen naar hun dorp hebben gesleept. Op één van de graven zijn een man en een vrouw uitgehouwen op bijna ware grote. Als dank voor zijn zingende verhaal presenteert Jan een sigaret uit zijn pakje waarop de man het hele pakje pakt. Zo kom je lekker snel van je rokertjes af. Net buiten het dorp langs de weg staat een groot bord waarop de vogels te zien zijn die we hier op Sumba kunnen tegenkomen en die beschermt zijn. De bussen van het openbaarvervoer die hier rijden zijn veredelde bemo’s. Ze zijn groter, prachtig in de lak gespoten en de voorkant gaat omhoog. Net een haaienbek om te zien. En ze zien er net zo vervaarlijk uit ook, want er hangen groten stalen kettingen onder. We gaan naar een plek waar Koningsgraven zijn. Ook weer enorme, netjes uitgehakte rotsblokken en de man en vrouwe figuur voorop zijn nu in ware grote. Imposant als je bedenkt met wat voor middelen de mensen dit hebben moeten doen. Op één der zijmuren van het graf staat een manoeli afgebeeld. Dat is één van de bruidschatten. Een manoeli is een sieraad die een vaginale vorm heeft. Als het sieraad om de nek wordt gedragen is men niet getrouwd. Wordt het sieraad in de oren gedragen dan is men wel getrouwd. De maranga op het graf afgebeeld zijn de horens van de buffel en de tabelot zijn de billen van de man die hiermee zijn viriliteit aantoont. Als sieraad dragen mannen en vrouwen ook wel een hanahida en dat is een armbandje met verschillende kleuren kralen. We picknicken dit keer midden in het bos en we hebben het over al het mooie wat we tot nu toe hebben gezien en over hoe Indonesië eens was. Het woord saudade wordt dan veel gebruikt. Het is een Portugees woord wat vertelt over heimwee naar een plek waar je nog nooit bent geweest. Hiermee bevestigen we de liefde wel voor Indonesië. We bezoeken een klein wit achenebbisj kerkje die de zending vroeger nog hier heeft neergezet. Het ziet er vervallen uit, maar het kerkje wordt nog wel gebruikt. De dochter van de koster haalt de sleutel zodat we binnen kunnen kijken. De Nederlandse pastoor die hier altijd zijn woord heeft gedaan is nog niet zolang geleden gestorven en ligt een klein eindje verder in het dorp begraven. Onderweg komen we nog een bruidstoet tegen. Iedereen van de familie plus de totale inboedel zit in de vrachtwagen en brengen zo de bruid naar de man. In Waigapu zitten we in een hotel op de hoek van een erg druk kruispunt, maar die zit verborgen achter grote groene bomen en we horen alleen maar het verkeer voor bij razen en toeteren. We zitten op de bovenste verdieping en hebben een grote betegelde veranda voor onze deuren. Aangekomen zetten we de stoelen en tafeltjes bij elkaar en drinken een thee of koffie waarna al gauw het biertje komt.De kamers hebben een douche, maar die doet het niet dus vullen we de rode teilen om te kunnen mandiën. We zijn ondanks de enorme treden die we moeten beklimmen om boven te komen blij dat we hoog zitten. We hebben de afwatering eens bekeken beneden in het hotel en dat belooft niet veel goeds indien het zou gaan regenen. Het hemelwater komt in kleine afvoerpijpjes in het hotel uit en onder de pijpjes hangen grote plastic flessen. Ingenieus opgelost , maar met het bouwen van dit hotel had er toch een andere constructie bedacht kunnen worden. De ontbijtzaal waren ze bijna vergeten te bouwen en is helemaal boven op het dak. Het is zo wie zo een vergeten item, want als we er zitten bedenken ze ineens dat we misschien wel koffie, thee en wat te eten willen hebben. Martin en Jantje heffen een éénregelig plechtig lied aan:”Geef mij maar nasi goreng en een gebakken ei, wat sambal en wat kroepoek en een goed glas bier erbij.” Dit doen ze wel vaker om maar aan te geven wat hun wensen zijn of beter had gekund. De samenzang vergoelijkt veel. Toch wordt er hier wel vaker gezeten gezien de potjes jam die er al jaren standaard staan te plakken. Dit ook maakt dat we van Indonesië houden. S’avonds hebben we in Nazareth gegeten. Een fel verlicht lokaaltje waar maar enkele menu’s bestelt kunnen worden hoewel de menu kaart anders doet vermoeden. De keuken is elders gelegen, want de ober gaat met de brommer ons bestelde eten halen.

Donderdag 26 okt.
We hebben gisteren al afscheid moeten nemen van Augus en Nathal en de bus. We zijn nu aangewezen op de bemo. Jantje heeft algauw een bemootje geregeld en we zitten bil aan bil met de hoofden omlaag in het autootje op weg naar de haven waar enkele vissersboten liggen en een vrachtbootje wordt gelost. Verder in de bemo gaan we naar de protestantse kerk die ter eer en glorie van dominee van Willigen is neergezet na zijn dood. Het dak is in een W gebouwd en dat kan je goed zien als je aan de voorkant staat van de kerk. We worden uitgenodigd door de koster om in de kerk te komen. Enkele dames zijn aan het schoonmaken en enkele zitten in de plastic stoeltjes die de kerk vullen te bidden. Daar houden ze mee op als ze ons zien binnenkomen en heten ons van harte welkom. Kerkboekjes met liedjes worden te voorschijn gehaald en spontaan klinkt een gezang op van ijle hoge stemmen die prachtig galmt in het gebouw. Op naar de volgende kerk, maar van het katholieke geloof. Een moderne kathedraal rijst op met prachtige glas in lood ramen in de zijflanken met een Jezus figuur die aan komt lopen over het water. Voor de kerk, op het plein staat een standbeeld van Jezus in ikat kleding met enkele opgevouwen ikat kleden naast zijn voeten net of hij ze wil verkopen. Via een zijdeurtje die, wat een geluk, open is komen we in de kerk waar een serene rust heerst. De vloer is van spiegelende witte tegels en de glas in lood ramen weerkaatsen er helder in. We lopen stil langs de houten banken naar de beelden naast het altaar. Jantje heeft in de gauwigheid kaarsjes geregeld en die steken we met onze eigen intenties aan bij het Maria of Jezus beeld. We gaan in een korte overpeinzing nog even in de banken zitten. Maar we moeten weer verder. Onderweg zien we een redelijk modern uitziend postkantoor. Gauw stoppen en kijken of we postzegels kunnen kopen, maar er wordt vreemd opgekeken, want postzegels worden er niet verkocht. Nu naar een huis waar men laat zien hoe de ikat wordt gemaakt. De hele kampong doet hier aan mee en zo verdienen ze hun natje en hun droogje. In het huis woont een jong gezin waarvan de twee kinderen allebei malaria aanvallen hebben. We worden achter het huis op een gammele smalle trap naar boven geleid waar een oudere man voor een frame zit. Hij is met touwtjes bezig. Op het frame zijn vele kleurloze spandraden waarop met een soort houtskoolpotlood een tekening wordt gemaakt. Dit is het te weven patroon. Neem een man op een paard. Om de kleuren in het patroon te krijgen bind men spandraden af. Bijvoorbeeld: je wilt een indigo (blauw) als achter grond, dan moet alles wat geen achtergrond is in het patroon afgebonden worden en gaat het in een verfbad. Laten drogen en weer verder met de behandeling. Dan wil je een rood kleed voor de man op het paard. De rode kleur wordt gemaakt uit wortels van de quatro fonia plant. Alles wat niet rood moet worden wordt afgebonden en alles gaat weer in het verfbad die de rode kleur zal geven. Dan wil je geel wat uit een boombast wordt verkregen hebben voor de kleur van het paard. Een zelfde procedure wordt herhaald. (De kleuren worden allemaal uit natuurlijke grondstoffen verkregen.) Als alles is gekleurd wordt het weefgetouw opgezet met draden die neutraal van kleur zijn of bij de achtergrond gaan horen. De spandraden zijn nu de draden die men erin weeft. Het luistert dus erg nauw hoe je alles kleurt en hoe de tekening is gemaakt zodat alles in verhouding op het doek komt. Weer in de huiskamer terug mogen we gaan zitten en onder het genot van een zeer goede kop koffie worden er vele prachtige doeken voor onze voeten uitgevouwen. Elk kleed heeft zijn eigen mythisch verhaal. Dit had ik mezelf in Nederland al beloofd, zo’n kleed moet ik hebben. En zo’n kleed hangt er nu in onze eetkamer te pronken. Het verbeeld de geboorte, de dood, de reïncarnatie in een voorouder en de wedergeboorte, alles weergegeven in beesten die als symboliek van de verschillende levensfases fungeren. En dan is het moment gekomen dat we ook afscheid moeten nemen van Sumba. We halen onze koffers op en gaan naar het vliegveld. Al pratende met een Indonesische zendeling die uitermate goed Nederlands spreekt wachten we op ons vervoer. Dan gaat de sirene die het vliegtuig aankondigt en die we even later zien landen. Koffers zijn gauw in en uitgeladen en we vliegen naar Kupang, de hoofdstad van het volgende eiland Timor. Een vlucht van nog geen uur. We gaan gauw naar ons hotel, pletteren onze koffers in de kamer en gaan eten scoren, want het is al drie uur in de middag. We eten in een warung met een enorm geel reclame bord van Extra Joss aan de voorkant. Hier geen menu kaart, maar wel een grote keuze uit maaltijden die in schalen klaar staan en waar we uit mogen scheppen. Het smaakt voortreffelijk. Met de buik vol gaan we wandelen naar de haven en het centrum van de stad. We komen langs allerlei winkeltjes die ons over de hele wereld leiden als je de uithangborden ziet. Zo komen we langs Bejing, Galilea, Borneo, Kannaän en een warung waar je een Halleluja steak kan eten. Toko Piet doet ons denken aan onze vriend van andere reizen en die nu niet bij ons is. We komen langs de apotheek waar niet alleen medicijnen zijn te verkrijgen, maar ook allerlei vooral katholieke attributen. Van hele kleine beeldjes en dingetjes tot hele grote beelden. Allen netjes in plastic verpakt staan ze in de etalage te glimlachen. Martin en ik kopen er een kerststal waarvan de beeldjes fel zijn gekleurd. Heerlijk kitsch. In de haven is niet veel te beleven en we gaan verder een straat in waar een hotel heeft gestaan waar Martin ooit heeft gelogeerd. Het hotel staat er niet meer en de boekenwinkel waar hij veel in te vinden was, is dicht. Jammer. De cd winkel is gelukkig wel open en Jantje laat ons allerlei muziek horen die nu en daar populair is. Indische hits. Elk plaatje wordt in volle sterkte over de boxen ten gehore gebracht. Tot ver in de straat is te horen wat er gespeeld wordt. Het heeft een lekker ritme en al gauw staan we te swingen in de winkel wat weer bekijks heeft buiten de winkel. We slagen aardig een potpourri van deze hits te kopen. Met de bemo gaan we terug naar het hotel. We gaan gezellig bij elkaar zitten in comfortabele ronde rieten stoeltjes op ons platje die uitkomt op een klein watertje met vissen en zelfs bruggetjes erover. Een klein fonteintje zorgt voor achtergrond gekletter en zo houden we het nog lang uit daar. De kamers hebben een heuse douche en ondanks dat er alleen koud stromend water is, is het ook wel weer lekker het water zonder enige moeite over je lijf te laten spoelen. We hebben nog steeds contact met Nederland via sms. Ongelooflijk, zover van elkaar en toch vernemen we dat het in Holland 22°C. is, erg warm voor de tijd van het jaar. We gaan laat eten bij Extra Joss. Als we de warung binnenkomen is er niemand te zien. Ho jee, zouden we nog wel kunnen eten? Maar plotseling komt er van onder de tafel de bazin tevens kokkin te voorschijn. Ze had daar liggen slapen op een stuk karton.

Vrijdag 27 okt.
Vandaag verlaten we Timor al en gaan met de boot naar het eilandje Roti. Dat spreek je uit als Roté, want anders denken men hier dat je om een brood vraagt. Tussen zwaar beladen vrachtwagens en een ontelbaar aantal bromfietsen laveren we naar een smal trapje met onze handbagage. (De grote koffers hebben we in het hotel achtergelaten.) We wurmen ons naar boven en komen in de eerste klasse terecht. Het is een grote zaal met lichtblauwe stoelen in lange rijen. Eén rij van vijf stoelen, een middenpad een rij met tien stoelen, weer een middenpad en dan weer een rij met vijf stoelen. En zo een hele zaal vol. Voor in de zaal hangt een tv. Waar een gewelddadige film is te horen en te zien. Aan het plafond enkele ventilatoren. Maar er zijn ook raampjes die je open kan doen voor enige frisse lucht. Achter deze zaal is een volgende zaal met rode stoeltjes. De zaal is groter, maar er staan minder stoeltjes. Er is namelijk plaats voor zeiltjes waarop de mensen kunnen zitten of liggen. Het enige dat er hangt is een tv. Met ook hier de film. Dit is de tweede klasse. Het is een onbeschrijfelijke rommel op de vloer. De eerste klasse is niet veel minder als je kijkt naar de vloer waar het krioelt van de kakkerlakken plus aanverwanten die je ziet rennen op zoek naar de kruimels. Vaak voelen we ze over onze voeten gaan. Iedereen rent heen en weer op zoek naar een plaats. Hebben ze die gevonden dan roepen ze dat naar meereizende vrienden of familie. De kleinste kinderen krijsen, de grotere rennen schreeuwend door elkaar. Er hollen jongens heen en weer die eieren, broodjes, flesjes water en wat dies meer zij te verkopen. Dit roepen ze met luide stem om. De kakofonie en onze verwondering is compleet. Tussen dit alles door staat er een jongeman in uniform voor de stoelen en geeft een demonstructie, zoals dat in het vliegtuig ook gebruikelijk is, over hoe een zwemvest te gebruiken en waar de vluchtwegen en nooddeuren zich bevinden. Rondkijkend hebben wij niets van dit alles kunnen waarnemen. De jonge man wordt verlegen van onze onverdeelde belangstelling. Hij staat het ook met verve uit te beelden of hij voor doofstommen staat. Niet verwonderlijk misschien gezien de chaos om hem heen. Het is duidelijk en een applaus is op zijn plaats. Adoe, zielig toch, zoals wij hem in verlegenheid brengen, maar een glimlachje kan er toch vanaf voor hij wegvlucht. Maar ook wij hebben de belangstelling van de passagiers. Zo vaak komt het niet voor buitenlanders te zien en menigeen komt een soort van argeloos langs om ons te bekijken. Vlak achter ons zit een man die een vervaarlijk kuchje heeft die, wat later bleek, zeer besmettelijk was. Hij blijft de gehele reis zitten waar hij zit, want zo’n uitzicht krijgt hij nooit weer. We trekken helemaal bekijks als warung Jantje opengaat en de koffie wordt bereidt. Op een dienblaadje die Geke vast houdt staan onze plastic gebloemde bekertjes. Eén van ons doet de instant koffie erin de ander de suiker. Jantje het water uit een grote, ook gebloemde thermoskan en weer een ander roert het hete goedje tot drinkbaar vocht. We zijn inmiddels zeer geroutineerd geraakt en hebben een goede samenwerking om een goed kopje koffie te krijgen. Na vier en een half uur zitten, snoepjes en koekjes eten en delen, hangen of een wandelingetje, door vooral de tweede klasse waar de chaos almaar groter wordt, te maken komen we aan op Roti. De boot is nu één groot slagveld en we verlaten hem met enige verbijstering. Er staat al een busje voor ons klaar. We zoeken een plekje waar geen gaten in de stoelen zitten, maar iedereen heeft een plekje bij het raam en zo kunnen we genieten van het uitzicht.. Het is een busje wat normaliter gebruikt wordt in het openbaar vervoer getuige de man die ons aanhoudt. Hij moet naar een feest en heeft zijn, voor Roti zo typische hoed op. De hoed is ingenieus gevlochten van smalle, geel opgedroogde palmbladeren. Het is de lontarpalm waarvan het blad stevig is en waarvan allerlei gebruiksvoorwerpen worden gemaakt. Mandjes in verschillende vormen en maten en zelfs een soort boek. De bladeren worden dan in gelijke grootte gesneden en met een scherp voorwerp de letters in gekerfd. Dan gaat men over de letters heen met een soort inkt gemaakt van bewerkte tamarinde, asam, waardoor ze beter zichtbaar worden. Op elkaar gebonden en tussen twee plankjes en je hebt je boek. De hoed heeft de vorm van een éénhoorn op een platte deksel en wordt met een touwtje onder de kin stabiel op het hoofd gehouden. Het ziet er formidabel uit met een roze bloem voor in de hoorn. En natuurlijk mag hij meerijden. We moeten een uur rijden voor we in Baá zijn waar het hotel ligt. Het eiland is vele malen kleiner dan Sumba, maar de wegen zijn slechter. Het hotel is een drie verdiepingen hoog gebouw. Wij moeten naar de derde klimmen waar we in een hal terecht komen met een tafel met stoelen eromheen waar de kamers op uitkomen. Achter de hal is een enorme veranda, ook met een tafel en stoelen en een weids uitzicht over de zee. Hier zullen we ontbijten en ons avondmaal gebruiken. We kunnen nog een trap naar boven en komen op het dak waar ook een zitje is. We worden verwacht, want de thee en koffie met gebakken bananen staan al klaar. De familie wordt nu uitgebreid met een aantal jonge zusjes die allemaal Kaka (wat broer of zus betekent) heten en een tante, de bazin. Jantje is hier al een paar keer geweest en dan is het een goed Indonesisch gebruik dat je ze een familiaire naam geeft. Na deze heerlijkheden maken we gebruik van de mandiebak, want we voelen ons toch wat smoezelig na de bootreis. Zo opgefrist maken we een wandeling door Baá. Het hotel komt uit in een smalle winkelstraat en het is er druk zo laat in de middag. Iedereen zegt ons vriendelijk gedag. Aan het eind van de straat is een groot grasveld waar de jeugd zijn sporten beoefend. Er wordt druk gerekt en gestrekt en een basketbalteam is aan het oefenen. De supporters zitten op hun bromfietsen hun clubje aan te moedigen. Zo rondlopend moeten we erg aan Biak denken. We lopen verder naar een huis op een kleine heuvel gelegen. De tuin eromheen is goed onderhouden zo ook het huis. De muren zijn helder wit en de kozijnen zijn geel geschilderd. Het huis heeft verschillende erkers met elk zijn eigen dak met rode pannen. Het is gebouwd door Hollanders. Er staat een deur open en we kijken nieuwsgierig naar binnen. Het lijken wel oude Hollandse meubels. We vragen aan Jantje of hij kan vragen of we binnen mogen kijken. Jantje, een beetje in verlegenheid gebracht door de vraag, vraagt aan mij mee te gaan. We lopen achter het huis om en komen een jong meisje tegen. Het blijkt een bediende van de familie en zij zal het aan haar bazin vragen. En ja hoor, het mag. We worden de ronde hal annex kamer binnen gevraagd en moeten daar wachten. De huidige bewoner blijkt de vroegere Radja van Roti en Timor te zijn geweest. En zo zitten we even later wat ongemakkelijker door de onverwachtse wending op audiëntie bij de Koning en Koningin. Het zijn vriendelijke mensen en vooral de Koningin zit statig in een stoel. Geke zegt later dat al zou ze in een zwembroek zitten ze nog een bijzondere statige uitstraling heeft. De meubels zijn allemaal antiek, vooroorlogs en glanzend geboend. Ze vertellen over de familiekiekjes die aan de muur hangen. Hun voorouders, maar ook over hun kinderen. Eén van hun zonen woont zelfs in Zurich. We mogen nog wat foto’s maken als ze voor hun huis staan en dan gaan we terug naar het hotel. Het is al donker geworden en we hebben wel honger. Omdat er hier geen warungs of restaurants zijn eten we in het hotel. We zitten buiten op de veranda met een klein briesje en het klotsende zeewater onder ons te genieten van een heuse rijsttafel. Het is beslist geen straf dat we gebonden zijn met het eten aan het hotel. Er zit wel een groente bij die we geen van allen lekker vinden. Het is een komkommerachtige plant, wit bobbelachtig vruchtvlees en het smaakt super bitter. Het is ook heerlijk uitbuiken en naborrelen op ons buiten. Jantje verteld weer één van zijn vele verhalen waar we smakelijk om moeten lachen. En dan gaat het vaak niet eens om de verhalen, maar op de manier hoe ze verteld worden en het klinkt extra leuk met zijn accent.. Een toerist heeft hem eens gevraagd of de dames die gesluierd zijn, dames zijn die gordijnen verkopen. Hij vindt het verhaal zelf geweldig en giechelt met zijn hand voor de mond. Of over een toeriste die behoorlijk aan de maat was en die onverwachts haar broek op haar enkels had. Het wordt een hilarisch verhaal over dikke tante Toet. We kunnen nu ook geen wat dikkere dames zien of we hebben het over dikke tante Toet.

Zaterdag 28 okt.
We ontbijten natuurlijk weer op onze buiten veranda. Het is eb en de zee ligt daadoor ver van ons af. Er lopen knulletjes iets onwaarneembaars te zoeken in het lage water. Na een flink ontbijt gaan we naar de markt waar we natuurlijk lang langs de kraampjes lopen te slenteren. Martin koopt een doosje witte poeder die de vrouwen gebruiken om een mooi blank huidje te krijgen en ik heb wasknijpers gekocht. Die zijn overal waar je komt ter wereld weer anders terwijl het, goed bekeken en simpel ontwerp is om je was mee op een lijntje te hangen. Oh, alles is weer prachtig op de markt en de mensen zijn zo mooi. Ze laten zich ook graag op de kiek zetten, maar als je ze het vraagt gaat de glimlach van het gezicht om vooral netjes op de foto te komen. Het is een hele kunst om toch die lach op het portret te krijgen. Jammer, maar helaas we moeten verder om Roti te verkennen. We bezoeken weer een Radja die 40 vrouwen heeft gehad. Hij is lang geleden gestorven, maar zijn dochter onderhoud de grote rieten hut op een met crotons omheind stuk grasveld., want meer is het niet. We worden binnen uitgenodigd en komen in een donkere lege hut. Ze laat trots zijn kris zien en toont ons dat het dezelfde is die hij op de foto draagt. We moeten de foto in het licht houden, want hij is erg vervaagd. Vergane glorie. De huizen zijn hier over het algemeen van steen gemaakt. Ze staan in opgeruimde kampongs. Ze hebben een deur in het midden met twee ramen ernaast, een platje en het dak is zo gemaakt dat je er altijd schaduw hebt en een klein erf met ook hier de graven van de ouders en andere familieleden. Alles heeft een frisse kleur. Soms zien we langs de huizen heen een heldere blauwe streep van de, achter de kampong gelegen zee. We zullen enkele kampongs bezoeken vandaag. In de eerste kampong bezoeken we een familie die van de palmsuiker leeft zoals vele gezinnen op Roti. De man des huizes toont ons hoe hij met blote voeten in een hoge palm klimt. De palm heeft kleine inkepingen waar hij zijn voeten in kan zetten. Om zijn middel heeft hij een riem met allerlei attributen om de palm vrucht open te kerven zodat het palmwater er uit loopt. Dit water wordt opgevangen in een van lontarpalm gemaakt mandje. Dit doet hij twee maal per dag. Hij komt met een gevuld mandje naar beneden en we mogen proeven van de zoete licht stroperige vloeistof. Deze vloeistof wordt ingekookt in grote gamellen. Deze ketels staan in uitsparingen van een vernuftig gemaakt kookbouwwerk. Van klei hebben ze een soort bovengrondse tunnel gemaakt met gaten erin waar de ketel in kan hangen. Daaronder een geul waar een houtvuur brand. Er moet constant met ferme hand geroerd worden tot je een dikke bruine drab hebt. De brij wordt met een pollepel in kleine dunnen ringetjes die netjes in een rij klaarliggen en ook van palmblad gemaakt zijn, gegoten en dan moet je het laten uitharden. De gula jawa is klaar voor verkoop. We zien vele families die zo hun manier van bestaan hebben. Bij één van hen stoppen we ook. Jantje kent de oudere mevrouw die daar woont en die slechte ogen heeft zo weet hij. Jantje heeft een brilletje bij zich en er gaat een wereld voor haar open die ze weer met verwondering bekijkt. De kleine gekleurde bril staat wiebelig en parmantig op haar rimpelige neus. In een andere kampong kijkt Jantje of de muziekmeneer er is. Ja hoor, we hebben geluk. Hij moet zich nog even omkleden, maar hij komt er zo aan. Ondertussen worden er onder bomen in de schaduw, mooi gevormde, roze en licht groene plastic stoelen in een halve cirkel neergezet waar wij op mogen plaats nemen. Een andere stoel wordt voor de halve kring gezet en daar achter, in het stoffige zand zitten de kinderen en andere bewoners die niets te doen hebben. De man komt eraan met twee meisjes. Alle drie hebben ze een hagelwitte bloes aan met over de linkerschouder een ikat doek. De doek is weer heel anders van motief dan op Sumba, maar net zo mooi. De man heeft voor deze gelegenheid ook de eenhoornhoed opgezet. Het instrument is heel apart. Een bamboestok van ongeveer 30 cm. lang heeft een paar snaren. Aan de uiteinden van de stok zit een soort van flinke mand bevestigd, ook weer van de lontarpalm, die als klankbord dient. Er komt een ijle tingeltangel muziek uit wanneer de man de snaren op ritmische wijzen aanraakt. Zijn zang klinkt nog ijler en is eentonig. De verschillende liedjes die over liefde en heimwee gaan als je het eiland Roti verlaat klinken triest. Hij speelt en zingt gepassioneerd en wij luisteren met gepaste belangstelling. De twee meisjes dansen onwennig, verlegen en giechelig op blote voeten en met sierlijke armbewegingen. Hun sarong is aan de voorkant als een bloem gedrapeerd. Omdat wij zo stil zitten te luisteren heeft de rest van de bevolking alle tijd om eens onverholen naar ons te staren. Enkele kinderen wordt het teveel en komen nieuwsgierig geworden achter ons staan. En dan is er één meisje die wel lef heeft. Ze raakt me eerst heel eventjes aan en wrijft dan voorzichtig over mijn arm. Hé, dat voelt het zelfde als haar eigen huid het is alleen anders van kleur. Dan wordt mijn hand aan een grondig onderzoek onderworpen. Vingers, nagels, alles nog hetzelfde als bij haar. Dan is mijn hoofd aan de beurt. Ze voelt aan het licht blonde haar tot aan de wortel. Als een apie wordt ik nu gevlooid. Mijn licht blauwe ogen worden ook van dichtbij gecontroleerd, maar die zijn wel eng, zo licht. En last but not least wordt er hard aan mijn neus getrokken. Andere kinderen lachen erom en durven mij nu ook heel voorzichtig aan te raken, maar het meisje is wel de heldin van de dag dat ze zelfs aan mijn neus heeft getrokken en moet dat ook onder veel hilariteit herhalen tot ik er genoeg van heb. We nemen afscheid en rijden naar een soort landtong met aan beide kanten een lagune met helder blauw groen water. Met een kopje koffie zitten we wat bij te komen. Het heldere water lokt en we nemen een duik. Op de landtong staan tafels waarop rood en groen zeewier ligt te drogen. En overal vinden we de prachtigste nautilus en andere schelpen. Het zijn van die kleine schatten gewoon zo voor het oprapen. Bij een ander strand met een wilde zee en hele hoge golven waar toch enkele kinderen in durven te zwemmen, hebben we weer een lunchdoosje met allerlei heerlijkheden. Ongemerkt hebben we toch een heel eind gereden en dat moeten we nu weer terug in onze hobbeldebobbelpiepbus. Maar het is geen straf om over dit eiland met zijn vele kampongs te gaan. We stoppen nog eenmaal bij een zoetwaterbron. Het is er gezellig druk. De was wordt er gedaan, men zet zichzelf in het sop, kinderen zijn aan het duiken en pappa’s zwemmen met hele klein kindjes. Wij gaan natuurlijk ook even zodat we het zout en zweet van de dag kunnen afspoelen. We zijn op tijd op het dak van het hotel om de zonsondergang te zien onder het genot van een bintangbiertje.

Zondag 29 okt.
We staan vroeg op en genieten van een ontbijt en uitzicht over een rimpelloze zee. Het water staat iets hoger zodat vader en zoon wat dichter bij het strand kunnen komen met hun bootje om de vangst van die nacht aan moeder de vrouw te geven die al klaar staat. De vissen hangen in bundeltjes van zes of zeven aan een touwtje aan weerszijde van de peddel. Met de peddel over haar schouder gaat ze naar de markt. Vader en zoon schrobben het bootje schoon en ook de netten worden uit gespoeld in het zeewater en weer keurig in de boot gelegd. Dan gaan zij ook en het bootje weerspiegeld eenzaam in het water. Om 8.00 uur begint de kerkdienst. Het is een schattig wit kerkje met veel ramen die gelukkig open blijven staan, want het is er goed warm. Iedereen is op zijn zondags. De jonge dames, ondanks de hitte met nylons, de heren in lange broek en vaak een batik bloes en de oudere dames in sarong en kabaja. Zij wuiven zich sierlijk koelte toe met prachtige waaiertjes. Er worden die dag twee kinderen gedoopt. Ter ere daarvan is er een klein koor wat heel mooi kan zingen, maar de gehele kerk lijkt wel een koor zo zuiver en melodieus klinken de psalmen. Jantje heeft een liederenbundel bij zich zodat Martin en ik de tekst toch kunnen meezingen, want de melodieën zijn hetzelfde als in Nederland. Ondertussen gebeuren er ook andere dingen in de kerk. Kinderen mogen wat rondlopen en als iemand naar het toilet moet, dan kan dat gewoon. Achter ons krijgt een baby de borst. Ondertussen gaat de dienst gewoon door. De kinderen worden gedoopt en de jonge mensen die de kerkelijke beloften willen afleggen binnenkort, spelen hun lied onder begeleiding van een gitaar. Aan het einde van mis wordt er een zak papaja per opbod verkocht ten gunste van de kerk. Het is van een boer die geen geld heeft om iets in het collectezakje te doen en op deze manier toch een bijdrage kan leveren. Dan krijgen we de zegen en wensen we elkaar handschuddend vrede toe. Bij de uitgang krijgen we ook nog een handje van de dominee. Tijdens de lange rit naar Papeela, aan de andere kant van Roti drinken we koffie bij een stuwdam. Deze staat helemaal droog. Het moet maar gauw regentijd worden, want het landschap ziet er erg verdort uit. We rijden over een heel lang pad met aan weerszijde acaciabomen ofwel de tandenstokerbomen. We stoppen bij een graf, midden op de weg, van een Hollandse vrouw die op 70 jarige leeftijd in 1923 is overleden. Het is een graf van de familie Toepoe en nu Tupu. De familienaam is veranderd van de Hollandse naam naar de Indonesische naam, maar de familie begraaft nog steeds zijn doden in dit graf gezien de sterfdata op de zerken. Terwijl we naar de graven staan te kijken komt er een gezin langs die ons uitnodigt om naar het feest te gaan van de dag na de bruiloft een eindje verder waar een kampong ligt. In optocht gaan we naar het feesthuis dat al van verre te herkennen is aan het grote oranje zeil waar stoeltjes onder staan en aan de gamelan waar vervent op de gongen wordt geslagen. Het lijkt of ze zomaar wat in het wilde weg slaan, maar er zit een, voor ons onduidelijk, ritme in waar vier wat oudere dames op dansen. Zij hebben over hun schouder de traditionele ikat in zwart, wit en rode kleuren. Ze dansen sierlijk met hun handen zwaaiend en zachtjes met hun voeten stampend. Voor ons worden er gauw stoeltjes strategisch neergezet: tegenover waar het gewone bezoek zit dus we kunnen elkaar goed bekijken. De oudere dames dansen nog even door voor ons, maar dan zijn de jonge meisjes aan de beurt. Ze worden begeleidt door hun moeder die het aan de zijkant voordoet hoe ze moeten zwaaien en stampen. Verlegen doen ze hun dansje. Ja, en dan zijn de mannen aan de beurt en dat gaat er wilder aan toe. In sarong en ikat sjerp met natuurlijk de eenhoornhoed stampen ze verwoed heel snel met hun voeten op de grond en dat kunnen ze maar even volhouden. Edward krijgt ook zo’n hoed op en ikat om zijn schouder en wordt uitgenodigd te dansen. Eerst de wat rustige dans. En zo staat hij ook sierlijk te zwaaien en te schuifelen, maar dan komt het betere stampwerk aan de beurt en gaan de voeten weer snel door het stof. Ook Jantje en Martin moeten er aan geloven. Ze doen hun uiterst best het gamelanritme te volgen. De vrouwen kijken hun ogen uit het hoofd, want die twee Belanda’s die kunnen het toch wel met hun lange benen en Jantje gaat helemaal goed. We worden uitgenodigd een kleine eredienst bij te wonen niet ter ere van het bruidspaar, maar ter ere van de 93ste verjaardag van oma. Dat willen we wel. De deur van het huis gaat open en daar komt oma op slofjes die haar veel te klein zijn en daarom ondersteunt moet worden door haar zoon en kleindochter. Zij mag plaats nemen op een stoel tussen het gewone bezoek en ons in, voor een tafeltje wat er in de gauwigheid is neergezet en als altaar dienst doet. Er ligt een bijbel op en een mandjes met een doekje erover heen. Dit is de collectemand. Je kan dan je gift discreet onder het doekje deponeren. Oma is gekleed in een groen kleedje afgebiesd met geborduurde bloemen en eenzelfde kleur sjerp om haar schouders. Langzaam wordt de bril met kleine kreukelige handjes te voorschijn gehaald en op de neus gezet. Het is een enorme bril met dikke glazen en één pootje wordt met een touwtje en een veiligheidsspeld aan de bril vastgehouden. Ze kijkt met tranige ogen eens om haar heen en ziet ons zitten. Wat een verrassing! Ze friemelt wat extra met een opgerold vies doekje op haar schoot. De dienst kan beginnen die wordt voorgezeten door haar zoon die uit de bijbel leest en over de verjaardag van oma vertelt. Dan begint de kleindochter te bidden. Het is een eindeloze lithanie die met grote passie wordt verwoord. En zo wordt oma de hemel in geprezen en enpassant iedereen die aanwezig is. Een vrouw in een rode jurk zit ogenschijnlijk ongeïnteresseerd te kauwen op betelnoten die ze uit een bakje haalt die verdeeld is in 4 vakjes. In één vakje de noten, in een ander het kalk en in weer een ander, de siriblaadjes en in het laatste vakje een in een puntje gevouwen blaadje waarmee ze om de zoveel tijd haar rode tanden poetst om ze zo weer mooi wit te krijgen wat een nutteloze bezigheid is. Ze zit met open mond te kauwen en het overtollige speeksel wordt in een rood straaltje naast haar stoel gespuugd. Kleine stukjes betelnoot die niet te kauwen zijn komen daar achteraan. Maar bij het zingen doet ze vol overtuiging mee. Daarna komt het bruidspaar te voorschijn en gaat iedereen oma en het paar langs om ze al neuzend te feliciteren. Wij doen dat maar gewoon op zijn Hollands met een handje en de beste wensen voor een gelukkig leven. Na het geneuzel moeten we natuurlijk blijven eten en we nemen allemaal een klein beetje van het aangebodene. Op een palmblad krijgen we het lekkers geserveerd en voelen ons toch een beetje opgelaten met zoveel gastvrijheid. We bedanken ze hartelijk en gaan verder naar de kust waar het dorpje Papeela ligt en waar vissers uit Sulawesi wonen en die wat bijverdienen om vluchtelingen per boot naar Australië te brengen. Jantje moet ons dan ook eerst melden bij de politie voor we verder kunnen. Dan komen we eerst bij een moslimdorp terecht met cementen huizen en een mooie moskee. Prachtige bootjes liggen in de haven en kinderen zwemmen er tussen. Daarachter ligt Papeela. In schril contrast met het andere dorp, want hier geen enkel cementen huis, maar alleen houten hutjes op palen. Ze wonen vlak aan zee en de hutjes staan tegen over elkaar met in het midden het strand. Het is een vrolijk volkje wat graag lacht en op de foto wil. Twee knullen laten tamme jonge fregatvogels zien. Op een lange paal staat een poppenhuisje met veel raampjes, liefelijk onder gescheten door haar bewoners, de duiven. We delen tandpasta en borstels uit tot grote vreugde van de jonge meisjes. Op het eind worden we enthousiast uitgezwaaid door de jeugd. We moeten nog een lange weg terug. Onderweg zien we een hele lange paal met bovenin een rond wasrekje met allerlei attributen. Jonge mannen proberen in de paal te klimmen om zo’n attribuut te bemachtigen, maar dat valt niet mee, omdat de paal is ingesmeerd met vet en roet. Er staat ook heel wat publiek omheen die ze aanmoedigen vooral niet op te geven. Het is een vermoeiende bezigheid, want ze glijden telkens naar beneden en moeten het weer proberen. Als het er één lukt om wat hoger te komen gaat een andere man er onder staan om zo een schoudersteuntje te geven. Komen ze nog hoger dan gaat de man ook de paal in en een tweede komt er onder ter ondersteuning. Zo hebben we ze met vijf man zien hangen en staan en nog was de top lang niet bereikt. We maken nog één stop bij een eucalyptusoliestokerij. Je ruikt het al van ver en hoe dichter je bij komt hoe adem benemender het wordt. In een grote ketel worden de bladeren gekookt en de olieachtige condens afgevoerd via een pijp in een klein pannetje waarvan de bodem een zeef is. Daaronder hangt een flesje die de gezeefde olie opvangt. We mogen ook nog even proeven van het bocht.

Maandag 30 okt.
We moeten lang wachten voor de snelboot komt die ons weer naar Timor zal brengen. We kunnen de aanlegsteiger zien van onze veranda en als de boot dan aanlegt kunnen we op het gemak naar de boot lopen. Daar moeten we ook nog lang wachten voor dat alles en iedereen is uitgeladen en in de zon is dat geen pretje. We vinden een klein stukje schaduw en staan er hutje bij mudje, want we zijn niet de enige die in de schaduw willen staan. Het is een snelle ferry en veel kleiner dan de veerboot die ons naar Roti heeft gevaren. We worden in het vooronder ondergebracht. Om daar te komen moeten we langs smalle trapjes waar we amper door kunnen met onze rugtasjes. We zitten in dikke rijen op stoelen. Om nog meer passagiers te vervoeren zijn er naast de stoelen krukjes neer gezet die bezet zijn en dan heb je nog de her en der staande passagiers. Langs de wanden, achter dicht plexiglas zien we reddingsvesten liggen, maar een hamertje om het glas te breken is er niet bij. Trouwens al zou er wat gebeuren, we zitten hier beneden als ratten in een val. We krijgen jammer genoeg geen instructie van een leuke meneer hoe en waar de nooduitgangen te gebruiken en eigenlijk is het ook een overbodige luxe gezien de omstandigheden. We hebben wel een tv. Waar een vechtfilm van Chuck Norris is te zien en te horen. We hebben subsonisch geluid bij de film, want de boot die met flinke vaart gaat maakt harde klappen op de wilde zee en de mensen moeten daarvan gillen. Als je er niet bij nadenkt hebben we toch heel veel lol met elkaar gehad. We zijn veilig in Kupang aangekomen en Jantje gaat op zoek naar een postkantoor waar ze wel postzegels verkopen. Plak op de zegels is er bijna niet, maar niet getreurd. De man achter de balie heeft een speciaal dun hamertje met lange steel en de zegels worden er met ferme slagen op de ansichtkaarten gespijkerd. Ze zijn allemaal mét zegels in Nederland aangekomen. We eten weer bij warung extra Joss. Voor we weg gingen naar Roti hadden we daar gevraagd of de kokkin gado gado voor ons wilde bereiden. Ik heb nog nooit zulke lekkere gado gado gegeten als daar. Onovertrefbaar. De rest van de middag hebben we onderuitgezakt met een drankje en een praatje op het platje door gebracht.

Dinsdag 31 okt.
We staan al om vijf uur op, hebben om half zes een ontbijt en een vlucht om zeven uur om op kwart voor negen aan de thee te zitten in het hotel in Alor, het volgende eiland. We vliegen met een propeller vliegtuig en vliegt niet zo hoog. Zo hebben we een prachtig uitzicht op de verschillende kleuren van de zee met zijn ondieptes. En dan hebben we een landing op Kalabahi, de hoofdstad van Alor. De aankomst en vertrek hal in Kalabahi zijn in aanbouw, hoewel daar eigenlijk niets van te zien is, maar we worden ontvangen in een hele grote tent. De tent heeft een kleine afscheiding waar de VIP room is. Een groot leeg gedeelte met een gele lederen bank in het midden. We moeten even wachten in de tent voor we alle bagage hebben. Er is een Indonesische filmploeg met héél veel koffers en die gaan voor. Kunnen we dat eens goed bestuderen. Het opperhoofd van de ploeg staat er ongeïnteresseerd bij en laat het commanderen aan zijn secondant over. Soms bemoeit hij zich er toch mee om verdere ordeloosheid te voorkomen, maar de chaos wordt er alleen nog groter van. Uiteindelijk zijn ze weg en kunnen wij ook gaan. We zien ze nog even terug in ons hotel, maar er zijn geen kamers voor ze dus vertrekt de ploeg. Het gezin wordt uitgebreid met Tante Marie wat telkens theatraal wordt geroepen door onze Jantje. Het hotel heeft een lange tuin en langs de tuin zijn aan weerskanten de kamers. De lobby waar Tante Marie te vinden is ligt 10 tot 15 meter van onze kamers en Jantje heeft haar vaak nodig. Het klinkt elke keer weer heerlijk: het langgerekte “Tante Maaaaarie”. We krijgen hier een andere gids erbij, omdat Jantje de plaatselijke taal niet spreekt. De gids, Achmad, is een egotripper die aan de weinige toeristen die hier komen wil verdienen. Als kleine schoolkinderen worden we gemaand naar hem te luisteren en hij vraagt regelmatig of hij het goed heeft gedaan, maar op zo’n toon dat je het niet durft tegen te spreken. Soeda, genoeg daarover ja. We zullen het er mee moeten doen en Jantje beschermt ons. Met nog een hele dag voor de boeg gaan we met een busje naar een mevrouw die mooie ronde potten maakt. Dit doet ze niet op een draaitafel, maar gewoon met de hand. Van een klomp klei heeft ze in een handomdraai een fraaie pot. Buiten staat de grote oven waar ze in gebakken worden. Ze schijnt er erg goed in te zijn, want ze heeft een flinke afname van opkopers en we zullen ze later nog zien op een markt twee eilanden verder. We bezoeken een andere familie die nagar of moko drums heeft. Men weet niet precies waar deze ijzeren drums vandaan komen, maar men denkt dat ze van de Cham bevolking komen uit Vietnam. De grote en de versiering van de drums die qua vorm op een grote zandloper lijken, bepalen de waarde van de trommel. Deze wordt als bruidschat betaald. (Soms wordt alleen de geldwaarde betaald als bruidschat.) Daarom willen de moko’s nog wel eens van familie wisselen. De moko’s worden natuurlijk ook gebruikt als muziekinstrument op feesten en partijen om bij te zingen en te dansen. We krijgen een demonstratie van de gids. Hij trommelt wat en zingt zijn eentonige lied. We luisteren beleefd en nemen de tijd om eens te kijken waar we terecht zijn gekomen. Het is een groot huis met verschillende kamers die afgescheiden worden met afschuwelijke roze vitrages. Als het zingen is afgelopen en we de gids op zijn verzoek hebben geprezen komt de familie in actie. Ze laten naast hun moko’s ook een mooie kris zien en een medaille gekregen op 22-08-1947 voor trouw en verdienste. Er is zelfs nog een geschreven oorkonde bij, helemaal in het Nederlands opgesteld. De man is verschrikkelijk trots. We mogen even achter het gordijn kijken waar een andere grote kamer is met een oud Hollandse kast. Hij is helemaal leeg, maar diep uit de kast worden er aardewerken schaaltjes en zelfs een soepterrine gehaald. Allemaal nog uit de Hollandse tijd en de man groeit helemaal als we enthousiast zijn over deze producten. Wij staan alleen maar te kijken naar het merk aan de onderzijde om te zien van welke fabriek die komt om de waarde te bepalen. We krijgen ook nog water te drinken uit een bron naast het huis. In Alor zijn vele bronnen te vinden. Het smaakt een beetje vreemd, een soort gerookt palingwater, wat ik normaal lekker vindt, maar in vloeibare vorm niet kan bekoren. Mijn dorst zal ik er niet mee lessen, dat is zonde van mijn dorst. We rijden weer verder tot een enorme grote Ficus Benjaminus zeg maar Benjamaxus. Mijn hemel wat is de boom groot. Als we er met z’n allen en met wijde armen omheen willen staan lukt dat niet eens voor de helft. Heel hoog in de takken hangen grote bijenkorven. Knulletjes klimmen in de boom waar ze een hutje hebben in een uitholling en beneden in een andere uitholling van de boom staat een geit te blaten. We lopen verder, want een eindje verder om de hoek van de straat woont een belangrijke familie. Het zijn afstammelingen van een Radja. We mogen gaan zitten op de veranda van het dorpshuis en de oude mannen komen met verhalen en een heuse stamboom die de familielijn laat zien vanaf 1918. Deze stamboom is ook op zijn Hollands en ze vragen een vertaling die wij met groot genoegen geven. Ze vertellen dat ze van een koning komen en die koning is uit de grond tevoorschijn gekomen. Hij trouwt met de zon en hun zonen gaan generaties lang vele reizen maken. En zo zijn ze ook in Nederland gekomen waar ze een koningrijk hebben gesticht. Maar natuurlijk ook op de andere eilanden van Indonesië. Zo ook op Timor waar de plaatselijke bevolking het niet leuk vond dat ze daar waren. De prinsen kwamen aan land en noemden het Kupang wat :”Hou je mond” betekent. En zo hebben ze overwonnen en is er nog steeds een koninklijke groep op Timor. Eén van de prinsen bleef op Alor en om te bewijzen dat het zijn land was stak hij een stok in de grond. Er kwam water naar boven. En daarom zijn er zoveel wellen op Alor. Schitterend al die verhalen. Voor het dorpshuis is een terpje van losse stenen afgezet door een hek. Hieronder liggen 440 schedels van onthoofde mensen. Het waarom is ons ontgaan. Net voor dit monument staan er twee mens hoge palen met een klein dakje. Het herbergt een soort draakje wat het dorp bescherming biedt. We verhuizen op uitnodiging naar een volgend platje. Veel kleiner, maar we kunnen er net zitten met z’n allen. Hier woont de prins en hij heeft een belangrijk boek in bewaring. Het is een eeuwen oude handgeschreven koran. Er wordt een tafeltje in ons midden gezet en daar komt het boek die op een heilige plek in een heilige kamer van het huis ligt. Plechtig wordt hij gedragen door de prins. De witte doeken worden er tergend langzaam, om zijn belangrijkheid te benadrukken, afgehaald. Er komt een houten kistje tevoorschijn met daarin het boek. En met enig bestudeerd drama wordt ook het boek onthuld. Voorzichtig worden er enkele bladzijde omgedraaid en zien we prachtige geschreven teksten. Het ziet er allemaal wat smoezelig uit, maar wat wil je ook. Ooit is het hele dorp verbrand en heel wonderlijk is het boek als enigste niet in de brand opgegaan. We mogen er geen foto’s van maken, omdat enkele Amerikanen er heel oneerbiedig mee zijn omgegaan. Het geeft niet. De indrukken zullen altijd in ons hoofd zitten. En om die indrukken een beetje te verwerken gaan we naar het strand voor een weer heerlijke picknick met de overbekende verrassingsdoosjes. We kunnen er snorkelen tussen de veelkleurige visjes, zeesterren en koralen waar tussen je de enorme zwarte naalden ziet van ontelbare zee-egels. Diegene die niet zwemmen worden beziggehouden door meisjes die om de beurt een liedje zingen.

Woensdag 1 nov.
In het hotel bestaat er geen ontbijtzaal en het ontbijt wordt geserveerd op het tafeltje voor je kamer. Op ons verzoek geen thee maar koffie en op een bord onder een vliegenmandje ligt een klef broodje of cakeje in plastic verpakt. De vorige dag is Jantje met één van ons naar de markt geweest en heeft daar allerlei vruchten gekocht. In de tuin staan veel struiken met rijpe mango’s en ook die heeft Jantje te pakken gekregen. Niet dat hij daar veel moeite voor heeft gedaan, want bij een flinke klap op de stam kreeg hij een bombardement van mango’s op zijn hoofd. Jantje vindt het heerlijk om fruit schoon te maken en we krijgen zoete partjes ananas, papaja’s, bananen en natuurlijk mango’s. Tante Marie is geroepen om de thermoskan met heet water te vullen en wij hebben nog wel instant koffie. Een heerlijker ontbijt kan je je niet voorstellen. Vandaag hebben we wel een hele luxe bus met tv. en cd speler. Dus we hebben onze eigen muziek die we in Kupang hebben gekocht. Al swingend gaan we op stap, heel hoog de bergen in van het binnenland van Alor. Boven gekomen hebben we een prachtig panorama over de zee met enkele kleine eilandjes. We gaan verder het binnenland in en rijden nu voornamelijk door de bossen. Op een gegeven moment is er een piep klein dorpje waar we uitstappen. Volgens de gids wonen hier de meest oorspronkelijke bewoners van Alor. Maar er wonen erg weinig mensen hier. We worden uitgenodigd door een vrouw die voor haar hutje op palen op de veranda een mandje aan het vlechten is. We zetten ons naast haar neer en de gids vertelt zijn verhaal. Na zijn verhaal worden we losgelaten in het dorp. Er staan wat hutjes en de keuken is een open zwart geblakerd hutje midden in het dorp. Het is er een enorme gribuszooi en we denken dat het merendeel van de bewoners niet meer hier wonen zo ver van de bewoonde wereld waar geen water is. Dat wordt met tankwagens aangeleverd en in een enorme tank overgeheveld. In een ander dorpje is er een man die ons kan demonstreren hoe je met een bamboe stokje en wat houtgruis een vuurtje kan maken. Maar voor het zover is moeten we even wachten in zijn huis, want hij gaat zich omkleden. Even later is hij terug, enkel gekleed in een boombasten lendendoekje. Met pijl en boog maakt hij woeste gebaren. Het hele dorp komt kijken incluis de heks van het dorp. Het is een heel rimpelig vrouwtje dat veel te vertellen heeft en dat niet op de meest vriendelijke manier doet. Ze heeft net haar toverdrankje op, want er druppelt in één van de groeven naast haar lip nog wit vocht. Na de koffie in het bos gaan we naar een volgend dorp een heel eind verder en ook op een heuvel met uitzicht op zee gelegen. Kampong Takpala is een traditioneel dorp met de oorspronkelijke micro- nesische bevolking. We worden uitgenodigd in een grote hut. Er zit een blanke meneer die hier taalonderzoek doet en bij de familie woont. We mogen het huis bekijken. Boven op de tweede verdieping is er een opslag en de slaapplaatsen van de familie. Echt veel privacy is er niet, maar ieder heeft een eigen hoekje. Op de eerste, een grote lege ruimte met eromheen de veranda waar we zitten en daaronder de keuken en stallen voor de varkens. De vrouwen en mannen van het dorp worden van de velden geroepen dat er bezoek is en of ze de vriendschapdans willen dansen voor en met het bezoek. Van heinde en ver komen ze de heuvel op en stallen eerst hun koopwaar over de grond alvorens ze zich gaan omkleden. Dat gebeurt weliswaar heel discreet, maar we staan er gewoon bij. Jantje verricht nog een klein wonder door een leesbril te geven aan een jonge vrouw die heel blij roept dat ze weer kan zien. Langzaamaan veranderen de broeken, sarongs en t’shirts in zwart met rode motieven versierde ikats. De vrouwen kammen hun lange kroeshaar met houten kammen waaraan drie of vier lange tanden zitten om goed door het stugge haar te komen. De twee aanwezige mannen hebben dezelfde soort ikats aan, maar heel anders gedrapeerd dan de vrouwen. Ze dragen een klein langwerpig schild op de rug en hebben in een riem messen zitten. Over de schouder hangt een lange koker met pijlen en in één hand hebben ze een grote boog. De vrouwen dragen hun ikats als driekwart jurken met ontblote schouders. Op hun rug dragen ze een klein gevlochten mandje. Om hun enkels hebben ze zware ijzeren banden die rinkelen bij elke stap die ze doen. We moeten naar het dorpsplein waar bankjes staan. In het midden van het plein is een kleine ophoging waar twee moko-drums staan. Ze omarmen elkaar om het middel en maken een halve kring. Een wat oudere vrouw zit op de kleine heuvel met een moko op haar schoot. Ze vertelt het verhaal in haar eigen identieke taal onder begeleiding van een enkele slag op de drum over de Lego Lego of te wel de vriendschapdans. Wat ik begrepen heb was het vroeger een oorlogszuchtig volkje wat elkaar niet alleen vermoordde, maar ook het kannibalisme was hun niet vreemd. Hadden ze dan uiteindelijk toch vrede gesloten dan werd het een groot feest waar natuurlijk de vriendschap bezegeld moest worden met een dansje. Na het verhaal vervoegd ze zich bij de halve kring. Langzaam begint de halve kring zich te bewegen op het ritme van een hypnotiserende verhalende zang en het gerinkel van de enkelbanden die soms wat harder klinken als er op bepaalde momenten harder met de rechtervoet wordt gestamp. Zo maken ze vele rondjes om de heuvel en langzaam wordt het ritme van de zang en gerinkel opgevoerd tot een extatisch hoogte punt. Vermoeid gaat men even zitten om uit te puffen, want er moet nog een keer gedanst worden, maar nu worden wij uitgenodigd om mee te dansen. Tussen enkele vrouwen geklemd dansen wij met veel moeite mee. Het zijn kleine vrouwtjes en we torenen hoog boven ze uit dus de armen om het middel zitten ook ergens anders. Martin is eens lekker in zijn billen geknepen. Een legitiem moment voor de dame en Martin kan er niets aan doen. Ze hebben ook een bepaalde lichaamsgeur die zeer doordringend is, maar dat zullen zij vast ook van ons vinden. En dan plots is het afgelopen en lachen we naar elkaar. Vriendschap voor altijd gesloten. Natuurlijk gaan we naar de uitgestalde waar en natuurlijk kopen we wat. Als ik een mandje, twee kammen en een ikat koop bij een wat oudere vrouw wordt ik op mijn handen gekust wat zeer onaangenaam is, omdat het onderdanig overkomt. Ik maak duidelijk dat ze dat absoluut niet moet doen en wordt dan spontaan op mijn beide wangen gezoend. Hun huid voelt ondanks de flinke hitte koel aan. Heel verrassend. We nemen node afscheid van dit vriendelijke dorp en gaan naar een strandje waar Jantje ons geheimzinnig lachend een lunchbox overhandigd. En wat zit er dit keer in? Heuse witte boterhammen met een gebakken ei, tomaten en komkommer. Na het eten kunnen we nog wat gaan zwemmen. We moeten dan een heel eind lopen in het ondiepe water wat een hele onderneming is om tussen koraal en ontelbaar veel zee egels te lopen. Maar heb je dan eindelijk de vijftig meter overbrugt dan kom je in een onderwater paradijs. Bij de overgang strand water borrelt het water. Het zijn waterbronnen en je kan er zo uit drinken. Gewoon zoet water. Gaaf joh, je drinkt, lijkt het, uit de zee, zoetwater. Net achter de overdekte picknick plaats is een zwembadje met een douche en cabines waar je je om kan kleden. Zo heerlijk opgefrist gaan we terug naar ons hotel. Maar we moeten nog even langs een vissersdorp waar Jantje foto’s moet afgeven die op een vorige reis zijn gemaakt. Langzaam slenteren we door het dorp. De meisjes zijn kleine vuurtjes aan het stoken en doen zo hun moeder na. De jongens hangen er wat omheen en de allerkleinste worden in bad gedaan bij de waterput. We genieten op ons platje en enkele van ons gaan met Jantje nog even fruit halen op de markt voor morgenochtend en pisang goreng voor nu bij de koffie. Achter het hotel ligt een kerk van de Pinkstergemeente en om daar te komen moeten de kerkgangers door de lobby en de tuin langs de kamers van het hotel. En het is druk met keurig geklede kerkgangers, want het is Aller Heiligen. We wensen een ieder die langs komt een langgerekt selamat malam (goeden avond) en worden door blij verrasten teruggegroet. De dominee maakt nog even een praatje met ons en de volgende avond met het feest van Aller Zielen heeft hij zelfs een kalender met kleurrijke dramatische prenten van gebeurtenissen van Jezus bij zich die wij kunnen kopen om zo de kerk te ondersteunen. We worden natuurlijk ook uitgenodigd de dienst bij te wonen. Het is een vrolijke kerk en ze hebben het al zingend en swingend zo naar de zin dat een dienst wel drie uur duurt. Wij gaan naar tante Von. Die heeft een eet etablissement op de hoek van de straat die druk bezocht wordt. Ze heeft een uitgebreid menu wat wel vijf bladzijde beslaat, maar er is niets voorhanden. We moeten onze bestelling op een papiertje schrijven en Jantje geeft de bestelling dan door. Tante Von hoort de eerste bestelling aan en zegt:” Dat hebben we niet” en loopt weg. Jantje roept dan hard door de zaak, want ze is verdwenen naar achteren in de keuken: “Tante!!!!!” Dit wordt vele malen herhaald en op een gegeven moment komt ze weer eens terug lopen en zegt met hele lage stem: ” Yes boss.”. Het werkt op de lachspieren, maar wat we te eten krijgen is gewoon lekker. Naast tante Marie en tante Von hebben we er ook een heleboel zusjes en broertjes bijgekregen en ze heten allemaal Kakka. De hulpjes in warungs en hotels worden steevast zo door Jantje genoemd. Het betekent letterlijk zus of broer en is een algemene benaming als je die mensen al wat langer kent.

Donderdag 2 nov.
Weer een feestdag die we vandaag op een gehuurde boot doorbrengen. We varen door de baai van Alor en het anker wordt regelmatig uitgegooid om te gaan zwemmen en snorkelen. Het is of we midden in een National Geograffic docu zitten zowel onder als boven water. We landen éénmaal op een verlaten strandje op Pantar die in eens toch bevolkt wordt door veel mekkerende geiten. Voor de rest duiken we vanaf de boot het heerlijke water in. Enigszins rossig komen we laat in de middag weer terug. Bij tante Von hebben we voor het avondeten gado gado met saté bestelt. Omdat de saté van varkensvlees is en zij veel moslimgasten heeft moeten we in een aparte zaal naast de eetzaal. Deze zaal wordt gebruikt voor bruiloften en partijen. Daarom staat er een enorm scherm en een discotafel zodat de gasten kunnen karaokeën. De meest geliefde bezigheid als de Indonesiër uitgaat. Voor ons wordt de apparatuur natuurlijk ook aangezet en we brullen lustig mee met de tekst die onbegrijpelijk blijft, maar de essentie blijft van de traantrekkende melodieën á la Fransje Bouwer. We hebben de tijd om te zingen, want het eten laat lang op zich wachten en Jantje gaat maar eens vragen waar het blijft. Prompt valt het licht en geluid uit. Oh, Jantje wat doe je nu. En dan wordt via een achterdeurtje de gado gado binnengebracht. De saté is niet helemaal koosjer bereid, want ik vindt, gelukkig net op tijd een gebakken kakkerlak. Jantje is helemaal in zijn element met de disco en zoekt de muziek op waar je de Podjo Podjo op kunt dansen. Een soort linedance die in Indonesië heel populair is. En zo worden we ingewijd in de moeilijke passen. Gelukkig worden de passen herhaald en na flink oefenen begin ik het door te krijgen.

Vrijdag 3 nov.
Een vrije dag in onze vakantie. Wat zullen we eens gaan doen. We beginnen met een rustig uitgebreid ontbijt met veel fruit en twee kopjes koffie. Wat een verwennerij. Daarna gaan we de markt op waar veel vis wordt verkocht. We struinen de kramen af en iedereen wil graag op de foto of een praatje maken. Vooral de vrouwen zien de mannen onder ons wel zitten en flirten wat af om hun aandacht te krijgen. Eén vrouw hoeft hiervoor weinig moeite te doen om in de belangstelling te komen. Ze zit wat verborgen achter een kraam en vlak voor haar staat hun zwart geblakerde machine die wel lijkt op zo’n ouderwetse ronde stofzuiger. Het ding draait rond boven een vuurtje. Plots klinkt er een daverende klap en schiet de deksel van de machine eraf. Er zit popcorn in die er nu uitbulkt en die zij nu in zakjes doet. Wij staan net naast haar kraam als de klap valt. Tja, dan heb je onze onverdeelde belangstelling. Martin had gehoord dat hier een blanke vrouw leeft die een weeshuis heeft in de buurt waar we zitten. Met een bemo gaan we op weg naar Mamma Puti (witte mamma) zoals ze hier bekend is. We zijn van harte welkom, hoewel Mamma Puti het jammer vindt dat de kinderen er niet zijn, omdat ze allemaal op school zitten. We krijgen eerst aanmaak limonade met een koekje en ze vertelt haar verhaal in het Duits, het land waar ze oorspronkelijk vandaan komt.. Als heel jong meisje had ze van Pater Damian gehoord. Een Belgische pater die een leprakolonie had gesticht op Alor. Dat vond ze zo mooi dat ze zich had voorgenomen om dat later te gaan doen. Ze is non geworden en heeft zich vanaf 1963 aangesloten in de leprakolonie van Pater Damian. In haar eigen woongedeelte heeft ze veel plaatjes van hem staan en hangen met overal een brandend kaarsje erbij. Omdat het steeds beter is gegaan met de bestrijding van lepra is Mamma Puti zich, ongeveer twintig jaar gelden, gaan richten op de wezen van het eiland. Het eerste weesmeisje heeft ze zelf geadopteerd en dat meisje zou haar opvolgster worden, maar helaas is de jonge vrouw in haar kraambed vorig jaar overleden. We krijgen een rondleiding door het gebouw. De slaapzalen zijn overvol met stapelbedden. Aan de deur hangen de foto’s van de kinderen die daar slapen. Ze kent ze allemaal bij naam, wanneer ze geboren zijn, waaraan hun moeder is gestorven en wanneer ze in het weeshuis zijn gekomen. In de eetzaal hangen foto’s van de jongens en meisjes die hier hebben gewoond en nu elders verblijven. Ook hier weet ze alles van. Geboortedatum enz., maar ook waar ze studeren, wanneer ze zijn afgestudeerd, en wat ze nu doen. Vele van deze jonge mensen hebben nog steeds contact met deze warme vrouw met een altijd opgeruimd vrolijk karakter ondanks dat ze door het leven is getekend. Heel bewonderingwaardig. En dan komen de kinderen uit school. Mamma Puti laat ze in een groepje staan en ze moeten een liedje voor ons zingen. Zij staat achter de kinderschare met een trotse en liefdevolle blik. Wij kunnen natuurlijk ook niet achterblijven en zingen en gebaren het lied van de Zeppelin die met een mandje in de lucht vaart. Onder de indruk lopen we even later terug naar het hotel. Het is al in de middag en we komen langs een nieuwe vers geschilderde erg schone warung waar het eten in de etalage ligt. We maken onze keuze en hebben een goede maaltijd. De middag besteden we aan lekker niets doen. Geke gaat lekker slapen, want na Edward is zij erg verkouden geworden. Ook Martin is niet helemaal je van het.

Zaterdag 4 nov.
Eerst moeten we alle bagage weer inpakken. Jantje is al weg om iets te regelen……….. en komt later terug met ons ontbijt. Dit keer geen fruit, maar een heerlijk bakkie nasi. Hij gaat weer weg met de bagage en zal ons vlak voor de boot vertrekt ophalen in een bemo. De veerboot tussen Alor en Pantar is een kleine vrachtboot waarop het dakdek enkele passagiers meekunnen. Tegen de felle zon is een blauw zeil gespannen. Jantje heeft twee matten geregeld die we uitleggen en zo zitten we nog redelijk comfortabel. We zitten tegen over elkaar. De mannen aan één kant en de vrouwen met Jantje aan de andere kant. Naast Jantje zit een jonge man die naar huis gaat. Hij is klaar met zijn studie rechten die hij in Kupang heeft gevolgd. Hij lijkt in constante extase, want hij knijpt onophoudelijk in zijn tepels of hij moet last hebben van een a-topisch eczeem wat zo jeukt. Geke probeert hem af te leiden met een dropje wat niet helemaal in goede smaak valt. Dan met een dropje en een pepermuntje samen, maar ook dat wordt discreet over boord gespuugd. Warung Jantje heeft ook van alles aan boord, dus we komen niet om van de honger en verveling. Je bent gauw uitgekeken op de boot, maar de omgeving is fascinerend. We varen door diep en ondiep water goed te zien aan de verschillende kleuren blauw en aan de bodem die soms heel dichtbij lijkt te komen, tussen eilandjes om na een paar uur aan de andere kant van het eiland Pantar uit te komen in Bara Nusa. De naam klinkt exotisch en het ontlokt bij Martin de onsterfelijke woorden: ”Eerst Bara Nusa zien en dan sterven.” De boot legt aan aan een hele lange steiger. Er staan heel wat brommertjes die op een vrachtje wachten en een enkele vrachtwagen die meer als opslagplaats dienen dan dat ze over het eiland kunnen rijden, want de wegen zijn smal en met enorme gaten. In Bara Nusa zelf is er geen enkele straat meer heel. Ze zijn er wel mee bezig. Grote hopen steen liggen langs de kant van de weg te wachten om ooit op het zandpad terecht te komen. Er is wel één hoofdweg. Deze is breder en bestaat uit zwart zand. Lekker stoffig in deze droogte. Ons losmen ligt vlak bij het kleine haventje. We slapen bij Pappa Hadji. Hij heeft enkele kleine donkere kamertjes met bedden waarop matrassen waar al vele malen een kind op verwekt is en gebaard. Het riekt er verder naar niet definieerbare soorten pies en tenenkaas. Onze neuspappillen worden ernstig getergd en krijgen dit niet verwerkt. Er is één mandiebak voor algemeen gebruik. Jantje laat eerst vers water halen om de bak goed te vullen zodat wij niet al te zuinig met water hoeven te zijn en ons dus gewoon kunnen wassen. We maken een wandeling door een wel heel mistroostig dorp. Alles ziet zwart en grauw en er staan maar een enkele boom, maar die fleurt het geheel wel op, want ze staan te bloeien. Het ziet er zeer armoedig uit, maar vergis je niet. Het is een heel rijk dorp met wel drie moskeeën en bijna iedereen is in Mekka geweest of is hard aan het sparen om er naar toe te gaan. Tijdens de wandeling komt er uit de donkere wolken die al een tijdje dreigen een enorme bui. We schuilen in een winkeltje waar ze ook kleine flesjes roze Fanta limonade verkopen. Het is mierzoet en lest geenszins de dorst. Als het droog is gaan we weer verder en worden steeds depressiever. Druppels vallen nog van een enkel blad en laat een zwarte vlek achter op onze t’shirts. Wat een desillusie. Wat moeten we in dit desolate oord? We gaan op het platje bij Pappa Hadji zitten. We kijken uit op het haventje waar het behoorlijk druk is. Brommertjes rijden af en aan met goederen die er hoog zijn op gestapeld. In de losmen slaapt ook nog een franse dame die op Alor woont en dan is het toch overvol in het klein etablissement. We krijgen een eenvoudige en lekkere maaltijd met vis. Het wordt donker en er is weinig tot geen verlichting. Het is stil in het dorp op een krolse poes met achter haar aan enkele geile katers en hele hordes zoemende muggen na. In de warme kamers kun je ze nog de hele nacht horen.

Zondag 5 nov.
Met de neus, oren en verstand op nul viel het allemaal heel erg mee. We hebben allemaal goed geslapen. Wel erg vroeg wakker, want het kleine dorp heeft drie moskeeën en laat die nou net allemaal valkbij het losmen staan. Voor het ontbijt op het platje heeft Jantje weer een verrassing. Naast koffie hebben we zelfs donuts met of zonder gekleurde hagelslag. Om 8 uur al worden we opgehaald door zeven man op hun brommertjes. We gaan naar het drie kleuren zand. Ook voor Jantje een onbekend begrip. Mijn chauffeur heet Jack wat een thuisgevoel geeft, want mijn kleinzoon heet ook zo. Edward zit bij Kill achterop en dat beloofd niet veel goeds als je de naam hoort. Het is eventjes eng om met een snelheid over de bobbels te gaan en om kuilen heen te laveren, maar het went en zo verlaten we het dorp. We rijden een heel eind door onverwachts toch nog mooi Pantar. Niet alle dorpen zijn islamitisch en zo zien we vele in het net geklede mensen met bijbel en soms ook met een gitaar naar de kerk gaan. We komen aan in een baai bij het strand met het driekleurig zand wat dito kleuren water geeft. We lopen een eindje tot een watervalletje. Het zwavelachtige water wat van de vulkaan af komt stroomt verder de zee in. Maar de jongens weten nog wel een mooie plek waar we ook kunnen zwemmen. We moeten dan wel naar de andere kant van het eiland. Niet gewend aan zo’n lange zit achterop een bromfiets komen we enigszins verstijfd aan op een smal strandje waar we kunnen zwemmen. Het koraal is hier jammer genoeg verwoest, maar er zwemmen toch nog prachtige visjes. De brommerboys hebben intussen een vuurtje gemaakt en een enorme inktvis, die ze gekocht hebben van passerende jongetjes, ligt te bakken in de vlammen. Kokosnoten worden uit de bomen gehaald en ook wat zoete aardappels liggen in het vuurtje. We mogen van alles proeven. Als de kokosmelk uit de noot is gedronken klieven ze hem doormidden en met een gevonden schelp schrapen we het vruchtvlees eruit. Heerlijk! Ondertussen zoeken wij mooie schelpen die op het strand te kust en te keur liggen. Er liggen hier hele grote schelpen en zo hebben we in een oogwenk chips schalen die in elkaar passen gevonden. De mooie schelpen leggen we als een stilleven bij elkaar en maken er een foto van ter herinnering, want meenemen doen we natuurlijk niet. Jantje is zich aan het opmaken. Als make-up gebruikt hij een zwart geblakerde zoete aardappel. Het is geen gezicht. Zwarte oogschaduw en lippenstift. Terug in het losmen gekomen mandiën we het zoute water af en gaan weer op ons platje zitten om te eten. Dan krijgen we te horen dat de ferry die ons verder zal brengen naar het volgende eiland Lembata, niet gaat. Jantje gaat wat organiseren. Hij rijdt heen en weer achterop brommertjes of rijdt er ineens zelf één van en naar het haventje wat misschien drie minuten lopen is. Elke keer komt hij lachend en zwaaiend voorbij. Zo krijgen we nog een hele show en vervelen we ons geen moment. Wel hebben we de angst nog een nacht te moeten doorbrengen op de keiharde bedden met hun matrassen. Maar Jantje heeft het weer geflikt. We mogen mee met een vrachtbootje die natuurlijk ook wat passagiers meeneemt. Zo verdien je nog ereis wat. Maar we moeten wel wachten op de kapitein die op familie bezoek is, maar om vier uur zullen we vertrekken. De boot zal er vier uur over doen of vier uur een tussen stop en dan weer vier uur varen. We weten het niet meer, want het wordt ettelijke malen veranderd en we zullen dus wel zien. We krijgen een seintje dat de bagage alvast op de boot kan en veel later mogen wij ook komen. We zitten weer op het dakdek, maar het zeiltje is aan flarden dus veel bescherming tegen de zon is er niet. Gelukkig loopt het tegen de avond. Eindelijk daar is de kapitein en kunnen we vertrekken. In het vooronder die we door een klein raampje vanaf onze zitplaatsen kunnen zien, worden kleedjes uitgelegd. De bemanning kleed zich in het wit en zetten een wit mutsje op. Eerst word er gebeden, want de moskeeën roepen om en het is wel fijn om voor een behouden vaart te bidden. Het is een geweldige tocht langs eilanden met vulkanen die liggen te schemeren in een volle maan. Warung Jantje is ook open en naast koffie, thee en koekjes tovert hij chips en cola tevoorschijn. Wij hebben nog wel rum die daarbij kan. Na tien uur op een boot krijg je wel houten billen, maar we maken het ons zo comfortabel mogelijk. Jan ligt de hele tocht te slapen. Hij is nu aan de beurt om de verkoudheid te verwerken. Met een aspirine en een goede nachtrust lukt dat heel goed. Er is wel even paniek, want we schuren bijna over de koraalbodem en daar kan geen houten boot tegen, maar het loopt allemaal goed af. Om twee uur s’nachts meren we af. We proppen onszelf bij de bagage in een bemo en in minder dan tien minuten komen we bij ons hotel aan. Daar is het pikkedonker natuurlijk en het duurt even voor de baas van ons gebonk wakker wordt. We hebben al gauw een kamer met twee grote roze en gele bedden. Alles zit nog in plastic op het matras na.

Maandag 6 nov.
Heerlijk uitgeslapen op deze zachte bedden en uitgebreid gebruik gemaakt van een eigen mandiebak. Alleen het spoelen na het tandenpoetsen was iets minder zo boven een niet echte schone wc. Ons ontbijt bestaat uit twee pannenkoeken, heel erg lekker. Nadat we wat bagage hebben overgeheveld in onze rugzakjes gaan we naar de beroemde maandag markt van Lawalebo, de hoofdstad van Lembata. Het is er oergezellig. Overal tonen ze ons de meest mooi gekleurde vissen die we onder water ook al zijn tegengekomen. Ze liggen netjes opgebaard in evenzo gekleurde geëmailleerde schalen. Of platgeslagen opengesneden vissen netjes opgedroogd en niet herkenbaar in hoge bergen op kranten gelegen of aan touwtjes bij elkaar gebonden aan stokjes. Op een tafeltje voor een oud vrouwtje liggen drie enorm grote olifantentanden met een zilveren bewerkt handvat. Het is haar bruidschat die na jaren te gelde wordt gemaakt. Waarschijnlijk, omdat ze geen andere bron van inkomsten meer heeft. Het is een hele kostbare bruidschat, omdat olifanten in dit gebied helemaal niet voor komen en ze ooit in een ver verleden hier op het eiland Lembata zijn terecht gekomen. Na lange tijd zetten we ons neer om uit te puffen, want het is heel erg warm, in de grote lobby van het hotel. Er komen nogal wat mensen langs om allerlei dingetjes te regelen en we gaan dat op ons gemak op twee banken met een colaatje bekijken. Achter de balie staan 7 stagiaires verveeld om zich heen te kijken. Ze zijn netjes in uniform met een hagelwitte bloes. Als de telefoon gaat weten ze niet meteen wat te doen. De grote baas is er niet en wie van de zeven durft het aan om de hoorn van de haak te nemen. Eindelijk heeft één van hen de vermetele moed om het eng constant rinkelende ding op te nemen. Pfft, het gaat allemaal goed. Jantje is groenten, fruit, rijst e.d kopen, want het losmen waar we naar toe gaan heeft dit allemaal niet. Hij komt zwaar beladen aan in een bedjak. Dan eten we eerst nog een kleine noedelmaaltijd in het hotel. Nu kunnen we naar het busstation net even buiten Lawalebo. Daar staan overdekte vrachtwagens klaar die in de laadbak in de lengte twee rijen banken hebben aan weerszijde. In één ervan stappen wij. De truck vervoerd voornamelijk zakken cement. Héél veel zakken cement. We zitten er met onze voeten op en met de benen zowat tot de nek opgetrokken. Er gaan nog enkele andere passagiers mee en een aantal jongens die hand en span diensten vervullen. Als laatste worden er jerrycans met benzine op het dak geladen. We kunnen op weg. We steken het eiland over naar Lamalera, een vissersdorp. Om daar te komen moeten we de bergen over. Het pad is smal en stoffig, zo ook het cement. De jerrycans benzine lekken en niet zomaar een druppeltje. De jongens die over het algemeen op het dak zitten roken er lustig op los en als wij er ernstig op aandringen niet te roken begrijpen ze dit niet. Het excuus is dat deze benzine niet brandbaar is, wat bij ons weer een onbegrijpelijke blik oplevert, want ze koken er wel op. Enfin, als we deze rit maar overleven. Het is vier uur stof happen, maar we hebben verschillende stops om enkele balen cement uit te laden en de benen te strekken.. We rijden door voornamelijk dicht bos. De takken zwiepen herhaaldelijk de wagen in en we bonken wat af over de hobbelige weg. En die knullen trekken zich nergens wat van aan. Als apies gaan ze van het dak in de laadbak en weer terug.Werkelijk een wonder dat ze er niet afvallen. Plotseling hebben we een prachtig uitzicht over de zee. Daar moeten we zijn en we rijden nu alleen nog maar naar beneden Naar het vissersdorp Lamalera alwaar er een constante geur van vis hangt. We logeren bij Bapak Abel. Een gezien man in het dorp. Zijn huis ligt aan de weg in het begin van het dorp. Hij heeft een klein winkeltje dat te pas en te onpas open is. We moeten een klein trapje op om op het ruime platje te komen met comfortabele stoelen. Naast het platje staat een grote boom met een bankje erom heen. Er is altijd aanloop. Of om bij het winkeltje wat te kopen of om uit te rusten op het bankje als je water hebt gehaald in de waterput die een eindje heuvelopwaarts ligt. Als het bekend is dat wij er zijn, komen vooral de kinderen onder de boom zitten. Vanaf het platje hebben we uitzicht over enkele huizen en de zee. We hebben nog even tijd het dorp in te gaan. Via de erven van de huizen voor ons staan we ineens op het strand. Er staan langwerpige hutten op het strand waarin de vissersboten liggen. Tussen één van deze hutten ligt een net gevangen dolfijn. Hier leven de mensen voornamelijk van, maar ze zijn bekend, omdat ze op walvissen jagen. Niet met kanonnen en geweren, maar heel eenvoudig met een speer. De visserij is de enige manier van leven en inkomsten. De vis wordt geruild voor groente en ander levensmiddelen in dorpen verder de heuvels in. Dit gebeurt al eeuwen. De jacht op walvissen eist soms ook slachtoffers en we zien enkele mannen die een arm missen. Het is een stug volk. Volgens Jantje zijn ze sreews. Het heeft even geduurd voor we begrepen dat hij serieus bedoelde. Het zand is zwart en de golven beuken op de rotsen die net onder het water liggen. Het is niet veel om te zwemmen, hoewel Jantje en ik het nog wel hebben geprobeerd. De vis is voor vandaag al binnen en er zijn geen mensen meer op het strand. We zien nog wel de grote ruggenwervels liggen van de ooit gevangen walvissen. Het wordt al donker en we gaan naar Bapak Abel. Onze kamers liggen om een grote kamer heen waar een tafel staat. Daar eten we. De muren zijn versiert met heilige beelden en foto’s van vroegere familieleden. Jan heeft een kamertje wat op het platje uitkomt met een eigen mandiebak en Edward en ik mogen daar gebruik van maken. De andere hebben de beschikking over twee mandiebakken. Het is best een groot huis, want achter onze eetkamer is er een andere kamer waar een tv. staat en er is nog een grote keuken, waar de vele katten lustig uit de pannen aan het likken zijn. Er staat niet alleen een tv., maar ook een video recorder. Een aantal jaren geleden is er een documentaire gemaakt over dit speciale dorp. We zijn uitgenodigd deze documentaire te komen zien. Zo kunnen we bekijken hoe de walvis wordt gevangen. De laatste keer dat ze een walvis hebben gevangen is in februari van 2006 geweest.

Dinsdag 7 nov.
Er is elektriciteit vanaf zes uur s’avonds tot de volgende ochtend zes uur. Om vier in de ochtend wil men daarvan nog even profiteren, dus gaat de disco van de buurvrouw direct naast ons, al om vier uur aan en wel zo hard dat het de hanen overschreeuwt. We staan swingend op en gaan naar tante Agnes. Zij woont in een huis verder het dorp in, een andere heuvel op. We worden al opgewacht met koffie en kokosbollen. We worden op stoeltjes gezet en zo kunnen we genieten van een formidabele zonsopkomst. We hebben een uitkijk over de baai, het strand en het dorp. Langzaam vervagen de contouren en krijgt alles een kleur. De vissers met hun boten zijn al lang vertrokken en we zien de sporen van de boten op het zand. Het beloofd een mooie dag te worden. We gaan ontbijten, uitbuiken op het platje, wandelen, eten, uitbuiken op het platje, wandelen en wachten tot de vissers weer terug komen. Lamalera is geen groot dorp. De huizen zijn tegen de heuvel opgebouwd en we zien overal reepjes vis tussen wasgoed te drogen hangen. Grote vissen hangen tussen plankjes aan stokken te drogen en aan andere stokken zien we de gebitten van de dolfijnen. De haaienvinnen zijn tegen de huizen gespijkerd. Jan, Edward en ik lopen nog naar een ander dorpje net aan de andere kant van de heuvel waar tante Agnes woont. Er staat hier een grote kerk met op het voorplein een standbeeld van Pater Bernardus Bode. Vanaf 1920 tot 1951 heeft hij hier geleefd. Hij wordt nog steeds geadoreerd. Vlakbij de kerk natuurlijk een kerkhof met de prachtigste graven. De meeste hebben tegels met afbeelding van Jezus. Het laatste avondmaal, knielend in gebed of gekruisigd. Ook afbeeldingen van de Heilige Maria komen veelvuldig voor. Als we terug lopen gaat de school net uit. De kinderen zijn allemaal verlegen en het onderwijzend personeel laat zich ook niet gemakkelijk zien. Het zijn bijna allemaal nonnen. Onder de boom bij Bapak Abel komen kinderen die veel minder verlegen zijn. Jantje laat ze allerlei liedjes zingen, maar hebben zelf ook een lied wat speciaal over dit eiland gaat. Jantje en Martin proberen de vele coupletten uit hun hoofd te leren. Jantje pakt er pen en papier bij om de woorden op te schrijven. De kinderen moeten de tekst vele malen zingen voor alles netjes op papier staat. Het is een vrolijk liedje en het verveeld geen moment, ook niet na de tigste keer. De kinderen hebben heel veel gekleurde elastiekjes om hun polsen. Daar spelen ze hun spel mee. Ze leggen enkele elastiekjes op de grond en blazen er volleerd tegen zodat het de richting op gaat die zij willen. Komt er een elastiekje op de andere dan wordt er een vinger tussen gelegd. Raakt de vinger de beide elastiekjes niet dan heeft de één een stiekje meer. Een soort knikkeren lijkt het wel. Maar dan is er enig rumoer in het dorp. De boten komen eraan! Wij gaan ook snel het strand op. De boten hebben enige moeite om tegen de flinke branding op het strand te komen. Eerst wordt dan de buit uit de boten gehaald. Twee enorme mantaroggen reeds in draagbare stukken gesneden. Kop, romp, staart en twee vleugels. Er worden ronde stammetjes van ongeveer 1 meter lang voor de boot op het strand gelegd. Mannen stellen zich naast de boot op en op een teken beginnen de mannen uit al macht de boot de paaltjes op te rollen. Dan is het even stoppen om op adem te komen en andere mannen leggen de palen die nu achter de boot liggen weer voor. En dan gaan ze weer. Met vereende krachten komen de boten weer in hun rieten garage te liggen. Jan en Edward helpen uiteraard mee. De netten worden weer netjes opgehangen in de rekken en de mannen gaan op het strand zitten waar de kinderen nu aan het spelen zijn en de vrouwen hun dingetjes doen. Het is ineens druk op het op de dag zo verlaten strand. De benen van Edward en Jan zitten onder het zwarte zand en vol ontelbare kleine rode bultjes die enorm jeuken. Ze hebben last gehad van zandvlooien, maar hebben geen spijt van de geweldige ervaring om samen met die stoere stille mannen de boten op het droge te krijgen.

Woensdag 8 nov.
We zijn weer vroeg op, maar niet omdat de disco vroeg aan ging. De buurvrouw is zeker al op pad, Maar de hanen kraaien tegen elkaar op. Het zijn grote beesten die staan te pronken met hun prachtige veren. We moeten even wachten voor we weer met een truck kunnen vertrekken, maar om half acht staat de auto voor ons. Jantje heeft nu geregeld dat wij de enige passagiers zijn en nergens een stop hebben. Toch stoppen we één maal om goederen op te pikken die naar Lawalebo moeten. De reis terug lijkt veel korter en is aangenamer zeker qua temperatuur en wat stof betreft. Terug in het hotel krijgen we dezelfde kamers en gaan ons eerst eens verwennen met een fris bad. We eten in een soort schuur, waar het heel goed toeven is en het eten onverwachts heel goed. We bestellen weer maar ‘ns gado gado voor vanavond. Jantje heeft bedjaks geregeld en we gaan richting de haven waar een restaurant is met een heel groot buiten aan het water. Hier blijven we de hele middag met een koel briesje en drankje. Er is verder geen mens te zien en het personeel verveeld zich stierlijk, maar daar brengen we gauw verandering in. Op het buiten is er een podium met een geluidsinstallatie. Bij navraag gaat deze aan en we vragen of zij het liedje kennen wat de kinderen ons in Lamalera hebben geleerd. Daar is zelfs een cd opname van en er wordt driftig gezocht. Er is ook een dansje op deze muziek en die moeten we natuurlijk leren. We hebben veel jolijt met elkaar. De bedjakkers die op ons zitten te wachten willen niet mee doen maar hebben plezier om ons en roken rustig de gedeelde sigaretten. Tegen het einde van de middag gaan we verder met de bedjaks. Eén van deze fietsen heeft een stereo aan boord en die wordt hard aangezet zodat het helemaal opvalt dat wij eraan komen. Met zeven bedjaks met belanda’s op een rij in een tumultloze herrie worden we het stadje rondgereden. Of we van het koningshuis zijn zo worden we toegezwaaid. De gado gado smaakt weer heerlijk, maar de lekkerste hebben we toch wel in Kupang gegeten zijn we het met elkaar eens.

Donderdag 9 nov.
Om 8 uur vertrekt de busboot en deze vertrekt zowaar op tijd. Jantje is al eventjes weg met onze bagage en komt ons halen in een kleine pick-up. We klimmen in de laadbak en met vliegende vaart gaan we naar de haven. De boot was al helmaal vol, maar we vinden nog een plaatsje bij de stuurhut. Maarten krijgt een stoel aangeboden van de kapitein en zit de hele reis prins heerlijk op de uitkijk. Martin en Geke zitten op een reling bij de hut en Jan en Edward hebben ook ergens een plaatsje gevonden tussen de andere passagiers in het open benedendek. Ik zit met Jantje op de voorplecht een lekker windje te vangen en in het roddelmiddelpunt van de dames te zijn. Ze kletsen wat af al stiekem wijzend naar mij. Ondanks de afstanden tussen ons kunnen we nog delen uit de onuitputtelijke snoepvoorraad van Geke en zingen wij ons lied zoals wij dat overal gedaan hebben. Het is wederom een prachtige tocht langs eilanden en we zien veel dolfijnen en vliegende vissen. Na een tussenstop is er plaats op de bankjes bij wat nonnen en hun kinderen die zij verzorgen en eigenlijk verschrikkelijk verwennen, maar ze hebben veel plezier met elkaar. Ook warung Jantje is aanwezig en onder het genot van een heerlijk kopje koffie varen we verder. En dan komen we aan in Larentuka op Flores. Er volgt een ware invasie van opdringerige mannen die jouw tas wel willen sjouwen en ook wel voor vervoer willen zorgen. We kunnen geen kant op, maar wimpelen alles zo beleefd mogelijk af. Jantje regelt natuurlijk alles en staat als een pitbull onze bagage te verdedigen. Als het wat rustiger wordt krijgen we een seintje dat we ook van de boot af kunnen. Er staat een erg lux busje voor ons klaar met zachte hele zittingen en airco, maar die gebruiken we niet. Lekker de raampjes open om Flores op te snuiven. We rijden eerst naar de hoofdstraat, want Jantje wil nog enkele cd’s opzoeken. En voor we Larentuka verlaten stoppen we nog bij een groot standbeeld van een verdrietige Maria met een overleden Jezus in haar armen. In Larentuka is het katholieke geloof op Flores binnen gekomen via de Portugezen. Het is nog steeds een godvruchtig eiland. We moeten een heel eind rijden over heuvels en door mooi groen landschap. Onderweg stoppen we bij een rumah makan waar we als een forum voor de warung zitten. Het is een overheerlijke lunch met als toetje de lekkerste ananassen die we ooit hebben gegeten en zullen eten is onze conclusie. Een klein uurtje na de lunch maken we een wandeling om niet helemaal in te dutten. We lopen over de weg langs dorpjes. Iedereen komt eventjes kijken wie daar langs komen en we worden vriendelijk toegewuifd. Jantje doet weer een goede daad vandaag en redt een in paniek mekkerende geit van een zekere verstikkingsdood. Tegen vijf uur komen we aan in Maumere, de hoofdstad van Flores. Het hotel is prachtig gelegen aan het strand en heeft vroeger een zeker aanzien en luxe gehad, maar door slecht onderhoud is er weinig meer van over. Alleen de tuin is goed onderhouden. De kamers zijn bloedje heet zo onder het zinken dak en er is weinig tot geen ventilatie. We moeten het stellen met een kleine fan, maar we gaan eerst maar eens in de tuin op ons platje zitten, want op het strand is niet te doen met heel veel muggen en overal stukken glas. Per uitzondering nemen Geke en Martin nu ook een biertje en Geke heeft er weer een borrelnootje bij. We gaan laat eten in een heel groot restaurant waar wel één verliefd stelletje zit te eten. Ze zitten gezellig naar de tv. te kijken tijdens het flikflooien en het eten. Het lijkt wel een groot ziekenhuis waar we in terecht zijn gekomen. De vloertegels en de muren zijn wit en het voelt heel steriel aan. De zaal is zeker wel 20 meter in de lengte en tien in de breedte. Ruim van elkaar staan nette tafels met een heel akelig plakkerig zeiltje erop en rode pluche stoelen. De menukaart is uitgebreid, maar de keuze is beperkt.

Vrijdag 10 nov.
Ondanks de hitte hebben we toch nog goed geslapen. Ik moet Edward tot ½7 op de kamer houden, want er staat, ter ere van zijn verjaardag een koortje voor de deur. Jantje is stiekem de boel aan het versieren. Nou ja, stiekem. Hij zingt zachtjes een lied, maar gelukkig hoort Edward het niet. En dan is het moment aangebroken, denk ik. Het is 7 uur, het afgesproken moment. Edward gaat net uitgebreid op de pot zitten en ik wil dat even melden, maar zo gauw de deur open gaat heft het koor een plechtig lied aan. Het lang zal hij leven schalt door de tuin en Edward knijpt af en komt nu toch ook maar naar buiten. Overal op ons platje hangen slingers en ballonnen en het nummer van de kamer geeft nu het nummer van zijn leeftijd aan. Op een tafeltje staat een klein uit de tuin geplukte bosje bloemen naast een mooi verpakt cadeau. Het is een glazen klokje met een Jezus met vlammend hart, helemaal geweldig, want we hebben er al zo één thuis op de vensterbank staan, maar dan van Maria met vlammend hart. Daarna volgt een heerlijk uitgebreid ontbijt met nasi en uitzicht op zee. In de namiddag gaat het vliegtuig naar Bali dus we hebben nog even de tijd het één en ander te doen. We bezoeken eerst een buitenwijk vlak bij de haven van Maumere. Het is er erg vies en het ziet er zeer armoedig uit, maar de mensen die er wonen zijn heel vrolijk. Jan wisselt zijn adres nog uit aan een schone die wel genegen is om naar Holland te verhuizen. Men is er bezig met hun dagelijkse beslommeringen, maar onderbreken dat eventjes om ons rond te leiden of een praatje te maken. Als we een beetje verder kijken in de huizen is de inrichting heel wat minder armoedig dan dat de omgeving dat doet vermoeden. Het is maar weer eens bewezen dat de mooiigheid aan de binnenkant zit. We bezoeken een klein museumpje halverwege een bergje vlak bij een klooster met een enorme scholen complex. Er staan veel dagboeken in het museum van paters die hier hebben gewoond en gewerkt. Niet alleen Hollandse paters, maar ook wel uit Duitsland. Er is een verzamellinkje met munten uit Nederland en in grote kasten liggen ikats van de verschillende eilanden. Er ligt onbeschrijfelijk veel allerlei en het lijkt meer een uitdragerij. Wij amuseren ons er prima. Toch willen we nog wel even naar het klooster met de scholen. We krijgen daar te horen van een vriendelijke jonge man dat er een bejaardentehuis is voor de oude paters en of we die willen bezoeken. Ja natuurlijk. En zo zitten we even later bij Pater Joep. Een man van 84 jaar die smakelijk kan vertellen van zijn vele belevenissen op Flores, maar ook over de vele tegenslagen en problemen die hij blijmoedig heeft opgelost. Terwijl hij ons rondleidt blijft hij vertellen en soms gaat dat van de hak op de tak. Bij een omgevallen boom blijft hij staan. Deze is door God netjes neergelegd, verteld hij, toen er een enorme orkaan over Flores ging die het hoge Mariabeeld boven op de berg heeft verwoest. Het is ook een wonder dat de boom zo tussen al die gebouwen is gevallen. We bedanken hem hartelijk voor zijn verhaal, de rondleiding en het boek dat hij heeft geschreven en ik heb gekregen. We gaan natuurlijk de berg helemaal op om te kijken hoe het er nu voorstaat met het Mariabeeld. De weg naar boven heeft meerdere beelden die verhalen uit de bijbel verbeelden. Helemaal boven staan de gedeeltes van Maria. Haar voeten, handen, benen in twee gedeeltes, romp en het hoofd staan te wachten op een verfje en opbouw. Als het klaar is kan ze weer uitkijken over de verre omstreken, want het uitzicht is alle kanten op. We gaan nog wat eten voor we naar het vliegveld gaan en dan moeten we weer afscheid nemen van een eiland. Op naar het volgende. Oh, heerlijk Bali met ons zo vertrouwde hotel. In de hotelkamer staan een enorm bloemstuk die Jantje heeft laten bezorgen voor Edward. Voor vanavond regelt hij een diner bij Mamma Putu en omdat Edward jarig is mag hij trakteren. We eten er heerlijke garnalen met knoflook. Het lied wordt nog eenmaal gezongen als de chocolade taart wordt aangesneden. Met moeite kunnen we nog een plekje vinden in de buik, want we hebben al zo lekker gegeten. Maar de dag is nog lang niet voorbij. Jantje zoekt één of ander tentje op in Kuta waar live muziek wordt gemaakt en als het podjo podjo klinkt moeten Jantje en ik de passen nog meer eens maken.

Zaterdag 11 nov.
We trekken nog twee dagen op met Jantje die zich heeft getransformeerd in een bijna onherkenbare man. Omdat hij nu op Bali gidst moet hij een sarong en een hoofdband om. We moeten wel even wennen aan hem. Op verzoek brengt hij ons naar een special hotel. Het is niet helemaal het hotel wat we bedoelde, maar des al niet te min heel indrukwekkend, omdat het voor hele rijke mensen is bedoeld. Wij zitten er als armoedzaaiers een cocktail te drinken en het maakt voor het personeel niets uit. Andere klanten zien we niet. We gaan naar een winkel die gespecialiseerd is in krissen en er zijn daar heel wat mooie exemplaren. We laten ons verleiden er toch maar één te kopen. Martin gaat voor een schilderij en we bezoeken wat galerijtjes met heel verschillende kunst. Tanah Lot slaan we niet over. Heerlijk op een terrasje zitten met zonsondergang. We worden uitgenodigd bij Jantje thuis. Een mooi huisje met een hele mooie inrichting. Een knaap met smaak. We zien wel overal kleine typische Nederlandse spulletjes die hij in Nederland heeft gekocht, omdat hij ze eigenlijk best wel raar vond. Zo staat er een ouderwetse schootkoffiemolen, een Delftsblauw beeldje van een knuffelend Volendams stelletje, een hutspotstamper, een kaasschaaf en als klap op de vuurpijl een toilet die je gewoon kan doortrekken met een wc. kleedje ervoor. Vooral zijn familie begreep hier eerst helemaal niets van. En dan is de laatste avond aangebroken. In ons favoriete restaurant aan zee hebben we ons galgemaal met speeches die tot tranen toe bewegen. Maarten verlaat Bali als eerste, Martin en Geke gaan naar een kampong voor enkele dagen en Jan, Edward en ik blijven nog een paar dagen in hetzelfde hotel. We spenderen veel tijd in winkeltjes, een geliefde bezigheid, maar dan moeten wij ook vertrekken.
Met weemoed nemen we afscheid van iedereen, met de belofte elkaar niet uit het oog te verliezen.
En voor het heerlijke land Indonesië met zijn lieve mensen:

We will be back”.