LIEVE LIEVE PAUL

Als donder en bliksem
bij heldere hemel
zo plotseling
ben je van ons heengegaan

Geen ziekbed, geen botsing,
geen enkele reden
toch zal je nooit meer naast ons staan

We zullen je missen
als een groot stuk van ons bestaan
zonder je lach en je grappen
is het verdomd moeilijk verder gaan

 

Mijn eerste herinnering aan Paul was toen ik 3 was. Ik liep op de gang richting de slaapkamer van mijn ouders, toen daar plotseling een enorme verpleegster voor me stond die met een klap de deur van die slaapkamer voor m’n neus dichtgooide.

En een paar uur later: Daar was Paul.

Van die eerste jaren kan ik me niet zoveel meer herinneren, maar er waren natuurlijk altijd de vakanties met z’n zessen. Pa & ma voorin en wij met z’n vieren op de achterbank. Van kinderstoeltjes en zitverhogers had in die tijd nog niemand wat gehoord, dus we pasten altijd. In een Renault 10 naar Frankrijk, stempeltje vragen bij de franse grens aan een meneer die er heel boos uitzag en je niet kon verstaan. Bobsleeën met z’n vieren midden in de zomer: Het was best een hoge berg dus halverwege moest de auto even 10 minuten afkoelen. Dan namen we maar even een broodje en een drankje.

In de Skoda naar Italië. ’s Ochtends tussen de vissen zwemmen. En dan proberen of je het hele stuk naar de vlonder kon zwemmen die een stuk verder in het meer lag. En op de terugweg begaf de skoda het na 3000 kilometer op de droste brug.

Het stappen toen we tiener waren: vrijdags of zaterdags pilsje drinken in Bar Bizar en het Haasje. We hadden natuurlijk onze eigen vriendenkring, maar kwamen mekaar altijd tegen en dan ging je toch even praten over de dingen die je meegemaakt had.

En altijd, altijd, was Paul bezig met sporten. Voor de kachel in de huiskamer pitcher oefeningen doen. In de straat of de achtertuin voetballen. We hadden thuis een keteltje met water op de kachel staan, wat we probeerden zo lang mogelijk met gestrekte arm ‘hoog te houden’. Na een paar weken hield Paul het langer vol dan ik…

En toen kwamen de vrouwen in ons leven. Paul had Syl al een tijdje en een paar jaar later leerde ik Kati kennen. Kati is hongaarse en in die tijd speelde Kipprich, de tovenaar van Tatabanya, nog bij Feyenoord, dus Kati kon bij Paul meteen al niet stuk en dat is altijd zo gebleven.

Paul had aan niemand een hekel. En volgens mij had niemand een hekel aan Paul. Hij kon het met zo enorm veel mensen goed vinden. Je kon gewoon niet boos op hem worden. Paul was een gezelligheidsmens. Hij was het liefst altijd met mensen bezig. Bij DSS, met verjaardagen, trouwerijen, vakanties, het maakte niet uit. Beetje pesten af en toe, je even in de maling nemen. En daarna weer snel in de lach schieten en een arm over je schouder gooien, zo was Paul.

Alleen het praten over de eigen problemen, daar had ie het moeilijk mee. Als je een keer op de man af vroeg: Paul, hoe gaat het nou met je?, dan kreeg je vaak nul op het rekest. Ja goed, z’n gangetje, toppie, er was nooit iets aan de hand. Hij wilde je nooit lastig vallen met z’n eigen problemen. Als er iets mis was, kregen we dat achteraf te horen.

En nu is er iets heel erg mis gegaan. Paul is er niet meer. M’n lieve broertje Paul. Het is net alsof er een stuk van mezelf is weggenomen. Ik mis iets, een stuk van m’n eigen leven.

Syl, Jordi, Francis, samen moeten jullie verder. We zullen er echt altijd voor jullie zijn en mocht er iets zijn waarmee we kunnen helpen, kom dan langs….