terug naar menu

In het leger

verlangen naar het verleden

Het is lang geleden dat ik als dienstplichtig militair door de regering naar het voormalig Nederlands-IndiŽ (IndonesiŽ) werd gezonden. Foto's in de krant over de Indonesische presidentsverkiezingen van 1999, de studentenrellen, de roep om vrijlating van politieke gevangenen uit de Tjipinanggevangenis in Jakarta, het in brand steken van winkels van Chinezen, riepen herinneringen op aan die militaire diensttijd.

De geschiedenis over oorlog en de militaire diensttijd begon voor mij bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog (1940-1945). We, ons gezin in het plattelandsstadje Axel in Zeeuws-Vlaanderen,  Hevige gevechten bij Axel in Zeeuws-Vlaanderen sloegen in 1940 op de vlucht voor het kanonvuur van terugtrekkende Franse troepen: īdie kwamen ons toch helpen?` Onder de Duitse bezetting werd alles anders. Begrippen als mijn en dijn werden īopgerekt`. Wat moesten ze thuis zeggen als je in de tijd dat brandstof schaars was met gejatte briketten (kolen) van de stoomtram of cokes van de gasfabriek etc. thuis kwam? Onbekommerd opgroeien werd belemmerd door spertijden, inundaties, oorlogshandelingen, enz. Op 19 september 1944 werd Axel bevrijd na hevige gevechten om de Scheldemond en de haven van Antwerpen, die de aanvoerroute voor de Geallieerden moest bekorten. Het was de tweede keer dat we voor oorlogsgeweld vluchtten.

Zoals veel jonge mannen in die tijd, 1946, werd ik opgeroepen voor het vervullen van de dienstplicht. Van de militaire keuring herinner ik me niet veel. Je ging er heen met in het achterhoofd grote verhalen van vader en anderen over het lazerusdronken thuiskomen. Hoe kwamen ze toen aan het geld om drank te kopen? Armoe was troef. Spaarden ze ervoor? Of speelde het systeem van loting een rol. Je kon toen 'uitloten'. Als je het goede lot trok, dan hoefdeVader Karel je niet in militaire dienst. Het uitlootbriefje kon worden verkocht aan bijv. rijke boerenzoons, die niet in dienst wilden of niet gemist konden worden in het bedrijf. Werd daar de drank van gekocht?

Ik herinner me niet of wij dronken thuiskwamen. Het zal wel. Zo kort na de buurtfeesten en de drank waarmee het einde van de Tweede Wereldoorlog werd gevierd, was dat niets bijzonder. Wel weet ik dat de officier, die als psycholoog aan de keuringsinstantie was toegevoegd, vroeg of ik verkering had. Naar waarheid antwoordde ik, dat ik wel eens een meisje had maar geen verkering. Hij vroeg wat het verschil was. Buiten wist ik het antwoord en pas later begreep ik dat het een verkapte vraag naar Als baroe 'nieuweling' seksuele geaardheid was. Wie durfde toen over seks praten? Tijden veranderen.

Ik werd opgeroepen bij het Artillerie Meetregiment in Amersfoort. Toen de legerleiding tot het besef kwam dat er in IndonesiŽ geen vijandelijk kanonvuur viel op te meten werd dat Regiment ontbonden. Ze plaatsten me over naar het 4e Bataljon Regiment Stoottroepen in Nijmegen voor een opleiding als motorordenans. We werden naar IndiŽ uitgezonden door een regering, die snel een expeditieleger voor Nederlands-IndiŽ uitrustte. Het moest zo rap, dat In de erg koude winter van 46/47 op de motor ik bij aankomst in IndonesiŽ nog nooit met een geweer had geschoten. Daar werd ik ingedeeld bij het carrierpeleton. Spannend en avontuurlijk, maar met weinig politiek besef. Wat wisten we waar het eigenlijk omging? Al gauw, 14-05-1947, werden we op het troepentransportschip Volendam ingescheept naar IndonesiŽ. We waren de krijtrotsen van Dover nauwelijks gepasseerd of ik lag zeeziek in het vooronder, waar de slingerbeweging het sterkst was. Kotsziek ging ik in de midscheeps gelegen officiersmess op een bank liggen. Daar was het slingeren het minst. Met een asgrauw gezicht en volkomen apathisch negeerde ik het bevel van een officier om daar weg te gaan. Hij zag de vergeefsheid van zijn poging in, want hij liet me liggen. Na twee dagen was de zeeziekte over.

Veel van de bootreis herinner ik me niet. Het was lang en vervelend. We waren dankbaar voor korte onderbrekingen. Zoals het aanleggen bij Algiers om een militair met nekkramp van boord te kunnen halen, het bunkeren in Port Said in het Suezkanaal met de kleine typische zeilboten en het gokken met een goochelaar met kuikens: 'kippetje, kippetje', zei hij. In Amsterdam wordt het 'spelletje' balletje, balletje, genoemd. Veel geld hadden we niet te verliezen. Het krioelde van bootjes met koopwaar rond het schip. In de Rode Zee werd het appŤl afgeschaft, er vielen er teveel van de hitte flauw. Daarna een lange oversteek door de schijnbaar eindeloze Troepentransportschip De Volendam watermassa. We waren blij dat we bij het eerste eilandje ten Noord-oosten van Sumatra even van boord mochten. In Belawan, de haven van Medan, werden we ontscheept. De waarschuwing om geen lege blikjes van frisdrank in de berm te gooien, 'daar maken ze handgranaten van', nam het gevoel van opluchting niet weg. Alleen de stad Medan en het vliegveld, met een smalle corridor tussen Belawan en Medan, was in handen van het Nederlandse leger.

We hebben, naast de twee politionele acties (van mij mag het ook oorlog heten) waarin we oprukten, veel wacht en patrouille gelopen. Meestal met 12 jongens, vaak onder de sterkte, gelegerd op buitenposten in kampongschooltjes of grote huizen. Soms zelf (de twee baboes) eten kokend, of verlangend uitziend naar de fouragewagen als we in een grotere plaats lagen. De eerste tijd aten we aardappelen uit blik (cement) en harde legerkoekjes waar de maden uitkropen. Waarschijnlijk door de Nederlandse regering gekocht uit een dump die het Amerikaanse leger in Nieuw-Guinea had achtergelaten. Er was niks anders. Je wendde daarna wel snel aan rijst. We waren jong, nauwelijks 20 jaar.

Sporten in de hitteOver politiek spraken we weinig. We leefden, onder het bestuurlijk politieke en militaire geweld, ons simpele alledaagse leven. Stonden op wacht, liepen patrouille en verdedigden onze buitenpost als we werden aangevallen. Onderhielden de brencarriers waarvan reserveonderdelen schaars waren. Het was, afgezien van de gevaarlijke gebeurtenissen, geen beklagenswaardig bestaan. We woonden meestal in een huis van steen met een mandiehok (badkamer) nooit ver uit de buurt. Als er geen kamar kecil (toilet) was maakten we een latrine. We groeven een rechthoekig gat in de grond, waarover in de lengte planken werden gelegd en de middelste plank werd weggelaten. Er werd een wand van atap (soort gevlochten riet) rond gezet met een dak van roestige golfplaat. En je had een gezellige plee als er twee of drie man gelijktijdig gebruik van maakten. In Belawan, de haven van Medan, liep de 'gezelligheid' de spuigaten uit. Daar werd het bataljon samengetrokken om per schip van de KPM (Koninklijke Parketvaart Maatschappij) overgeplaatst te worden naar Padang. Het hele Bataljon kreeg buikloop: het werd er te druk.

VoetbalknieVrije tijd brachten we door met brieven schrijven, hardlopen, schaken, volleybal en badminton als we een klein grasveld tot onze beschikking hadden en voetbal als we een veld hadden dat groot genoeg was. Lagen we in een plaats met een voetbalveld, dan maakten we daar gebruik van. Niemand protesteerde: het had ook niet geholpen. De IndonesiŽrs in Perbaoengan kwamen naar ons voetbal kijken, totdat we een afspraak maakten om tegen een Indisch inlands elftal te spelen; dachten we. Er waren twee afspraken gemaakt, ťťn met een Chinees en ťťn met een Indisch elftal. Ons inzicht in politieke en economische verhoudingen tussen Chinezen en Indische mensen was niet groot. Het Chinees elftal arriveerde het eerst en we voetbalden tegen de Chinezen. De Indische bevolking was woedend. Ze hebben het ons nooit vergeven. Het liefst speelden we tegen een legerelftal van kapiteins, luitenants, sergeants en korporaals. Je kon dan eens een duw uitdelen, zonder dat het meer kostte dan een vrije schop. Er werd weleens een kip gestolenIn Boenoet liep ik een gescheurde meniscus (voetbalknie) op. Met voetbal was het afgelopen. Ik probeerde het nog wel eens, maar dat eindigde steevast met een drukverband om de knie. Waarom ik geen poging deed om te worden afgekeurd en eerder naar huis te kunnen, weet ik niet. Misschien om geen watje te lijken, die zijn maats in de steek laat.

De gebeurtenissen waren niet allemaal plezierig. Er werden soms gevangenen mishandeld en vermoord, een huis in brand gestoken of kippen gestolen. Is er iemand die een oorlog kent waar het anders gaat? En zeker, in die drie jaar hebben we medicijnen aan de bevolking uitgedeeld en werd er wel eens een jongetje met 1 spuitje van zijn beriberi afgeholpen (hij was niet meer bij ons weg te slaan). Maar hoorden we wel thuis in het IndonesiŽ van na de tweede wereldoorlog? In het licht van de geschiedenis rond 1600, de ontdekking van werelddelen, handelsoorlogen met Engeland, Portugal, enz., was kolonisatie een normaal verschijnsel. Maar hoorden we er nu nog thuis? Misschien alleen ter bescherming van de mensen, die uit de Jappenkampen kwamen (de Bersiaptijd) en uit plicht tegenover de mensen van het KNIL, die door de Nederlandse regering in de steek werden gelaten.

Van burgerlijk bestuur was in de bijna drie jaar, dat ik in Nederlands-IndiŽ was, weinig te merken. Het was er, want Van Mook was er landvoogd, luitenantgouverneur-generaal. We merkten er alleen wat van, toen militairen van het burgerlijk gezag(?), ons om begeleiding vroegen voor drie mannen, die ze uit de plaatselijke gevangenis of politiecel in Perbaoengan haalden en hen kilometers daar vandaan terechtstelden; doodschoten. Het hoe of waarom kregen we niet te horen.

De Chinezen hadden het ook in die tijd moeilijk. Wanneer niet? Zij beheersten de handel en de financiŽle instellingen en dat gaf scheve ogen. Op een nacht, in het begin van de eerste politionele actie, werden we gewekt en in een drietonner (vrachtauto) geladen om op weg te gaan naar, ja naar waar eigenlijk? In een plaats niet ver bij ons vandaan waren winkels van Chinezen in brand gestoken. In het donker, vlak langs de kant van de weg waren alleen de silhouetten van rubberbomen te zien, gespannen en rillend van slaapdronkenheid dicht opeen gepakt elkaar lichaamswarmte voelend, reden we op weg naar een onbekend doel. Zolang we in de drietonners zaten gaf dat een onterecht gevoel van veiligheid. Al waren de lichten van de auto niet ontstoken het geluid van de motor was Schier eindeloze zee wel mijlen ver te horen. Bij de brandende winkels was er dan ook geen rampokker (rover) meer te zien. Helpen blussen was al wat we konden doen.

Tegen het einde van de diensttijd in het begin van 1950 was er van burgerlijk bestuur iets te merken aan de politieke gevangenen in de Tjipinanggevangenis in Jakarta. We liepen er 's nachts wacht op de buitenmuur van de gevangenis. Niet om uitbraken te voorkomen, maar om insluipers of bestormers van buiten te weren. Wel keken we nieuwsgierig over de binnenmuur. Wat we zagen waren geen ongure gezichten van bandieten, maar mensen die net als in de kampong hun maaltijd klaarmaakten boven een vuurtje. Een vredig gezicht. Misschien was dat het bedrieglijke. Maar net als later, in 1999 de Indonesische overheid, was het Nederlandse binnenlands bestuur ook toen niet erg scheutig met het loslaten van politieke gevangenen.

Piet Scheele


e-mailadres: pscheele@chello.nl

naarboven
Of ga naar:

Politionele actie Verboden foto's van eerste politionele actie Overste Raebel van 4-RS Seks in de tropen Trekbom Poncke Princen Kapitein Westerling Oorlogsmisdaden Herdenken Weer burger Link