The5thSeAson: Palmenoverzicht

 

* Palmen in de winter

 Foto-impressie Palmen

* Terug naar Inleiding en Inhoudsopgave

* Terug naar Palmen en andere Subtropen

 

Voor veel soorten palmen is zaaien de enige vermeerderingsmethode. Soms kan scheuren ook. Zaad is verkrijgbaar bij de bekende zaadleveranciers of in de winter bij de fruithandelaar. Uit de pitten van de zoete dadel kunnen ook palmen opgekweekt worden.

Voor het zaaien kunt u het best de pitten 48 uur in warm water laten weken. Zet de schaal met water zolang op een verwarmingsradiator. Daarna wordt het zaad direct in een grond-zand mengsel gedaan. Dek de pot af met plastic folie of een glasplaat zodat de grond niet uitdroogt en zet de pot daarna weer warm weg.

Bij temperaturen tussen 25° en 30° C kiemen de zaden in het algemeen na ongeveer twee tot vier maanden. Eerst ontwikkelt zich de kiemwortel en dan het grasachtige kiemblaadje van de palm.

Belangrijk voor een succesvol kiemresultaat is dat het zaad vers is. Verder is januari/februari de beste tijd om te zaaien, de zaailingen groeien dan gelijk in een lichtrijke periode verder.

Hou er rekening mee dat er palmsoorten zijn die sneller kiemen, zoals de Areca catechu (de bergpalm), de Trachycarpus fortunei (de henneppalm), de  Washingtonia filifera of de Chamaedorea elegans (de Mexicaanse bergpalm).

Daarentegen kan het kiemen van de Jubaea Chilensis weer 6 tot 15 maanden duren.

 

 

 

 

Trachycarpus fortunei, de winterharde waaierpalm of henneppalm

vorstbestendig tot -15°C

De meest geschikte palm voor de buitenteelt is de gemakkelijk verkrijgbare Trachycarpus fortunei. Deze soort combineert eigenschappen als groeikracht en een grote vorstbestendigheid met een matige gevoeligheid voor natte koude. De Trachycarpus behoudt zijn vorstbestendigheid het gehele jaar door - ook een late nachtvorst of een vroeg invallende winter veroorzaakt geen schade. Uit proeven is gebleken dat de Trachycarpus plotselinge temperatuurdalingen (tot –15 graden) kan weerstaan.

Deze palm kan zich dus met winterbeschutting in ons klimaat handhaven, zeker bij een zorgvuldig gekozen warme en voedzame groeiplaats, die ook tegen de (vooral noorden- en oosten)wind beschut is.

 

 

De Trachycarpus komt oorspronkelijk uit de beboste gebieden van Centraal China en Noord-lndia (tot boven de 2000 meter). De Trachycarpus heeft later zijn weg gevonden naar de koelere gebieden van West-Europa en de rest van de wereld dankzij Robert Fortune, die op een van zijn reizen naar China zaden naar Europa mee nam.

Op plekken waar de winters niet al te streng zijn, treft men ze tegenwoordig als vanzelfsprekende beplanting aan, vooral langs de Atlantische kust tot aan Normandië, en van Zuid-Engeland tot aan West-Schotland. Maar ook bij een aantal beschut liggende Zwitserse meren voelt Trachycarpus fortunei zich goed thuis. Op goed beschutte standplaatsen kan deze palm zelfs nog veel noordelijker voorkomen.

De Trachycarpus fortunei behoort tot de palmen met de waaiervormige bladeren. Deze kunnen een doorsnede van bijna 1 meter bereiken. De stammen van jongere exemplaren zijn geheel bedekt met een dikke laag juteachtige vezels. Zaailingen groeien de eerste jaren traag, maar wanneer zich eenmaal een stammetje gevormd heeft, kan de hoogte in vijf tot tien jaar met 1 meter toenemen. Pas bij een hoogte van 1 tot 2 meter verschijnen in het voorjaar de mooie oranjegele bloeiwijzen.

De Trachycarpus is tweehuizig en daarom komen er palmen met uitsluitend mannelijke en met uitsluitend vrouwelijke bloemen voor. De vrouwelijke bloemen worden na bestuiving in de loop van de zomer gevolgd door trossen niervormige zaden. Bij rijping verkleuren deze naar blauwzwart. De zaden kiemen goed, mits ze vers zijn. De palmzaailingen houden van een lichtbeschaduwde plaats om zich goed te kunnen ontwikkelen.

 

 

De cultuurvariëteit Trachycarpus wagnerianus (vorstbestendig tot -16ºC) onderscheidt zich van de Trachycarpus fortunei door stugge, rechtopstaande en kleinere diepgroene bladeren die maar 30 tot 40 cm lang zijn. De groei van deze mini-Trachycarpussen gaat wat trager maar de vorsttolerantie is vrijwel gelijk, zoniet groter. De bladeren blijven wel mooier dan die van de Trachycarpus fortunei. Grotere exemplaren van de Trachycarpus wagnerianus zijn alleen nauwelijks verkrijgbaar.

Andere soorten uit dit geslacht zijn:

Trachycarpus princeps (-12ºC), takil (-17ºC),

oreophilus (-4ºC), martianus (-7ºC) en latisectus (-9ºC).
Chamaerops excelsa is een oude naam voor de Trachycarpus, die nog steeds door veel mensen en zelfs een aantal kwekerijen wordt gebruikt. Deze naam is echter fout.

 

Rhapidophyllum hystrix, de naaldpalm

Vorstbestendig tot -20ºC
In de vochtige loofbossen van het zuidoosten van de Verenigde Staten groeit de meest winterharde palm Rhapidophyllum hystrix. Deze laagblijvende soort vormt meestal meer grondscheuten en kan strenge vorst verdragen zonder bladverlies. Verder vormt hij bijzonder scherpe en lange zwarte stekels langs de stam. Als de plant zaden gevormd heeft vallen de zaden vaak tussen de stekels en kiemen daar, maar worden natuurlijk niet groot. Deze palm vormt een lage, dichte pol van waaiervormige bladeren.

De Rhapidophyllum kan volgens de vakliteratuur kan meer dan 20 graden vorst verdragen. Dit lijkt veel winterharder dan de Trachycarpus, want die 20 graden vorst zijn over een korte vorstperiode gemeten. Daarbij is ook van belang dat de Rhapidophyllum in het natuurlijk verspreidingsgebied extra suikers aanmaakt in de hete zomers, die de palm beschermen tegen de koude. Zonder hete zomer gaat dat dus niet en 2 weken lang 20 graden vorst overleeft geen enkele palm. Een duidelijk voorbeeld van een praktisch verschil tussen natuur en literatuur.

 

Jonge en daarom nog vorstgevoelige planten groeien traag. Evenals de Sabal minor (zie hieronder) heeft deze plant ook veel zomerwarmte nodig. Verder groeit deze palm van nature in de bossen. Dus in de schaduw, maar in ons land dienen ze in volle zon geplant te worden om zo veel mogelijk zonwarmte te krijgen (om suikers aan te maken). Een vochtige grond met veel organisch materiaal is uitermate geschikt voor deze palm.

Sabal minor

Vorstbestendig tot -14ºC
De stamloze Sabal minor kan in zijn verspreidingsgebied (het zuidoosten van de Verenigde Staten) temperaturen overleven die daar soms tot -25 °C kunnen dalen. Dan bevriest wel het bovengrondse deel. Die 25 graden vorst in de V.S. zijn wel anders dan bij ons! De plant verdient zeker bescherming. Want de 25 graden vorst zijn over een korte vorstperiode en het gaat om een droge koude – geen natte Nederlandse situatie dus - en zelden sneeuw. De palm heeft daar trouwens in het zuidoosten van de V.S. tijdens de hitte in de zomer extra suikers aangemaakt, die de palm beschermen tegen de vorst.

Na een hete zomer komen vanuit de diep verscholen groeipunten weer nieuwe bladeren. Voor een voorspoedige groei is een hete zomer een voorwaarde, iets wat in Nederland niet vaak voorkomt. De plant is zeer gemakkelijk uit zaad te kweken, maar hij groeit onvoorstelbaar langzaam, omdat wij vaak te koele zomers hebben en als dan ook de mooie grijsgroene bladeren in de winter de geest geven……

 

Hij houdt verder van een goed bemeste grondsoort, die doorlatend is maar wel vocht vasthouden kan. Een plantgat met veel compost, mest, bladaarde gemixt met gewone tuingrond is wenselijk. Daarin zal de plant zich goed ontwikkelen. Hij vormt geen bovengrondse maar ondergrondse stam. De wél stamvormende broer Sabal palmetto (-7ºC) of  koolpalm is voor gokkers ook de moeite waard om eens te proberen.

Chamaerops humilis, de dwergpalm
Vorstbestendig tot –8ºC

 

De Chamaerops humilis is de enige van de talrijke palmsoorten, die oorspronkelijk uit Europa komt. Men treft hem aan in het westelijk gedeelte van het Middellandse Zeegebied, in Italië en Spanje. Op onze breedte is deze robuuste dwergpalm heel geschikt als kuipplant.

De palm is gevoelig voor vooral natte koude en groeit bij voorkeur op een droge kalkrijke grond. De soort wordt vaak verward met Trachycarpus fortunei, maar onderscheidt zich door kleiner, blauwer blad met sterk gedoornde stelen. De bladeren zijn veel minder gevoelig voor wind dan die van de Trachycarpus. Onder optimale omstandigheden kan hij wel acht meter hoog worden.

In de zomer staat hij graag buiten. Met een stevig en luchtig winterdek kan de palm overleven in niet al te strenge winters. Als kuipplant verdient hij in de winter een lichte plaats, waar het niet kouder wordt dan –5 graden.

Verdere voorwaarden zijn: een uiterst droge plek in de winter en natuurlijk een zeer beschutte standplaats op het zuiden! Een droge plek is te creëren met harde (dus goed doorlatende) natuursteen, liefst met een zwarte kleur. Deze stukken steen kunnen door de grond rond de palm worden verwerkt.

 

 

 

 

 

 

 

Chamaerops humilis "Cerifera" (-8ºC) komt uit het Atlasgebergte (Marokko) en heeft blauwere bladeren en is wellicht iets meer winterhard.

 

Jubaea chilensis, de honingpalm
Vorstbestendig tot –8ºC

De Jubaea chilensis mag niet in dit rijtje ontbreken, omdat het de van de palmen met veervormige bladeren de meest winterharde is. Hij stamt van oorsprong uit Chili en is leverancier van palmwijn en –honing vanwege het suikerhoudende sap. Om de grondstof voor deze wijn te oogsten moet echter de hele boom eraan geloven, waardoor deze palm dan ook bijna is uitgestorven. In het Engelse taalgebied wordt hij ook wel de Chilean Wine Palm genoemd.

De Jubaea kan tot 25 meter hoog worden, maar dat duurt heel erg lang. Zelfs als u hem vandaag nog plant, dan zullen uw kleinkinderen de eersten zijn die van de echt grote volwassen Jubaea genieten. Kortom hij groeit ongelooflijk langzaam.

Deze palm is ongelooflijk mooi. Enkele prachtige volwassen exemplaren zijn te zien in het centrum van Locarno (Zwitserland) en op Isola Madre (in het Lago Maggiore). Ook staan vlakbij en in Verbania (Italië) mooie exemplaren van de Jubaea. Ten slotte staat er ook nog ééntje in de grote kas van Kew Gardens in Londen.

De Jubaea past net als Trachycarpus goed in ons koele zomertje en een exemplaar met een redelijke stam kan tot 15 graden vorst verdragen. De plant krijgt een prachtige dikke grijze stam. Hij heeft grijsgroene veervormige bladeren. De palm heeft mannelijke en vrouwelijke bloemen en hij draagt zwarte ronde kleine en keiharde vruchten, die tussen 6 en 15 maanden kunnen kiemen – als ze vers gezaaid worden. De vruchten smaken ook lekker en worden in Chili "coquitos" (kleine kokosnoten) genoemd. Aan u de keus: eten of zaaien. Als u kiest voor zaaien, dan wel eerst poten in een vruchtbare en goed doorlatende grondsoort op een zo beschut mogelijke zonnige plaats.

 

 

 

Cycas, de palmvaren
In principe niet vorstbestendig

Nog exotischer is de Cycas. Dit is een oeroud geslacht van wel 60 soorten, die hun thuisbasis hebben in Australië, Zuidoost-Azië, Madagaskar en Oost-Afrika. Ze gedijen eigenlijk alleen in de tropen en de warmere subtropen. Deze soort is weer wel tweehuizig (mannelijk en vrouwelijk).

Sommigen experimenteren met de Cycas revoluta, maar meestal met een slechte afloop. Deze palm is niet winterhard, al verdraagt hij wel een paar graden vorst. Daarnaast groeit hij zeer traag, zodat zelfs een zachte winter met winterdek meestal teveel van het goede is.

Toch is er recentelijk een meer winterharde soort gevonden in de bergen van Szechuan en Yunnan in China, genaamd Cycas panzihuaensis (vorstbestendig tot -5ºC). Deze plant groeit snel en wordt redelijk groot. De bladeren zijn blauwgroen en smal geveerd. Het is een bijzonder mooie soort, die net als de Sabal minor liefst op een zo warm mogelijke plek wordt uitgeplant, in een goed doorlatende vruchtbare bodem.

 

Phoenix, de dadelpalm

 

 

Sommigen nemen een gok met de Phoenix canariensis, de Canarische dadelpalm. Dat is alleen vrijwel tot mislukken gedoemd. Volgens enkelen zou deze palm gedeeltelijk winterhard zijn, maar dat is deze waarschijnlijk niet.

De Phoenix Dactylifera zou dat wel meer zijn. Deze palm is al 5000 jaar in cultivatie in het Midden-Oosten en Noord-Afrika. Ze worden tot 30 meter hoog en de grijzige bladeren wijzen afwisselend naar boven en naar de grond, waardoor de kroon rond lijkt.

 

* Palmen in de winter

 Foto-impressie Palmen 

* Terug naar Inleiding en Inhoudsopgave

* Terug naar Palmen en andere Subtropen

 Contact