terug naar menu

Rawagede

Oorlogsmisdaden in v.m. Nederlands-IndiŽ.

Rawagede.

Niet alleen kapitein Westerling, van het KNIL, wordt van oorlogsmisdaden beschuldigd. Later werd bekend dat Nederlandse troepen op 9 december 1947 in de desa Rawagede (nu Balongsari), ten oosten van Batavia (Jakarta), de desabewoners bijeen brachten en (volgens Indonesische gegevens) 431 van hen doodschoten. In 2009 schreef H.H. Scholtens, student aan de Rijksuniversiteit Groningen, in een doctoraalstudie, dat in de kampong Rawagede door Nederlandse troepen 150 tot 300 inlandse mensen werden doodgeschoten. Hij putte uit schaarse Nederlandse en Indonesische documenten, die een waarheid hebben van legerbulletins van strijdende partijen. Volgens zijn studie waren bij de actie troepen van 3-9 RI, dat vooral uit dienstplichtige militairen bestond, betrokken. De studie van Scholtens roept nieuwe vragen op. 3-9 RI zat onder de organieke sterkte. Om de grote onrust in het gebied, waar TNI en allerlei Indonesische groeperingen, mogelijk de KPI (de Partai Komunis Indonesia), de Darul Islam, benden en rampokkers onderling vochten, te bestrijden, kreeg het onderdeel steun van 70 man van de 1e Para Compagnie van het KNIL en onderdelen van de 12e Veldcompagnie Genie en van Huzaren van Bureel.

Een kapitein van de TNI, Lucas Kustario, werd door de TNI in het door 3-9 RI beveiligd gebied geplaatst met de opdracht het vertrouwen te winnen van de elkaar bevechtende Indonesische groepen, de TNI te versterken en de acties tegen de Nederlanders te coŲrdineren. De pogingen van het Nederlandse leger om o.a. van dorpsoudsten medewerking te krijgen voor de Nederlandse aanpak werden door hem gedwarsboomd. Hij slaagde wonderwel in zijn opdracht. Zijn succes irriteerde het Nederlandse leger. Het Nederlandse leger probeerde met de actie Lucas Kustario uit te schakelen. Volgens de studie van Scholtens werd, in opdracht van bataljonscommandant R. Boer van 3-9 RI, de actie uitgevoerd door 90 man onder leiding van majoor A.J.H. Wijnen. Drie groepjes van 30 man omsingelden de kampong en dreven de bewoners bijeen. Ze wilden weten waar Lucas Kustario, die verantwoordelijk werd gehouden voor de onrust in het gebied, zich bevond. Zij die het niet wisten konden het niet vertellen en zij die het wisten vertelden het niet. Een frustrerende situatie. Scholtens beschreef niet wie de ondervragingen leidde. 3-9 RI was op 28-10-1946 in Batavia gearriveerd en zij zullen in ťťn jaar het Maleis niet zo onder de knie hebben gekregen dat zij een ondervraging konden leiden. Je denkt dan eerder aan de Nederlandse inlichtingendienst. Maar met het Nederlandse leger wist je het maar nooit.

De studie wijst op de onrust in het gebied en op de onderlinge Indonesische gevechten. De TNI was (nog) te zwak om dit te verhinderen. Dat er grote onrust kon zijn werd in de periode dat de onderhandelingen in Lingadjatie tussen de Nederlandse regering (de Commissie-Generaal) en de IndonesiŽrs begonnen, al duidelijk. De IndonesiŽrs wilden de onderhandelingen op Indonesisch grondgebied houden maar konden de Nederlandse delegatie geen veilige doortocht over land garanderen. Ze moesten over zee. In september 1948 brak rond Madioen, republiekeins gebied ten westen van Rawagede, een strijd uit tussen de troepen van de TNI van Sukarno en de Partai Komunis van Moesso, de communistische tegenstrever van Sukarno. Daarbij vielen duizenden doden. Met die aanpak bewees Sukarno de Amerikaanse regering dat hij het Communisme wilde en kon bestrijden. De Amerikaanse aanpak van het conflict tussen Nederland en IndonesiŽ veranderde ermee.

Volgens Jeffrey Pondaag van het Comitť Nederlandse Ereschulden, zou een jaar na het drama, de toenmalige procureur-generaal Felderhof besloten hebben af te zien van vervolging van de daders (bron Checkpoint maandblad voor veteranen). Later (juni 1910) klaagt een marineveteraan in Checkpoint dat geen aandacht wordt besteed aan het drama in Rawagede. Checkpoint heeft er eerder over geschreven en wil pas 'opnieuw aandacht besteden aan de hand van Nederlandse ooggetuigen die bereid zijn hun kant van het verhaal te vertellen'. Een goed doch utopisch verlangen.

Onderzoek naar oorlogsmisdaden .

Onafhankelijk onderzoek naar oorlogsmisdaden is weinig gedaan. Minister-president Piet de Jong beloofde de Kamer in 1969 een onderzoek naar de gebeurtenissen in IndonesiŽ. Er kwam echter geen parlementaire enquÍte zoals Den Uyl (van 1973 tot 1977 minister-president, toen kamerlid) wilde. Er werd een 'CoŲrdinatiegroep IndonesiŽ 1945-1950' gevormd met secretaris, drs. mr. Cees Fasseur, ambtenaar op het Ministerie van Justitie en later hoogleraar in de Geschiedenis van Zuidoost-AziŽ. Uit dit onderzoek kwam de zogenaamde 'Excessennota' voort waarin niet werd ('niet kon worden') vastgesteld of de wandaden moesten worden gezien als structureel beleid van de krijgsmacht, of als toevallige incidenten en of het om oorlogsmisdaden of 'slechts' excessen ging. Maar structureel beleid of toevallige incidenten, het blijven oorlogsmisdaden. Het verschil is wie de verantwoordelijkheid draagt: de Nederlandse staat en de legerleiding of betrokken daders.
De verantwoordelijkheid voor de oorlog 1946-1950 tegen IndonesiŽ ligt bij de Nederlands regering en de legerleiding.

De legeronderdelen die bij de 'politionele acties', eufemisme voor oorlog, waren betrokken..

De jaren 1945-1949 stonden in het teken van de Indonesische kwestie. Nederland erkende de Indonesische Republiek niet en zette alles op alles om Nederlands-IndiŽ te behouden. Het parlement en het overgrote deel van de bevolking steunden het kabinetsbeleid. Perioden van diplomatie en onderhandeling wisselden af met perioden van strijd. Uiteindelijk haalde Nederland onder zware druk van de Verenigde Staten en de Verenigde Naties bakzeil en kreeg IndonesiŽ eind 1949 zijn onafhankelijkheid. De jaren in IndonesiŽ waren zwaar. De militairen moesten veel langer dienen dan van tevoren was gedacht en de personele verliezen waren hoog". (Bron: Nederlands instituut voor militaire historie)

Het KNIL.

Het KNIL (Koninklijk Nederlands Indisch Leger), bestond uit meer dan 20.000 beroepssoldaten en vormde het belangrijkste legeronderdeel. Zij deden 'het vuile werk' gingen bij acties voorop en leverden de zwaarste gevechten. De Indische KNIL- militairen hadden meestal hun gezin bij zich. Vaak ging het beroep over van vader op zoon. Het waren geharde strijders, trouw aan het Nederlandse gezag. Ze vochten jarenlang in dienst van de Nederlandse regering.

Over de 'oorlog' tussen Nederland en IndonesiŽ is veel geschreven. Veel zinnigs, ook onzin. Vaak ging het over oorlogsmisdaden, o.a. die Kapitein Raymond Westerling, commandant van het Korps Speciale Troepen met 150 KNIL-militairen, in januari 1947 in het toenmalige Celebes, nu Saluwesi, pleegde. (Zie onderaan de link naar kapitein Westerling.

De harde werkwijze van het KNIL was al gebruik bij de VOC (Verenigde Oostindische Compagnie). De VOC was zeker geen vreedzame handelsvereniging. Gouverneur-generaal J. P. Coen stond in 1619 een beleid voor van op agressieve wijze een monopolie in de handel in IndiŽ te verwerven, zoals in die tijd bij koloniserende landen gebruikelijk was. Hij zette het beleid om in daden. Zijn politiek leidde tot strijd met andere landen: op Ambon werd een aantal Engelse mensen dood gemarteld na verdenking van samenzwering ter omverwerping van het Nederlands gezag.

Later in de agressieoorlog tegen het onafhankelijke sultanaat Atjeh, onder leiding van Van Heutsz, werd het aantal doden op 100.000 geschat. Hele landstreken werden in 1896 tot 1920 verwoest. Van Heutsz promoveerde, na zijn gouverneursschap, tot Gouverneur-generaal van heel Nederlands-IndiŽ. Hij gebruikte de Atjeese methoden ook in de 'buitengewesten', met als resultaat een vanuit Batavia min of meer centraal geleidde kolonie.

Minder bekend is dat de latere minister-president van Nederland, Hendrik Colijn, die onder van Van Heutsz als adjudant diende, er ook zelf met zijn mannen op uittrok. Colijn liet vrouwen en kinderen in Panglima Polem Atjeh gevangen nemen en dood schieten. Colijn speelde ook een rol bij het 'pacificeren' van het eiland Lombok.

Op 26 juli 1950 komt een einde aan het bestaan van het KNIL, dat op dat moment nog ongeveer 65.000 militairen telde. Een groep van 4.000 Ambonese militairen wilde niet overstappen naar het Indonesische leger. Met vrouwen en kinderen, kwam een groep van 12.000 personen 'tijdelijk' naar Nederland. Ze keerden niet meer terug. Zij vormden het begin van de Molukse gemeenschap in Nederland die streeft naar een onafhankelijke republiek in de Zuid-Molukken.

De oorlogsvrijwilligers (ovw-ers).

Omdat de regering het niet alleen met het KNIL kon klaren stuurt ze ook bataljons oorlogsvrijwilligers (OVW-ers) naar IndiŽ, die in 1944 en 1945 zijn geworven om tegen de Duitsers te vechten. De motieven van de oorlogsvrijwilligers varieerden van idealisme tot verlangen naar actie en avontuur. Vanaf september 1945 werden de oorlogsvrijwilligers verscheept. De eerste OVW-bataljon's kwamen in Malakka terecht omdat ze pas in maart 1946 van het Britse bezettingsleger in AziŽ toestemming kregen op Java en Sumatra te landen.

De ongeveer 25.000 oorlogsvrijwilligers (OVW-ers), die op 24 februari 1946 op Java arriveerden, hadden het niet gemakkelijk. Zij kwamen in een chaotische situatie terecht waar mishandeling, moord en doodslag geen uitzondering waren. In de jappenkampen werden de Nederlandse en Indisch-Nederlandse gevangenen door IndonesiŽrs bedreigd:'de BersiaptijdĒ. Nederlands bestuur was er (nog) niet en de Britten hadden slechts militair bestuur in kleine gebieden. De Japanners wachtten in hun kazernes op een troepenmacht waaraan ze zich over konden geven. Indonesisch landelijk burgerlijk bestuur was er evenmin en het Indonesische Leger, de TNI, (Tentara National Indonesia) moest nog worden opgebouwd. De TNI had nog onvoldoende macht en gezag. Het bestuursvacuŁm werd opgevuld door verschillende meest slecht bewapende groepen: militaire takken van Indonesische politieke partijen, godsdienstige groepen als Darul Islam, groepen met eigen belangen en bendes (rovers), die van de gelegenheid gebruik maakten.†Kortom de groep die de macht greep was plaatselijk de baas.

Grote groepen revolutionaire jongeren, de Pemuda's, trokken het gezag naar zich toe. Zij dwongen Sukarno en Hatta op 17 augustus 1945 de Indonesische staat uit te roepen. Sukarno en Hatta aarzelden omdat er nauwelijks centraal Indonesisch gezag was en nog geen nationaal leger die dat gezag kon afdwingen. Zij vreesden chaos. De Pemuda,s voerden niet alleen een revolutionaire strijd tegen het Nederlands gezag, maar ook tegen de oude Indonesische machthebbers en feodale vorsten. Veel Indonesische vorsten en oude gezagsdragers kwamen in die tijd in gevangenschap terecht. In die situatie kwamen de OVW-ers te verkeren en zij werden als vijanden ontvangen. Pas op 27 december 1949 droeg Nederland de soevereiniteit aan IndonesiŽ over, met uitzondering van Nieuw-Guinea.

De dienstplichtigen.

Omdat de Indische vrijheidsstrijd niet kon worden bedwongen, besloot het kabinet ook Nederlandse dienstplichtigen te sturen. Nooit eerder waren dienstplichtig militairen 'overzee' gezonden. De grondwet moest er voor worden gewijzigd. Snel werd een groot expeditieleger op de been gebracht. Dienstplichtige jongeren van 19 jaar, die eerder medisch waren gekeurd, werden uit steden en dorpen opgeroepen. Daaronder waren oppassende en minder brave jongemannen. Jong, naÔef, veelal nog op weg naar volwassenheid, kregen zij snel een opleiding. Zij werden naar een vreemd, tropisch en ver land gezonden. In september 1946 vertrokken de eerste dienstplichtigen, de 7 December Divisie, naar Nederlands-IndiŽ. De naamgeving van de divisie, is een verwijzing naar de radiorede op 7 december 1942 van Koningin Wilhelmina, waarin zij hervorming van de koloniale verhouding tussen Nederland en IndiŽ beloofde. In mei 1947 kwam een Tweede divisie ,de 'Palmboom'-divisie, in Nederlands-IndiŽ aan. Het 4e Bataljon Regiment Stoottroepen, waarin ik zat, onderdeel van de Palmboom-divisie werd ingezet op Sumatra bij Medan en later bij Padang. We kwamen op 9 juni 1947 in Nederlands-IndiŽ. We waren amper gearriveerd, of we werden op 21 juli 1947 metťťn ingezet voor een grote militaire actie: de 1e politionele actie.

Niet alleen werden de militairen in IndonesiŽ beschoten, maar ze stonden ook bloot aan tropische ziekten als ringworm, tropenzweren, malaria, enz. Ook pokken, diarree en scabiŽs (schurft) kwamen voor. Vele vervulden een verplichte diensttijd van in totaal drie en een half jaar tot 4 jaar of meer, waarvan bijna 3 jaar in IndonesiŽ. Voor de meeste was het een spannend avontuur. Sommigen deden er vriendschappen voor het leven op. In totaal werden ongeveer 95.000 dienstplichtigen naar IndiŽ gezonden.

De legerleiding in IndiŽ (Spoor) was niet overtuigd van de grote inzetbaarheid van de Palmboomdivisie. Hun motivatie werd door Spoor en zijn staf niet als hoog ingeschat. In de eerste en tweede 'politionele actie' trokken zij op achter een voorhoede die veelal uit militairen van het KNIL bestond. Was de actie achter de rug dan werden ze ingezet om veroverd terrein te beveiligen. Er werden buitenposten gevestigd op invalswegen van steden, bij knooppunten van wegen en voor het beveiligen van bedrijven buiten de grote steden.

In Basso. Ik op de zijleuning. Je kunt zien dat we 2 1/2 jaar ouder zijn.Lang niet iedere militair had contact met de Indonesische vijand en niet iedereen heeft geschoten. Dat hing af van de buitenpost en van de omstandigheden waar je was gelegerd. Het vijandelijke contact, buiten de twee politionele actie om, dat onze sectie had, was bij het bewaken van de elektriciteitscentrale in Padang Loear buiten Fort de Kock (Buketingi). Daar werden we in het donker wel beschoten. We kregen er te maken met een hinderlaag waarbij twee militairen sneuvelden. Op de buitenpost in Baso, eveneens in de buurt van Fort de Kock, werden we in de nacht aangevallen en beschoten. Uiteraard schoten we terug, al kon je in het donker niet zien op wie.

Tussendoor waren er rustige perioden waarin weinig gebeurde. In november 1947 gingen we aan de Oostkust van Sumatra voor een aantal weken met een bedrijfsleider van een rubberplantage mee. Hij sprak zijn personeel niet zachtzinnig toe. In het verwilderde gebied moest de rubberplantage Poelau Mandi weer in bezit en in bedrijf worden genomen. Een OVW-er die in Glascow (Schotland) zijn opleiding kreeg en niet verder kwam dan soldaat 1e klas, kreeg de opdracht om uit werknemers van het bedrijf een bedrijfsbewaking op te zetten. Hij had de tijd van zijn leven. Hij drilde en commandeerde op Britse wijze zoals hij in Glascow had geleerd. In 1948, vůůr de 2e 'politionele' actie, beveiligden we bij Indaroeng, in de buurt van Padang, een grote cementfabriek.

Piet Scheele

e-mailadres: pscheele@chello.nl

naarboven

Of ga naar:

In het leger Politionele actie Verboden foto's van eerste politionele actie Overste Raebel van 4-RS Seks in de tropen Trekbom Poncke Princen Kapitein Westerling Herdenken Weer burger Link