Terug naar Inleiding en Inhoudsopgave
Terug naar Palmen en andere Subtropen
|
Voor het zaaien kunt u het best de pitten
48 uur in warm water laten weken. Zet de schaal met water zolang op een
verwarmingsradiator. Daarna wordt het zaad direct in een grond-zand mengsel
gedaan. Dek de pot af met plastic folie of een glasplaat zodat de grond niet
uitdroogt en zet de pot daarna weer warm weg. Bij temperaturen tussen 25° en 30° C kiemen
de zaden in het algemeen na ongeveer twee tot vier maanden. Eerst ontwikkelt
zich de kiemwortel en dan het grasachtige kiemblaadje van de palm. Belangrijk voor een succesvol kiemresultaat
is dat het zaad vers is. Verder is januari/februari de beste tijd om te
zaaien, de zaailingen groeien dan gelijk in een lichtrijke periode verder. Hou er rekening mee dat er palmsoorten zijn
die sneller kiemen, zoals de Areca catechu
(de bergpalm), de Trachycarpus fortunei
(de henneppalm), de Washingtonia
filifera of de Chamaedorea elegans (de Mexicaanse bergpalm). Daarentegen kan het kiemen van de Jubaea Chilensis weer 6 tot 15 maanden
duren. |
|
De meest geschikte palm voor de buitenteelt is de gemakkelijk verkrijgbare Trachycarpus fortunei. Deze soort combineert eigenschappen als groeikracht en een grote vorstbestendigheid met een matige gevoeligheid voor natte koude. De Trachycarpus behoudt zijn vorstbestendigheid het gehele jaar door - ook een late nachtvorst of een vroeg invallende winter veroorzaakt geen schade. Uit proeven is gebleken dat de Trachycarpus plotselinge temperatuurdalingen (tot –15 graden) kan weerstaan.
Deze palm kan zich dus met winterbeschutting in ons klimaat handhaven, zeker bij een zorgvuldig gekozen warme en voedzame groeiplaats, die ook tegen de (vooral noorden- en oosten)wind beschut is.
|
Vorstbestendig
tot -20ºC De Rhapidophyllum kan volgens de vakliteratuur kan meer dan 20 graden vorst verdragen. Dit lijkt veel winterharder dan de Trachycarpus, want die 20 graden vorst zijn over een korte vorstperiode gemeten. Daarbij is ook van belang dat de Rhapidophyllum in het natuurlijk verspreidingsgebied extra suikers aanmaakt in de hete zomers, die de palm beschermen tegen de koude. Zonder hete zomer gaat dat dus niet en 2 weken lang 20 graden vorst overleeft geen enkele palm. Een duidelijk voorbeeld van een praktisch verschil tussen natuur en literatuur. |
|
Jonge en daarom nog vorstgevoelige planten groeien traag.
Evenals de Sabal minor (zie hieronder) heeft deze plant ook veel zomerwarmte
nodig. Verder groeit deze palm van nature in de bossen. Dus in de schaduw, maar
in ons land dienen ze in volle zon geplant te worden om zo veel mogelijk
zonwarmte te krijgen (om suikers aan te maken). Een vochtige grond met veel
organisch materiaal is uitermate geschikt voor deze palm.
Sabal
minor
Vorstbestendig
tot -14ºC
De stamloze Sabal minor
kan in zijn verspreidingsgebied (het zuidoosten van de Verenigde Staten)
temperaturen overleven die daar soms tot -25 °C kunnen dalen. Dan bevriest wel
het bovengrondse deel. Die 25 graden vorst in de V.S. zijn wel anders dan bij
ons! De plant verdient zeker bescherming. Want de 25 graden vorst zijn over een
korte vorstperiode en het gaat om een droge koude – geen natte Nederlandse
situatie dus - en zelden sneeuw. De palm heeft daar trouwens in het zuidoosten
van de V.S. tijdens de hitte in de zomer extra suikers aangemaakt, die de palm
beschermen tegen de vorst.
Na een hete zomer komen vanuit de diep verscholen groeipunten weer nieuwe bladeren. Voor een voorspoedige groei is een hete zomer een voorwaarde, iets wat in Nederland niet vaak voorkomt. De plant is zeer gemakkelijk uit zaad te kweken, maar hij groeit onvoorstelbaar langzaam, omdat wij vaak te koele zomers hebben en als dan ook de mooie grijsgroene bladeren in de winter de geest geven……

Hij houdt verder van een goed bemeste grondsoort, die
doorlatend is maar wel vocht vasthouden kan. Een plantgat met veel compost,
mest, bladaarde gemixt met gewone tuingrond is wenselijk. Daarin zal de plant
zich goed ontwikkelen. Hij vormt geen bovengrondse maar ondergrondse stam. De
wél stamvormende broer Sabal palmetto
(-7ºC) of koolpalm is voor gokkers ook de moeite waard
om eens te proberen.
Chamaerops
humilis, de dwergpalm
Vorstbestendig tot –8ºC
|
|
De Chamaerops humilis is de enige van de talrijke palmsoorten, die oorspronkelijk uit Europa komt. Men treft hem aan in het westelijk gedeelte van het Middellandse Zeegebied, in Italië en Spanje. Op onze breedte is deze robuuste dwergpalm heel geschikt als kuipplant. De palm is gevoelig voor vooral natte koude en groeit bij voorkeur op een droge kalkrijke grond. De soort wordt vaak verward met Trachycarpus fortunei, maar onderscheidt zich door kleiner, blauwer blad met sterk gedoornde stelen. De bladeren zijn veel minder gevoelig voor wind dan die van de Trachycarpus. Onder optimale omstandigheden kan hij wel acht meter hoog worden. In de zomer staat hij graag buiten. Met een stevig en luchtig winterdek kan de palm overleven in niet al te strenge winters. Als kuipplant verdient hij in de winter een lichte plaats, waar het niet kouder wordt dan –5 graden. Verdere voorwaarden zijn: een uiterst droge plek in de winter en natuurlijk een zeer beschutte standplaats op het zuiden! Een droge plek is te creëren met harde (dus goed doorlatende) natuursteen, liefst met een zwarte kleur. Deze stukken steen kunnen door de grond rond de palm worden verwerkt. |
|
|
Chamaerops humilis
"Cerifera" (-8ºC)
komt uit het Atlasgebergte (Marokko) en heeft blauwere bladeren en is
wellicht iets meer winterhard. |
Jubaea chilensis, de honingpalm
Vorstbestendig tot –8ºC
|
De Jubaea chilensis mag niet in dit rijtje ontbreken, omdat het de van de palmen met veervormige bladeren de meest winterharde is. Hij stamt van oorsprong uit Chili en is leverancier van palmwijn en –honing vanwege het suikerhoudende sap. Om de grondstof voor deze wijn te oogsten moet echter de hele boom eraan geloven, waardoor deze palm dan ook bijna is uitgestorven. In het Engelse taalgebied wordt hij ook wel de Chilean Wine Palm genoemd. De Jubaea kan tot 25 meter hoog worden, maar dat duurt heel erg lang. Zelfs als u hem vandaag nog plant, dan zullen uw kleinkinderen de eersten zijn die van de echt grote volwassen Jubaea genieten. Kortom hij groeit ongelooflijk langzaam. Deze palm is ongelooflijk mooi. Enkele prachtige volwassen exemplaren zijn te zien in het centrum van Locarno (Zwitserland) en op Isola Madre (in het Lago Maggiore). Ook staan vlakbij en in Verbania (Italië) mooie exemplaren van de Jubaea. Ten slotte staat er ook nog ééntje in de grote kas van Kew Gardens in Londen. De Jubaea past net als Trachycarpus goed in ons koele zomertje en een exemplaar met een redelijke stam kan tot 15 graden vorst verdragen. De plant krijgt een prachtige dikke grijze stam. Hij heeft grijsgroene veervormige bladeren. De palm heeft mannelijke en vrouwelijke bloemen en hij draagt zwarte ronde kleine en keiharde vruchten, die tussen 6 en 15 maanden kunnen kiemen – als ze vers gezaaid worden. De vruchten smaken ook lekker en worden in Chili "coquitos" (kleine kokosnoten) genoemd. Aan u de keus: eten of zaaien. Als u kiest voor zaaien, dan wel eerst poten in een vruchtbare en goed doorlatende grondsoort op een zo beschut mogelijke zonnige plaats. |
|
Cycas, de palmvaren
In principe niet vorstbestendig
Nog exotischer is de Cycas. Dit is een oeroud geslacht van wel 60 soorten, die hun thuisbasis hebben in Australië, Zuidoost-Azië, Madagaskar en Oost-Afrika. Ze gedijen eigenlijk alleen in de tropen en de warmere subtropen. Deze soort is weer wel tweehuizig (mannelijk en vrouwelijk).
Sommigen experimenteren met de Cycas revoluta, maar meestal met een slechte afloop. Deze palm is niet winterhard, al verdraagt hij wel een paar graden vorst. Daarnaast groeit hij zeer traag, zodat zelfs een zachte winter met winterdek meestal teveel van het goede is.
Toch is er recentelijk een meer winterharde soort gevonden in de bergen van Szechuan en Yunnan in China, genaamd Cycas panzihuaensis (vorstbestendig tot -5ºC). Deze plant groeit snel en wordt redelijk groot. De bladeren zijn blauwgroen en smal geveerd. Het is een bijzonder mooie soort, die net als de Sabal minor liefst op een zo warm mogelijke plek wordt uitgeplant, in een goed doorlatende vruchtbare bodem.

Sommigen nemen een gok met de Phoenix canariensis, de Canarische dadelpalm. Dat is alleen vrijwel tot mislukken gedoemd. Volgens enkelen zou deze palm gedeeltelijk winterhard zijn, maar dat is deze waarschijnlijk niet.
De Phoenix Dactylifera zou dat wel meer zijn. Deze palm is al 5000 jaar in cultivatie in het Midden-Oosten en Noord-Afrika. Ze worden tot 30 meter hoog en de grijzige bladeren wijzen afwisselend naar boven en naar de grond, waardoor de kroon rond lijkt.
Terug naar Inleiding en Inhoudsopgave
Terug naar Palmen en andere Subtropen