Oisterwijkse Molens

Figuur 1 Schepenzegel van het oppidum liberum Oisterwijk uit 1259 met burchtteken als symbool van de verkregen vrijheidsrechten. Oisterwijk werd in 1210 gesticht door hertog Hendrik I van Brabant, waarschijnlijk als een geheel nieuwe marktplaats (vicus) los van het hertogelijk allodium Thilburch. In 1230 kreeg Hosterwijch dezelfde stadsrechten als 's-Hertogenbosch, uitgezonderd de tolvrijdom op de Rijn, zie: Bas Aarts, 'Texandrië, van omstreden gouwbegrip naar integratie in het hertogdom,' in: Tilburgse Historische Reeks 1 (1992) 8-42. Foto Regionaal Historisch Centrum Tilburg.

Het rechtsgebied van 'De Enighe van Oisterwijk' omvatte naast Oisterwijk de dorpen Udenhout, Berkel, Enschot, Heukelom en Haaren. Het eigenlijke dorp Oisterwijk (de herdgangen Kerkeind en Lindeind, gezamenlijk 'De Vryheid') telde drie molens in de 17de eeuw :

  1. de windmolen te Kerkhoven
    langs de weg naar Udenhout, eigendom van de familie Cauwenbergh en via erving later Van Hees
     
  2. de korenmolen Ter Nedervonder
    aan de weg naar Haaren, eigendom familie Van Beurden en via erving later Melis, Van Esch en Van Turnhout
     
  3. de water-, ros- en oliemolen Ter Borcht
    langs de Voortse Stroom, eigendom Kievits en via erving later Pijnappel

In de archieven duiken ook kleinere molens op. In het zicht van de Kerkhovense molen stond in de vroege 17e eeuw nog een rosmolen, waaraan later de naam Rosmolenberg herinnerde (Kleine Meijerij 42 (1991) p.16). Binnen de grachten van het goed Weijenberch bevond zich een oliemolen, in 1695 verhuurd aan Lambert Verstijnen en in 1710 aan Wouter Jacobs van Haren. De Tilburger Pieter van Dorst kreeg op 6 maart 1685 een octrooi van de Raad van State voor oprichting van een paardengrutmolen te Enschot (RANB, Rentmeester Generaal 314). In 1755 behoorde deze toe aan de weduwe Gerard Peter van Dorst.
Maththijs van Kannart ten slotte, vroeg op 4 november 1677 een octrooi aan voor de oprichting van een tweede korenwindmolen aent Rietven te Moergestel (RG 18, doc.110). In Moergestel zou zich maar één windmolen bevinden, ver van de dorpskern.

De water- en rosmolen van Heukelom aan de Voorste Stroom wordt al in 1340 vermeld. Udenhout telde drie molens: 'Den Kranken Troost,' ofwel de Zandkantse molen in den Biezenmortel; de Creijtenmolen, en De Loonse Molen.

 


 

Kerkhovense molen

De huidige Kerkhovense molen dateert van 1895-96. Daarvoor stonden er houten standaardmolens, waarvan voor het eerst melding wordt gemaakt in 1369. De buurtschap Kerkhoven wordt overigens al in 1304 vermeld, maar dan als 'Karlichhoven'. Dit duidt erop dat de naam niet naar een kerk verwijst maar naar 'Karels hoeve'.

Aan het begin van de 15de eeuw komt de molen toe aan de familie Back, bezitters van de Oisterwijkse leengoederen Ten Bijgaarde en Ten Eynde. Via vererving komt de molen in 1509 aan Wolfart van Brederode (1495-1548), die tevens het omgrachte huis Duurendaal in Heukelom bezit.

In het eerste kwart van de 17de eeuw is de Kerkhovense molen eigendom van Adriana van Brederode (begraven te Oisterwijk 24 aug 1619) en haar man Hendrik van Riviere, heer van Iseren en Schoonenberge, gestorven te Oisterwijk op 26 december 1621. Ze woonden aanvankelijk in Asten, daarna betrokken ze het huis Duurendaal in Heukelom (aantoonbaar woonden ze daar in 1602 en 1605). Het echtpaar heeft geen kinderen, op een bastaarddochter van Hendrick na: Lucretia van de Rivieren, getrouwd te Oisterwijk op 25 maart 1621 met Roeloff Beyharts, zoon van een schout van Oisterwijk (zie: G. Berkelmans, 'Lucretia van Rivieren,' in: De kleine Meijerij 18-7 (1965) p.69 ev).

In 1618 roept Hendrik van Rivieren een fundatie in het leven voor het onderhoud van twee arme vrouwen. Daartoe was in 1614 een Vrouwenhuyske ingericht aan de noordzijde van het kerkplein in Oisterwijk, tussen de Hoogstraat en het kerkhof (KM 8-5, p.55).
De fundatie werd kennelijk (mede) gefinancierd met opbrengsten van de Kerkhovense molen. Op 14 augustus 1669 geeft Lucretia van Rivieren alle achterstallige cijnzen en renten uit de molen van Kerkhoven, welke gefondeerd sijn bij den heere van IJseren zaliger ten behoeve van twee arme vrouwkens op het kerckhoff tot Oijsterwijck, voor zover Lucretia daarin gerechtigd is, over aan de Heilige Geest Armen der kerk van Oisterwijk, zie KM 8-7 (1965) p.73. Hendrik van Rivieren en zijn vrouw Adriana zijn begraven in de kerk van het vrouwenklooster Katharinenberg te Oisterwijk, onder een verheeven tumbe van swarten marber.

Na de dood van zijn tante Adriana van Brederode (in 1619) verkoopt heer Johan Wolphart van Brederode (1599-1655) op 21 januari 1621 de molen aan Adam, zoon van wijlen Adriaan Willems Smolders uit Loon op Zand. Pachter is dan Philibert Adriaens de Molder, een Cauwenbergh ('s Hertogenbosch - sHo R.1532,163). De molen, zo blijkt bij de verkoop, is belast met een half mud rogge, jaarlijks uit te keren aan het Oude Mannenhuis te Oisterwijk. Deze last werd in 1895 nog steeds geïnd, zie: Wim de Bakker, 'Van Riel, de laatste mulder van de Kerkhovense molen,' in: De kleine Meijerij 21-2 (1970) p.36.
De pachter, Philibert de Molder, betaalde in 1605 de molenpacht tesamen met zijn broer Adam Adriaan Willemssoen, mulder van Venloon en Peter Wouter Coppen, inwoner van Venloon (RO 34 de dato 7 mei).

De erfenis van Adam Adriaan Willems wordt op een nog onbekende datum verdeeld onder zijn vier dochters bij Yke Gijsbertse Couwenbergh: Anna van den Couwenbergh, getrouwd met Adam Marten van Boxtel; Petronella, getrouwd met Adriaan Aelbert Matheeus van Os; Mayken, getrouwd met Jan Cornelis Oirlemans; en Willemken, getrouwd met Jan Jans Somers. Adam, zoon wijlen Marten Jans van Hees alias van Boxtel koopt zijn drie zwagers vervolgens uit, in 1638, 1643 en 1644 (sH R.1549,538, RO 337,36 de dato 15 mei 1643, RO 338,49v de dato 11 aug 1644).

Pachter in 1638 is Geraert Wouters van Rijsbroeck, overleden tussen 5 feb 1656 en 16 april 1668, kennelijk nog altijd als pachter van dezelfde molen. Zijn weduwe wordt in 1668 in Tilburg aangeklaagd wegens het niet betalen van geleverde molenkammen (NO 5269,f.402v de dato 16 april). Hun zoons Jan en Willem zijn eveneens molenaar te Oisterwijk. Jan Gerits Rijsbroeck wordt al in 1665 genoemd als molenaar wonende onder Kerkhoven. Hij is overleden tussen 22 aug 1681 en 20 juli 1682; Willem was wellicht zijn zakelijke partner.
Rond deze tijd ontstaat kennelijk een conflict over de eerdergenoemde fundatie van heer Hendrik van Riviere, die zoals we zagen sinds 1669 werd beheerd door de Heilige Geest Armen van Oisterwijk. In 1683 sturen de regenten van Oisterwijk een rekest aan de Raad van State, met het verzoek om het proces met de inmiddels overleden Jan Gerrits Rysbroeck, molenaar van de Kerkhovense molen, betreffende de H. Geestgoederen, te mogen voortzetten met de erfgenamen, die dat van hun kant weigeren. Zij verzoeken intrekking van de surséance en verlof om met het proces voort te gaan. Kopieën van de brief gaan naar de weduwe Geertruyt; mr. Marten van Hees als eigenaar van de molen; Abraham Verster den Jonghen en Hendrick van Hees als curatoren (RO 434 de dato 20 feb 1683).
Dit vereist meer onderzoek. Wel is al duidelijk dat Rijsbroeck in Oisterwijk te boek stond als notoire belastingdelinquent. In 1669 slepen de schepenen en stadhouder van Oisterwijk hem voor het gerecht in Den Bosch, wegens belediging en bedreiging bij inning van achterstallige belastingen (sH. criminele procesdossiers 64-6).

Tussen 1653 en 1665 komt de molen in handen van meester Marten Adam van Hees (c. 1620-1686), notaris te Oisterwijk. Zijn kinderen bij Maria Johan Peynenborch verkopen 4 mei 1686 hun rechten in de helft van de molen aan Jan Philibert Cauwenbergh. Het goed is dan onder meer belast met de helft in drieënhalve mud Oisterwijkse maat aan de H. Geest; de helft in een malder rogge reductie betaald met 4 gulden 10 stuiver aan het Mannenhuys; de helft in 6 mud rogge betaald met 36 gulden aan de fundatie van de heer van Iseren. Op 4 mei 1686 belooft Johan Philibert Cauwenberch de evicteur 1115 gulden (sH, R.1050,202).
Deze Jan Philibert Cauwenberch is gedoopt te Oisterwijk op 3 maart 1622, en begraven te Tilburg op 11 okt 1692. Zijn vader Philibert Adriaan Willemszn is de bovengenoemd pachter van de Kerkhovense molen (zie boven en De Brabantse Leeuw 21 (1971) p.179-181.

De andere helft van de molen wordt op 21 november 1701 verkocht aan Jan Jan Cauwenbergh, zoon van de voorgaande. Verkopers in het laatste geval zijn Gijsbert & Cornelis 'beyde soonen van Maarten Adams van Hees' en Thomas van Beurden, voogd over de onmondige kinderen van Maarten van Beurden verwekt bij Adriana, dochter van Maarten Adams van Hees (RO 406,250,31).
Deze Jan Jansz Cauwenbergh was gedoopt te Venloon op 9 sep 1651 en getrouwd te Oisterwijk op 2 feb 1687 met Anna Cornelis Verstijnen. Haar vader was molenaar geweest op de watermolen Ter Borch te Oisterwijk. Hij werd daarin in 1694 opgevolgd door zijn zoon Lambert Verstijnen.

De lasten die op de molen rusten worden bij de verkoop in 1701 nog eens opgesomd: 1 lopen rog aan het Arme Manhuis en 12 gulden aan de Beurzen in Den Bosch. Ook dit laatste bedrag wordt in 1895 nog altijd jaarlijks uitgekeerd aan het kantoor der Studiebeurzen te 's-Hertogenbosch (Notaris J.Fl. van de Mortel 82,f.189v-vak7, de dato 27 mei 1895 te Tilburg).

Op 26 november 1701 geeft de Raad en Rentmeester Generaal, Philip van Borssele van der Hooghe, heer van Geldermalsen, een deurwaarder opdracht om de molder vanden wintcorenmolen van Karckhoven onder Oysterwyck te arresteren als hij met zijn kar door Udenhout rijdt om graan op te halen. Dit gaat ten koste van de Udenhoutse molens, zoals binnengekomen klachtbrieven aantonen (Rijksarchief Noord-Brabant, Archief van de raad en rentmeester generaal der domeinen, inv.nr. 314, doc.21).

Een notariële akte uit 1703 verwijst naar een zaak aangespannen voor de Raad van Brabant in Den Haag door de erfgenamen van Marten van Hees tegen Johan Cauwenbergh, molder op de Kerckhovense molen om tot voldoening te komen van kooppenningen van de molen (NA 5291,f.41 de dato 15 december).

In 1708 laat Barthold van Slingeland, rentmeester der Geestelijke Goederen, de molen in beslag nemen wegens wanbetaling van een rente van 19 gulden aan het Convent van Oisterwijk en 4 gulden 10 stuiver aan een beneficiealtaar in de kerk aldaar. De molen wordt doorverkocht aan Johan Maurits van de Poll van Poelwijk, heer van Hedel, voor 2700 gulden. Andere genoemde lasten die op het goed rusten zijn een grondcijns; 2 gulden 10 stuiver aan de Armen van Oisterwijk; 6 gulden reductie rogge aan de erfgenamen van Johan de Weer; 36 gulden reductie rogge aan een armhuysken bij Heer en Vrouwe van Iseren gefondeerd aan het kerckhof van Oosterwijck; tweeënhalf mud rogge; pacht van 1 mud rogge aan de Armen van Oisterwijk; 1 mud rogge aan het Sieckgasthuys; 8 loopens rogge aan het Arm Manhuys te Oisterwijk (sH.R.1696,f.228, de dato 15 november).

In 1714 wordt de molen verkocht aan Abraham Hubert raad en regerend schepen van 's-Hertogenbosch (sH.R.1709,f.66v de dato 14 juli).

In 1717 wordt door de erfgenamen van Jan Janssen Couwenbergh 266 gulden 5 stuivers 4 penning voldaan, in mindering van voorwaarden van verkoping op 28 augustus 1707 als restant van de kooppenningen aan de erfgenamen van Martin van Hees van 988 gulden (sH.R.1701,f.129v de dato 20 augustus).

Michel Hubert, koopman te Rotterdam, verkoopt op 24 oktober 1752 de schoonen en welgelegen koorn windmolen met de steenen daarop leggende, mitsgaders sijn molenhuysinge, schuur, hoff, boomgaert, acker, teul, hooy, wey en groeslanden daaraan tsamen omtrent 40 loopens aan de broers Antony en Johan van Heeswijk, inwoners van 's-Hertogenbosch (sH.R.1741,f.248v de dato 24 oktober). Na een periode waarin de molen wordt verhuurt aan Petrus van Riel, neemt ten slotte in 1790  Francis van Heeswijk de molen zelf in gebruik (KM 21 (1970) p.39). Hij sterft in 1798, waarna de molen overgaat naar zijn weduwe Jacomijna Bolders, die hertrouwt met Wilhelmus van de Meerendonck. Deze laatste maalt de molen vanaf ongeveer 1800 tot zijn dood in 1812. Zijn stiefdochter Maria van Heeswijk verkoopt het goed in 1834 en 1836 aan de joodse koopman Aron van den Mijdenberg. Hierna volgen Johannes Sprangers, Antonie Sprangers (gest. 1893) en Maria Dielemans-Sprangers.

Op 5 april 1895 brandt de houten Kerkhovense molen tot aan de grond toe af, waarna Maria Dielemans-Sprangers de restanten verkoopt aan Helena Vekemans, weduwe van molenaar Willem van Riel uit Dongen. Tussen 25 mei 1895 en 10 januari 1896 verrees een nieuwe stenen stellingmolen op dezelfde plek. Bij een tweede brand in 1912 ging het binnenwerk van dit nieuwe bouwsel in vlammen op. Adrianus van Riel was eigenaar van 1902 tot zijn dood in 1929, gevolgd door Adrianus Josephus van Riel vanaf 1929. De gemeente Oisterwijk is sinds 1953 eigenaar, tot de stichting De Kerhovense Molen het gebouw in 1993 aankoopt voor een symbolisch bedrag. In 1996 is tijdens herstelwerkzaamheden verkoolde grond aangetroffen onder de huidige molenvloer, maar geen concrete resten van de oude houten standaardmolen, zie Jan Schiers en Wim de Bakker, Kerkhovense molen Oisterwijk (Oisterwijk 1999) p.8..

Genealogisch overzicht: Kerkhovense Molen.pdf

 

De molen ter Nedervonder

Op 31 januari 1607 koopt Aryaen van Beurden alias Jongbloedt (geboren 1558, overleden vóór 28 september 1649) de molen van de erfgenamen van wijlen Wouter Jans van der Veken. Hij was tevens mulder geweest op de windmolen van Esbeek op het Spul onder Hilvarenbeek, waarvan hij in 1591 een vijfde deel kocht van zijn schoonzoon Gerrit Woutersz. van der Veken, gehuwd met zijn dochter Anna ('s Bosch R.1430, f.382). Hij verkocht dit deel weer in 1595. Vanaf 1602 pacht hij met zijn broer Peeter van Beurden de watermolen van Nieuw-Herlaer en de windmolen aan den Dungense Cant, beide onder St. Michielsgestel, voor vier jaar ('s Bosch R.1853,f.238). Ten slotte koopt hij 6 november 1611 de helft van de windmolen aan de Hinthamerse poort te 's Hertogenbosch ('s Bosch R.1485,f.65v).

Aryaen had twee zoons bij Adriaentje Jeronimus Claessen: Willem (overleden vóór 1641), borgemeester van Oisterwijk 1619 en schepen aldaar in 1632, en Cornelis, die waarschijnlijk de molen in Oisterwijk heeft bemaald.

Volgens een huurcedulle gepasseerd voor notaris Marten van Hees op 3 juni 1652 pachtte Wouter Peters Ketelaers de molen ter Nedervonder van Adriaen van Esch, Adriaen Melis, Cornelis Cornelissen van Beurden en diens broer Jeroon van Beurden. Wouter was 20 september 1615 gedoopt te Oisterwijk als zoon van Peter Claes Janse de Ketelaer en Geritken, dochter van Corstiaen Jan Anthonis Wijten en Lucia Wouter Jan Hessels. Hij was getrouwd met Elisabeth Peter van Baest en overleed voor 30 maart 1669. In 1645 kocht hij een huis aan de windmolen Ter Nedervonder. In 1648, 1651 en 1653 kocht hij nog wat land onder Oisterwijk, en in 1664 verkocht hij de helft van een huis onder Kerkhoven. Via zijn moeder erfde hij een twintigste deel van de Creijtenmolen te Udenhout.

De eigenaren van de molen zijn als volgt te plaatsen: Adriaen Joachim Jansz van Esch was in 1640 getrouwd met Christina, dochter van voornoemde Willem Aryaen van Beurden (huwelijkse voorwaarden RO 396, 15 feb); Adriaen Jan Melis was gehuwd met Anna van Beurden, dochter van voornoemde Willem; Cornelis (gedoopt Oisterwijk 9 dec 1612) en Jeroon (gedoopt Oisterwijk 6 mei 1620) van Beurden waren zoons van Cornelis Aryaen van Beurden en Johanna de Greef, dochter Joorden Jansz.

Op 5 maart 1657 verhuren Adriaan van Esch voor de helft, Jenneke huisvrouw Jeroon Cornelissen van Beurden en genoemde Adriaen van Esch en Adriaan van Beurden als momboiren van de onmondige kinderen van wijlen Adriaan Melissen voor de andere helft, aan Marcelis Jan Marcelissen voor vier jaar de windmolen Ter Nedervonder, tegen 20 mud rogge en 2 mud boekweit, elk mud gerekend voor 16 lopen bossche maat, per jaar en op de molen rustende lasten (Notaris Marten van Hees 5260, f.56).
Op 19 april 1661 verhuren Adriaen van Esch, man van Christina, dochter wijlen Willem van Beurden, Adriaan van Beurden toeziender over de kinderen van wijlen Adriaan Melis 'daer moeder aft was Anneken dochter wijlen Willem van Beurden' de molen aan Aelt weduwe Huybert Anchems (NO 5264,f.11)

Op 9 maart 1676 volgt een erfscheiding tussen Theodorus van Esch [zoon van Lambert Diercx van Esch], getrouwd met Willemijn Adriaen Melis, Bartel Rijnders en Wouter Peter Wagemakers. Het is nog onduidelijk wie deze laatste twee personen zijn.

Cornelis soone wijlen Jan Gerit Rijsbroecx (gedoopt Oisterwijk 16 mei 1665) huurt vanaf 23 jan 1696 eenen coorn wintmolen met alle hare rechten van gemaal ende toebehoorten genaamt den molen Ter Nedervonder, mitsgaders een woonhuys, schuer, ende aengelegen hof te Oisterwijk voor acht jaren (Notarieel archief Oisterwijk, inv.nr. 5290d. 23 jan). Verhuurders waren Matheus van Hemert, koopman in wijnen, namens zijn vrouw Elisabeth Adriaens van Esch, voor driekwart; en Maria, dochter Adriaan Melis, weduwe Goyaart van der Aa, gewezen schepen van Oisterwijk, voor een kwart. De jaarlijks op te brengen pachtsom bedroeg 20 gulden, 24 mudden rogge en 2 mudden boekweit. Matheus van Hemert was voor schepenen van Oisterwijk 1 mrt 1693 getrouwd met Elisabeth van Esch. Zij is dan weduwe van Jacobus Betings. Maria Melissen trouwde te Oisterwijk 24 sep 1662 met Goyaart van der Aa.

In 1704 wordt de molen voor vier jaar verhuurd aan Adriaan Peeter Schonck, als Cornelis Rijsbroeck deze molen in gebruik heeft. Op 11 mei 1709 blijkt de termijn met vier jaar te zijn verlengd (NO 5291A,1709,4). Schonck was getrouwd met Adriana, dochter van Jan Ariens van Deursen bij Seijken Jan Schapendonk (RO 484, f. 6v-12v dd 18 fev 1717). Haar zuster Helena was eveneens getrouwd met een molenaar: Jan Adriaan van der Sterre (gest.1734), die in 1711 Nicolaes van Reijmelant was opgevolgd als molenaar op de Creitemolen in Udenhout.

Volgens een akte gedateerd 20 november 1716 huurt Adriaen van Dal de windmolen Ter Nedervonder met huis van Geertruy Ermers, weduwe wijlen Bartholomeus van Turnhout. De huur wordt gecontinueerd 15 februari 1720 voor drie jaar. Gertrudis was 31 augustus 1683 te Tilburg gedoopt als dochter van Andries Jan Ermers, borgemeester van Tilburg, en Margaretha Lemnius. Zij trouwde aldaar 21 november 1702 met Bartholomeus van Turnhout, vermeld in 1694 als student aan de universiteit van Leuven, gedoopt Oisterwijk 14 januari 1677 als zoon van Vincentius van Turnhout en Elisabeth Adriaen van Esch. Uit de doopboeken wordt duidelijk dat deze Elisabeth een dochter was van Adriaan Joachim van Esch en Christina Willem van Beurden.

 

De watermolen Ter Borcht

De watermolen wordt verheven in 1536 voor Cornelis Kivits van Vlijmen (1475-1541),

Figuur 2 Wapen van Cornelis Kievits (1569-1615), heer van Terborch, met de roos van Kievits en daaronder de molenijzers van 'Van Poort'.

lakenverkoper te Antwerpen en heer van het aanpalende leengoed Ter Borcht. Hij wordt opgevolgd door zijn zoon Gielis Cornelis Kievits (c.1525-1582), heer van Ter Borcht, lakenverkoper te 's Hertogenbosch en schepen van Oisterwijk 1561 en 1563. Deze wordt op zijn beurt opgevolgd door zijn oudste zoon Cornelis Kievits (1569-1615), heer van Ter Borcht, bij Anne van de Boirt of Poort.

Op 9 november 1619 komt de molen in handen van luitenant kolonel Godevaert Pynappel, om vervolgens op 28 oktober 1633 te worden verheven voor zijn weduwe Aldegonda. De leenomschrijving begint als volgt:

"twee watermolens, den eene wesende eene coorenmolen, ende den andere eene volmolen, als aen malcanderen staende..
[..] item eene rosmolen, ende nu eene olijmolen met eenen molenhuys, hoff, ende stuck ackerlant groot ontrent twee en een half loopen saet achter 't huys gelegen."

bron: RANB, Leenhof van Brabant, inv.nr. 1129,f.1463
Het echtpaar liet twee dochters na: Emerentiana Pijnappel Godevaertsdochter, 27 mei 1625 te 's Hertogenbosch getrouwd met Jan van den Poll, drossaart van Hedel en Empel, rentmeester van de graven Van den Bergh; en Maria, getrouwd met Johan Hunninga,

Figuur 3 De watermolen Ter Borcht te Oisterwijk in 1832. Het complex werd in 1876 gedeeld eigendom van de gemeenten Oisterwijk, Berkel Enschot en Tilburg. In 1924 werd wat er nog van het bouwwerk over was gesloopt. Detail van het kadastrale Minuutplan 1832.

en later met Henry Olivier van Berchhuysen. Marcelis van der Poll, een zoon van Emerentiana, wordt verheven voor Ter Borch op 3 mei 1660.

Het Kommerboek Oisterwijk vermeldt Hendrick Anthonis Stijnen als pachter van de molen in 1636. Anthonis Jan Stijnen huurt volgens hetzelfde document een hoeve Ter Borcht van de weduwe Godevaert Pijnappel. Het Verpondingskohier 1658 uit de archieven van de Raad van State vermeldt Cornelis Hendrick, die wordt aangeslagen voor een 'molderhuys en watermolen', gehuurd van de erfgenamen Pijnappel.
Het schepenbankarchief van Oisterwijk vermeldt Cornelis Hendricx Verstijnen als 'molder op den watermolen alhier' in 1665.

De watermolen, voor de helft eigendom van ene Olyphiers wonend in Parijs en de andere helft van Johan van der Pol, drossaart van de baronie van Hedel, blijkt rond 1694 te zijn geconfisceerd door de Staten Generaal der Verenigde Nederlanden (NO 5290,1694,14, 13 april 1694). Lambert Cornelis Hendrick Verstijnen huurt sinds 13 april 1694 de helft van de watermolen Ter Borcht te Oisterwijk voor drie jaar van Philip Jacob van Borssele van der Hooge, Raad en Rentmeester Generaal der Domeinen van Brabant (NO 5290b). Met ingang van 15 juni 1695 huurt hij tevens de oliemolen gestaen aen den huyse genaemt Weyenborch te Oisterwijk voor vier jaar van Leonart van Eijs, president schepen. Hij betaalt hiervoor jaarlijks 42 gulden (NO 5290c dd 25 juli 1695). Rond 1700 huurt Joseph Nicolaas Tuelincx (Teurlings) de watermolen. In 1721 is Balthus Gerrits Versteynen de huurder en bewoner.

Op 13 juli 1731 wordt de molen verkocht aan Adriaen van Dall. Na een lange tussenperiode komt de molen later weer in handen van de familie Kievits: Hendrik Cievits (geboren 1746) is eigenaar vanaf medio 1769. Hij stamt direct af van Willem Kievits (1472-1556), een broer van Cornelis Kievits van Vlijmen, heer van Terborcht.

 


 

De watermolen van Heukelom

Al in 1340 is aan de Voortse Stroom sprake van een door water aangedreven maalderij. In 1377 wordt melding gedaan van een 'slachmoelen te Hucule', hetgeen duidt op het slaan van olie uit zaden.

In de winter tussen Bamis (1 oktober) en half maart werd de molen aangedreven door water. In de zomer fungeerde deze als oliemolen, aangedreven door paarden. De twee molens werden ook wel aan verschillende pachters verhuurd. Rond 1611 wordt een derde rad toegevoegd ten behoeve van een volmolen. In dat jaar legt het Leenhof van Brabant eigenaar Hendrik de la Rivière een boete op van 150 gulden omdat hij geen toestemming heeft gevraagd voor de bedrijfsuitbreiding van de molen.

Figuur 4 De watermolen van Heukelom in 1832. Het molenhuis lag aan de oostkant van de weg naar Moergestel, op de plek waar tegenwoordig het café Mie Pieters staat. Detail van het kadastrale Minuutplan.

De molen was een leen van de hertog van Brabant. Bezitsoverdracht van vader op zoon of verkoper op koper ging in beginsel gepaard met verhef voor het hertogelijk leenhof, waarbij de leenman het leengoed ontving uit handen van de leenheer. Bij het verhef werd vaak een beschrijving van het goed gevraagd (denombrement). De archieven van het leenhof worden bewaard op het Algemeen Rijksarchief in Brussel (Archieven van het Leenhof van Brabant, periode 1312-1794) en het Rijksarchief Noord-Brabant (Archieven van Raad en Leenhof van Brabant, periode 1591/1648-1811).

De werking van de molen werd in 1869 stopgezet, waarna deze in verval raakte.

bron: A. van den Oord en W. van Oosterhout, Berkel-Enschot-Heukelom: drie zielen en één bestuurlijk hart (Berkel-Enschot 1996)

Verheven aan het Leenhof van Brabant oktober 1592 voor Catharina van Brederode, na de dood van haar broer Wolfert (gesneuveld tijdens het beleg van Geertruidenberg 21 april 1589). Vervolgens verheven december 1619 voor Hendrik de la Rivière (gest. 26 dec 1621) heer van Yseren, Smayenbergen en Schonenbergen, als tweede (sinds 18 feb 1593) man van Adriana van Brederode (gest. Oisterwijk 24 aug 1619). Haar familie was gegoed in Heukelom met het omgrachte huis Durendael en in Oisterwijk met de leengoederen Ten Eijnde en Ter Bijgaerde. Het echtpaar bewoonde het huis Durendael en werd begraven in de kerk van het klooster Catharinenberg in Oisterwijk. Henrick van Riviere, een achterneef van Adriana, was kapitein van een compagnie lansiers in Spaanse dienst, en zoon van Erard van Riviere, heer van Heers, Horpmaal, Jesseren, Wimmertringen etc., bij Johanna van Merode (De Brabantse Leeuw 11 (1962) p.43). Yseren is een gehucht dat grotendeels onder Oud Valkenburg in Limburg ligt, en deels onder Wylre.

De molen wordt op 24 februari 1620 verheven voor Johan Wolphart van Brederode (1599-1655), heer van Cloetingen, Brederode, Vianen, Ameiden en Noordeloos, zoon van Floris van Brederode (gest.1599) & Theodora van Haeften, na de dood van zijn tante Adriana. Hij was gouverneur van 's Hertogenbosch 1630-1655, en stond 1641 aan het hoofd van een gezantschap naar het Engelse hof om voor toekomstig stadhouder Willem II de hand te vragen van Maria Stuart. In 1642 volgde hij zijn zwager Willem van Nassau Siegen op als veldmaarschalk van het Staatse leger. In zijn eerste huwelijk getrouwd met Anna Johanna van Nassau Siegen, geboren Dillenburg 23 feb 1594, overleden Den Haag 7 dec 1636, dochter van Johan de Middelste graaf van Nassau Siegen (een neef van Willem de Zwijger) & Magdalena van Waldeck-Wildungen. Zijn tweede vrouw was Louise Christina van Solms Braunfels (1606-1669), een schoonzus van prins Frederik Hendrik van Oranje. Het is dezelfde Johan Wolphart die door Joost van den Vondel in 1629 of 1630 werd vereerd met het gedicht De Rynstroom:

"Hoe moedigh sal de Rijnsche Leck
Al schuimend bruisen langs Vianen,
Wen Wolphard, wachter van ons heck,
En d'eere der Nassausche vaenen,
Een iongen Soon geboren word,
In wiens gemoed de goude seden
Der overoudren zyn gestort,
En 's Vaders strenge dapperheden;
Een telgh, die weder bloeien doe
Den grysen stam van Brederoe"

Brederode liet vijf dochters na uit zijn eerste huwelijk, maar geen zoon. Die volgde in 1638 uit het tweede huwelijk.

Op 8 maart 1649 verkoopt deze Van Brederode voor schepenen van 's-Hertogenbosch de molen met het recht op de sluizen aan Adriaan Coomans (1579-1651), de laatste katholieke schout van Oisterwijk (sH. R. 1571, 458). In de verkoopakte wordt gesproken over drie molens:

"met daertoe drye raeden sijn daer om cooren te malen, d'ander om saet te slaen ende de derde diendende om laeckenen te vollen met de geregticheijden van te maelen, olie slaen ende vollen, daertoe staende dijcken, sluijsen, dammen ende toebehoorten"

Zoals hierboven reeds is aangegeven, was in 1611 een derde rad aan de molen toegevoegd om lakens te vollen. De pachter wordt ook in de akte genoemd:

"Peter Bernaerts deselven watermolens in pacht ende gebruijck placht te hebben, sijnde daervan de coorenmolen leenroerig aen de leenhove van Brabant en de slagmolen ende volmolen cijnsgoederen"

De korenmolen was dus leenroerig aan het Leenhof van Brabant, voor de twee andere molens moesten cijnzen betaald worden aan de Domeinen van Brabant: 3 gulden voor de één, 5 stuivers 10 penningen voor de ander. In de Bossche protocollen duikt in het tweede kwart van de 17e eeuw regelmatig een Peter zoon van Bernart Peter Ghijsse Wagemakers op. Hij wordt in 1620 genoemd als inwoner van Heukelom, en is veelvuldig betrokken bij de verkoop van goederen te 'Huyckelem omtrent en bij den watermolen.' Hij is zeker vóór 17 maart 1676 overleden, als Bernard z. Peter Beernts Wagemakers, wonende te Boxtel, een gedeelte in een hoeve land te Heukelom omtrent de watermolen verkoopt aan zijn broer Wouter. In 1664 wordt een Lijske, weduwe Pieter Bernaerts, inwoonster van Heukelom genoemd. Hoewel Peter Bernarts in bovengemelde akte als gebruiker wordt aangeduid, sluit dit niet uit dat hij een of meerdere van de molens onderverhuurde aan derden.

De nieuwe eigenaar Coomans wordt voor de molen op 27 augstus 1649 verheven aan het Leenhof van Brabant. (RANB, Leenhof van Brabant,inv.nr. 1129, f.1573) Hij overlijdt op 31 januari 1651 te Oisterwijk en wordt in de kerk van het klooster Catharinenberg aldaar begraven.

Later volgen verheffingen voor Livinius van Dunne, 'licentiaet in de rechten' (7 september, jaar niet genoemd); Engelbert de Cannaart als voogd over Mathijs van Cannaart (13 oktober 1661; hij overleed te Antwerpen 18 sep 1665); Johanna de Roij (4 oktober 1663) en Mathijs van Cannaert (16 oktober 1684 vernieuwd)

Rond 1677 wordt Jan Philibert Caeuwenberchs vermeld als pachter van de molen, die op dat moment eigendom is van Mathijs van Cannart, zie Notaris Charles de Roy, Tilburg, N.17 de dato 11 juli 1678. Wouter Peter Bernaerts, Embrecht Peynenborchs en Adriaen Bucken, inwoners van Laag-Heukelom, getuigen 11 juli 1678 namelijk dat zij molenaar Jan Philibert Caeuwenberchs in 1677 geholpen hebben met het dichten van een gat in de middelste sluisdeur van de watermolen.
Deze Cannart, die 'heer in Turnhout & Beerse' werd genoemd, was gedoopt in Oisterwijk 28 okt 1655 als zoon van Engelbert Frans van Cannart (1629-1665) en Martina Angelina van Dun (1632-1660). Engelbert kwam uit Loon op Zand, Martina was een dochter van Livinius van Dun (overl. Oisterwijk 23 dec 1655), licentiaat in de rechten, en Angela Comans (1609-1632). Deze Angela ten slotte was weer een dochter van Adriaan Comans, kwartierschout van Oisterwijk, die te Tilburg 29 nov 1608 trouwde met Johanna Jan Herman de Roij (overleden Oisterwijk 3 februari 1670). Mathijs van Cannart bezat het huis 'Broeckhoven' te Tilburg en overleed te Oisterwijk 29 nov 1726.

Op 17 september 1689 wordt Jan van den Elsacker, 'molder, wonende binnen dese Vrijheyt van Oysterwijck' door Goyaert Baeten als rentmeester van jonker Mathijs van Cannaart 'gecontinueerd inde huer van enen watermolen bijtaends een corenmolen, olij ende volmolen', met nog een stuk land van 20 loopen saet te Heukelom, voor 4 achtereenvolgende jaren. (RO 707)

Dezelfde rentmeester verhuurt de molen op 3 februari 1693 voor 6 jaar aan Jan Jacob Cornelis Baeten (sic) tegen een jaarlijkse huur van 350 gulden (notaris Arnoud van Loon, Tilburg, N.43, f.10). Als molenaars worden in 1698 vermeld Adriaan en Lucas Baasten, die daar net als hun vader hadden gemaald. Met enig speurwerk is het familieverband als volgt te reconstrueren:

Jan Jacob Cornelis Baasten, getrouwd Tilburg (RK) 1 feb 1665 met Maria Willem Adriaen Burgmans, geboren te Udenhout. Jan woont in 1702 op Loven in Tilburg. Een zoon Lucas wordt te Tilburg gedoopt 17 dec 1670, een tweede zoon Adriaan trouwt Tilburg 6 dec 1700 met Adriaentje Jan Wouters, en een derde zoon Jan Jan Jacob Baesten (gedoopt Tilburg 4 feb 1682) trouwt Tilburg 9 jan 1704 met Helena Philibert Jan Cauwenberg (1687-1713). Een bekende zoon uit dit laatste huwelijk is Albertus Baesten (gedoopt Tilburg 22 maart 1710, aldaar overleden 13 maart 1773), van omstreeks 1754 tot omstreeks 1772 rentmeester van de heer van Tilburg.

Figuur 5 Bidprentje van Albertus Baesten uit 1733.

Op 26 april 1701 huurt Adriaen van Dal de 'coorenmolen, olij ende volmolen, mitsgaders een woonhuys, schuur en hoff' van jonker Mathijs van Cannart voor de termijn van 6 jaar. Van Dal was tevens molenaar van de Kerkhovense molen te Oisterwijk, pachter van de houtschat en vanaf 1716 huurder van de windmolen Ter Nedervonder (RO 708).

De molen ging in de nacht van 29 op 30 november 1713 in vlammen op, na in brand te zijn gestoken door Rachel Hendriks Savrij, weduwe van Jacobus Janssen Ruijtenbeeck, en haar zoon Jan, alsmede de familievriend Matthijs Wilborts uit Tilburg. Deze laatste persoon had op zijn lichaam reeds het Düsseldorfs brandmerk. Op de pijnbank bekende Rachel ook brandstichtingen in Tilburg en Boxtel. Zij werd 14 april 1718 in Den Bosch ter dood veroordeeld voor vagebonderij, bedelarij en brandstichting, en na voltrekking van het vonnis begraven in de put onder de Vughter-galg.

Op 7 december 1716 verklaart Balthus Gerrits Versteynen voor schepenen van Oisterwijk 'de watermolen tot Huyclom' in pacht te hebben sinds 24 juni 1714 (RO 504). Op 28 oktober 1720 verklaart Servaes Loots, 'molenaar op de Huyclomse watermolen' voor dezelfde schepenen met de dood te zijn bedreigd door zijn knecht Michiel Coppens (RO 505)

Op 16 juli 1729 verkoopt Engelbert Francois van Cannart d'Hamale, heer van Uyttengracht, wonende te Oisterwijk, 'eenen coorn en olijmoolen, met sijne sluijsen, ende het reght van een volmoolen' gelegen te Laag Heukelom aan Wouter van Heeswijk (zoon van Andries Peter van Heeswijk, molenaar op de Hoogeloonse molen & Cornelia Stans van Beurden) en Willem van den Abeelen (RO 586)

 

 

Molens in Moergestel

Watermolen van Moergestel
In een Placaet van keizer Karel V wordt in 1545 een graan- olie en lakenvolmolen genoemd, gelegen aan het Stokeind, ten noorden van de dorpskern aan de rivier de Reusel. Eigenaar in 1599 is Aert zoon wijlen Ghijsbrecht Aert Hoppenbrouwers, schout van Moergestel van vóór 1583 tot na 1588. Op 10 december 1616 is deze oud-schout nog in leven, zie NO Lambert van den Hoevel, inv.nr. 1 (II), folio 28v. Aert Hoppenbrouwer is slechts mede-eigenaar van vier watermolens ofte raderen in een huysinge en onder een dak te Moergestel aent Stock, zie sH.R.1477, f.432 de dato 19 juni 1606. Hij deelt het eigendom met Antonia, Gijsbert en Wyerick (ook: Wyring, Wiericx), kinderen van zijn zuster Adriaentken bij Jan Willems van Gilse alias vander Biestraten. In 1616 verkoopt Wyerick een erfcijns uit zijn kwartaandeel in vier watermolens en huysinge onder een dack, corenmolen, runmolen, volmolen en olymolen, zie sH.R.1463,f.387v de dato 8 augustus 1616. Wiering Jansen van Biestraten (begraven Moergestel, RK, op 14 januari 1641) verwekt bij Jenneken Adriaens van Haeren een dochter Adriaantje, die te Moergestel 2 februari 1645 trouwt met Jan Adriaan Daniels de Bresser. Laatstgenoemd echtpaar laat in hun testament (opgemaakt in 1659) een boerderij aan het Stokeind te Moergestel na aan twee zoons: Wiering Jansen de Bresser, en Peter Janse de Bresser. Zij delen de erfenis in 1699, zie De Brabantse Leeuw 22 (1973) p. 150.

In augustus 1651 bezoekt een delegatie van de Raad en Rentmeester Generaal der Domeinen een aantal molens in de streek. Deze 'visitatie' brengt klachten van inwoners aan het licht over de hoge waterstanden die de watermolen van Moergestel, eigendom van ene Hoppenbrouwer, in de wintermaanden veroorzaakt. Ook over de Heukelomse watermolen wordt geklaagd dat het opstuwen van het water in de wintermaanden de weilanden en huizen doet onderlopen. Zie Archief van de Raad en Rentmeester Generaal der Domeinen (RRGD), inv.nr. 438.

Enkele jaren later is de Gestelse watermolen eigendom van Adriaen Soffaerts, oud-schepen van Tilburg. Inmiddels blijkt er tussen oktober en maart niet op gemaald te mogen worden, zie Brabants Heem 31 (1979) pp. 142-160. Adriaen Soffaerts verklaart in 1659 hoe hij de molen via vererving heeft verworven:

Adriaen Soffaerts te Tilburg geeft in een rekest te kennen dat Aert Hoppenbrouwer zijn voorzaat op 20 december 1599 van de rekenkamer van Brabant het bezit verkregen heeft van de watermolen te Moergestel op basis van een recognitiecijns van 50 artois schellingen, om beneden de sluis nog een rad of volmolentje te mogen opbouwen, om daarmee het hele jaar door wollen lakens te kunnen vollen, welk recht hij echter gedurende zijn leven nooit gebruikt heeft. Genoemde suppliant zou dit volmolentje nu graag willen laten optimmeren, omdat de recognitiecijns wel altijd is betaald aan de domeinen. Een van de vier raderen van de oude molen is gebruikt om soms schors te malen. Hij verzoekt nu om het zodanig te mogen veranderen, dat hij ook lakens kan vollen. Rekest en bijlagen worden doorgestuurd naar de rentmeester der domeinen.
Bron: Rijksarchief Noord-Brabant, Resoluties Raad van State, inv.nr.201, folio 31 de dato 22 januari 1659.
Toestemming volgt in februari 1660. De Raad van State staat Soffaerts toe bij zijn watermoken een volmoolen te moogen erigeren, om laakenen daer op te vollen, zie Leen- en Tolkamer nr.133, folio 158 de dato 2 februari 1660 en De Brabantse Leeuw 19 (1970) p. 162. Soffaerts was een van de belangrijkste lakenkopers van Tilburg en was bovendien lakenreder en volder. Hij bracht Spaanse wol van Heusden naar de lakencentra Tilburg, Hoogstraten en Eindhoven, maar reed ook op Antwerpen (geparafraseerd uit Leo Adriaenssen, 'Spaanse wol voor Tilburg' in Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur 17 (1999).

Adriaen Janszn Soffaerts was schepen van Tilburg 1649-1650, 1654, 1656-1658 en borgemeester aldaar 1639-1640. Hij werd op 2 juli 1671 begraven. Hij trouwde in 1629 met Magdalena Alewijns, dochter van Antonis Alewijns (molenaar op de heimolen bij Hilvarenbeek en de watermolen van Goirle) bij Margriet Lambert Jan 's Beckers. Dispensatie voor dit huwelijk was aangevraagd op 27 februari 1629, zie De Brabantse Leeuw 46 (1997) p. 237. Haar broer Adriaen Anthonis Alewijns was schepen van Tilburg, eerst herbergier te Goirle en later lakenkoper te Tilburg. Op 15 mei 1663 (inmiddels weduwnaar) hertrouwt Soffaerts te Tilburg met de 49-jarige Angela de Roy (gedoopt 14 juli 1613, begraven 24 maart 1673), dochter van Herman de Roy, secretaris van Tilburg en Goirle 1602-1620, schout aldaar 1620-1650, notaris te Tilburg, bij Maria van Heyst. Zie De Brabantse Leeuw 4 (1955) p. 75.

Soffaerts verhuurt de molen, zo blijkt uit een notariële akte uit 1670, aan Jan Michielsen van de Crabben, die te Casteren onder Liempde woont. Van der Crabben, zoon van een molenaar uit Vught, was ook mulder van de water- en windmolen te Casteren en is te Liempde begraven op 1 juli 1700. Kennelijk liet hij het beheer over aan zijn zoon, die de molen soms ook onderverhuurde. Gerrit van der Crabben alias Van Roosmalen, overleden Moergestel 26 maart 1724, was mulder te Moergestel op de coorenwatermolen, volmolen ende oliemolen; in 1681 verklaart hij dat hij die al jaren 's winters bemaalde of deed bemalen, zie Schepenbankarchief Moergestel inv.nr. 56, f.3 de dato 20 januari 1681 en De Brabantse Leeuw 10 (1961) pp. 40-41. Gerrit van der Crabben was te Moergestel in november 1673 getrouwd met Anna van den Eynden.

In 1702 is de molen eigendom van Jan Baptist Soffaerts en Adriaan Bogaerts te Tilburg. In januari 1718 geldt Laureys van Heeswijck als molenaar van de watermolen, zie RA Moergestel, inv.nr. 188 (Nr. 1599). In 1832 is Nicolaas van Gorkum eigenaar van de waterkorenmolen; Johannes van de Wouw heeft de oliemolen en een woning naast het molenhuis in bezit, In 1878 stond de molen er nog met twee onderslagraderen, het jaar erop werd deze afgebroken.

 

Windmolen aan het Rietven
In oktober 1678 vraagt jonkert Matthijs van Cannart (1655-1727), heer in Turnhout en Beerse, de Raad en Rentmeester Generaal der Domeinen toestemming om een nieuwe windkorenmolen te mogen bouwen in Moergestel. De beoogde locatie is aan het Rietven, ten noorden van de dorpskern. De inwoners van Moergestel zijn, zo luidt het verzoek, nu namelijk aangewezen op een windmolen die tot wel anderhalf uur reizen staat: ten zuiden van het dorp bij de grens met Hilvarenbeek. Cannaerts wil de molen voor eigen rekening laten bouwen en stelt voor een recognitiecijns te betalen van 6 tot 8 gulden. De Rentmeester stemt in met het verzoek en merkt in zijn antwoord verder op dat de inwoners in het noordelijke deel van de heerlijkheid Moergestel tot nu toe waren aangewezen op de watermolen van Sofferts te Tilburg, die met name in de wintermaanden niet kon worden gebruikt, zie RRGD, inv.nr. 24 folio 27 verso de dato 10 oktober 1678. Enkele decennia later volgt een geschil tussen Cannart (die ook eigenaar was van de watermolen van Heukelom) en andere moleneigenaren uit de omgeving Tilburg. Een proces voor de Raad van Brabant te Den Haag volgt, zie RRGD inv.nr. 19, document 116 de dato 4 februari 1697