Juni: Palmen en andere Subtropen
Terug naar Inleiding en Inhoudsopgave
en nog
veel meer – hier wordt nog aan gewerkt!
Deze zeer bloeigrage
planten uit met name Zuid-Amerika en Nieuw-Zeeland. Zijn een aanwinst in de
subtropische tuin. Ze bloeien, van begin juli totdat de vorst invalt. Soms
bloeien ze nog eerder als de planten niet al te diep zijn ingevroren. De kleur
van de bloemen is meestal rood/paars of wit, maar ook een gele komt voor. De
planten moeten in het voorjaar gesnoeid worden, d.w.z. het dode hout wegnemen
tot vlak boven de grond of tot de plaats waar de takken zijn ingevroren. Verder
verlangen ze in het voorjaar wat extra mest voor een rijkere bloei.
Er zijn vele
winterharde variëteiten in omloop, maar we willen ons beperken tot de
"wilde"(botanische) planten, die het buiten goed doen zonder al te
veel winterdek en redelijk op tijd bloeien: Fuchsia magellanica (met vele variëteiten),
F. regia subsp. regia en subsp. reitzii, F. hatschbachii, F. campos-portoi, F.
coccinea var. montana, F. colensoi (bloeit niet), F. procumbens (gele bloemen,
kruiper), F. x baccilaris. We hebben ook geëxperimenteerd met F. boliviana deze
overleeft een niet al te strenge winter, maar dan komen de bloemen erg laat.
Misschien is er aan te experimenteren met F. excorticata (zal waarschijnlijk
ook niet bloeien) en F. arborescens en paniculata, de laatste wordt in
Zuid-Engeland als heester uitgeplant. Ze zullen zeker meer winterdek nodig
hebben dan de anderen.
Verder zijn
er mogelijkheden om fuchsia's als éénjarige te kweken. Er zijn namelijk
planten, die een forse groei vertonen en ook kunnen bloeien aan het eind van de
zomer, wanneer ze in mei als klein stekje worden geplant. (Ook zaaien behoort
tot de mogelijkheden, let wel het zijn lichtkiemers, dus het zaad niet afdekken
met zand! De nieuwe plant is echter niet soortecht, de Fuchsia staat bekend om
het grote aantal kruisingen!). Een soort met een zeer subtropisch uiterlijk is
de Fuchsia paniculata (de F. arborescens lijkt erg veel op deze soort en heeft
vrijwel dezelfde groeikracht). Kleine najaarsstekken dienen bij deze niet
winterharde soorten wel binnen overwinterd te worden. Ze nemen dan niet veel
ruimte in, maar moeten uiteraard wel verzorgd worden. Ze moeten net aan de
groei worden gehouden bij een temperatuur van ca. 10 (C.
Jaren geleden zagen we aan de "Zeeuwse
Riviera" al enkele Fatsia's staan. De plant krijgt als te groot
uitgegroeide kamerplant nog wel eens een "tweede leven" in de tuin.
Deze uit Japan afkomstige plant zal u belonen met prachtige grote handvormige
donkergroene leerachtige bladeren. Aan het einde van de herfst geeft hij aparte
roomwitte bloemen, die graag worden bezocht door mieren.
Meestal gooit
de eerste vorst roet in het eten en komen er net geen zwarte bessen (zoals bij
de Hedera). Komen die er wel dan moeten ze in het voorjaar snel geoogst worden,
want ze zijn kort kiemkrachtig. De plant groeit bossig uit en kan ruim 2 meter
hoog worden als hij op een beschutte half beschaduwde plaats wordt uitgeplant.
's Winters is mooi te zien hoe de plant zich aan de omstandigheden aanpast.
Zodra het begint te vriezen laat hij de bladeren hangen om zo de verdamping tot
een minimum te beperken. Bij strenge vorst, vooral als deze gepaard gaat met
harde wind is het raadzaam de plant toe te dekken met rietmatten of eventueel
met dekens.
De
bontbladige soorten zijn niet minder winterhard: "Variegata",
"Aureovariëgata" met geel bont blad en "Reticulata" met
geel geaderd blad.
In ons
onderzoek zijn we een plant van 60 jaar oud tegengekomen. De Fatsia op de foto
is 17 jaar oud en staat in Wageningen.
Onder -12 (C
schade aan bladeren. Onder -15 (C ernstiger schade.
Bij het
drinken van een kopje thee zullen weinig mensen beseffen, dat ze een drankje
nuttigen van een familielid van de camellia in de tuin. Het gebruik van thee
kwam volgens de legende door een Chinese keizer. De keizer wandelde op een
goede middag door zijn tuin, ging op een bankje zitten rusten. Er viel een
theeblaadje in zijn kopje water. Het gaf een mooie kleur en een prikkelende
geur. Daarop besloot hij dat de voorproever het maar eens moest proeven. Voor
hemzelf was het natuurlijk te gevaarlijk om dat zomaar te doen. De voorproever
was zeer enthousiast en de theeconsumptie was geboren. Daarmee natuurlijk ook
de interesse voor de theeplanten (Camellia chinensis), de andere leden van deze
familie zijn misschien wel beter bekend onder de Nederlandse naam tuberoos.
Maar de
werkelijkheid was waarschijnlijk een beetje anders: De bladeren van de dat je
de bladeren kon drogen en van de gedroogde bladeren kon je thee zetten.
theeplant werden gekauwd als zijnde een opkikkertje. Veel later werd ontdekt,
Nog weer later ontdekten de Europeanen de theedrank en vooral Nederland,
Engeland en Portugal begonnen met het opzetten van theeplantages in hun
koloniën.
Er werd volop
gezocht naar andere smaken en zo werden meerdere soorten ontdekt en door
kruisen werden nieuwe rassen gekweekt. Zelfs winterharde camellia's.
De camellia
is een bijzondere plant, die wel 2000 kruisingen kent. In het vroege voorjaar
(meestal) verschijnen er prachtige bloemen in de kleuren rood, wit ,roze en
alles wat daar tussen zit. De bloemen zijn soms zelfs gestreept of gespikkeld,
gevuld, enkelbloemig of dan weer halfdubbel, pioenvormig, anemoonvormig of
roosbloemig en dat in alle mogelijke combinaties.
Er zijn
verschillende goede selecties in omloop, die zo goed als winterhard zijn en
zelfs minder schade oplopen dan sommige magnolia's of vruchtbomen. Het is een
bladhoudende plant met prachtig glimmende donkergroene leerachtige bladeren,
hieruit kun je afleiden, dat de plant niet van droge wind houdt. In de winter
is bescherming tegen koude droge wind noodzakelijk b.v. door middel van
vliesfolie. De standplaats moet verder zoveel mogelijk uit de zon zijn, want de
meeste schade loopt deze "beauty" op door grote
temperatuurverschillen veroorzaakt door de winterzon (zowel plotselinge vorst
als plotselinge flinke dooi zijn schadelijk.
De plaats
moet ook in de zomer liefst koel blijven. Verder zijn jonge planten veel
vorstgevoeliger dan oudere planten, dus jonge planten goed beschermen. Een
wigwam van rietmatten doet de eerste jaren wonderen, de temperatuur in de
wigwam kan zomaar 5 cruciale graden schelen! Verder is het bij alle Camellia's
aan te raden een goede mulchlaag rond de wortelvoet aan te brengen, want de
plant wortelt oppervlakkig.
Alle camellia's
houden van een humusrijke licht zure grond, van nature groeit 'ie in de bossen,
alwaar een humeuze bodem is. Het is van belang goed aan deze eis te voldoen,
want deze langlevende plant geeft veel bloeivreugde.
De plant kan
last krijgen van ijzergebrek, hij krijgt dan gele bladeren. Het toevoegen van
ijzersulfaat, oude roestige spijkers of wat stalmest is aan te bevelen. Teveel
aan stalmest levert weer bruine bladeren op, dus zeer matig zijn met mest.
In februari
gaan bij een zachte winter de bloemknoppen langzaam open, de bloemknoppen zijn
al vòòr de winter gevormd. Het is voordeel als de camellia buiten staat, want
de knoppen moeten koel blijven om zich te kunnen openen. Iets wat binnenshuis
of in de kas vaak een probleem is.
De camellia
heeft verder een hekel aan verpoten, zet 'm dus direct op zijn definitieve
standplaats. De struik kan tot ongeveer 3 meter hoogte uitgroeien. De breedte
is zo'n 1,5 meter.
Enkele mooie
cultivars: Camellia japonica "Elegans" (donkerroze, anemoonvormig),
Camellia japonica "Mathotiana Alba" (wit, pioenvormig), Camellia
japonica "Alba simplex" (wit enkelvoudig). Camellia cupidata,
saluenensis, oleifera, sasanqua en Camellia reticulata, zijn nog een paar
vertegenwoordigers. Alle genoemde soorten komen uit Japan, China of Korea.
De Camellia x
williamsii groeit iets robuster uit dan japonica, maar de kruisingen zijn vaak
iets beter winterhard dan de japonica. Camellia x williamsii "Golden
Spangles" (roze, enkelbloemig en bont blad!).
Een
Australische firma heeft de winterhardste variëteiten voortgebracht: C.
"Ballet Queen" (zacht roze, pioen tot anemoonvormige bloemen), C.
"Ballet Queen Variëgata" (met witte vlekken), Camellia williamsii
"Dream Boat" (roze, dubbele dahlia-achtige bloem, overhangende
takken), C. Williamsii "Donation" (lichtroze halfgevulde bloemen), C.
Williamsii "Jury's Yellow" (ivoorwitte anemoonvormige bloemen, de
middelste bladeren zijn geel getint), C. japonicum "Shirobotan"
(witte halfgevulde bloemen met gele meeldraden, bossige groei), C. Japonica
"Blood of China" (halfdubbel gevulde zalmkleurige bloemen met gele
meeldraden, licht geurend).
In de zon op
een warme beschutte plaats is Camellia sasanqua te proberen. Hij heeft dus een
andere voorkeur dan de voorgaande camellia's. Maar biedt dus ook weer andere mogelijkheden
in uw tuin, mede omdat deze in het najaar bloeit. Een paar andere soorten, die
het najaar of winter bloeien zijn: Camellia saluenensis, Camellia oliefera en
Camellia salicifolia (deze laatste is beperkt winterhard). Helaas zijn deze
najaarsbloeiers moeilijk te verkrijgen. Veelbelovend zijn de kweekresultaten
van de winterharde selectie van Camellia oleifera!
Camellia's
kunnen gestekt worden, zij het moeizaam. U kunt een bladstek nemen (stukje
stengel met daaraan één gezond blad) van een éénjarige scheut en dit als
uitgangsmateriaal gebruiken. Een hobbykas is eigenlijk wel noodzakelijk
evenals ervaring.
De vorsttolerantie is vrij groot tot - 18(C bij
de sterkste soorten.
Bamboe is een
zeer goed bruikbaar gras is iedere tuin. Bamboe geeft een instant exotisch
effect, zonder dat alle bamboes tropisch of subtropisch zijn. Het uiterlijk van
veel soorten doet echter wel direct aan een tropische of subtropische plant
denken. Echter veel soorten zijn zeer winterhard en ook nog wintergroen. Vooral
deze twee kenmerken maken de bamboe tot een topper voor de subtropisch ogende
tuin van het type jungle.. Zo kan een bamboe tegelijkertijd exotisch aandoen én
winterhard en wintergroen zijn, hij kan zelfs een goede beschermer zijn van
teerdere soorten door b.v. het aanplanten van een bamboehaag rond minder
winterharde planten.
De meeste
bamboesoorten houden van een zonnige standplaats, maar er zijn ook soorten, die
liever in de schaduw of halfschaduw staan.
Eén van de redenen
om dus met bamboe te beginnen is de winterse "dood" uit uw tuin
verdrijven met een prachtig wuivend, berijpt, groene bos met tere blaadjes. Het
bamboe gewas "leeft" in tegenstelling tot andere wintergroene
planten, die er vaak stijfjes bijstaan.
Een ander
geweldig voordeel is dat er vrijwel geen enkele andere plant zo gemakkelijk is.
Iedere grondsoort wordt geaccepteerd en met een beetje oude paardenmest groeit
'ie je binnen de kortste keren ver
boven 't hoofd. De grond moet wel vocht vast kunnen houden (indien nodig
mulchen), maar mag nooit kletsnat zijn!
Het is ook
een milieuvriendelijke plant, we hebben nog nooit een grammetje vergif hoeven
gebruiken om de planten te vrijwaren van ongedierte.
Vrijwel
iedere tuin is geschikt voor 't planten van één of meerdere bamboes. Hoewel
er wel soorten zijn die aan het
"wandelen" kunnen slaan. Heeft u ruimte zat dan kunt u zo'n plant wel
laten wandelen en misschien wel tot een bos laten ontwikkelen, maar anders
moeten er voorzorgsmaatregelen genomen worden. B.v. een oude speciekuip van z'n
bodem ontdoen en ingraven en daarin de bamboe planten (denk wel om de
bemesting). De bamboe wortelt tot ongeveer 60 centimeter diepte, de hoogte van
de wortelbegrenzer dient ongeveer die hoogte (diepte) te hebben.
Maar een Fargesia
loopt niet en maakt mooie pol die ieder jaar zo'n 10 cm in doorsnee groeit,
wordt 'ie te groot dan kunt u altijd weer iemand anders blij maken.
Sommige
soorten kunnen zeer hoog worden, informeer dus wel eerst met voor soort u te
maken hebt. Een Phyllostachys vivax kan wel 7 à 8 meter hoogte bereiken na zo'n
jaar of 6. Maar er zijn ook kleintjes b.v. Shibatea kumasasa een aparte laag
blijvende (ca. 1 meter hoog) soort, die
nauwelijks wandelt.
Bamboe
botanisch
Maar eerst
even kijken waar de bamboes van nature groeien:
De meeste
komen voor in Azië van de Koerillen tot
Indonesië, verder komen ze op alle werelddelen voor behalve Europa (ook de
polen zijn niet begroeid met bamboe). Hoewel ze voor de ijstijden hier
schijnbaar wel hebben gegroeid, maar na de ijstijd kon de plant zich niet
zonder menselijke hulp over de bergen
en zeeën heen bewegen.
Wortelstok of
rhizoom
Onder de
grond beweegt de plant zich door middel van rhizomen, die lijken qua bouw op de
stengels. Ze zijn erg taai, vlezig en worden beschermd door schutbladen, om
niet al te zeer beschadigd te raken door obstakels in de grond.
Een rhizoom
groeit verder als de stengels, die op de rhizoom moesten uitgroeien echt zijn
uitgegroeid. (Stengels groeien binnen 1 à 3 maanden naar volwassenheid).
De rhizomen
bevatten reservevoedsel, dus zijn onontbeerlijk om tot een volwassen plant uit
te groeien, wat zo'n 5à 6 jaar duurt.
Op de knopen
bevinden zich de wortels om het water en voedsel daadwerkelijk uit de grond op
te nemen. Dit geheel vormt tezamen een heel stevige flexibele mat.
Soms worden
taluds met bamboe beplant om erosie tegen te gaan. Er zijn trouwens ook soorten, die ook luchtwortels
maken.
De diepte van
beworteling verschilt per soort maar gaat niet dieper dan 1 meter.
Sympodiale
groei betekent, dat de rhizomen dik en stevig zijn en dicht op elkaar groeien.
Deze planten vormen pollen.
Monopodiale
groei de eindknoppen van de rhizomen groeien horizontaal ("wandelen")
de okselknoppen maken nieuwe spruiten die boven de grond uitgroeien tot
stengels. Deze rhizomen zijn dunner dan de
eerder genoemde collega's, De stengels zijn vaak dikker dan de rhizomen.
Amfipodiale
groei is een combinatie van de bovenstaande groeiwijzen.
Stengel
De stengel is
een van de belangrijkste onderdelen om bamboe te determineren, want bloeien
doen ze gelukkig maar sporadisch. (Naamgeving is een lastig karwei want als er
één plantengeslacht is waar spraakverwarring heerst dan is het bij de bamboes).
De stengel
bestaat uit segmenten (leden), die als bamboespruit in herfst en winter
"stiekem" onder de grond wordt ontwikkeld, als een antenne in elkaar
geschoven is, in de knop op het rhizoom. Maar als het voorjaar komt dan schuift
de antenne zich uit met een enorme kracht.
Er is alleen sprake van lengtegroei, er is geen sprake van diktegroei. De
hoofdmoot van voedsel komt uit de voeding, die het vorig groeiseizoen door de
bladerkroon is gemaakt.
De stengel
bestaat uit cellulosevezels van ca. 1 cm. lang en bestaan verder uit lignine en
silicaten (kiezel). De vezels zijn langer dan bij andere houtige gewassen dus
de stengels zijn zeer buigzaam en
sterk. Het is te gebruiken van papierpulp tot wapening van beton toe!
De stukjes
stengel van knoop tot knoop, heten internodiën, de afstand tussen de knopen is
van soort tot soort verschillend.
Ook de
stengels hebben schutbladen (ter bescherming)als ze uit de grond komen, soms
blijven die lang aan de stengels hangen.
De dikte en
de lengte van de stengels verschilt van
soort tot soort en natuurlijk ook van de standplaats. In Nederland worden niet de hoogtes gehaald
die op zuidelijker breedtes worden
gehaald. Ons groeiseizoen is korter/kouder. Een hooggroeiende soort wordt in
Zuid-Frankrijk 10 meter en bij ons misschien 6 meter.
Ook de kleuren
en vormen van de stengels zijn sterk verschillend:
* groen,
geel, bruin, zwart, gevlekt, gestreept
* gaaf of
gegroefd
* rond,
afgevlakt tot bijna vierkant
* met
bollingen of zigzaggend
Aan de
buitenkant van de stengel zit vaak een holling (sulcus), soms heeft deze een
andere kleur dan de rest van de stengel.
De meeste
stengels zijn hol, enkele Zuidamerikaanse soorten uitgezonderd (Chusquea), die
hebben massieve stengels.
De zijtakken
kan als volgt indelen. Per internodie (stuk tussen twee knopen/verdikkingen):
Eén zijtak
voor Sasa, Pseudosasa en Indocalamus.
Twee
zijtakken voor Phyllostachys meestal is één van de twee zijtakken sterker ontwikkeld.
Drie
zijtakken voor Fargesia, Pleioblastus, Semiarundinaria en Shibatea.
Ze zijn
vooral belangrijk voor het indelen naar geslacht.
Blad
Bamboe is een
gras en het blad van de plant lijkt op een blad van gras. Alleen heeft het
bamboeblad een bladstengel, bij slechte weersomstandigheden kan het blad zich
buigen. De bladstengel zit vast aan het schutblad (anders dan bij bomen), vaak
zijn er daar haartjes te zien, die voorkomen, dat water naar binnen loopt en
rotting veroorzaakt. Het eten van de behaarde
bladeren schijnt een martelmethode geweest te zijn in China. In het
lichaam leveren die weerhaakjes enorme irritaties op. Sommige bamboesoorten
hebben sterk ontwikkelde haren.
De bladeren
zitten opgerold om de zijscheut, als de zijscheut groeit ontrollen de bladeren
zich. De hele zomer lang ontwikkelen zich nieuwe bladeren, die ongeveer twee
jaar meegaan.
Standplaats
In
principe staan de meeste bamboes liefst
op een beschutte plaats, waar harde (koude) wind geen kans heeft. Iets wat voor
alle wintergroene planten geldt. De meeste soorten staan graag in de zon, en
minder winterharde of wintergroene soorten moeten op een goed beschutte plek
staan.
Vooral in het
voorjaar, als het 's nachts nog hard kan vriezen en overdag temperaturen dik
boven nul zijn, is de kans op uitdroging niet gering, vooral als ook de
bodemgesteldheid niet goed is. De grond moet goed bewerkt en bemest worden
alvorens de bamboe wordt gepoot. U dient te streven naar een goed doorlatende
maar vochthoudende (niet natte!)
neutrale grondsoort. De plant stelt een
mulchlaag zeer op prijs na verloop van tijd zorgt de ruiende plant zelf voor
een mulchlaag.
Snoeien
Soms worden
de onderste zijtakken weggenomen om een meer open effect te krijgen en de mooie
stengels beter te kunnen zien, maar er komt op die plaatsen nooit een nieuwe
zijtak terug! Een bamboe heeft geen (slapende) knoppen als heesters/bomen.
In de winter
kunt u lelijke of oude stengels wegnemen, dit kan zelfs de groei van nieuwe
scheuten stimuleren. Maar snoei nooit meer dan 25 % van de stengels weg.
Heggen
Een mooie
bamboe heg is mogelijk. Er kan gesnoeid worden, maar .... Laat de heg niet al
te breed worden als de tuin klein is, beperk de "wandelaars"(!) in
hun groei door betonranden of plastic in de graven tot ca. 50 cm diepte (bamboe
wortelt oppervlakkig). Verder is het ook nog mogelijk wat te fantaseren en de
bamboestengels tussen bamboe-en tonkinstokken te binden en zo een smalle
levende heg te krijgen.
Wortelstekken
bij bamboe.
De
"wandelaars" (monopodiaal) maken zgn. rhizomen (uitlopers) net als de
stengels hebben deze ook knopen waar zich "wortels" bevinden verder zitten
hierop knoppen waar nieuwe spruiten uitkomen. In maart kan men zo'n rhizoom delen. Neem een stuk van ca. 40
cm. (met ongeveer 4 knopen en minstens één knop), wat er gezond dus stevig
uitziet.
Als u te veel
mensen wilt verblijden (dus te snel stekmateriaal neemt) remt dit de groei,
omdat die rhizomen voedsel doorsluizen naar de scheuten van het komende jaar.
Zorg er voor
dat de rhizomen nooit uitdrogen. Spoel ze schoon en leg ze horizontaal in een
bak met grond , wacht tot de eerste scheuten verschijnen (volgend voorjaar) pot
deze op.
U kunt ook
een stuk rhizoom voorzichtig opnemen als er een spruit met bladeren aankomt en
deze oppotten of verplanten. Snoei deze
in om al teveel vochtverlies via de bladeren te voorkomen.
Voorbeelden
Er zijn vele
soorten bamboes. Wij gaan uit van alleen hoge decoratieve soorten. De lage
soorten woekeren verschrikkelijk. Ze zijn bijna niet in de hand te houden. Bij
de hoge soorten betekent woekeren, dat het wel in de hand is te houden met de
voornoemde voorzorgsmaatregelen. "Woekeren" wil zeggen dat de plant
zo nu en dan een fikse scheut maakt. En polvormers worden ieder jaar een paar
centimeter groter in omvang.
Een paar
geschikte soorten in volgorde van wintergroenheid, de laatste 3 zijn
subtropische soorten, die erg mooi zijn maar extra zorg nodig hebben:
Phyllostachys aureosulcata "Spectabilis"
5-7 meter
zon
Phyllostachys vivax "Aureocaulis"
8-10 meter
zon
Fargesia
nitida "Nymphenburg"
2-4 meter
halfschaduw
Fargesia
robusta
3-5 meter
halfschaduw
Phyllostachys
nigra
5 meter
zon
Semiarundinaria fastuosa
7 meter
zon
Chusquea breviglumis
4 meter
zon
Qiongzhuea
tuminoda
2-3 meter
halfschaduw
Fargesia
crassinoda "Kew"
2-4 meter
halfschaduw
Aanschaf
Ook tuincentra
bieden bamboes aan, deze zijn echter vaak prijziger en de keuze is meestal veel
geringer. Neem eerst contact op een kweker of bamboeliefhebber alvorens tot
aanschaf over te gaan. Een klein plantje
wordt snel groot.
Nogmaals pas
op, het is een virus! In het "Book of bamboo" staat het aldus
omschreven: "Beware of bamboo. It is emotionally invasive."
Een zeer
opvallende boom is de noteboom (walnoot of okkernoot), deze boom is al eeuwen
in cultuur met name voor het mooie hout en de vruchten. De boom stamt van
oorsprong uit Zuidoost Europa en Centraal Azië. Misschien is de boom een beetje
twijfelachtig binnen de context van dit boek. Maar met name deze eigenlijk
exotische en vreselijk lekkere noten geven de boom in onze een plaatsje tussen
alle andere pracht exemplaren. De boom heeft geen tot de verbeelding sprekende
vorm, grove takkenstructuur, geen mooie bladeren en ook de bloei is niet
spectaculair.
De Latijnse
naam stamt van het "Romeinse" Jovis Glans wat Jupiters Eikel
betekent. De naam walnoot stamt uit het Germaans en dat betekent: buitenlandse
noot. Dus is deze boom misschien wel de grondlegger voor dit boek, als
"oudste" exoot.
De bomen zijn
vooral bij oude boerderijen te vinden. Men plantte ze daar aan om muggen te
verjagen, net als de Eucalyptus nu (in warmere gebieden).
Om een goede
vruchtendracht te krijgen, worden verschillende notebomen bijeen geplant. Ze
nemen dan enorm veel ruimte in, want één boom kan wel tot 18 meter hoog worden!
Een oplossing dan b.v. de Juglans regia "Buccaneer", het is een
gezonde variëteit, die geen andere noten nodig heeft om een goede
vruchtendracht (bestuiving) te krijgen.
Het notenhout
is van uitstekende kwaliteit. Meestal komt dit hout uit Frankrijk men heeft er
in de Eerste Wereldoorlog veel geweerkolven van gemaakt. En exclusieve meestal
oude auto's hebben Circassisch (Perzisch/Iraans) notenhout verwerkt in b.v.
dashboards.
De noot heeft
verder een bijzondere onhebbelijkheid: hij kan moeilijk samenleven met b.v. de
Rhododendron. De boom mag verder niet gesnoeid worden in het voorjaar net als
de esdoorn vanwege "bloeden". De beste snoeitijd (hoewel er eigenlijk
niet gesnoeid hoeft te worden) is in december, als het niet vriest of in de
zomer als de boom in het blad zit.
De boom kan
het beste in november geplant worden, of eventueel in februari/maart. Zo'n
zeven jaar na het planten kan u de eerste vruchten van deze langzaam groeiende
boom verwachten.
De bolster
kan gebruikt worden om wol te verven, in een okergele kleur.
Verder neemt
de walnoot wraak als de noten hardhandig uit de boom worden geslagen, dan
worden er in dat jaar meer meisjes dan jongens geboren.
Daar de
laatste winters steeds milder werden, durfden we steeds meer planten in de
volle grond te zetten. Zelfs een Citrus, te weten Poncirus trifoliata. Een
plant, die gekenmerkt wordt door groene twijgen, haakse vertakkingen en
uitzonderlijk grote doorns (tot 5 cm. lang). Het is een wat warrig aandoende
plant, maar toch altijd wel een mooi/vreemd* uiterlijk heeft. De plant komt uit
Noord-China hij wordt daar gebruikt als de meidoorn vroeger. De boeren
gebruiken hem als afrastering van hun gebied. De doorns doen hun werk
uitstekend.
De bloei is
mooi en de bloemen geuren volgens de literatuur sterk, net als bij de andere
citrussoorten. Maar wij vinden dat niet zo is bij de planten, die onze tuinen
staan. De bloemen groeien in de oksels van de doorns op het tweejarige hout. De
bloemen zijn wit. Het zal u niet verbazen dat de bloemen worden gebruikt voor
de productie van parfums. De vruchten, die in de loop van de zomer volgen, zijn
niet zo lekker als de welbekende sinaasappel. Dit zeggen we met enig gevoel
voor "understatement". Ook de vruchten geuren, echter niet zoet zoals
de bloemen. Het duurt ongeveer acht jaar voordat deze struik bloeit en hij is
niet erg geschikt voor snoei, maar hij wordt niet zo groot 2 à 3 meter. Hij is
gemakkelijk uit zaad op te kweken. Het duurt wel enkele jaren voordat de plant
bloemen en vruchten draagt.
De Poncirus
is een zeer sterke plant, die vaak wordt gebruikt als onderstam voor andere
citrussoorten.
De andere
citrussoorten zijn niet winterhard, hoewel de kumquat wel tegen een stootje
kan. Het zou wel heel erg leuk zijn om andere citrussoorten uit te kunnen planten.
Wachten, wachten, wachten, maar in Amerika is men bezig om winterharde
kruisingen te kweken. Dit gebeurt al sinds 1869, met een zeer mager resultaat.
Er werd weinig kiemkrachtig zaad geproduceerd en het zaad wat het deed leek erg
op zijn voorouder, dus geen sinaasappel zo winterhard als de Poncirus ......
Aardig is misschien wel dat uit al deze proefnemingen de "Citronge"
is ontstaan. Deze staan tussen Poncirus en sinaasappel in. De vruchten blijven
zuur en zijn alleen als marmelade te gebruiken. Een paar variëteiten:
"Rusk", "Morton", "Savage",
"Rusticcitrange". In Amerika is er dus uiteindelijk een
"Citrus" ontstaan, die relatief winterhard is. Waarschijnlijk alleen
te gebruiken als leifruit tegen een warme zuidmuur. Een uitdaging zal het zeker
zijn, maar op dit moment zijn planten zeer moeilijk verkrijgbaar. Dus om nu een
plant te krijgen zal nog een grotere uitdaging zijn, dan het planten van een
echte Citrus in de volle grond.
De plant
houdt van een goed doorlatende, warme standplaats. Om de vruchten lekker sappig
te laten worden is het belangrijk tijdens de vruchtvorming water te geven.
De moerbei
hoort tot het geslacht van de morulae, de plant hoort echter niet tot de
familie van de morulae.
De Morus alba
en de Morus nigra doen het zeer goed in de Nederlandse tuin. Helaas is de vraag
naar deze planten erg klein en worden in onze ogen dan ook te weinig toegepast.
Vroeger mochten ze door de gewone man niet eens gebruikt worden, dit was alleen
aan de adel en geestelijkheid voorbehouden. De edelen en de geestelijken lieten
zich de heerlijk zoete vruchten goed smaken. De vruchten gisten erg snel en
konden daarom alcohol bevatten. Het gewone volk zou wel eens snel ontvlambaar
kunnen worden door de alcohol en de maatschappij zou instabiel kunnen raken.
Dit was dan ook de achterliggende gedachte van het verbod op aanplanten,
ingesteld door de adellijken en geestelijken.
Een andere
vertegenwoordiger is de Maclura poncifera een grote struik, die tot een boom
kan uitgroeien. Hij heeft scherpe doorns en wratachtige vruchten, die een
beetje op een grote sinaasappel lijken. Er zijn zowel mannelijke als
vrouwelijke planten nodig om vruchten te krijgen. Hij kan temperaturen
verdragen tot -15 °C.
Een plant die
niet zozeer exotisch is qua uiterlijk, maar wel wat smaak betreft, is de
Asiminia triloba ofwel de Pawpaw. Het is een in ons land een nauwelijks bekende
struik/boom. En zelfs bij de groenteboer
zult u de naar banaansmakende vruchten niet vinden, dus iets voor mensen
die geen Musa aandurven in de tuin. Want met de winterhardheid is het bij deze
plant veel beter gesteld, hij is afkomstig uit het oosten van de Verenigde
Staten en wil zelfs nog wel eens zo hier en daar in Canada groeien. De plant is
daar zeldzaam geworden door de verstedelijking.
De vruchten
zijn zeer gezond. Er zit twee keer zoveel vitamine C in als in een appel,
verder bevat de vrucht vitamine D, eiwitten, calcium, fosfor, magnesium en
ijzer. Zelfs voor de medische wetenschap heeft deze plant betekenis, hij herbergt
taxol, een stof die ook in de taxus zit. Alleen is de taxol in de Pawpaw veel
werkzamer en dus goed bruikbaar bij de bestrijding van sommige soorten kanker.
De plant
heeft twintig centimeter lange glanzend groene bladeren, die drie centimeter
breed zijn. De paarse bloemen geuren prettig. De struik/boom wordt zo'n drie à
vier meter hoog en krijgt een piramidale vorm. Als de bladeren in de herfst
geel kleuren, eind september begin oktober, dan is het tijd om de ca. tien
centimeter. lange vruchten te oogsten. De vrucht ziet er uit als een aardappel
met een sterk aroma en kan wel 500 gram wegen. De vrucht blijft na de pluk
enkele dagen vers, hoewel hij donker kan verkleuren.
Er moeten wel altijd een mannetje en een
vrouwtje worden uitgeplant want anders komen er geen vruchten! De pitten kunnen
gezaaid worden. Om tot een goede oogst te kunnen komen moet de boom op een zo
warm mogelijke plaats worden gezet. En de zomer moet ook warm zijn.
We zitten in
het segment eetbare exoten zoals u gemerkt zult hebben. En vinden wij geen
gekke gedachte: "Een paradijselijke tuin moeten veel (verboden) vruchten
huisvesten." Ook uw smaakpapillen
mogen verwend worden. Hoewel de Passieflora caerulea niet de best smakende
passiebloem is. Jammer.
Spaanse
priesters hebben bij hun reizen door de "bush" van Zuid-Amerika de
bloem aanschouwd en zagen daar elementen in van Christus' lijden (passie). De
drie nagels, de vijf wonden, de tien aanwezige discipelen, en de doornenkroon
zijn b.v. te herkennen.
De passiebloem
is in de tropen, wat voor ons de clematis is. De passiebloem (bijna allemaal
afkomstig uit Amerika) is van tropische oorsprong, maar er zijn passiebloemen
die onze winter kunnen verdragen.
Passieflora
caerulea is eigenlijk de enige vertegenwoordiger, die redelijk winterhard is.
Tot 15 graden ondernul zijn er weinig problemen, behalve wanneer de vorst diep
de grond in "duikt" en de laatste restjes waar hergroei zou kunnen
plaatsvinden doodt. Daarnaast moet de bodem zeer goed gedraineerd zijn en toch
veel voedsel bevatten. De plant zal zich zeer goed herstellen, zelfs al is hij
tot in de grond bevroren. In de strenge winter van 1996-1997 stierf één van
mijn passiebloemen, deze stond op een niet gedraineerde plek, de andere
overleefde de winter. Dit ging wel moeizaam, want ik had de plant niet afgedekt
en de vorst zat misschien wel 50 centimeter in de grond. Het duurde twee
seizoenen voordat de plant echt als van ouds ging groeien en bloeien. Rooi een
schijnbaar dode plant niet te snel. Beter is de plant af te dekken met b.v. een
laag blad.
De
passiebloem is een klimplant, die niet zelf rankend is, hij heeft dus steun
nodig om in te klimmen.
De
Passieflora caerulea is ruim verkrijgbaar, heeft blauwe bloemen en in een warme
zomer zullen de oranje-geelachtige eivormige vruchten verschijnen. De bladeren
zijn handvormig, donkergroen en glanzend en ze zullen ook bij een paar graden
vorst blijven zitten. De groeikracht is enorm en er worden talloze bloemen
gevormd, tenminste als er voldoende zonneschijn is.
De
Passiebloemen zijn gemakkelijk uit zaad op te kweken en ook stekken is geen
probleem.
Er zijn nog
een paar andere soorten waarmee geëxperimenteerd kan worden, maar dan is extra
afdekken belangrijk.
P. caerulea
"Constance Elliot", de bloemen zijn groot ivoorkleurig en geurend, de
vruchten zijn oranje gekleurd, zeg echt wit. Iets minder wit is P. caerulea
"Alba".
P.
"Purple Haze" moet iets wat meer winterdek krijgen dan de voorgaande,
maar u wordt beloond met prachtige donker paarse bloemen van deze kruising
tussen P. caerulea x P. amethist. De
bloemen worden gevolgd door eetbare vruchten.
P. incarnata
verdient ongeveer evenveel winterdek als "Purple Haze". De kleur van
de ongeveer 5 centimeter grote bloemen is lilaroze. Deze Noord-Amerikaanse
Passiebloem wordt als geneeskrachtig kruid gezien tegen stress, maar bij het
zien van deze beauties hoeft u niet eens een drankje te maken of een pilletje
te draaien.
P. ampullacea
afkomstig hoog uit de bergen van de Andes (Equador), met klokvormige bloemen en
de vruchten zijn smakelijker dan de caerulea.
P. foedita
een zeer variabele plant met witte, roze, of blauwe bloemen.
P.
herbertiana komt uit Australië heeft oranje of groen-gele bloemen, groeit zeer
snel.
P. morifolia
groen-gele of wit-mauve gekleurde
bloemen.
P. rubra
geelgroen blad soms bond, kleien crèmewitte of
lichtgele bloemen gevolgd door rode vruchten.
P. suberosa
groengele bloemen gevolgd eetbare paarse vruchten.
P. gracilis
een éénjarige passiebloem kan tot 1,8 meter hoog worden. Drie centimeter grote
witte bloemen gevolgd door veel vruchten
Deze
bladverliezende soort komt oorspronkelijk uit subtropisch Azië, maar wordt als
laanboom in de subtropen aangeplant in de vollegrond kan het een boom 7 m hoog
worden.
Maar ook in Nederland
is de cultivar Albizia julibrissin "Rosea", goed tegen onze winters
bestand. Het is een prachtige subtropische boom, de bladeren, die een acacia-achtige vorm hebben, vouwen zich iedere avond samen, daarom noemt men de
Albizia ook wel slaapboom.
De boom kan
vanaf juli tot aan de eerste vorst penseelachtige geurende roze gekleurde
bloemen ontwikkelen. Deze bloemen zien er bijzonder exotisch uit, kortom een
juweel voor iedere liefhebber van de subtropische tuin. Let er wel op dat u de
cultivar "Rosea" aanplant, want de soort is minder winterhard, dan de
cultuvar!
Verzorging.
Albizia julibrissin houdt van een warme zonnige plek op het zuiden. Plant ze in
een goed doorlatende grond, die liefst neutraal van samenstelling is.
Vermeerdering: Zaad kiemt gemakkelijk en is
redelijk gemakkelijk verkrijgbaar, ook van de "Rosea".
Er zijn drie
soorten aarbeibomen: Arbutus andrachne en Arbutus unedo, deze komen uit het
Middellandse Zeegebied. De derde komt uit Noord-Amerika en heet Arbutus
menziesii. Alle Arbutusssoorten krijgen
een prachtige afschilferende bast.
De
aardbeienboom bloeit in de wintermaanden met overhangende trossen bloemen.
Helaas in onze koude winters betekent het verlies van de witte urnvormige
bloemetjes door de vorst. Bij een heel zachte winter kunnen de bloemetjes
behouden blijven.
Als de
bloemen gespaard blijven kunnen in de zomer de prachtige citroengele onrijpe
vruchten verschijnen, die later een prachtige rode kleur krijgen. Met een
beetje geluk worden ze rood, en zijn ze rijp en eetbaar. De smaak is echter
niet om ever naar huis te schrijven.
Verzorging:
Arbutus houdt van een licht zure grond, die goed doorlatend is maar niet
helemaal uitdroogt. In de winter is afdekken met vliesfolie voldoende. Bij
strenge vorst zal er ook bij voldoende afscherming tegen de schrale wind wel
vorstschade aan de bladeren optreden. In het ergste geval zelfs schade aan de
twijgen of zelfs takken. Een zonnige standplaats wordt zeer gewaardeerd.
Vermeerdering: Door zaaien of door kopstekjes
die onder plastic bij een temperatuur van 20-25°C aan de wortel gebracht
worden.
De
lampenpoetser wordt gekweekt als
prachtige kuipplant. Callistemon citrinus met rode bloemen wordt veel
aangeboden, maar zal alleen bij een zeer zachte winter kunnen overleven.
Vooral het
fraaie uiterlijk van de bloemen, die de vorm hebben van een "borstel"
waarmee men in lang vervlogen tijden lampen reinigde. Als de planten het goed
doen kunnen de decoratieve zaaddozen lang aan de plant blijven zitten, vaak
vallen de zaden pas na twee jaar uit de zaaddozen. De meeste soorten hebben
rode bloemen, echter de winterhardheid van juist deze soorten laat te wensen
over. De crème gekleurde Callistemon sieberi hoort, samen met de C. pallidus
tot de meest winterharde soorten. Deze Australische prachtplant is het proberen
waard op zeer zonnige beschutte plek. In de winter moet de plant met vliesfolie
tegen schrale koude worden beschermd. Ook het afdekken van de wortelvoet is aan
te bevelen, hiervoor een zeer luchtige mulch gebruiken, die niet te veel vocht
vast kan houden.
Verzorging:
De plant houdt van een licht zure grond (kalk is uit den boze!), die goed
doorlatend is maar wel vocht kan vasthouden
Vermeerderen:
In de nazomer kunnen kopstekken worden genomen, bij een temperatuur tussen de
20 en 25 (C. zullen ze onder glas bewortelen. Vermeerderen uit zaad is moeilijk.
Er worden
vele selecties van deze conifeer aangeboden. Ze worden bijna allemaal uit Italië
geïmporteerd. Of ze de gewenste zuilvorm zullen ontwikkelen is vaak de vraag.
En vaak zijn de bomen op een onderstam van een andere soort geënt.
Deze zeer
karakteristieke boom groeit vooral in de landen rond de Middellandse Zee. Ze
kunnen meters hoog worden, maar nemen niet al te veel ruimte in door hun
zuilvormige groeiwijze. Ze zijn daarmee goed geschikt voor gebruik in kleinere
tuinen
De boom is
goed winterhard, in strenge winters kan een cypres mits 'ie in de luwte van een
b.v. huis is geplant zonder al te veel schade overleven. In de zeer strenge
winter van 1996/1997 was er bij mijn jonge exemplaren slechts hier en daar een
klein bruin plekje te bespeuren door de vorst.
In de winter
hoeven de bomen als ze niet op het noorden of oosten staan niet afgedekt te
worden.
Verzorging:
Bij het planten dient men de boom goed te steunen met een stevige paal, die
jaren lang mee kan. De boom groeit tamelijk hard en de wortels schijnen niet
voldoende mee te groeien om de boom stevig in de grond te verankeren. De grond
dient goed doorlatend te zijn.
Vermeerderen:
De plant is heel goed uit zaad op te kweken, binnen een paar jaar groeit 'ie
uit tot een respectabele conifeer. Hij is dan eerst goed als kuipplant te
gebruiken, maar kan in een pot lang niet zoveel vorst verdragen. Verder mag hij
natuurlijk niet uitdrogen, ook 's winters niet.
In Spanje
noemen ze hem "nespezon" (mispel), in Italië "nespola" en
in Nederland noemt men hem de "Japanse mispel" Het is een Aziatische bladhoudende
boom, die in Japan tot 1000 meter hoog groeit in de bergen. Op deze hoogte
vriest het regelmatig en hij tolereert ook Nederlandse vorst. Hij wordt in
Nederland niet veel aangeplant, integenstelling tot het Middellandse-Zeegebied.
De boom maakt vruchten in het najaar, ze rijpen af in het vroege voorjaar. De
vruchten worden als toetje of confiture gegeten. In Nederland komen exemplaren
tot zo'n 4 meter hoogte voor in botanische tuinen, ze maken dan nog geen
vruchten.
Hij verlangt
een goed waterdoorlatende voedzame grond en 's winters stelt 'ie een
winterdekking wel op prijs. Dit wordt een probleem als de boom een brede kroon
gaat vormen, en er strenge vorst optreedt. Nog een probleem geeft een
schimmelziekte, die ontstaat als het blad nat wordt en niet voldoende snel
opdroogt, vooral bij heel warm weer, dus zeer luchtig beschermen! Er komen dan
zwarte vlekken op het blad. Voor insecten is de plant niet erg gevoelig, door
de wasachtige bovenzijde en viltachtige onderkant van het blad.
Onder -14 (C
schade aan bladeren. Onder -17 (C ernstiger schade. Tot -8 (C helemaal geen
schade.
De Feijoa
sellowiana die uit Zuidwesten van Amerika stamt heeft schitterende bloemen en
wordt vaak in de warme kas gebruikt, maar ook in de volle grond doet 'ie het
goed. De bloei laat lang op zich wachten, maar ook zonder bloemen is de plant
de moeite waard. En het geduld wordt beloond. De Feijoa is nauw verwant aan
guave, een tropisch fruitgewas. De vruchten van de Feijoa worden gegeten; bepaalde rassen worden in de tropen en
subtropen speciaal voor de vruchten gekweekt. Bij ons moeten we de bloemen met
een penseel bestuiven om vruchten aan de plant te kunnen krijgen. In de volle
grond heb geen vruchten waargenomen. In een zeer mooie warme zomer zullen de
prachtige bloemen u doen verwonderen.
In Duitsland
hebben proeven uitgewezen dat deze soort temperaturen tot -16°C kan
overleven. De planten moeten dan wel
droog en uit de zon staan. Bij ongeveer ongeveer -8°C zal het blad
bevriezingsverschijnselen gaan vertonen, maar in het voorjaar wordt weer
voldoende nieuw blad gevormd. Zelfs na
een zeer strenge winter kan de plant zich vanuit de grond herstellen. De jonge
twijgen spruiten vanuit de wortelvoet uit.
De Feijoa
sellowiana houdt van een zonnige standplaats en de grond moet 's winters droog
blijven. De winterbescherming bestaat uit het beschermen met vliesfolie, als er
een koude vrieswind waait. De plant verdraagt snoei goed.
Vermeerdering:
In juli topstekken nemen, behandelen met stekpoeder en onder glas of plastic
bij een temperatuur van 20 - 25°C aan
de wortel brengen. Vermeerdering uit zaad in het voorjaar is goed mogelijk,
laten kiemen bij ongeveer 20 (C.
Meestal
verliest deze Amerikaan zijn bladeren in de winter, tot zo'n 15 graden onder
nul houdt 'ie het vol. Hij houdt van een droge warme plaats en groeit liefst
langs een warme muur tot zo 7 bij 5 meter de hoogte en de breedte in. Hij zit
de hele zomer vol met prachtige fel gele bloemen. Samen met een (rode) Campsis
radicans is de bloei een geweldig schouwspel! De Fremontodendron moet wel
geleid worden langs de muur.
De variëteit
"Glory" wordt vaak als kuipplant aangeboden, deze bloeit zeer rijk in
het voorjaar en in de zomer neemt de bloei langzaamaan af. In een zachte winter
behoudt de Fremontodendron zijn blad. Bij langdurige vorst verliest 'ie zijn
blad (half wintergroen). De kleine bruine "haartjes' die overal op de
bladeren en twijgen zitten zijn zeer
vervelend, zorg ervoor dat je deze niet aanraakt. Vooral in de ogen zijn ze een
"brandende" ramp!
In de winter
is het goed om de plant tegen koude wind te beschermen door middel van een
rietmat.
Vermeerderen
is erg moeilijk.
Nog een
vertegenwoordiger van "Down Under" Een aantal vertegenwoordigers van
Eucalyptus kunnen met redelijk goed gevolg uitgroeien tot een respectabele
boom, in Australië tot zo'n 90 meter hoogte. Het zijn zelfs de snelst groeiende
subtropische bomen.
De boom is
vaak gebruikt om moerasgebieden droog te leggen en daarmee de malariamug te
verdrijven. Het grote wijd uiteen groeiende wortelstelsel vormt een soort spons
en neemt dus grote hoeveelheden vocht op.
De bladeren
zijn oliehoudend, verteren moeilijk en bevatten looizuur, waardoor
onderbegroeiing onmogelijk is. Afgevallen bladeren kunt u dus beter weghalen,
als u onderbegroeiing wenst. De oliehoudende bladeren verspreiden wel een
"heerlijke" geur, waar muggen niet zo dol op zijn. De stelling dat
muggen je terras-met-Eucalyptus op een mooie zomeravond niet komen bezoeken, moet
helaas naar het rijk der fabelen worden verwezen.De gedroogde bladeren worden
gebruikt als Eucalyptusolie in de geneeskunde: tegen astma, chronische
bronchitis, enz. De stof Eucalyptol (cineol) wordt gebruikt in hoestbonbons,
siroop, inhalatiemiddel en tandpasta. Als u zelf bladeren wilt verzamelen, moet
dit 's zomers gebeuren. De bladeren moeten worden gedroogd en in een stopfles
worden bewaard.
Een mooi
verschijnsel door de enorme groei is het schilferen van de bast. De boom groeit
"uit zijn jasje", bij sommige soorten geeft dat een prachtig
kleurenspel op de ouder wordende stam; bv. bij E. niphophila en E. stellulata.
Vooral de wit-bloeiende bomen zijn redelijk winterhard, mits ze beschut tegen
wind worden aangeplant. De boom kan verder zijn bladeren optimaal naar de zon
draaien. Als er teveel zon is draait hij zijn bladeren een halve slag, het
licht valt er langsop. Als de lichtcondities slechter zijn draait hij zijn blad
optimaal naar het licht toe.
Een populaire
soort is E. gunnii met zijn kleine ronde blaadjes als de boom nog jong is,
later wordt het blad langwerpig. Wilt u dat de boom altijd de jonge bladeren
houdt dan moet de boom ieder jaar gesnoeid worden, dit groen wordt vaak door
bloemisten in boeketten gebruikt. Het is echter niet de meest winterharde soort
(tot ca. - 14 (C).
Sommige
soorten groeien op grote hoogte, tot zo'n 2000 meter hoog in de Australische
bergen, deze soorten zijn veel beter winterhard dan de Eucalyptus gunnii.
E. niphophila
("Snowgum") is bestand tegen vorst van 20 graden. De bast van de
laatste schilfert schitterend af als de boom ouder wordt. De kleurvariaties op
de schors zijn groen, grijs en crème. Hij heeft ook in het jeugdstadium grijze
langwerpige bladeren. De bladstelen zijn rood gekleurd.
Hij groeit is
verder niet de snelst groeiende van de Eucalyptussen, maar op den duur kan de
boom in een goed jaar toch een meter in de lengte groeien.
De winter van
1996-1997 met z'n felle koude oostenwind heeft ook nog vele niphophila's het
leven gekost, sommige bomen kwamen als struik terug.
Goede
selecties van Eucalyptus debeuzevillei (Jounama Snow Gum) zijn nog winterharder
zijn dan de E. Niphophila, hoewel deze in de Australische bergen op iets lager
gelegen hellingen groeit. De bladeren zijn blauwgroen met gele stelen. Het
afschilferen van de bast geeft groen, grijs en crème kleuren te zien.
De Eucalyptus
parvifolia, een vrij kleine attractieve boom met klein groen loof wat in het
jeugdstadium lijkt het bijna varenachtig. Hij is een tikje minder winterhard
dan de allersterksten, maar kan toch tot 18 graden vorst verdragen.
Bijna even
winterhard is de Eucalyptus glaucescens, er zijn in Nederland verschillende
volwassen exemplaren te vinden. Maar een beschutte plek is blijkbaar bij de
winterhardste soorten wenselijk. Dan nog blijft het risico van invriezen, als
de plant overleeft zal hij vaak in struikvorm terugkeren. Helaas gaat de
boomvorm dan verloren, maar als struik is de Eucalyptus ook niet te versmaden.
Houd rekening met dit gegeven bij plannen van een Eucalyptus in uw tuin.
Nog een paar
redelijk tot goed vorstbestendige soorten: E. archeri (tot - 18 (C), hij bloeit
rijkelijk met witte bloemen. E. gregsonia ("Wolgan Snowgum") uit de
Australische Alpen heeft ook direct sikkelvormig blad aan roodachtige takken.
E. perriniana heeft typische grote ronde bladeren die om de tak heen groeien in
het jeugdstadium (tot - 18 (C). E. pauciflora lijkt op niphophila, alleen zijn
de bladeren wat groter, deze heeft ook een dwergvorm "Nana", wordt
niet veel hoger dan 1,50 meter. E. stellulata, heeft niervormige bladeren in
het jeugdstadium en een prachtig afschilferende bast. Verder is de E.
dalrympleana een aanwinst, die het proberen waard is, het wordt een grote boom
en de twijgen zijn roodachtig.
Vermeerderen:
Alle Eucalyptussen kunnen goed uit zaad worden gekweekt, maar de winterhardheid
kan dan van exemplaar tot exemplaar sterk wisselen. De plant is verder in staat
om vanuit de grond weer uit te lopen en hij verdraagt snoei. Bij snoeien krijgt
hij een struikvorm. Van belang is deze meestal snel groeiende bomen stevig aan
te binden gedurende lange tijd. De planten zijn zeer gevoelig voor harde wind,
dus een beschutte plaats strekt tot aanbeveling.
Veengrond
maakt boom minder winterhard, omdat de groei later in het najaar stopt, dan b.v.
op zandgrond.
Onder -10 (C
schade aan bladeren. Onder -15 (C ernstiger schade. Dit zijn gemiddelden voor
de winterhardste soorten.
De
gemakkelijke en zeer decoratieve Nieuwzeelandse Phormium tenax, mag eigenlijk
in geen tuin ontbreken. De grasachtige bladeren werden voor het sterke vezels
gekweekt. De bladeren geven ook de meeste sierwaarde.
Ze groeien op
alle mogelijke plaatsen van zon tot bijna schaduw, van tamelijk droog tot
vochtig. De meeste Phormiumsoorten
houden (P. colensoi houdt van droogte) van een goed gedraineerde vochtige
grond. Ze kunnen goed tegen zilte zeewind.
De beste
bruikbare is Phormium tenax. Deze is veruit het best bestand tegen onze
winters. De rode vorm Phormium purpurascens en de variëteit "Red
Edge" zijn op een iets beter beschutte plaats goed bruikbaar. Ze stellen een vochtige warme plaats op
prijs, de grond moet wel goed waterdoorlatend zijn. Een organische mestgift in
het voorjaar versmaden ze niet.
In Nieuw
Zeeland worden de taaie bladeren soms tot 3 meter hoog, de bloeiwijze steekt
daar nog hoog bovenuit. In Nederland zult u het bloeien waarschijnlijk niet
zien, ook deze hoogte wordt niet bereikt. Er zijn vele cultivars in omloop,
alleen de soort en de rode vorm zijn aan te bevelen. Ze moeten wel beschermd worden
door een mulchlaag en bij aanhoudende kou (met wind) afdekken met vliesfolie.
Vermeerderen
door delen in het voorjaar. Deel alleen fors uitgegroeide exemplaren.
Onder
-12 (C schade aan bladeren. Onder -17
(C ernstiger schade.
Deze mooie
vasteplant uit Zuid-Afrika is nog niet zo bekend in de Nederlandse tuinen. Hij
is echter vrijwel winterhard slecht een minimaal winterdek is voldoende. Hij
zal u iedere zomer weer verrassen met zijn mooie gele ("Yellow
Trumpet") of rode pijpvormige "coccineus".
Goed
doorlatende grond voldoet uitstekend.
Hij wordt
ongeveer een meter hoog.
Vermeerderen
uit zaad in het voorjaar of door het nemen van kopstekjes in de zomer (onder
glas bewortelen bij 20 - 25 (C.)
Zelden heb ik
een plant geroken, die zo exotisch zoet geurt als deze plant. Hij wordt een
enkele keer aangeboden als kuipplant. Het is een klimplant, die van nature in
Oost-Azië voorkomt. Hij kan ook als bodembedekker dienst doen. Zo gauw als het
weer bloei toelaat dan ontluiken de 2
centimeter grote geurende witte bloemen. De geheel wintergroene plant zit vol met de bloemen en die
bloeien een lange tijd achtereen. Een ander voordeel van het planten in de
volle grond is, dat de plant een koude periode nodig heeft om tot volle bloei
te komen.
Uitplanten
vlakbij b.v. het terras (i.v.m. de geur) een plaats met goed gedraineerde grond
is perfect.
Omdat de
plant wintergroen is, is afdekken met vliesfolie en/of rietmat aan te bevelen bij
aanhoudende vorst. Ook een luchtige mulchlaag over de wortelvoet kan geen
kwaad.
Een langzaam
groeiende heester uit China en Japan.
Aan de bloemen is goed te zien dat deze plant tot de berberis-familie
hoort. Hij bloeit in de zomer, bij een aantal cultivars volgen er mooie bessen.
Verder is de bladkleuring in het voorjaar prachtig en in het najaar is de
verkleuring spectaculair. De plant geeft een
Oosterse sfeer in de tuin. Hij is vrijwel winterhard, alleen bij
langdurige ijzige wind verliest de plant zijn blad. Ik heb de plant nooit
afgedekt. Voor de zekerheid zou hij in vliesfolie gepakt kunnen worden.
Hij houdt van
een zonnige tot halfbeschaduwde plek in goed gedraineerde grond.
Vermeerderen
uit zaad of kopstekjes nemen en bij 25-30(C. bewortelen.
Misschien
heeft u al eens verbaasd staan kijken, als mensen in Italië stonden te snoepen
van de zaden van een den. Wellicht werd uw nieuwsgierigheid zo gestimuleerd en
at u er ook van met als gevolg dat er zaadjes mee naar huis werden genomen en
gezaaid.
Er is
trouwens nog een gemakkelijker manier om aan planten te komen. Het gebeurt
namelijk wel eens dat deze plant als Kerstboom wordt aangeboden. Vraag wel
uitdrukkelijk om deze boom.
Als de kweker
de naam niet weet in het Nederlands heet 'ie de Parasol-den. En nog
gemakkelijker is het om zaden te kopen in Turkse winkels. Probeer het eens, de
zaden kiemen snel.
De naalden
zijn in het jeugdstadium grijs en worden pas later groener. De boom wordt pas
mooi als "ie volwassen is, hij krijgt een mooie kroon en draagt mooie
grote eivormige kegels, waarin die eetbare zaden zitten.
Hij kan tot
zo'n 9 meter hoog worden en verdraagt vrij veel vorst. Hij houdt van een goed
doorlatende grond en een zonnige plaats.
Vermeerderen
uit zaad in het voorjaar.
De
granaatappel komt waarschijnlijk uit Iran/Irak en is via intensieve handel in
het Middellandse-Zeegebied terecht gekomen.
De plant is
een echte sierraad met zijn smalle glimmende blaadjes. Hij krijgt rode bloemetjes,
met een verdikking met kroonblaadjes, die u later terug vindt op de vrucht in
de vorm van een kroontje. Dit is een typisch kenmerk van de Punica. Maar ze
zijn wel vrij moeilijk in bloei te krijgen. Een warme zomer doet echter
wonderen. We hebben hem als kuipplant geprobeerd, maar we vonden hem lastig,
want hij hield van veel water. En we houden niet van veel water geven, dus.....
De plant is niet helemaal winterhard en meestal zal hij bij vorst een stuk
invriezen. Een plant herstelt echter snel en geeft in één groeiseizoen 40 tot
60 cm. schot. Ook bij granaatappels in de kuip verdrogen de uiteinden vaak.
Hij verdient
dus een zeer beschutte, zonnige en goed gedraineerde humusrijke standplaats.
Twee keer per jaar bijmesten doet de plant goed. "s Winters is een goed
dek met rietmatten gevuld met stro wenselijk. De variëteit "Nana"
groeit compact en is beter bestand tegen kou.
Vermeerderen
uit zaad in het voorjaar. De jonge planten moeten eerst een paar jaar als
kuipplant worden gekweekt.
Laurier is
ons allen bekend uit de Griekse cultuur. De sportlieden werden bestrooid met
jonge takken van de laurier. De winnaars werden gekroond met een lauwerkrans
(uit jonge twijgen gevlochten kroon). Verder zal iedere keukenprins of prinses,
laurier bladeren in de kruidenkast van de keuken hebben staan. En de laatste
tijd vinden laurier planten, op stam of in vorm gesnoeide planten, gretig
aftrek.
Of zou de
legende een rol spelen. De nimf veranderde in een laurier om aan de god Apollo
te ontsnappen. Later werd de plant aan de goden toegewijd, vanwege het aroma en
de kracht. Bij godsdienstige riten speelde de laurier ook een belangrijke rol.
Ook keizers werden met lauwerkransen gekroond, zij waren tenslotte ook
halfgoden.
De plant komt
voor in het Middellandse-Zeegebied. De struiken kunnen daar wel 8 meter hoog
worden. Op de Canarische Eilanden zijn grote, honderden jaren oude bossen met
daartussen veel laurier struiken/bomen. De bladeren zijn glanzend en
leerachtig. In het voorjaar verschijnen gele bloemen, die één of tweehuizig
zijn. De vruchten, zijn glanzend zwart en hebben één pit.
De plant is
in de vollegrond zeer onvoorspelbaar. Het éne jaar vriezen ze af tot bij de
grond en komen in het voorjaar vanuit de basis weer omhoog. Terwijl ze in een
ander jaar (met vergelijkbare winter) geen enkele schade hebben opgelopen. In
mijn straat staat een laurier al zeven jaar zonder enige beschutting en hij is
al drie meter hoog.
De plant op
een beschutte plaats uitpoten is zeer verstandig. Ook deze wintergroene plant heeft
een hekel aan droge, koude winter en voorjaarswind (meestal uit 't oosten).
Eventuele vorstschade netjes met een snoeischaar wegknippen in het voorjaar is
het enige onderhoud. De plant groeit daarna ook compact.
Een lelijk
verschijnsel zijn de zwarte bladeren, dit zwart maakt niet de plant maar
roetdauw. De roetdauw "leeft" van de uitwerpselen van schild of
dopluizen.
Er is nog een
sterke soort naast Laurus nobilis, te weten Laurus lansetiana. Deze heeft
wilgachtige bladeren, die mooi gegolfde randen hebben.
Bij iedereen
zijn de magnolia's bekend. De bomen of struiken, bijna ieder voorjaar hun
prachtige bloemen laten zien. Helaas vallen veel van deze bloemen ten prooi aan
de vorst. De meeste soorten hebben alleen hun prachtige bloei als
pluspunt. Een helaas weinig bekende
soort is de Magnolia grandiflora. Hij heeft zoals de naam aangeeft grote
bloemen, bestaande uit 6 leerachtige bloembladen, die een doorsnede tot 25
centimeter kunnen hebben. De bloemen zijn eerst lichtgeel en verkleuren later
naar wit. En de geur is heerlijk. Nog een voordeel, hij bloeit niet in één keer
met alles of niets, nee hij verkiest over een lange periode van minder
uitbundige bloei. Een nadeel tot slot: het duurt vaak 10 tot 15 jaar voordat de
bomen gaan bloeien, maar er zijn echter ook planten bekend, die eerder
bloeiden!
In de meeste
winters laat de boom zijn prachtige leerachtige bladeren zitten, kortom een
sierraad voor een grote tuin. Hij verdraagt snoei goed, zo goed als hulst. Maar
pas op want hij bloeit op éénjarig hout!
Vermeerderen
uit zaad. Er zijn zelfs kruisingen ontstaan in een Nederlandse tuin, waar
meerdere soorten stonden. De zaden groeien in een vruchtdoos, die eruit ziet
als een gezwel. De vruchtdozen dienen te worden gepeld en na een koude
behandeling (zaad een paar weken in de koelkast in vochtig zand), kunnen ze
worden uitgezaaid.
Zonminnende
planten droog
De beste
plaats voor deze planten is een tuin op het zuiden.
De planten
komen uit woestijn of steppeachtige gebieden verdragen in de winter absoluut
geen vocht en tijdens de zomer hoeft de grond ook niet al te vochtig te zijn.
Het liefst
uitplanten als de grond al redelijk is opgewarmd (in het late voorjaar, begin
zomer).
Jonge en
kleine planten kunnen worden afgedekt met een glasplaat.
Niet mulchen,
want mulch houdt te veel vocht vast. De planten kunnen ingepakt worden met
vliesfolie of tijdelijk worden beschermd met noppenfolie, maar als de planten
goed zijn geplant (verhoogd plantbed) in een uiterst doorlatend grondmengsel
zal voor de meeste van deze planten geen de winter geen probleem zijn.
Een ver
overstekende dakrand op het zuiden is helemaal een voordeel.....
Voorbereiden
van een cactus- en succulententuin
In het
algemeen hebben we al beweerd dat drainage bij zonminnende planten als eerste
verzorgingseis naar voren komt. Voor cactussen en agaven telt dit misschien wel
in het kwadraat. Verder stellen deze planten nog een aantal bijzondere eisen om
tot een succesvolle plantengroep voor de Nederlandse tuin te gaan behoren.
Nogmaals een
hoge grondwaterstand is dodelijk en ook een ondoordringbare laag leidt tot een
te vochtige bodem. Dit laatste komt nogal eens voor in nieuwbouwwijken. De
ondoordringbare laag dient volledig te
worden verwijderd een meter diep spitten kan geen kwaad en extra drainage gaten
boren met een grondboor en deze vol gieten met grof grind als extra geven een
goed resultaat.
De grond moet
verder zeer voedselarm zijn, hierdoor groeien de planten langzaam en dat zorgt
voor een veel betere overlevingskansen in onze vochtige winters!
Om dit alles
te bewerkstelligen werk ik dikke lagen puin van een steenhouwerij/beeldhouwer,
het liefst zwart marmer. Dat zwarte marmer houdt de warmte goed vast zeker als
de planten ietwat tegen een "helling" op het zuiden worden geplant.
Verder heb ik het geluk, dat mijn tuin op zandgrond ligt. Op de laag marmerpuin
komt een laag van ca. 15 cm. dik zandgrond, geelzand en fijn grind.
Zandgrond
draineert goed, klei daarentegen nauwelijks. De zanderige tuingrond vermeng ik
nog met geelzand en fijn grind. Rondom de hals van de planten ligt een laagje
grind, als een cactus zijn schijf in de winter op de grond laat rusten dat
blijft het door het laagje grind droger onder de schijf. Vocht leidt onherroepelijk tot rottende
schijven. Wellicht is obsidiaan een goede vervanger van het laagje fijne grind,
dit is een zwarte glasachtige "grondsoort" die bij
vulkaanuitbarstingen gevormd wordt. Ik
vermoed dat dit nog meer warmte vast zal houden.
Gunstige
plaats voor cactussen en succulenten
De planten
houden van zon, meer zon, meest zon en nog meer zon!. De beschutting van een
huis liefst met een overstekende dakrand op het zuiden is ideaal. De
overstekende dakrand houdt de neerslag tegen en de muren van een huis stralen
altijd wat warmte uit, zeker als de zon schijnt.
De planten op
een ietwat schuine helling planten, uiteraard zuid laag, noord hoog, geeft nog
meer warmte opslag en het kan deze planten niet warm genoeg zijn.
Extra
maatregelen
Veel Opuntiasoorten
kunnen veel vorst verdragen, er zijn zelfs soorten, die tot in Canada
voorkomen!
Als de
planten in hun "vertroetelbed", als hierboven zijn aangeplant dan
zijn er redelijk veel cactussen en zelfs agaven aan te kweken.
In
tegenstelling tot bij andere subtropische planten, dient de winterbescherming
niet te bestaande door er mulch of ander "spul" rond de plant te
leggen, dit geeft alleen maar kans op ophoping van vocht De enige goede
maatregel is het aanbrengen van glasplaat, doorzichtige golfplaat, of een
plexiglasplaat over de planten aanbrengen, de bedoeling hiervan is dat de
planten niet door neerslag worden gegeseld. De wind moet onder de glasplaat
door kunnen waaien, drogen. Het aanbrengen kan in november gebeuren en eind
februari weer worden weggenomen, een beetje afhankelijk van de
weersomstandigheden.
Mochten door
alle goede verzorging toch rotte plekken op de plant komen, dan moeten deze
rotte delen direct worden verwijderd tot op het gezonde plantdeel, de wond kan
het beste worden behandeld met houtskoolpoeder. Zo'n rotte plek kunt u
herkennen door een vreemde glans op de plant, als de "huid"
gemakkelijk verdwijnt ziet u daaronder en vies slijmerig groen papje en dan is
het dus mis. Er is trouwens een "vreemd" verschijnsel bij b.v. Opuntia
humifusa, om de winter te overleven verschrompelen de schijven, dit is echter
een heel natuurlijk proces, niet ingrijpen dus! Later in het voorjaar
"pompen" de schijven zichzelf weer op en komt de plant weer helemaal
"terug".
Agaven zijn
extra gevoelig want de regen kan in de bladoksels blijven staan en vooral voor
hen is een dek met een plaat aan te bevelen, temeer daar ze over het algemeen
minder winterhard zijn dan de Opuntia's.
Al jaren
staat er een Opuntia in mijn tuin, mijn eerste reactie: "Dit kan niet, een
cactus in de vollegrond, laat me niet lachen!". De planten nam ik mee van een vriend uit Holbæk Denemarken. Hij
zei: "Deze cactussen heb ik al jaren buiten staan." Zelfs deze
betrouwbare vriend, deed me het experiment met frisse achterdocht beginnen.
Nu, het is
een betrouwbare bloeigrage bondgenoot. Ieder jaar komen er meer mooie grote
gele bloemen in de Opuntia.
's Winters is
het echter net een oud verschrompeld mannetje/vrouwtje. Je denkt dan al gauw:
"Zou hij/zij het halen?"
Veel van deze
soorten stammen uit Amerika en de Opuntia compressa is zelfs ingeburgerd op
sommige plaatsen in Zwitserland.
De plantjes
worden ongeveer 20 cm hoog, en bloeien elk jaar rijker, de grote gele bloemen
ontluiken in juni en juli. Alleen na een bijzonder strenge winter wil de bloei
achterblijven, omdat dan ook de schijven beschadigd raken.
Deze eigen
winterharde schijfcactus kent nog een paar "echte" cactussen b.v. Tephrocactus russelli en Opuntia
gracilis deze zijn misschien iets winterhard, maar bij perfecte drainage meer
dan het proberen waard!
In de KEW
gardens zagen we de volgende Opuntia soorten: O. boldingii, O. haematocarpa, O.
lindheimeri, O. linguiformis, O. macrocentra. Deze waren uiteraard op perfecte
plaats uitgeplant en we nemen aan, met sublieme drainage (KEW kennende).
Op andere
plaatsen in Nederland wordt met diverse andere Opuntia's gekweekt hieronder een aantal van de meest
winterharde of iets minder winterharde maar wel mooie soorten, deze laatsten
verdienen dan wel een glasplaat in de winter. O. angustata, O. antillana, O.
armata, O. atrispina, O. basilaris humistrate, O. basilaris lubrica, O.
corrugata, O. erinacea utahensis, O. fragilis, O. grandis, O. lagunae, O.
littoralis, O. lubrica, O. ovata, O. phaeacantha phaeacantha*, O. phaeacantha
camanchica*, O. phaeacantha discata* (zeer grote schijven), O. phaeacantha
"Longispina"*, O. pottsii, O.
scheeri*, O. stricta, O. woodsii
De genoemde
soorten zijn het proberen waard.... echter lang niet alle cactussen zijn
gemakkelijk te verkrijgen op de Opuntia humifusa na, zaden zijn wel te
verkrijgen vooral vanuit de V.S. de bakermat van deze planten. Het importeren
van planten vanuit de V.S. naar Europa vereist nogal wat (kostbare)
handelingen.
Vermeerderen:
De planten zijn zeer gemakkelijk te vermeerderen. De schijven wortelen als
vanzelf: schijf netjes afknippen of afsnijden de wond een paar dagen laten
drogen en daarna oppotten in arme goed doorlatende grond. Het is mij zelfs
gelukt om de plant in de volle grond te vermeerderen. Beter is het om de jonge
planten het eerste jaar binnen te overwinteren op een lichte koele plaats.
Voor optimale
verzorging, zie: voorbereiden, gunstige plaats en extra maatregelen.
De agaven
verdienen meer verzorging dan de bovengenoemde Opuntia's. Zij zijn veel
gevoeliger voor vocht en hebben dus ook minder weerstand tegen ons klimaat. De
voorbereiding en verzorging van de agaven dient dan ook optimaal te zijn!
De beschreven
agaven zijn veel kleiner dan de bekende agaven (Agave americana), die in kuipen
worden gekweekt, maar ze zijn zeker de moeite van proberen waard.
Planten zijn
moeilijk te verkrijgen maar gelukkig kunnen ze gemakkelijk worden vermeerder
uit zaad of door het afnemen van uitlopers. Wacht wel met uitplanten totdat de
plantjes een redelijk formaat hebben. Deze agaven hebben voor zover mij bekend
nog geen zaden gemaakt in Nederland, trouwens als ze gaan bloeien dan sterft de
bloeiende plant af. De uitlopers blijven wel leven.
Agaven, die
aanmerking komen:
Agave utahensis
afkomstig uit Nevada, Arizona, Californië en Utah (V.S.), de bladeren zijn 2 á
3 cm. breed en de rozet wordt ongeveer 30 cm. in doorsnede. Gedrongen groei,
vooral bij Agave u. utahensis. Er zijn nog een paar ondersoorten: Agave u.
eborsipina, Agave u. kaibabensis, Agave u. nevadensis.
Agave parryi
heeft korte brede bladeren eindigend in een scherpe bruine stekel. Ook deze
mooie plant groeit compact. Ook hier zijn een aantal ondersoorten: Agave p.
couesii, Agave p. huachucensis, Agave p. parryi, Agave p. trunctata.
Nog een paar
mooi agaven, die het proberen waard zijn: Agave toumeyana, Agave schottii.
Voor optimale
verzorging, zie: voorbereiden, gunstige plaats en extra maatregelen.
Ook yucca's
geven een extra dimensie aan een tuin met succulenten en cactussen. Er worden
sinds lange tijd al yucca's gebruikt in de Hollandse tuinen. De Yucca
filamentosa wordt veel toegepast . Deze plant is volkomen winterhard en geeft
met zijn puntige bladeren een redelijk desert gevoel, maar het kan beter.
Iets minder
vaak wordt de Yucca gloriosa toegepast, deze breed uitgroeiende Yucca is minder winterhard dan de vorige maar
overleeft toch vrijwel alle Nederlandse winters, zeker als voor goede drainage
is gezorgd. De Yucca gloriosa maakt naar verloop van tijd een stam. Er is ook een bontbladige (geelgroen)
op de markt Yucca gloriosa "Variegata".
Al de
genoemde yucca's maken prachtige bloemstengels in de zomer, mits de zomer wel
lekker warm en zonnig is.
Andere zeer
opvallende stamvormende yucca's zijn de Yucca thomsoniana, na zeer lange tijd
wordt er een meer dan manshoge stam gevormd. De afgestorven bladeren blijven
rond de stam zitten en hangen schuin naar beneden, de plant wordt zo goed
beschermd tegen de elementen.
De Yucca
rostrata groeit misschien nog minder snel dan Yucca thomsoniana, de bladeren
van deze soort zijn blauwgroen, een prachtige soort. Deze laatste twee zijn
echter niet bestand tegen onze koudste winters en moeten in barre tijden
beschermd worden met luchtig isolatiemateriaal en wel van top tot teen. Ik raad
aan de isolatie weg te halen als de ergste vorst voorbij is. Voor de gokkers
onder ons is wellicht de "Joshua tree" ofwel Yucca brevifolia uit te
proberen, maar zoals u zult begrijpen kan deze Yucca nog minder vorst verdragen
dan de voorgaande twee, maar misschien op een optimale plaats......
Tot slot twee
kleine Yucca's, die geen stammen vormen. Ten eerste Yucca glauca, deze
blauwgrijze mooie Yucca heeft bewezen tamelijk winterhard te zijn. Er zijn
zelfs planten die zaad hebben gevormd in Nederland het moet nog blijken of het
zaad kiemkrachtig is, maar het is een mooi teken.
De tweede
lage Yucca is Yucca baccata, deze heeft een totaal ander voorkomen dan Yucca
glauca. Hij groeit veel meer gedrongen, heeft breder blad groen met roodbruine
streep. Yucca baccata eist een optimale plek in de zon met optimale drainage.
Voor optimale
verzorging, zie: voorbereiden, gunstige plaats en extra maatregelen.
Y. aloifolia (?);
Y. angustissima;
Y. arkansana (= Y. glauca var. mollis);
Y. baccata;
Y. baileyi (= Y. standleyi);
Y. brevifolia (?);
Y. campestris (=Y, glauca var. gurneyi);
Y. carnerosana (???);
Y. constricta (= Y. tenuistyla);
Y. desmetiana (mogelijk Y. aloifolia X Y. filamentosa) (?);
Y. elata (?) (= Y. angustifilia var. radiosa);
Y. faxoniana (?);
Y. faxoniana X glauca;
Y. filamentosa;
Y. flaccida (ook de bonte var.n);
Y. flexilis (mogelijk Y. aloifolia X flaccida) (?);
Y. freemanii (= Y. filamentosa? Y. louisianensis?)
Y. glauca;
Y. gloriosa (incl
bonte variëteiten; = Y. aloifolia X filamentosa?));
Y.
harrimaniae;
Y. intermedia
(hoort bij de 'glauca-groep);
Y. kanabensis;
Y. karlsruhensis (=Y. flaccida X glauca);
Y. lousianensis (= Y. arkansana var. paniculata);
Y. nana;
Y. navajoa
(dwergvorm van Y. baileyi);
Y. neomexicana;
Y. pallida;
Y. recurvifolia (= Y. aloifolia X Y. flaccida?
mogelijk cultivar van Y.
gloriosa);
Y. rostrata;
Y. rupicola (?);
Y. schottii (?);
Y. smalliana;
Y. thomsoniana;
Y. thornberi (?) (= Y. baccata var. thornberi);
Y. torreyi;
Y. treculeana
(?);
Y. utahensis
(= Y. elata var. utahensis);
Y. verdiensis
(ook verwant aan Y. elata).
Als deze reus
op de juiste plek staat kan hij bladeren produceren van 2,5 m doorsnede! Het is
de moeite waard om 'm te proberen als u veel ruimte hebt, hoewel de Gunnera wat
ons betreft best in een wat kleinere tuin aangeplant mag worden, mits er wel
vooraf wordt nagedacht waar deze stevige jongen komt te staan. Meestal wordt de
Gunnera tinctora (chilensis) aangeboden, deze is ietwat winterharder dan de
Gunnera manicata (uit Brazilië). De
jonge bladeren worden in Zuid-Amerika gegeten.
Deze plant
uit Zuid-Amerika kan tot 10 graden vorst hebben, maar moet wel goed gedekt
worden, de "neus" (groeipunt) drooghouden (b.v. met een oude mand op
de kop over de "neus" leggen) gedurende de wintermaanden. Op die oude
mand komt een dikke laag stro of droog blad te liggen. In het voorjaar het blad
verwijderen en bij vorstgevaar de bladeren afdekken met b.v. noppenfolie (mag
slechts voor een korte tijd).
Het is een
prachtige contrastplant met bamboe (die niet te nat mag staan!), maar met een
beetje geven en nemen lijkt het al snel een jungle.
Om goed groot
te worden moet de plant in het voorjaar goed bij worden gemest met oude koemest
of iets dergelijks. Verder houdt 'ie ook van zon en veel warmte.
Als u echt
geen ruimte hebt kun je de kleine "zus" uitproberen: De Gunnera
magellanica is een bodembedekker die nauwelijks opvalt. Eigenlijk gewoon een
hebbedingetje. Deze houdt niet van zon maar van halfschaduw een vochtige maar
geen natte grond en 's winter ook afdekken maar dat hoeft niet zo rigoureus als
bij de grote broer.
Vermeerdering:
De planten kunnen in het voorjaar gedeeld worden. Een stuk van een forse plant
(met groeipunt; alwaar een blad tevoorschijn komt) met een scherpe spade
afsteken en poten leidt vrijwel altijd tot succes. Er hoeven niet eens veel
wortels aan de pol te zitten.
Let op bij
deze platen zijn zowel droogte als vochtminnende planten.
Er bestaan
veel aronskelken en veel van deze planten verlangen een tropisch of subtropisch
klimaat.
Er zijn
echter drie uitzonderingen: Slangewortel (Calla palustris), Kalmoes (Acorus
calamus) en de Italiaanse aronskelk (Arum italicum), die inheems zijn. Kalmoes
is een uit Azië geïmporteerde plant, met niet zo veel sierwaarde, maar hij is
nuttig omdat hij water zuivert. Ook de slangewortel is een oeverplant, die van
natte voeten houdt. Hij is erg zeldzaam, maakt mooi blad en aparte bloemen in
het voorjaar. De gevlekte aronskelk, die eigenlijk alleen in het zuiden des
lands voorkomt. Hij geeft ook mooie bloemen, die later gevolgd worden door
oranje bessen. Zeker een opvallende verschijning in de Zuid-Nederlandse bossen.
Als tuinplant slaat hij geen slecht figuur.
Arisarum
proboscideum is een kleinood voor een beschaduwde plaats. Een heel klein
plantje, wat een mooi klein bloemetje met een lange "muizen" staart
maakt. Het kleurverloop is van bijna zwart naar crème wit.
De
(sub)tropische aronskelken zijn nog opvallender. Zantedeschia aethiopica houdt van een voedzame grond, waaruit dit
knolgewas met enorme kracht omhoog schiet met decoratief blad en prachtige
grote bloemen. Variëteit "Crawborough" is behoorlijk winterhard
evenals "Green goddess" die wat groter wordt, maar een minder
opvallende bloem heeft, maar daarentegen weer een opvallende grote witte vlek
op z'n blad heeft. Evenals de inheemse Arum maakt deze ook bessen, knip daarom
de bloemen niet direct af. De plant verdient wel een stevig winterdek, wat pas
gelegd moet worden als de bladeren door de eerste vorst zijn geveld. 's Winters
mag de plant niet te nat staan, 's zomers houdt hij echter wel van een vochtige
warme zonnige plek. De plant kan ook onderwater overwinteren (als ze 's zomers
in de vijver staan) de groeipunt mag niet bevriezen, dus zeker 25 cm. onder
water overwinteren.
Van iets meer
schaduw houden de uit Japan afkomstige Arisaema's. Ook deze maken heel
aparte mooie bloemen. Ze verdienen ook
een winterdek. A. candidissimum, A. consanguineum, A. flavum , A. urashima en
A. helleborifolium zijn een paar mooie soorten. De laatst genoemde is minder
winterhard (uit India) en moet beter afgedekt worden, de bloem is minder
sierlijk (stinkt), maar de bladeren zijn wel decoratief. Ze zijn echter niet
gemakkelijk te verkrijgen.
Op een droge
plaats voldoet Arum dracunculus goed. Hij maakt een enorme bloem met een
donkerbruin schutblad, die tijdens een paar dagen een vreselijke geur
verspreidt. Dit lokt vliegen aan, een mooi gezicht maar neus dicht. Wil in de
volle zon staan, hoe warmer en droger het is tijdens de bloei, hoe korter en
geurender de bloei. Hij hoeft nauwelijks afgedekt te worden.
Een kleintje,
zo'n slaapkamergelukplantje, maar wel een dankbare. Het slaapkamergeluk kan
misschien ook geluk brengen in de tuin. Het is namelijk een zeer dankbare
bodembedekker, die van een vochthoudende maar niet drijfnatte grond houdt.
Verder groeit 'ie het liefst in de halfschaduw, dus een perfecte
onderbegroeiing bij andere planten. Hij geeft een mooi effect langs
waterpartijen. Slaapkamergeluk heeft geen enkele bescherming aan andere
vorstgevoelige planten in de winter, want hij gaat er bij - 5(C al bruin
uitzien. Hij verliest al zijn blad en sterft af, maar zelfs in de winter van
1996 liepen de planten, zij het wat laat, weer vrolijk uit Het is goed om de
afgestorven plantendelen in het voorjaar te verwijderen. Het blad kan niet
tegen mest!
Vermeerderen:
door scheuren in het voorjaar.
Een leuke
plant, die het in de vollegrond goed doet is de Pittosporum. Hij groeit meestal
struikachtig, soms groeit hij op tot een boom. Het timmerhout is van
uitstekende kwaliteit en het hout is hard.
Op jonge
leeftijd pronkt de plant al met veel gele bloemetjes in trosjes. Na de bloei
ontstaan groene bessen, die later in het jaar oranjegeel kleuren. De grootte
van de bessen is ongeveer 1 à 2 cm doorsnede. De zaden in de bessen zijn
kiemkrachtig. Als u de bes doorsnijdt ziet of voelt u een kleverige substantie
waarin de zaadjes liggen. In het Grieks betekent Pitto (pek of kit)-sporum
(zaad) niets anders dan; zaad in pek of kit. Deze kleverige stof is bedoelt om
zand aan de zaden te doen hechten en zo een goede kieming te bewerkstelligen.
Verder wordt hierdoor ook de termijn van kieming gespreid, er kunnen maanden
liggen tussen het ontkiemen van het éne en het andere zaadje uit dezelfde bes.
De plant is goed te vermeerderen door middel van zaad. Om de jonge planten te
beschermen is het goed de plant de eerste vijf jaar te kweken als kuipplant. Daarna
kan de plant in de vollegrond worden geplaatst, mits hij een mooi wortelgestel
heeft. Enige bescherming tegen koude (winter en voorjaars-) wind is wel nodig.
De banaan
wordt vaak boom genoemd, maar dat is een banaan zeker niet. Hij heeft een dikke
wortelstok, die zich vaak ondergronds verplaatst. De bladeren groeien als bij
een prei (hoewel hij er geen familie van is) en zijn nogal gevoelig voor sterke
wind. Ze scheuren dan en dat komt de schoonheid niet ten goede. De plant vraagt
verder een vochtige goed gedraineerde grond die vol met voedingsstoffen zit.
Een banaan in
de volle grond in onze Lage Landen doet wel zeer subtropisch aan.
Je kunt
bananen als de bekende Musa ensete ieder jaar uit zaad opkweken en als
éénjarige kleine banaan houden (eventueel) laten overwinteren in een kuip, maar
hij vraagt veel opslag ruimte. Maar is een "winterhard" alternatief:
Musa basjoo
De enige Musa
vertegenwoordiger, die met veel bescherming de winter door te krijgen is, is: Musa
basjoo afkomstig uit Japan. Deze soort
banaan wordt in Japan gekweekt voor de vezels. De plant dankt zijn naam aan het doek genaamd
"bashofu". Dit doek werd gebruikt om bijvoorbeeld boeken te binden.
Alle bananen
houden van een zeer voedselrijke grond. Voordat je een banaan plant moet er een
groet gat van 90 x 90 x 90 cm gegraven worden. Daarin moet compost, ruige mest,
bladaarde, beender-bloedmeel, en gewone tuingrond worden gemengd. Dit mengsel
houdt zowel vocht als voedingsstoffen vast en dat is wat de banaan verlangd.
Let er wel op dat de grond doorlatend moet blijven!
Musa basjoo
moet goed beschermd worden want, de bovengrondse delen vriezen altijd weg als
je de plant alleen maar mulcht. Blad kan maar een enkele graad vorst verdragen.
Daar de plant voor een groot deel uit water bestaat bevriezen de cellen direct
en het blad gaat al bij - 2 º C ten gronde, zelfs al duurt die vorst maar een
kwartiertje. Ook de "stam" heeft heel snel te lijden van vorst, maar
omdat de "stam" domweg dikker is duurt het wat langer voordat de
vorst binnenin is gekomen en de "stam" helemaal verpapt.
De
wortelstokken lopen echter ieder voorjaar weer uit. Goed inpakken met dikke
laag stro geeft de plant een groei voorsprong in het voorjaar. In Engeland
hebben we een leuk idee gezien: de plant in het najaar inpakken met stro, maar
om de stro een oude typisch Engelse schoorsteenpijp plaatsen. In Nederland
zullen die schoorstenen moeilijk te verkrijgen zijn, maar een alternatief kan
een dikke gresbuis zijn. De binnenkant van een dergelijke buis moet wel gevuld
worden een isolerend materiaal. En deze vorm van inpakken heeft alleen effect
bij een zachte winter. Dus als een stuk van de "stam" intact blijft
zal de plant nog forser uitgroeien. En vergeet niet te zorgen voor bescherming
van de wortelstokken d.m.v. mulch. Zorg altijd voor een dikke laag mulch op
alle wortelstokken!
Als je heel
geen moeite je teveel is kunnen de "stammen" geheel worden ingepakt,
de kans bestaat dan dat de plant (op de bladeren na) in tact blijft en dan is
een bloeiwijze niet uitgesloten!
Let in het
voorjaar op late nachtvorsten. De jonge bladeren kunnen absoluut niet tegen
vorst en beschermen tegen vorst (gedurende de nacht) is dan wenselijk, alles
wat maar een beetje isoleert voldoet.
Om de plant
een beetje voorsprong te geven is een dikke mest mulch van paardenmest heel
geschikt. De paardenmest zorgt voor broei en levert natuurlijk ook nog eens
voeding.
In het
voorjaar kunt u de dode planteresten weghalen, en stevig mesten met mest
/beendermeel, want de plant is een veelvraat. U zult dan in het hart van de
"stam" "leven" zien, het binnenste voelt stevig aan en
heeft een rosachtige kleur. Er zullen
zich 4 tot 8 enorme bladeren ontwikkelen. Eerste zie je het blad opgerold uit
de "stam" komen en langzaam rolt 'ie zich uit tot een tot 1,5 meter
groot blad en dit kan in een goede zomer iedere 10 dagen gebeuren. Een geweldig
schouwspel!
Na enkele
jaren kan de plant tot 4 meter hoog worden.
Ook tijdens het groeiseizoen vindt deze plant een goede scheut vloeibare
mest heerlijk, stop met mesten in juli.
Hij neemt
veel plaats in, zowel de grote bladeren als de uitlopers nemen op den duur
enkele vierkante meters in beslag. Het kan zelfs zijn, dat de plant bloemen en
zelfs vruchten vormt, maar die zijn (helaas voor de liefhebber) niet te eten.
De bloemen
komen alleen als de plant helemaal vorstvrij is gehouden, iets wat in Nederland
helaas erg moeilijk is. De bloem komt uit de "stam" als er zich na de
grote bladeren en aantal kleinere bladeren ontwikkelen. Eerst ziet u een paars
steenachtig object tevoorschijn komen.
Dit paarse object (mannelijke bloem) hangt aan een groene "tak" die
almaar doorgroeit totdat het object naar beneden komt te hangen. geleidelijk krult
zich een deel van het paarse object zich om en hierachter ziet u een rij
vrouwelijke bloemen. Uit die bloemen zullen zich de oneetbare bananen
ontwikkelen. De banaantjes zijn kleine en groen, met daarin zaden. De
"stam" waaraan de bloeiwijze was gaat dood, maar nieuwe scheuten
groeien vrolijk door.
De plant is
zeer gevoelig voor wind, de bladeren scheuren aan alle kanten als de plant
wordt blootgesteld aan wind, dus zorg voor een zeer beschutte plek om een mooie
plant te kweken. Hij houdt van een warme plaats, maar te veel zon doet de
bladeren lelijk rood verkleuren, dus een mooi beschutte plaats in de
halfschaduw is perfect.
Vermeerderen:
delen van de wortelstokken. Doe dat altijd in het voorjaar en alleen bij zeer
fors uitgegroeide exemplaren.
In China is
een nieuwe soort ontdekt: Musa hookerii. Er zijn nog geen ervaringen mee, maar
het is waarschijnlijk, dat deze Musa ook
wat vorst kun verdragen. De plant is afkomstig uit het Noordoosten van
India, hij groeit in de bergbossen van de Himalaya op een hoogte van ongeveer
1800 meter. Net als de Musa ensete heeft deze banaan een mooie rode basis in
het blad en verder zouden de vruchten van deze soort eetbaar zijn, dit in
tegenstelling tot de Musa basjoo.
Eerst voor
alle duidelijkheid, de naam doet vermoeden dat deze boomvaren uit antarctica
zou komen, maar dit zeker niet het geval. Hij kan juist heel weinig vorst
verdragen! De naam komt van een Engelse botanicus.
Verder doet
boomvaren denken, dat deze varen iets te maken zou hebben met een boom, ook dit
is absoluut niet het geval. Normaal gesproken gaat er door de stam van een boom
een sapstroom van blad naar wortels en omgekeerd. Bij de Dicksonia is dit
helemaal niet het geval. Eigenlijk is de "stam" van de boomvaren een
pakketje humus. Ieder jaar maakt de varen een aantal bladeren en oude bladeren
sterven af. De basis van de afgestorven
bladeren houdt samen met de wortels de humus, gevormd door de afstervende
bladeren, bijeen. En zo wordt de "stam" ieder jaar ongeveer 3 cm.
hoger. Ook de wortels moeten dus meegroeien om de bodem te kunnen bereiken voor
het opnemen van water. Voor de verzorging houdt dit in dat de "stam"
nooit mag uitdrogen!
Een prachtige
verschijning is de Australische boomvaren Dicksonia antarctica. Deze
schaduwminnende plant kan ongeveer 5 graden vorst verdragen. Deze
prehistorische bedreigde verschijning komt uit Tasmanië, alwaar hij goed
beschermd wordt.
Als de plant
zeer goed wordt ingepakt kan hij buiten uitgeprobeerd worden. De bladeren
zullen vrijwel altijd bevriezen ook bij een zachte winter. Veelal worden alle
bladeren afgeknipt voor de winter, zij kunnen tevens dienen als isolerend
materiaal voor het inpakken van de varen. Het inpakken dient grondig te
gebeuren. Om de "stam" worden een paar stokken gezet op ongeveer 20
cm afstand. Omwikkel het geheel met een rietmat, vliesfolie of kippengaas, stort daarna het bouwsel vol met
isolerend materiaal: de afgeknipte bladeren, stro, droog blad, etc. Bij strenge vorst kan het geheel tijdelijk
worden omgeven door noppenfolie. Ik probeer de bladeren te behouden door ze op
te binden.
In de vrije
natuur kunnen deze planten tot 10 meter hoog worden, maar hier zullen ze
misschien de vier meter kunnen halen, wat heel erg lang duurt bij deze zeer
traag groeiende plant..
De grond moet
vochtig maar goed doorlatend en luchtig zijn, als er voldoende vocht is (ook op
de "stam") kan de plant wat zon verdragen, maar schaduw heeft de
voorkeur.
Omdat de
boomvaren in Nederland eigenlijk altijd zijn blad verliest, wat 'ie van nature
niet gewend is, kan de groeikracht in de volle grond langzaam verminderen.
Geleidelijk aan kan de stam steeds dunner worden doordat de plant buitengewoon
veel energie in zijn herstel moet steken, als hij jaren achtereen getroffen
wordt door een strenge winter.
Een mooi
Nieuw-Zeelands broertje is de moeilijk te verkrijgen Dicksonia squarrosa. Deze
kan ook 4 meter hoog worden maar de stam blijft elegant (tot 15 cm dikte). De
bladeren zijn donkergroen en de stam lijkt wel zwart. De plant kan
zijtakken/scheuten maken.
Een
Australische boom die tot 7 meter hoog kan worden, verdraagt zo'n 5 garden
vorst. De boom is wintergroen, nou ja groen... de bladeren zijn meer
zilvergroen. Ze kunnen bij extreme hitte als luxaflex draaien. De bloemetjes
zijn geel (mimosa) de knoppen verschijnen in herfst en de bloemen komen later
(?). De grond moet goed doorlatend zijn maar wel vocht kunnen vasthouden. Er
verschijnen nieuwe cultivars op de markt als: Acacia dealbata
"Subalpina", deze zou tot 17 graden vorst kunnen verdragen.
Een geweldige
kuipplant uit Brazilië, onwaarschijnlijk taai. Op een zeer beschutte warme plek
zal deze geweldige exoot adembenemende rode bloemen laten zien.
De
bovengrondse delen zullen na de winter helemaal weggevroren zijn, maar dat wil
nog niet zeggen, dat de plant dood is. Als hij onder een hele dikke laag stro
is verpakt en de vorst zijn dodelijke werk niet heeft kunnen voltooien dan
lopen de nieuwe scheuten weer vanuit de grond uit. Gelukkig bloeit de
koraalstruik op dit jonge hout dus....
Op een goed
gedraineerde plaats (ook weer niet te droog in de zomer) zal dit experiment
goed kunnen aflopen. Een goede organische mestgift in het voorjaar wordt zeer
oprijs gesteld.
Deze
Australiër wordt in Ierland "uitgemaakt" voor palm. De bladeren
hebben er misschien wel wat van weg, maar een palm is het zeker niet. De
bladeren staan op een tot ca. 2 meter hoge stam, die zich soms vertakt. De
plant kan soms tot aan de grond bevriezen, maar als de plant goed gesetteld is
zal hij weer uit de grond opkomen. Hij moet dan wel weer helemaal opnieuw
beginnen.
Ze houden van
droogte vooral in de winter en dan natuurlijk lekker op het zuiden. Er zijn
verschillende cultivars in omloop maar die zijn niet winterhard.
Een
gemberachtige plant, die zo'n 5 graden vorst kan hebben. De plant sterft 's
winters helemaal af, alleen de wortelstok blijft in de grond, die dan niet al
te vochtig mag zijn. De grond moet goed doorlatend zijn maar wel vocht kunnen
vasthouden gedurende de zomer. Verder is ook deze plant een veelvraat, hij
houdt van mest! De ongeveer 2 meter hoog wordende plant krijgt "vreselijk
mooie geel oranje bloemen, die wel met hun "kop" in de zon moeten
staan.
Een tweede
Hedychium die met veel mulchen te gebruiken is is: Hedychium densiflorum
"Assam Orange". De dertig centimeter lange heerlijk geurende bruin
oranje bloemen, zulleen u doen wegdromen naar de verre Himalaya ergens tussen
de Indiase goeroes.