terug naar menu


POLITIONELE ACTIES

Het was niet altijd zo mooi als het er uitzagVanaf de plek waar ik lag had ik zicht op een uitgesleten pad, dat door de verwilderde plantage liep. Een gedaante, die zich op 100 meter afstand bevond, was door struikgewas en bomen bijna aan het gezicht onttrokken. Hij viel me pas op toen hij met een langzame beweging een wapen naar zijn schouder bracht. Ik schoot onmiddellijk. Althans probeerde dat, want mijn sten, een automatisch Overwoekerde rubberplantage.wapen voor gevechten op korte afstand, weigerde en ik zocht dekking op de bodem van de greppel waarin ik lag.

De gedachte, dat die langzame beweging om niet op te vallen, op een geoefend militair, een sniper (sluipschutter), of een achtergebleven Japanner duidde, kwam pas later bij me op. Het zou niet de enige Japanner zijn die met de IndonesiŽrs tegen Nederland vocht. Op 22 september 1945 was de post op het vliegveld van Medan door een groep, waarin zich Japanse soldaten bevonden, aangevallen. De aanval kon worden afgeslagen met behulp van gecapituleerde Japanners, die in de kazerne op hun gevangenneming en repatriŽring zaten te wachten. Het was niet de eerste keer, dat de sten weigerde. Het was bij het schoonmaken van het wapen eerder gebeurd. Tot mijn geluk. Die sten, die bij een motorordonnans hoorde, vond ik maar niks. Ik wilde een geweer. Was wel opgeleid tot motorordonnans, maar een motor zou in het aan materiaal arme expeditieleger toch een wensdroom blijven.

Bij de demarcatielijn bij Medan zochten we naar een motor, die door een motorordonnans, een baroe (nieuweling) net als wij, in paniek was achtergelaten toen hij beschoten werd en zijn motor afsloeg. Aan het plat geslagen alang alang (hard gras) was te zien waar de motor het oerwoud in was gesleept. In een poging om de motor terug te krijgen passeerden we de demarcatielijn. Die bestandslijn was in oktober 1946 door de Nederlandse regering met de Indonesische machthebbers overeengekomen. De lijn, die op een kaart was getrokken, liep tussen het Nederlandse leger en de Indonesische strijders de TNI (het officiŽle Indonesische leger) in. Maar ook tussen een aantal (ook) elkaar bestrijdende militante leden van Indonesische politieke partijen als de PNI (Nationalisten), PKI (communisten), PSI (socialisten) pemoeda's (jongeren), peloppers (vrijheidstrijders?) en bendes rampokkers (rovers), waaronder rond Medan Raymond Westerling (commandant Detachement Speciale Troepen) eerder op zijn wijze had huisgehouden.

20 december 1948. Soekarno en andere Indonesische ministers worden gevangen genomen tijdens de tweede politionele actie.Het was in elk geval mij niet direct duidelijk wat we met zo'n grote troepenmacht op 21 juli 1947 bij de demarcatielijn deden. Zeker niet om een bezoek te brengen aan de jongens op de buitenpost bij de overwoekerde spoorlijn. Daar schoten we, voor de gein, met een Japans antitankwapen, dat eerder was buitgemaakt, over de spoorlijn het niemandsland in. De strikt voor ons geheimgehouden actie bleek het begin te zijn van de eerste politionele actie, die in de nacht van 20 op 21 juli 1947 begon. Die dag sneuvelden twee jongens van ons Bataljon, de oorlogsvrijwilligers soldaten 1e klas Mouwen en Zandbeek.

Het 4e Bataljon van het Regiment Stootroepen had de opdracht om rugdekking te geven aan de troepen die van Medan optrokken naar Tebing Tinggi. In de nacht van 23 juli deed de TNI een tegenaanval op Medan. Wij, het Brencarrier Peleton, kregen de opdracht om een Compagnie te versterken, die werd aangevallen. In het donker kwamen we, zonder carriers, aan. Er werd geschoten. Richard van Mullom met een bren en ik met de sten zaten in een huisje voor een open raam. In het donker konden we niet zien wat er precies aan de hand was. We schrokken van een schot dat dichtbij werd afgevuurd. Bij het licht worden bleek de aanval te zijn afgeslagen.

Pas jaren later werd me, na het lezen van Een Mooi Woord Voor Oorlog van Ad van Liempt, over ruzie, roddel en achterdocht op weg naar de IndonesiŽ-oorlog en van fragmenten uit memoires van politieke hoofdrolspelers zoals van Van Mook luitenant gouverneur-generaal (landvoogd van Nederlands-IndiŽ) veel duidelijk. Op 17 augustus 1945, twee dagen na de capitulatie van Japan, riepen de Indonesische leiders Soekarno en Hatta, onder druk van opstandige Indonesische jongeren, de Republiek Indonesia uit. De Nederlandse landvoogd, Van Mook, was al in 1945 voorstander van overleg met de IndonesiŽrs. Hij kon ook moeilijk anders. Hem ontbrak een militair apparaat. Lord Mountbatten, de Britse opperbevelhebber in Zuid-OostAziŽ, die het in 1945 in Nederlands-IndiŽ voor een groot deel voor het zeggen had, en luitenant-generaal Christenson, die door Mountbatten werd belast met het bevel over Java, Sumatra en Bali, weigerden aanvankelijk om Nederlandse militairen in IndiŽ toe te laten. De eerste Nederlandse troepen moesten hun kamp in Malakka opslaan, tot ze in IndiŽ aan land konden (mochten). Mountbatten eiste wel overleg tussen Van Mook en Soekarno, maar de Nederlandse regering wilde niet, dat Van Mook met Soekarno sprak. In hun ogen was Soekarno een collaborateur. Tegen de zin van de regering voerde Van Mook toch een gesprek. Het leverde niets op.

Oktober 1946 Ondertekening van het bestand door Van Mook, Schermerhorn en SjahrirDe Britse beslissing over het niet toelaten van Nederlandse militairen werd (mede) ingetrokken, nadat in Surabaja 120.000 revolutionaire Indonesische jongeren, met door de Japanners aan hen overdragen wapens, in opstand kwamen tegen 8000 Britse, meest Brits-Indische, militairen. 220 Britse soldaten sneuvelden. De verliezen aan Indonesische kant waren veel groter. Van Mook vond het een bewijs, dat er met de IndonesiŽrs onderhandeld moest worden. De vele besprekingen, die de Nederlandse regering daarna met de Indonesische regering liet voeren, mislukten. Waar het op vast liep was (om het heel simpel te zeggen), dat de Nederlandse regering de vorming van een Verenigde Staten van IndonesiŽ, een federatieve staat, eiste met de dreiging, dat anders IndonesiŽ daartoe zou worden gedwongen. De IndonesiŽrs wilden een eenheidsstaat. Het vormde de politieke achtergrond voor het uitzenden van een expeditieleger van ruim 120.000 man, de 7decemberdivisie en de palmboomdivisie, en met inzet van 20.000 KNIL-militairen en voor het voeren van twee politionele acties (oorlog). Er werd niet mee bereikt wat de Nederlandse Regering wilde. Een verloren oorlog.

Het had anders gekund. Op 14 oktober 1946 werd een overeenkomst voorbereid tussen een Nederlandse (de Commissie-Generaal) en een Republikeinse onderhandelingsdelegatie. In het bergdorp Linggadjati, aan de noordkust van midden-Java werd drie dagen later het Linggadjati-akkoord gesloten, dat o.a. inhield, dat IndonesiŽ binnen twee jaar een federatieve staat zou vormen. Tot ongenoegen van Romme (KVP). Romme stuurde aan Van Poll, tweede kamerlid voor de KVP en delegatielid van de Nederlandse onderhandelingsdelegatie, brieven met de dringende oproep het verdrag met een veto te treffen. Overigens tevergeefs. Het besluit van de regering Beel, minister-president (KVP), om de eerste politionele actie te beginnen, kwam vooral onder druk en invloed van Romme tot stand.

Eerste politionele actie; operatie product.Romme had als KVP-leider en hoofdredacteur van De Volkskrant grote invloed op minister-president L. Beel (KVP). Romme was woedend over wat er in Linggadjati gebeurde. Hij wilde van Van Mook af, die (aanvankelijk) tegen een militair ingrijpen was. Hij kreeg onverwachte steun van prof. P. Lieftinck, minister van FinanciŽn (PvdA). Het tekort van Nederlands-IndiŽ bedroeg inmiddels 100 miljoen per jaar. Het expeditieleger van 120.000 militairen in IndiŽ kostte de staat drie miljoen per dag. Lieftinck schreef op 18 april 1947 aan minister-president Beel, dat de voorwaarde voor economisch herstel het onmiddellijk wegsturen van Van Mook was. Als hij daarin niet gesteund werd dreigde hij met opstappen. Minister-president Beel (KVP) en minister Jonkman (PvdA) reisden naar Batavia o.a. om Van Mook te ontslaan. Beel hoefde de opzet van Romme om van Mook te ontslaan niet uit te voeren: Van Mook 'ging om'. Peter John Koets, kabinetschef van Van Mook, schrijft in een privť-brief aan Frederik van Asbeck, hoogleraar in Leiden, op 16 juni 1947: ďHuib (Van Mook) is ten volle overtuigd, dat militaire actie de enige mogelijkheid is die ons blijftĒ. In juni 1947, na aanvankelijk verzet, stelde ook Jonkman zich op Van Mooks standpunt dat de republiek IndonesiŽ niet in staat bleek de beginselen van Linggadjati in de praktijk te brengen en dat daarin via militair optreden verandering gebracht moest worden. Hij wilde echter een beperkte politiŽle actie, waarbij het symbool van de Indonesische vrijheidsstrijd, Djokjakarta, onaangetast moest blijven.

In de Tweede Kamer lag het verdrag erg moeilijk. De ARP (Anti Revolutionaire Partij) was fel tegen. ARP fractievoorzitter Schouten riep in de Tweede Kamer: 'God zal jullie straffen!'. Om te voorkomen dat het Linggadjati-verdrag door de Tweede Kamer zou worden verworpen voegde de minister Jonkman (PvdA) aanvullingen aan het contract toe, die niet in het verdrag waren overeengekomen. Op 19 december 1946 nam de Tweede Kamer een motie aan, ingediend door Romme (KVP) en Van der Goes van Naters (PvdA) waarin werd bepaald, dat het Akkoord van Linggadjati alleen werd aanvaard op basis van de Nederlandse uitleg, dat er een 'zware unie' moest komen gedomineerd door Nederland. De Indonesische onderhandelaars reageerden verbijsterd; eenzijdig voegde Nederland allerlei bepalingen aan het verdrag toe. IndonesiŽ verwierp het akkoord. In de Commissie-Generaal waren alleen de voorzitter W. Schermerhorn, Samkalden (de latere burgemeester van Amsterdam), Sanders en Just de Visser (secretaris van de Commissie-Generaal) voor verder onderhandelen. Ze stonden in IndiŽ niet helemaal alleen, ook De Niet (zendingsconsul), dominee Obermand en Bosman, de tweede man van de BPM (een voorloper van wat nu Shell is), wilden dat er verder werd onderhandeld. De Nederlandse regering besloot tot een militair ingrijpen: de eerste politieke actie was een feit. Dat kostte handenvol geld en veel mensenlevens. Een kapitale fout. De kans op een vreedzame oplossing, met veel minder doden, een betere verstandhouding met IndonesiŽ en vooral betere handelsbetrekkingen, werd ermee om zeep geholpen.

24 juli 1947 Bindjai bij Medan. Gesneuvelde Indonesische militairenDe eerste politionele actie, die op 21 juli 1947 begon, kreeg de codenaam operatie product, met de bedoeling om cultuurgebieden, rubber, tabak, suiker, thee, etc. in handen te krijgen om daarmee de kosten van de oorlog (3 miljoen gulden per dag) te helpen betalen. Het was duidelijk, dat de militaire actie een politiek en tevens economisch doel had waarvan de verantwoordelijkheid bij de Nederlandse regering lag. Dat is niet voor iedere oud-militair duidelijk. Een kennis, die een paar jaar geleden IndonesiŽ (en zijn oude plekjes) bezocht, kwam geestelijk in de knoop terug. Het IndiŽsyndroom had weer een slachtoffer gemaakt en het veteraneninstituut in Doorn had er een klant bij.

De tweede politionele actie begon op 19 december 1948 onder de codenaam Kraai. Die datum was gekozen, omdat men verwachtte dat de regeringsvertegenwoordigers van de Amerikanen en de Britten al met Kerstreces zouden zijn en de Nederlandse regering meer speling zou hebben voor de internationale kritiek losbarstte. Er werd niet verteld waarom die naam was gekozen, maar voor ons stond vast, dat met het woord Kraai Soekarno werd bedoeld. De aanval op Djocja en de gevangenneming van de Indonesische regeringsleiding waren al opgenomen in de plannen bij de eerste politionele actie. Toen werd het niet uitgevoerd omdat de minister van Overzeese gebiedsdelen, Jonkman, de actie 'beperkt' wilde houden; er moest toch iemand over blijven om mee te onderhandelen. In een bliksemaanval met luchtlandingstroepen werden Soekarno en andere republikeinse regeringsleiders gevangen genomen. Wij, op Midden-Sumatra, namen Fort de Kock (Buketingi) in. De legerleiding had de aanval door de Anei-kloof op 30 doden aan onze kant 'begroot'. Voor zover ik weet zijn er in de Anei-kloof geen Nederlandse militairen gesneuveld. Veertig mensen van ons bataljon, met twee detachementen van een ander onderdeel, landden met watervliegtuigen (Catalina's) op het Singkarakmeer achter de Anei-kloof. De opdracht was de bruggen bij Moeka-Moeka en Soemasi te bezetten om te voorkomen, dat de 'marsroute van de hoofdmacht belemmeringen zou ondervinden'. Op 22 december 1948 werd Fort de Kock (Buketingi) ingenomen.

Wij, de dienstplichtige soldaten in het Nederlandse expeditieleger die voor zo'n drie jaar naar een ver en onbekend land werden gezonden, wisten niets van de politieke achtergronden. Ons leven bestond uit, naast het voeren van twee politionele acties (oorlog) die zelf betrekkelijk kort duurden, uit het bezet houden van steden en buitenposten op belangrijke knooppunten. We liepen wacht, gingen op patrouille, werden 's nachts op de buitenpost of onderweg op patrouille beschoten, stonden onder spanning, haalden domme streken uit, waren wel eens bang, beleefden kameraadschap en maakten veel plezier zoals jonge mensen van rond de 20 jaar dat doen. Het is inmiddels allemaal herinnering. Zonder spijt een historisch feit te hebben meegemaakt.

Met het Franse troepentransportschip Louis Pasteur, dat Franse militaire troepen naar Indo-China had gebracht, kwamen we in Nederland op 24-02-1950 terug. Aan boord werden we als Fransen behandeld. Bij alle maaltijden kregen we per man een halve liter wijn. Van onze uitgedunde sectie lusten er van de acht man maar twee wijn, Met het Franse troepentransportschip Pasteur terug naar huis. waaronder ik. Ons kader, officieren en onderofficieren die als oorlogsvrijwilligers dienst hadden genomen, gingen op een paar uitzonderingen na, die niet van hun dienstplichtige maats wilden worden gescheiden, met andere troepentransportschepen terug. De reden ervan is me niet bekend. Van die reis herinner ik me niet zoveel. We sliepen in hangmatten in ťťn van de scheepsruimen. De eerste tijd was het bloedheet. Daar kon de airconditioning, gewoon gekoelde lucht dat in het ruim werd geblazen, niet tegen op. Er werden mensen ziek. Ik ook. Het leek wel of we griep hadden. Er werd de opdracht gegeven om bij het slapen hemd en onderbroek aan te houden. Bij mij hielp dat niet. Ik dacht, dat het door de vele wijn kwam, maar het bleek dat ik in Batavia (Jacarta) door een met malaria besmette mug was gestoken. Zo kwam ik met malaria en hoge koorts in de ziekenboeg terecht. Dat ik me van de reis niet zoveel kan herinneren is dan ook niet zo verwonderlijk. We kwamen na een snelle vaart in Amsterdam aan. We mochten niet dezelfde dag nog aan land. Alleen de Amsterdammers mochten al naar huis. Dat liep uit op een fluitconcert en beroering onder de rest. Op 25-02-1950 mochten we van boord en naar huis.
Ruim zesduizend Nederlandse militairen bleven dood achter, waaronder zeker 31 mensen van ons bataljon, begraven op een militair kerkhof in IndonesiŽ. Het juiste aantal is nooit precies bekend geworden. Op het herdenkingsmonument in Roermond staan 6.179 namen in de zuilen gegrift. Zo nu en dan komen er nog namen bij. Met het consequent omgaan van het registreren van de omgekomen militairen blijkt onaanvaardbaar slordig te zijn omgegaan.

Piet Scheele

e-mailadres: pscheele@chello.nl

naarboven

Of ga naar:

In het leger Verboden foto's van eerste politionele actie Overste Raebel van 4-RS Seks in de tropen Trekbom Poncke Princen Kapitein Westerling Oorlogsmisdaden Herdenken Weer burger Link