terug naar menu

Als burger weer aan het werk

In het nieuwe burgerleven op zoek naar werk

Troepentransportschip Louis PasteurWat waren de mogelijkheden als je als afgezwaaid dienstplichtig militair, na drie en half jaar militaire dienst waarvan bijna drie in Indonesië, als 'nieuwe' burger werk moest zoeken? Ik wist eigenlijk niet wat ik me daarbij moest voorstellen. Het zal voor ieder verschillend zijn geweest. Het eenvoudigste was als je weer in je oude baan aan de slag kon. Ik wist niet goed wat ik wilde. Zeker niet terug bij een aardappelhandelaar. Maar wat dan wel? Aan boord van de Louis Pasteur, een Frans troepentransportschip, dat ons in 18 dagen van Jakarta naar Amsterdam bracht, had ik niet veel tijd om er over na te denken. Na bijna drie tropenjaren kreeg ik aan boord voor het eerst malaria: malaria tropica. Ik deed niet veel meer dan ijlen, soezen en rillen in de ziekenboeg. Een paar dagen voor we in Amsterdam aankwamen werd ik uit de ziekenboeg ontslagen. Hoefde niet naar een militair hospitaal, maar kon vermagerd en nog zwak naar huis. Aan boord hoorde ik, als ik me goed herinner, van een officier (of was het een beambte van het Arbeidsbureau) die vertelde dat twee bedrijven in de buurt van mijn woonplaats personeel zochten, de Compagnie Néerlandaise de l'Azote S.A. (later NSM en nu allang een Noors bedrijf) en de Association Coopérative Zélandaise de Carbonisaation G.A. (ACZC, in 1999 gesloten) te Sluiskil aan het kanaal van Terneuzen naar Gent.

Een specifieke opleiding had ik niet; zes jaar lagere school en wat ik in de praktijk had geleerd. In militaire dienst kreeg ik de mogelijkheid om een cursus algemeneDe Cokesfabriek ontwikkeling te volgen van de Stichting voor Volksontwikkeling IVIO, met drie vakken: Nederlandse taal, rekenen en kennis van ons land: het sleuteldiploma. Je kreeg boeken om je voor te bereiden op een examen dat eraan verbonden was. Deelnemen aan het examen in Padang was nog niet zo eenvoudig. Om van Fort de Kock via de Anaïkloof naar Padang de komen moesten we over een weg die, ook volgens het Indonesische Dagboek van het 4e Bataljon Regiment Stoottroepen 'een weg die veelvuldig het doelwit van TNI-acties was'. In een militaire colonne in de bak van een drietonner, bepakt met geweer en reserve munitie, werd de tocht gemaakt. In de ochtend- en middaguren examen doen en tegen de avond weer terug. Onderweg gebeurde er niets. Het was de moeite waard: bij het examen haalde ik twee tienen en een acht. Dank zij die cursus was ik als nieuwe burger in elk geval instaat om een brief zonder taalfouten te schrijven. Het bleek de sleutel naar verdere kennis.

Ik solliciteerde bij de ACZC, een cokesovenbedrijf, met gas en chemicaliën als nevenproducten, hoewel ik bij de L'Azote meer ontplooiingskansen vermoedde. Mijn vader, die er zelf had gewerkt, omschreef het bedrijf als gemoedelijk. En dat was het ook, al werd er wel hardop gefluisterd dat het hielp als je bij de chef sociale zaken en administratie, die een manufacturen zaak in Sas van Gent had, in zijn winkel kocht. Ik merkte er niets van. Ging niet in zijn winkel kopen, was ook geen man om bij een baas zijn tuin te gaan spitten om in het gevlei te komen. Aan m'n nooit niet. Het was een 'ouderwets Katholiek georiënteerd bedrijf'. Op de naamdag van Sinte Barbara, de patroonheilige van o.a. kolendelvers, kreeg het personeel vrij. Op vrijdag kon je bij de 'kas' je weekloon halen. Toen ik pas getrouwd was vergat ik een enkele keer om mijn weekloon te halen. Ik zag geld als een belangrijke bijkomstigheid. Je kon het dan de maandag er op halen. Piet Scheele als machinist Daar had ik geen zin in, nam het de volgende vrijdag wel mee. Mijn vrouw vond dat niet leuk. Ze loste het op door op vrijdagen, voor ik naar het werk reed, me er even op te attenderen dat het vrijdag was. Bij het bedrijf werkte een veiligheid- en controlebeambte, een al wat oudere Fransman die moeilijk liep en er uitzag als een corpulente Franse koddebeier. Hij hield zijn gezag in stand door je een tik met zijn gummiknuppel te geven als hij dacht dat je hem voor de gek hield en zijn mobiliteit hem parten speelde. Zijn opvolger was ambitieuzer. Hij kon, wanneer hij de hal van de centrale had verlaten, plotseling terugkeren om je te betrappen als je dacht dat de kust vrij was om een sigaret op te steken. Hij ging te ver toen hij de machinist, die tevens voorzitter van de fabriekscommissie was, op de bon slingerde.

Ik werd aangenomen en hoewel ze niet direct wisten wat ze met me aan moesten, kwam ik te werken bij een waterzuiveringsinstallatie in volcontinudienst. Een gedeelte van de installatie was in de elektriciteitscentrale gebouwd waar een plek was gereserveerd voor een uitbreiding van de centrale, die nooit kwam. De rest van de installatie was naast de centrale in een gebouw en een toren. Het was eenvoudig werk en ik had geen moeite om de doseringen van grondstoffen precies af te stellen. Ik had tijd om andere dingen te doen: kranten lezen, kletsen en in de nabijheid van de installatie, in de nachtdienst, op het bedrijf rond kijken. Tekende portretten van collega's maar ook van de installaties.

Voor doorgroei in een bedrijf heb je geluk nodig, geschiktheid, kennis, betrokkenheid en iemand in de Tekening van een collegatop die iets in je ziet. Vooral dat laatste. In een nachtdienst was ik bezig de installatie in kleuren te tekenen toen er plotseling iemand over mijn schouder meekeek: ir. Van Altena, een Fries ook in karakter en gezichtsuitdrukking. Ik schrok, had hem door het kabaal van de turbine niet binnen horen komen. Hij keek maar zei niets. Later, in een nacht toen er duidelijk iets bij de productie van de ovens aan de hand was en ik nieuwsgierig stond te kijken bij het gebouw waarin de verlichtte meetinstrumenten stonden van de ovens, stond ir. Van Altena opnieuw plotseling naast me. Ik groette, hij zei niets. Of ik daarmee een goede beurt maakte weet ik niet. Maar het heeft er mogelijk toe bijgedragen dat ik later werd gevraagd voor de functie van machinist in de elektriciteitscentrale.

In elk geval zag machinist Toon Jansen, een NVVer, wat in me. De fabriekscommissie, waarvan hij voorzitter was, moest een Ondernemingsraad worden. Toon was dicht bij zijn pensioen en zocht naar een 'opvolger'. Ik was lid van de NVV-vakbond, de Algemene Bedrijfsgroepen Centrale, en van de PvdA al voor mijn vertrek naar Indië. Al gauw werd ik na terugkomst gevraagd voor een bestuursfunctie in het plaatselijke bestuur van beide verenigingen. Werd afdelingssecretaris van de bond en van de plaatselijke Bestuurdersbond, een 'overkoepelende' organisatie van NVV-afdelingen, richtte de plaatselijke jongerenafdeling van de PvdA, Nieuwe Koers op en kwam later voor de PvdA in de gemeenteraad van Axel. Bemoeide me met de regionale leden- en Piet Scheele als secretaris orkadervergaderingen van de bond. Een toen traditionele wijze waarop je in de vakbond- en politieke wereld vooruit kwam. Mensen met problemen helpen en werken in de sociale sector werd, naast portrettekenen en schilderen, mijn hobby. Daarin voelde ik me thuis. Toon Jansen kende me van mijn werk in de centrale en van de kader- en ledenvergaderingen van het NVV. Hij wilde dat ik lijsttrekker werd van de NVV-lijst voor de 1e ondernemingsraad bij de Cokesfabriek. Dat gebeurde en met succes. De meeste stemmen werden op de lijst van het NVV uitgebracht. Wij claimden de functie van secretaris. Voorzitter van de ondernemingsraad was toen nog de directeur van het bedrijf. Blijkbaar was het niet naar de zin van de top van het bedrijf. Henk Brakman, een chef, kwam naar me toe en probeerde me te bewegen om hem voor te dragen als secretaris omdat hij Frans sprak en de directeur alleen de Franse taal verstond. Maar dat wilde ik niet. Het zou ook niet in overeenstemming met de wens van onze achterban zijn geweest. Brakman kreeg een troostprijs. De speech die ik bij de installatie van de ondernemingsraad zou houden beloofde ik hem van te voren te geven. Hij moest voor de 'vuistweg' die speech voor de directeur vertalen en wilde een goede beurt maken.

Zo werd ik secretaris van de 1e ondernemingsraad van de Cokesfabriek. Ik wilde het personeelsbeleid van de onderneming wat 'moderniseren'. Maar leerde al snel hoe je de kous op de kop kunt krijgen. De katholieke werknemers kregen van het bedrijf het Katholieke weekblad de Linie. Omzichtig, dat initiatief van de directie 'voor de ontwikkeling van de arbeiders' van harte omstandig prijzend - het woord werknemers moest nog worden uitgevonden - vroeg ik om het uit te breiden naar de arbeiders met een andere levensovertuiging en hen een weekblad naar keuze te geven. Het resultaat was, dat het abonnement op de Linie verdween. De katholieke werknemers kregen er een gesubsidieerd Katholiek weekblad van een Katholieke orde voor in de plaats. Waarschijnlijk vond de directie het wat te links geredigeerd, want ook dat verdween spoedig. Wel kreeg ik de directeur zo ver om als een arbeider met pensioen ging op meer passende wijze, in een bijeenkomst met familieleden, afscheid te nemen. Voor die tijd kreeg je van je baas te horen dat het de laatste dag was. De eerste arbeider die het betrof was een man van de ovens. De groep 'op' de ovens vormden een hechte gemeenschap. De hitte en het zwarte werk was voor ieder gelijk en maakte de binding van de groep groter. Bij het gezellige samenzijn vroeg plotseling de directeur aan de man wat hij had gedaan tijdens de staking lang geleden. De man werd bleek en wist niet wat te zeggen. Ik probeerde te helpen met: "meneer de directeur, precies Op de ovenshetzelfde wat u zou hebben gedaan als u in die tijd als arbeider op de ovens zou hebben gewerkt". Ik weet niet of het antwoord hem bevredigde, maar hij zei er niets meer over.

Toon Jansen ging als machinist met pensioen en er moest een opvolger komen. Voor de top van het bedrijf was ik geen onbekende meer en Toon zelf steunde ongetwijfeld mijn promotie. En zo werd ik gepromoveerd tot landmachinist. Veel theoretische kennis van het vak had ik niet. Je werd in de praktijk opgeleid door een van de machinisten. Op de chef van de centrale hoefde ik voor het opdoen van kennis niet te rekenen. Het was een onzekere man die zijn functie afschermde, mogelijk bang voor concurrentie. Hij zat niet in een gezond vel en in de perioden dat hij ziek was sloot hij zijn kantoor en bureau af en nam de sleutel mee naar huis. De jongere machinisten die meer kennis van het vak wilden, vroegen aan de directie om via de ambachtschool in Terneuzen een cursus landmachinist te geven. Het was te veel gevraagd; het ging niet door. Ik besloot zelf wat boeken aan te schaffen om me ook theoretisch in het vak te bekwamen.

In 1954 doorliep ik de tweejarige Arbeiders-Avondschool, opgezet door Het Instituut voor Arbeidsontwikkeling, het NVV en de Wiardi-Beckman-Stichting en in 1956 de tweejarige plaatselijk kaderschool van dezelfde organisaties. Als je die met goed gevolg had doorlopen dan kreeg je de kans om de Centrale Kaderschool van het NVV te volgen. En dat gebeurde. In de jaren 1958 - 1961, volgde ik de Centrale Kaderschool van het NVV, de 'vakbondshogeschool', met een vierjarige schriftelijke opleiding in de vakken arbeidsrecht, privaatrecht, sociale economie, bedrijfshuishoudkunde, statistiek, sociologie, sociale ethiek, Nederlandse taal en geschiedenis. Elk jaar werd bovendien vier weken een interne schoolse opleiding gegeven. In die vier weken intern mocht je één keer naar huis. Afgesteld op de frequentie van directeur dr. mr. Mannory stelden we plagend vast. Het was de vraag of de directie van het bedrijf me in vier opeenvolgende jaren vier weken onbetaald verlof zou willen geven. Maar ze stemden er mee in.

De kasIk had als machinist in de elektriciteitscentrale van de ACZC oud kunnen worden. Maar mijn hart lag meer bij de sociale activiteiten en het vrijwilligerswerk dat ik naast mijn werk deed, dan als machinist. Machinist was wel een van de hoogst gekwalificeerde arbeidersfuncties in het bedrijf, maar er zat weinig spanning in. In de nachtdienst had ik tijd om lessen te maken, kranten en boeken te lezen. Je hoefde niet op het controlepaneel te kijken of alles goed ging. Aan het geluid van de turbine hoorde je of er iets aan de hand was. Bij mijn weten heeft zich in die jaren dat ik machinist was maar één calamiteit voorgedaan. Een nieuwe jonge ingenieur die iets bij de inlaat van koelwater uit het kanaal moest doen, vergistte zich en draaide de verkeerde kraan dicht. Het bedrijf kwam zonder koelwater te zitten. Ook voor de turbine, die door het koelwater vacuüm werd gehouden, was dat fataal. Het voltage liep snel terug. Ik drukte de noodstopknop van de turbine in (die het overigens niet deed omdat de voltage te laag was), trok de grote messen van de verschillende fabrieksafdelingen uit op het schakelbord. Was het voltage te laag dan was er de mogelijkheid om de turbine te verbinden met het netwerk van de l'Azote, het naast gelegen bedrijf, of was het met het landelijke elektriciteitsnet: het is allemaal lang geleden. Dat kostte uiteraard geld. De hoogste chef van de Centrale, ir Marvin, een Fransman, stond inmiddels naast me bij het controlebord. Het punt van no-return, waarbij inschakelen niet meer kon, was bijna bereikt. Marvin deed niets, zei ook niets. Ik vroeg: "Zal ik inschakelen". Omdat hij bleef zwijgen schakelde ik het net in. Blijkbaar had in goed gehandeld want ik hoorde er niets meer over. De jonge ingenieur werd ontslagen.

Bij de Algemene Bedrijfsgroepen Centrale van het NVV waar ik solliciteerde naar de functie van vakbondsbestuurder werd ik in 1963 aangenomen: eerst met standplaats Apeldoorn, later Breda en daarna Rotterdam, met als werkterrein de Tekenen en kranten lezenaardolie- en chemische-industrie. De behoefte aan meer kennis bleef. Ook bij de bond waren er mensen, Henk Penninkhof en Jan Schepers, die wat in me zagen. Evenals later voorzitter Willem Liefaart. Mijn hobby was mijn beroep geworden. Het werk was veelomvattend en de zelfstandigheid was, binnen het algemene centrale bondsbeleid, groot. Er werd een beroep gedaan op je inventiviteit en kundigheid. Mr. E. Singer van de Algemene Werkgevers, de man de bij vele besprekingen aan 'de andere kant van de tafel' zat, omschreef het bij mijn afscheid als vakbondsbestuurder met ijdelheid strelende woorden:
"van zijn actiemateriaal maakt onder meer deel uit een scherpzinnige humor, waarbij hij niemand, hoe hoog ook op de maatschappelijke ladder, spaart. In de confrontatie voelt hij zich thuis als een vis in het water. Ook het collectieve conflict gaat hij niet uit de weg als hij van oordeel is dat de 'multinational' hem daartoe dwingt. Niet zelden met succes, terwijl toch soms forse golven over hem heen zijn gerold".
Voor mij was het vakbondswerk een 'gouden tijd'. Het was natuurlijk niet allemaal koek en ei. Je deed wel eens dingen die je beter anders had gedaan en een enkele keer was er een confrontatie met een districtshoofd, wanneer de ideeën niet parallel liepen en je 'bewegingsvrijheid' werd ingeperkt. Het was een uitzondering en de uitzondering bevestigde ook hier de regel

Mijn burgerbestaan is door het vakbondswerk gevormd.

Wilt u meer horen over het werken bij de Industriebond ga dan naar
Belevenissen van de Industriebond NVV/FNV in Rotterdam
Met verhalen over stakingen bij ICI, Cyanamid, Shell, Olieboycot, Investeringen uit aardgasbaten (het z.g. Herenakkoord) en meer.

Piet Scheele

e-mailadres: pscheele@chello.nl

naarboven

Of ga naar:

In het leger Politionele actie Verboden foto's van eerste politionele actie Overste Raebel van 4-RS Seks in de tropen Trekbom Poncke Princen Kapitein Westerling Oorlogsmisdaden Herdenken Link