Oisterwijkse Molens

Het rechtsgebied van De Enighe van Oisterwijk omvatte naast Oisterwijk de dorpen Udenhout, Berkel, Enschot, Heukelom en Haaren. Het eigenlijke dorp Oisterwijk (de herdgangen Kerkeind en Lindeind, gezamenlijk De Vryheid, telde drie molens in de 17de eeuw :

  1. de windmolen te Kerkhoven
    langs de weg naar Udenhout, eigendom van de familie Cauwenbergh en via erving later Van Hees
     
  2. de korenmolen Ter Nedervonder
    aan de weg naar Haaren, eigendom familie Van Beurden en via erving later Melis, Van Esch en Van Turnhout
     
  3. de water-, ros- en oliemolen Ter Borcht
    langs de Voortse Stroom, eigendom Kievits en via erving later Pijnappel

De water- en rosmolen van Heukelom aan de Voorste Stroom wordt al in 1340 vermeld. Udenhout telde drie molens: 'Den Kranken Troost' ofwel de Zandkantse molen in den Biezenmortel; de Kreitenmolen, en De Loonsche Molen.

In de archieven duiken ook kleinere molens op. In het zicht van de Kerkhovense molen stond in de vroege 17de eeuw nog een rosmolen, waaraan later de naam Rosmolenberg herinnerde (Kleine Meijerij 42 (1991) p.16). Binnen de grachten van het goed Weijenberch bevond zich een oliemolen, in 1695 verhuurd aan Lambert Verstijnen en in 1710 aan Wouter Jacobs van Haren. De Tilburger Pieter van Dorst kreeg op 6 maart 1685 een octrooi van de Raad van State voor oprichting van een paardengrutmolen te Enschot (RANB, Rentmeester Generaal 314). In 1755 behoorde deze toe aan de weduwe Gerard Peter van Dorst.
Maththijs van Kannart ten slotte, vroeg op 4 november 1677 een octrooi aan voor de oprichting van een tweede korenwindmolen aent Rietven te Moergestel (RG 18, doc.110). In Moergestel zou zich maar één windmolen bevinden, ver van de dorpskern.

 

Figuur 1 De drie molens van Oisterwijk op een kaart van Hendrik Verhees uit 1794. Midden in de afbeelding, langs de weg naar Udenhout, de Kerkhovense molen, rechts langs de weg naar Haaren de molen Ter Nedervonder ofwel Kivitsmolen en ten zuidoosten daarvan de watermolen Ter Borgt. Linksonder zijn nog net de raderen van de watermolen van Heukelom zichtbaar. Bron: BHIC.

 

 

Kerkhovense molen

 

De huidige Kerkhovense molen dateert van 1895-96. Daarvoor stonden er houten standaardmolens, waarvan voor het eerst melding wordt gemaakt in 1369. De buurtschap Kerkhoven wordt overigens al in 1304 vermeld, maar dan als Karlichhoven Dit duidt erop dat de naam niet naar een kerk verwijst maar naar ‘Karels hoeve’.

Op 26 jan 1413 verkoopt Arnoldus Houtappel Ghijsbrechszoon een erfpacht van drie mud rogge uit een windmolen te Kerkhoven in Oisterwijk aan de secretaris, terug te kopen binnen zes jaar na Lichtmis aanstaande voor 20 franse kronen per mud. Bruijstinus Bruijstini zag af van vernadering. Bron: sH.R.1188,f.74v-4 t/m 6. Op 18 maart 1424 verkoopt Arnoldus Ghisberts Houtappel een erfpacht van zes mud rogge uit een windmolen te Kerkhoven in Oisterwijk aan jonkvrouw Theodorica van Neijnsel. Bron: sH.R.1194,f.85v-8 en 9.

Op 24 apr 1428 doen schepenen van ’s-Hertogenbosch uitspraak in een geschil over het maalrecht van molens onder Oisterwijk, gerezen tussen molenaars Godschalk Roesmont, Aarnt Houtappel, Bruijsten Bruijstensz van Oisterwijk, Claas Cantor voir hem selven en voir sijn mede gesellen. Op de achterkant van de oorkonde staat: Arbitrale uitspraak over het recht vanden molen van Karkhoven onder Oosterwijk. 24 april 1428. Bron: BHIC, Charters Provinciaal Genootschap van K&W, inv. nr. 151. Noot: Godschalk Roesmont was eigenaar van de watermolen Ter Borcht (zie onder); Bruijsten was getrouwd met de eigenaresse van de molen Ter Nedervonder (zie onder); Claas Cantor was pachter van de Kreitemolen in Udenhout, die zijn vader Willem Janss Cantor in erfpacht had gekregen van Goeswijn Model vander Donc (zie sH.R.1213,f.137 de dato 7 sep 1443 en sH.R.1216,f.13v anno 1445).

Op 9 sep 1430 verklaren Hillegundis weduwe Arnoldus Houtappel en Dirck Borchgreve, man en momber van Margaretha dochter van (doorgehaald: Arnoldus Houtappel) de windmolen met huis en tuin in Oisterwijk ter plaatse genoemd Karrichoven, zoals die eertijds aan wijlen Arnoldus Houtappel toebehoorde, voor drie jaar te zullen verhuren aan Johannes de Laet, ingaande op het eerstvolgende feest van de gezegende Petrus’ Banden (festum beati Petri ad vincula proxime futurum, ofwel 1 augustus 1431). De pacht bedraagt 26,5 mud rogge per jaar te betalen in vier termijnen (Remigius Confessor, Navitatis Domini, Pascalis, Petrus ad vincula).
Bron: sH.R.1200,f.268v-6.

Dirck Borchgrave is getrouwd met Mechtelt Arnt Houtappels, dochter van Arnt Ghysbrechts Houtappel bij Hillegont van Oesterzeel, zie L.W.F. Adriaenssen, ‘De familie Van Oesterzeel’, in De Brabantse Leeuw 49-3 (2000), p.162. Hij is de stamvader van het Belgische adelsgeslacht De Borchgrave d’Altena, zie Nederlands’ Adelsboek 10 (1912) p. 323-327.

 

Backx, Van Brederode, 1461-1621

In 1461 koopt Berthout Jan Back de Heukelomse molen (bron: L.F.W. Adriaenssen, 'De erfgenamen van heer Ghijsel Back', in: De Brabantse Leeuw 38 (1989) 47-64) Hij moet rond deze tijd ook de windmolen van Kerkhoven hebben verworven, want op 5 juni 1466 verhuurt 'Bert zoon wijlen Jan Backs' die wyntmolen van Karchoven ende corenwatermolen van Hukelum voor drie jaar aan Willem Gheerart Wytensoen, te aanvaarden op Sint Pietersdag, 29 juni. De pachter betaalt 24 mudde rogge voor de Kerkhovense molen en 13 mudde rogge voor de Heukelomse watermolen (RO 173,f.72-04R-02).

Deze Berthout Back (ook wel Backx) is een zoon van de in 1442 gestorven Jan Back van Tilborch. Berthout bezit met zijn twee zonen Gerard en Jan het recht van het gemaal van de twee windmolens van Tilburg, die aan de Veldhoven (bij het latere Rosmolenplein) en op Korvel (bron: sH.R. 1208,f.212). Na de dood van zijn vader is hij in 1442 beleend met het goed Inthout (het latere gehucht Enthoven) onder de heerlijkheid Tilburg. Dit leengoed zat al lang in de familie, het hertogelijke leenboek uit 1312 noemt Arnoldus Berthout Bac als leenman (bron: H.J.A. van Son, Geschiedenis en genealogie van het geslacht Van Son, 1 (1946) p. 16). Getrouwd met Maria Wolpharts (de Roovere), dochter van Aert Wolpharts de Roovere bij Belye, die de leengoederen Ten Eynde en Ten Bijgaerde in Oisterwijk erft.

Berthout Back koopt op 9 aug 1476 de heerlijkheid Asten met haar rechten van Peter de Bousies, heer van Vertaing, Heeswijk, Dinther en Moergestel, en hoogschout van 's-Hertogenbosch van 1471 tot zijn dood in 1479 (BHIC, archief nr. 274, Heerlijkheid Asten 1337-1955, inv.nr. 28, Akte van overdracht).. Hertogin Maria de Rijke van Bourgondië beleent Berthout hiermee in 1477 (BHIC, archief nr. 274, Heerlijkheid Asten 1337-1955, inv.nr. 29, Akte van belening). Hij is voor maart 1497 gestorven.

Figuur 2 Wapen van ridder Jan Back uit het Wapenboek van de Broederschap Onze Lieve Vrouwe binnen de stad 's-Hertogenbosch (anno 1606). Bron: Brabants Historisch Informatiecentrum, toegang 1232, inv.nr. 146.

Ridder Jan Back, heer van Asten, zoon van Berthout, is de volgende eigenaar van de Kerkhovense molen. Voor het Leenhof van Brabant verheven op 19 maart 1497 als heer van Asten. Lid van de Lieve Vrouwe Broederschap 1503-1508. Schepen van ’s-Hertogenbosch 1475, 1482, 1486, 1490, 1494, 1498, 1502 en 1507. Burgemeester 1494. Terwijl zijn vader Berthout Bac nog leefde kreeg Jan Bac van hem het leengoed Ten Eynde te Oisterwijk (1461) en later Ten Bijgaerde (1470), zie Wim de Bakker, ‘Meierse leenregisters’, in De Kleine Meierij 22 (1971), p.55. Hij is getrouwd met Adriana van Wylich. Jan Back is gestorven op 11 feb 1508, ontving een requiemmis op 12 maart en werd begraven in de Sint Jan in Den Bosch.

Adriana, vrouwe van Asten, weduwe van ridder Jan Bac, verpacht op 11 juli 1513 de "wyntmoelen tot Karchoeven de voorschreven vrouwe van Asten toebehorende" voor twee jaar aan Roelof Henrik Peters, Matheeus Jan Lamberts, Lauwreys Wouters Grevensz en Aert Jan Wolffaerts. RO 217, los bij 27(337)r. Haar zoon Otto Back, schepen van Den Bosch in 1505, volgt zijn vader op als heer van Asten maar sterft op 15 sept 1509, waarna diens zuster Adriana verheven wordt als vrouwe van Asten. Deze Adriana Back, vrouwe van Asten, getrouwd met Wolfert van Brederode, is een voorouder van prins Bernhard van Lippe-Biesterfield en dus van koning Willem-Alexander.

Wolfert van Brederode (1495-1548), heer van Cloetinge, die tevens het omgrachte huis Duurendaal in Heukelom bezit, krijgt de Kerkhovense molen in handen via zijn vrouw. Hij is een zoon van Walraven II (1462-1531), 10de heer van Brederode, bij diens eerste vrouw Margarethe van Borselen (gest. 1507), vrouwe van Cloetinge. Zijn broer Reinier III (1492-1556) is de 11de heer van Brederode, en heer van Vianen en Ameide en laat een zoon na, Hendrik II (1531-1568), 12de heer van Brederode, Ameide en Vianen, die kinderloos sterft. Wolfert erft van zijn halfbroer Frans nog de heerlijkheid Zwammerdam. Wolferts zoon Reinier IV (1520-1584), 13de heer van Brederode, volgt zijn vader op; uit diens huwelijk met Maria van Doorn volgen naast Walraven IV (1547-1614), 14de heer van Brederode, Vianen en Ameide, en Floris van Brederode (1549-1599) heer van Cloetinge nog drie zoons en vier dochters, onder wie Adriana van Brederode.

Reinier van Brederode, heer van Cloetingen, Voshol, Reeuwijk en Asten, verkoopt op 19 mei 1558 een erfpacht van 250 carolusguldens op 1 juni uit de Kerkhovense molen en de watermolen van Heukelom aan Wouter Scellens ten behoeven van Barbara dochter wijlen Jan Ghijsberts (sH.R.1358,f.554). De cijns wordt op 25 juni 1610 doorverkocht (sH.R.1426,f.467)

In het eerste kwart van de 17de eeuw is de Kerkhovense molen eigendom van Adriana van Brederode (begraven te Oisterwijk 24 aug 1619) en haar tweede man Hendrik van Riviere, heer van Iseren en Schoonenberge, gestorven te Oisterwijk op 26 december 1621. Ze woonden aanvankelijk in Asten, daarna betrokken ze het huis Duurendaal in Heukelom (aantoonbaar woonden ze daar in 1602 en 1605). Het echtpaar heeft geen kinderen, op een bastaarddochter van Hendrick na: Lucretia van de Rivieren, getrouwd te Oisterwijk op 25 maart 1621 met Roeloff Beyharts, zoon van een schout van Oisterwijk (zie: G. Berkelmans, 'Lucretia van Rivieren,' in: De kleine Meijerij 18-7 (1965) p.69 ev).

In 1618 roept Hendrik van Rivieren een fundatie in het leven voor het onderhoud van twee arme vrouwen. Daartoe was in 1614 een Vrouwenhuyske ingericht aan de noordzijde van het kerkplein in Oisterwijk, tussen de Hoogstraat en het kerkhof (KM 8-5, p.55).
De fundatie werd kennelijk (mede) gefinancierd met opbrengsten van de Kerkhovense molen. Op 14 augustus 1669 geeft Lucretia van Rivieren alle achterstallige cijnzen en renten uit de molen van Kerkhoven, welke gefondeerd sijn bij den heere van IJseren zaliger ten behoeve van twee arme vrouwkens op het kerckhoff tot Oijsterwijck, voor zover Lucretia daarin gerechtigd is, over aan de Heilige Geest Armen der kerk van Oisterwijk, omme de voorschreven achterstallige pachten te innen (RO 363, deel 1, f.80v-81r en KM 8-7 (1965) p.73). Hendrik van Rivieren en zijn vrouw Adriana zijn begraven in de kerk van het vrouwenklooster Katharinenberg te Oisterwijk, onder een verheeven tumbe van swarten marber.

 

Willems, 1621-1638

Na de dood van zijn tante Adriana van Brederode (in 1619) verkoopt heer Johan Wolphart van Brederode (1599-1655), 16de heer van Brederode en veldmaarschalk in het Staatse leger, zoon van voornoemde Floris van Brederode (1549-1599) bij Dorothea van Haaften, de molen op een nog onbekende datum in 1620 aan Philibert Adriaenss de molder. Henrick van Riviere, heer van Yseren, "nadert" echter de molen op 21 augustus van dat jaar. Dat wil zeggen: hij eist als familielid van Van Brederode het recht van koop op. Philibert draagt daarop de molen officieel voor schepenen van Oisterwijk over aan Van Riviere, laatstgenoemde "als vanden bloede des voorschreven heere". Normaliter zou Philibert de koopsom in contanten van Van Riviere terugkrijgen, maar aangezien "voorschreven vercochten ende nu vernaederden molen ende toebehoirten alnoch onbetaelt" was gebleven, kan deze financiële compensatie achterwege blijven. De akte waarin dit wordt vastgelegd omschrijft de molen als volgt:
De houten Kerkhovense molen was van het hier getoonde standerdtype. Jan Breughel de oude (1568-1625), Landschap met molen (detail). Olie op koper, c1611. Fitzwilliam Museum, Cambridge.

Alsoo heer Johan Wolphart van Brederode here tot Brederode [..] op ten anno 1620 te perck ende te beurde vercocht heeft gehadt aen Philibert Adriaenssen de molder sekeren wijntmolen met haren rechte vanden gemale tsamen metten huyse, hove ende gronden en erven daeraen liggende ende daertoe behorende vier lopensaet lants oft daeromtrent begrijpende gestaen en gelegen binnen den Vrijheyt van Oisterwijck ter plaetse genoempt Carchoven [...] als deselven Philibert den selven molen ende toebehoirten voorschreven tegenwoordich in gebruyck is hebbende . . [et cetera]
Bron: RO 314,f.50v-51r de dato 21 aug 1621.

Op 21 januari 1621 krijgt Philiberts broer Adam de molen in handen. Op die datum verkoopt mr. Adriaen Comans, "licentiaet inden rechten", van 1626 tot 1633 kwartierschout van Oisterwijk, namens heer Johan Wolphard van Brederode "baron van Cloetingen, heere tot Herwijnen, Haeften, Hellum etc" voor schepenen van 's Hertogenbosch:

Eene coorenwijntmolen, metten gerechticheyt van wijnt en t' gemael van dijen, gelegen inde parochie ende Vrijheyt van Oosterwijck, ter plaetse genoempt Carckhoven, metten woonhuyse, sijnen gront ende vier loopensaeten ackerlants onbegrepen der juijster maten, bij ende ontrent des selven huyse gelegen, soo ende gelijck de voorschreven molen ende erffenisse deij vooschreven here Van Brederode zijn toebehoiren ende Philibert Adriaensen molder desselven tegenwoirdich in sijn gebruyck is hebbende
voor 867 gulden en 17 stuivers aan Adamen sone wijlen Adriaens Willems molder tot Loon.
Bron: sH R.1532,f.163. Zie ook Wim de Bakker, 'Timmermans-stede in de Donkersteeg te Oisterwijk' in: De kleine Meijerij 29 (1978) p. 79.

De molen is dan belast met:

De erfpacht jaarlijks uit te keren aan het Oude Mannenhuis te Oisterwijk werd in 1895 nog steeds geïnd, zie: Wim de Bakker, 'Van Riel, de laatste mulder van de Kerkhovense molen,' in: De kleine Meijerij 21-2 (1970) p.36.

De pachter, Philibert de molder, betaalde al in 1605 de molenpacht tesamen met zijn broer Adam Adriaan Willemssoen, mulder van Venloon, en Peter Wouter Coppen, inwoner van Venloon. Op 7 mei van dat jaar meldt het drietal zich vrijwillig ("voluntair") bij de schepenen van Oisterwijk om de pacht te voldoen (slecht leesbare akte):
Op huyden den zevenden dach van meye anno 1605 soe hebben Philibert sone Adriaen Willemss, mulder tot Carchoven onder Oisterwijck, Adam sone Adriaen Willemss voorschreven mulder tot Venloon ende Peter Wouter Coppens oyck tot Venloon voorschreven [. . . ] als schuldenaren principael gesamen [. . .] deser voorschreven molen pachttinge [. . . ] te voldoen te betalen ende wel te quijten [.. .] ende hebben tot dije den voorschreven Philibert, Adam ende Peter voir mij heren schepenen der Vrijheyt van Oysterwijck gecompareert wesen voluntaire versocht [. . et cetera]
RO 34, folio 16v, scan 21, de dato 7 mei. Zie ook G.F. Couwenbergh, ‘Couwenbergh, Cauwenberg en Philiberts’, in De Brabantse Leeuw 20 (1971), pp.178-180.

Willem Gerart Adriaens inwoner van Berkel verkoopt op 3 feb 1629 een jaarlijkse erfcijns van 16 carolusgulden uit een stuk akkerland in de Zeshoeven te Berkel aan Adam soone Adriaen Willemss molder tot Carchoven. In de marge bekent Adam Martensen van Hees lossing op 21 feb 1642. Bron: sH R.1544,f.150. Op 23 juli 1640 verkoopt Jan Janse Somers man van Willemken dochter wijlen Adam Adriaen Willems molder tot Carckhoven de cijns van 16 gulden door aan Cornelis Jacops van Vechel. Adam Marten van Hees als man en momber van Anneken dochter Adam Ariaensen de mulder vernadert 15 april 1641. Bron: sH R.1558,f.513.

Op 26 april 1635 delen de vier getrouwde dochters van Adam sone wijlen Adriaen Willems de Molder bij wijlen Ida dochtere wijlen Gijsbert Cauwenbergh na de "doot ende afflijvigheyt van hennen voorschreven moeder" haar erfenis. Jan Oirlemans en zijn vrouw erven een huis in Venloon; Adam Martens en zijn vrouw een huis met 6 lopens grond bij de Kerkhovense windmolen; Jan van Zomeren en Adriaen van Oss erven namens hun vrouwen een stede aan de Loonse molenstraat in Udenhout. Bron: RO 329, f.34v-.37v

 

Van Hees, 1638-1701

Adam Willems de Molder is na 26 april 1635 en voor 23 juni 1638 overleden. Op die laatste datum verdelen na de doot ende affleyvicheyt van wijlen Adam Adriaan Willems zijn vier dochters voor schepenen van Oisterwijk hun vaderlijke erfenis. De akte begint als volgt:

Jan sone wijlen Cornelis Oirlemans als man ende momboir Mayken sijnen huysvrouw, Adam Martens van Hees als man en momboir Anneken sijne huysvrouw, Jan Jans Somers als man ende momboir Willemken sijne huysvrouw ende Adriaen Alberts van Oss als man ende momboir Peterken sijne huysvrouw, gesusteren dochters wijlen Adam sone Adriaen Willems bij den selven wijlen Adam ende bij wijlen Yken sijne huysvrouw dochter wijlen Gijsbert Cauwenberch tsamen verweckt . . [etcetera]
Bron: RO 332, f.71r-73v..
Het betreft Anna van den Couwenbergh, getrouwd met Adam Marten van Boxtel; Petronella, getrouwd met Adriaan Aelbert Matheeus van Os; Mayken, te Venloon op 27 jan 1627 (RK) getrouwd met Jan Cornelis Oirlemans; en Willemken, getrouwd met Jan Jans Somers. De dochter Maria Adam Adriaens de mulder is eerder (op 2 feb 1615 te Venloon) getrouwd geweest met Dierck Heijliger Janssen van Broechoven, zoon van Heijliger Jansen van Broechoven bij Adriaentken Aert Adriaens van Grevenbroeck. Deze Dierck is voor 4 apr 1626 overleden, zie Wim Cöp, 'Het geslacht Broechoven en het huis Broechoven', in De Brabantse Leeuw 57 (2008), p.194.

Op 23 juli 1640 verkoopt Jan Somers een stuk akkerland in de Zeshoeven in Berkel, dat zijn vrouw Willemken dochter wijlen Adam soone Adrianus Willems molder tot Carckhoven was aangekomen, zo meldt de akte, bij deling van haar ouders voor schepenen van Oisterwijk op 23 juni 1638. Bron: sH.1558,f.513v.

Adam, zoon wijlen Marten Jans van Hees alias van Boxtel (gestorven in 1665) erft een kwart in de Kerkhovense molen en koopt zijn drie zwagers en mede-eigenaren vervolgens uit: Adriaan van Os in 1638, (sH R.1549,538) Jan Oirlemans in 1643 (RO 337,36 de dato 15 mei 1643) en Jan Somers in 1644 (RO 338,49v de dato 11 aug 1644).

Figuur 3 Den Bosch 19 augustus 1638: Adriaen Albert Matheissen van Os verkoopt zijn kwart in een “cooren wijntmolen metten geregten van tgemael ende wijnt ende sijne gronden, rechten ende toebehoorten gestaen inden gehuchten van Carckhoven onder de parochie van Oisterwijck ende Gerart Wouters van Rijsbroeck deselven molen tegenwoordich is bemaelende” aan Adam Martens sijnen swager. Bron: sH.R.1549,f.538r.

Pachter in augustus 1638 is Geraert Wouters van Rijsbroeck, overleden tussen 11 maart 1662 (NO 6,f.86v) en 9 feb 1664 (RO 3, ongefolieerde Rol der Dinghtaele, scan 187), kennelijk nog altijd als pachter van dezelfde molen. Zijn weduwe Mechtelt Beris van Beurden klaagt in 1668 in Tilburg de weduwe van de Tilburgse molenaar Philibert Adriaens aan wegens het niet betalen van door haar geleverde molenkammen (NO 5269,f.402v de dato 16 april).

In het Oisterwijkse Kommerboek, opgesteld tussen 1636 en 1658, staat dat Gerit Wouter Rijsbroeck, molder, voor het gebruik van de molen 14 stuivers aan belasting betaalt. Hij huurt een aan de overkant van de weg gelegen woning van de weduwe Gerit Vromans. De verhuurder was Jenneke Jan Damen, weduwe van Gerrit Peter Jacobs de Raymaker alias Vromans. Haar kinderen delen in 1651, waarna het huis wordt afgebroken. In 1767 komt de grond waarop het huis stond in handen van Andries van Heeswijk, daarna Francis Andries van Heeswijk (1753-1798), molenaar op de Kerkhovens molen sinds 1790, en vervolgens diens weduwe Jacomina Bolders.
RO 345,f.19, 28 jan. Vergelijk RO 346,f.57, 1652. Voor de lokatie van het woonhuis zie: W. de Bakker, 'Tegenover de Kerkhovense molen', in: De kleine Meierij 42 (1991), pp. 8-36

Adam Marten Jans van Boxtel bewoont volgens datzelfde Kommerboek een vlakbij gelegen huis eertijts totten molen behoort hebbende. Op 18 feb 1632 had hij een stede met huis en 18 lopens land te Carchoven omtrent de molen gekocht van Adriana weduwe Goyaert Huybers van Criecken (RO 326,f.24v), maar deze woning is in het Kommerboek doorgehaald. Op 3 maart 1636 koopt hij een stede met huis, 4 loopens land en een nyeuw velt (=recent ontgonnen stuk van de Kreiteheide) ten noorden van het huis, gelegen in Kerkhoven, van Adriaen zoon wijlen Bartholomeus de Decker, weduwnaar van Jenneke Marten Henrick Cranen. Het huis en de grond vormen één geheel, dat ten noorden grenst aan de Haarense gemeint en ten zuiden aan het bezit van Henrick Steenbeckere. De lokatie moet ten zuidoosten van de molen zijn geweest. De ake meldt namelijk dat Van Boxtel ten tweede een stuk akkerland van 12 loopens koopt over de strate, grenzend aan land van jonker Henrick van Grevenbroek, de erven Willem Olifers, de Haarense gemeint, en Jan Jacop de Molder man van Cathelijn Adriaens — deze grond lag in de omgeving van Spreeuwenburg, ten oosten van de molen. (RO 330,f.13.)

Op 14 maart 1636 verkoopt Adam Marten Jans van Boxtel de 12 loopens akker- en weiland, grenzend aan land van jonker Henrick van Grevenbroek, de erven Wouter Aerts Gerrtis, de erven Willem Olifers, en de Haarense gemeint, alweer aan Jan Adriaen Gerits. Die neemt tevens de materialen van een huis en schuur over, onlangs gekocht van Adriaen Bartholomeus Adriaens om binnen vijf jaar af te breken. (RO 330,f.19.)

Een akte in het Oisterwijkse schepenarchief geeft een overzicht van de pacht die Rijsbroeck en de andere molenaars binnen het rechtsgebied van de Vrijheid betaalden. Op 26 mei 1653 verklaren Bartholomeus de Bont, Johan van Dael, Peter Huyberts Valck en Leunis Hendricx van Megen, schepenen van Oisterwijk, "voor t' gerecht en waerheyt",

ten versoecke van Adam Martens van Hees ende andere proprietarissen vanden coren molens staende onder de parochie van Oisterwijck voorschreven requiranten inne desen, als dat onder de Vrijheyt en Dinghbancke van Oisterwijck sijn staende drije corenmolens ten wynde, ende twee te water met eene rosmolen waermede d' ingesetenen genoechsaem en tot hunnen contentenmente connen sijn gedient en gerieff, welcke molens jaerlijcx seer cleynen pachten sijn gelden, soo ons [..?] verpachtcedullen der voorschreven respectieve molens gebleken is, dat den wyntmolen staende tot Carckhoven maer achtentwintich muden coren waervan drije en een halve mud roggen in specie, — en sess mudden op gelden gereduceert aen den Armen tot Oisterwijck voorschreven en noch een mud [rijck ?] op gelden gereduceert aen particulieren . . . [et cetera, molen Ter Nedervonder en de Kreitenmolen in Udenhout komen ook aan bod]
RO 395, scan 130-131.
Van Hees en de andere moleneigenaren verklaren verderop in de akte dat zij los van de lage pachtinkomsten opdraaien voor alle reparaties "soo dat de voorschreven molens de helft vanden tijt niet te maelen connen hebben, over sulcx noyt gehoort oft verstaen te hebben dat enige nabueren oft ingesetenen deser voorschreven Vrijheyt oft Dinghbanck der selver hun over d' ongerieff ende ongelegentheyt van molens souden hebben beclaeght", en dat "de corenmolens vanden naestaengelegen [..] soo naer sijn staende dat deselven aen den Loonsche, twee van Tilborgh, en [..] de Helvoirsten opt scheyden van Haren sijn staende"

Gerrit Rijsbroeck wordt als molenaar opgevolgd door zijn zoons Jan en Willem. Jan Geritssen Rijsbroecx "molenaer wonende tot Carchoven onder de Vrijheyt van Oisterwijck out ontrent 34 jaeren" verklaart op 31 maart 1665 als deponent, ook namens requirant Cornelis Verstijnen, molenaar op de watermolen van Ter Borcht:

Alsoo hij deponent van sijn meester oft eygenaer vanden molen dewelcke hij is bemaelende, was belast oft geordenneert te betaelen aen Wouter Wilborts coopman van molenstenen de prijs van sekeren molensteen bij hem aen sijn deponents voorschreven meester in den voorleden jaere 1663 vercocht en gelevert, dat ennige tijt nae[...?] bij hem deponent is gecomen die voorschreven Wouter versoeckende de voorschreven betaling dat alsdoor tussen hem deponent en des voorschreven Wouter sijn gevallen ennige discoursen van sel[..] molensteen als die voorschreven Wouter in den selven jaere op den watermolen Ter Borcht de welcke den requirant is bemalende hadde gelevert, die voorschreven deponent hem opwerpende oft voorhoudende, dat den steen niet goet en was oft niet en deughde, dat daer op die voorschreven Wouter hem heeft geantwoort dat hij den voorschreven Cornelis requirant hadden aengeseght dat hij den voorschreven steen soude omkeeren en in soo verre dat den selfen al ...[etcetera]
NO 22,f.9v-10r. Getuigen zijn Nicolaes Hompay (?) en Adriaen Jans van der Sterre, die tekent met Adriaen Jansen Mulder

Op 28 april 1678 ontvangen de schepenen van Oisterwijk per brief juridisch advies van advocaat Jakob van Affoirden in Den Bosch in een voorliggende rechtszaak. Hij adviseert de schepenbank om Jan Gerits Rijsbroeck bij vonnis te bevelen de molen en huysinge mitsgaders de weyen en hoff, die Rijsbroeck zo hij verklaart van Marten van Hees naer behoeven heeft gehuert gehadt voor de tijt van acht jaren op meiavond (oftewel 30 april) te verlaten. Marten van Hees en François Strijbosch, schout van Arendonk, hadden de schepenen als supplianten hierom verzocht. Rijsbroeck zelf, zo blijkt uit de Rolle der Dingtalen, had om dit Bossche advies gevraagd.
Schepenbankarchief Oisterwijk, Protocol van losse vonnissen 1648-1690, inv.nr. 35,f.17r. Zie ook folio's 11 en 15 voor meer informatie over deze zaak.

Jan Rijsbroeck is overleden tussen 22 aug 1681 en 20 juli 1682, waarna een inventaris van zijn geabandoneerde boedel wordt opgemaakt. Broer Willem was wellicht zijn zakelijke partner en werkt omstreeks 1691 als knecht bij Jan vanden Elsacker op de watermolen van Heukelom.

Eigenaar Adam Martens van Hees is meerdere jaren kerkmeester (onder meer in 1632 en 1633) en schepen (1632 en 1634-1649) van Oisterwijk. Op 18 mrt 1665 is hij nog in leven (Archief notaris Marten van Hees, inv. nr. 22, 8v), maar op 25 nov 1665 draagt Anna dochter Adam Adriaen van den Couwenbergh, weduwe van wijlen Adam Martens van Hees, de tocht (het vruchtgebruik) in den wijntmolen en goederen alhier tot Carchoven gelegen over aan haar zoon mr. Marten van Hees en François Strijbosch, schout van Arendonk, als man en momber van haar dochter Marie. De twee mannen delen bij deze gelegenheid onroerende goederen die hun zijn toegevallen na de dood van Adam van Hees: Marten valt onder meer een woonhuis in Oisterwijk aan de Groote Kercke toe en een stede met woonhuis in Berkel aan de Heikant, die eertijds bij koop was verkregen van Dirck Joosten van Sprangh en Peter Ariens Verhoeven; Strijbosch verkrijgt namens zijn vrouw, met wie hij op 24 jan 1655 voor schepenen van Oisterwijk was getrouwd, een stede met huis aan de Loonse molenstraat in de Udenhoutse Broek.
Bron: RO 359, deel 1, f.92-95v.

De molen komt vervolgens, vermoedelijk na de dood van zijn moeder, in handen van mr. Marten Adamsz. van Hees (c.1620-1686), die in Oisterwijk praktijk houdt als notaris en aldaar op 19 aug 1646 is getrouwd met Maria Peynenborch, dochter van secretaris van Oisterwijk, Jan Aertsz Peynenborch. Het echtpaar heeft de volgende kinderen, wier geboortedata nauwkeurig door hun vader in zijn protocol zijn genoteerd (NO 11,f.47v-48r):

  1. Geertruyt Martinus van Hees
    Geboren Oisterwijk 17 juni 1647 . Getrouwd Oisterwijk aug 1672 met Arnoldus Jeronimus Timmermans
  2. Adriana van Hees
    Geboren Oisterwijk 6 sep 1648. Getrouwd Oisterwijk (RK) 16 juli 1675 met Martinus van Beurden
  3. Adam Martens van Hees
    Geboren Oisterwijk 17 mei 1650
  4. Lambert van Hees
    Geboren Oisterwijk 15 nov 1651, gestorven op 40-jarige leeftijd in Leiden 9 dec 1691 en begraven in Oegstgeest op 14 december, zie RO 402,f.4v de dato 19 januari 1692. Woont als droogscheerder opden Nieuwe Rijn in Leiden, waar hij als jongman van Oosterwijck op 4 okt 1681 voor schepenen trouwt met Jenneke Adriaens, weduwe van Jan Fredericks, die op de Hooglandse Kerkgracht woont. Zijn getuige is Gerrit Vromans, een bekende mede aldaer.
  5. Jan van Hees
    Geboren Oisterwijk 20 dec 1653
  6. Seigneur Hendrick van Hees
    Geboren Oisterwijk 23 okt 1655. Peters: François Strijbosch en Lucas van Hees. Meter: jonkvrouwe Henriete van Doerne. Procureur in Oisterwijk.
  7. Gijsbert Frans Marten van Hees
    Geboren Oisterwijk 4 okt 1658. Getrouwd Oisterwijk 10 feb 1692 met Anna Maria van der Aa, dochter van Goyaert van der Aa (schepen van Otw in 1675) bij Maria Adriaendr Melis.
  8. Cornelis van Hees
    Geboren Oisterwijk 6 juli 1660, aldaar gedoopt (RK) 17 juni 1660 (peter en meter: Tieleman Lemmens en Christina van Esch). Getrouwd met Barbara van der Aa

Rond deze tijd ontstaat kennelijk een conflict over de eerdergenoemde fundatie van heer Hendrik van Riviere, die zoals we zagen sinds 1669 werd beheerd door de Heilige Geest Armen van Oisterwijk. In 1683 sturen de regenten van Oisterwijk een rekest aan de Raad van State, met het verzoek om het proces met de inmiddels overleden Jan Gerrits Rysbroeck, molenaar van de Kerkhovense molen, betreffende de H. Geestgoederen, te mogen voortzetten met de erfgenamen, die dat van hun kant weigeren. Zij verzoeken intrekking van de surséance en verlof om met het proces voort te gaan. Kopieën van de brief gaan naar de weduwe Geertruyt; mr. Marten van Hees als eigenaar van de molen; Abraham Verster den Jonghen en Hendrick van Hees als curatoren (RO 434 de dato 20 feb 1683). Dit vereist meer onderzoek. Wel is al duidelijk dat Rijsbroeck in Oisterwijk te boek stond als notoire belastingdelinquent. In 1669 slepen de schepenen en stadhouder van Oisterwijk hem voor het gerecht in Den Bosch, wegens belediging en bedreiging bij inning van achterstallige belastingen (sH. criminele procesdossiers 64-6).

Op 25 feb 1677 machtigt Lambert van Hees, zoon van Marten van Hees bij Maria Peynenborch dochter wijlen meester Johan Peynenborch in zijn leven secretaris van Oisterwijk, zijn vader meester Marten van Hees en Johan Vromans zijn aangetrouwde oom om naast de momboiren van sijne minderjaerige broeders zijn kindsdeel te verkopen in de helft

in den koorenmolen ten wijnde metten rechten van gemael staende onder dese Vrijheyt tot Kerchoven mette stede daer bij gelegen in al sulcken voegen ende grooten rechten ende toebehoorten, gelijck Jan Geraert Rijsbroeck deselven goederen tegenwoordich is gebruyckende
Bron: RO 371, deel 1, f.30v-31r.
Financieel ging het de eigenaren van de molen in deze jaren kennelijk niet voor de wind. Op 25 juli 1679 machtigt Arnoldus Timmermans man van Geertruyt dochter mr. Marten van Hees Johan Vromans om naast andere kinderen van Van Hees te mogen verkopen
de moolen ende stede geleghen tot Kerchoven, ofte andere parceelen die bequaem mochten wesende [....] ende daermede te betaelen de schulden die de kinderen mr. Marten van Hees schuldigh sijn te betaelen
Bron: RO 373, deel 1, f.52v met een herhaling op folio 91r.

Op 21 januari 1681 machtigt Lambert van Hees, zoon van Marten van Hees, ten overstaan van Oisterwijkse schepenen zijn oom Johan Vromans

en in sijn constituants name neffens de gelijcke kinderen mr. Marten van Hees te vercoopen den moolen en aensteede gelegen tot Kerchoven, oftewel eenighe andere parceelen die bequaemste moesten wesen, den cooper daer inne behoort te vesten, ende erffven, guarantschap te geloven

Bron: RO 375, deel 1, f.6.

 

Cauwenberch, 1686-1708

In 1686 volgt verkoop van de helft van de molen. Op 4 mei van dit jaar verkoopt Henricus Vermeeren, secretaris van het land en markiezaat van Westerlo, als man en momboir van juffvrouw Maria van Geldrop, als evicteur (=gerechtigde verkoper):
de hellichte van eenen coren wint molen met de hellichte van het huys, schuer, hof, boomgaert ende landerijen daertoe gehorende groot int geheel ontrent tweendertich lopens staende ende gelegen inde Vrijheyt van Oisterwijck ter plaetse genoemt Karckhoven de gemeyne straet aen beyde de seyden ende een eyndt, d'andere eyndt d'erffenisse van Jeronimus Geens ex aliis van welcke hellichte Willem Vos not. ende clerck deser stadt secreteri den coop tegens de richter ende met vonnisse van heren schepenen deser stadt tot behoeve vanden evicteur gekomen ende vercregen heeft [..] date den 29 december 1684
voor 2837 gulden aan Jan Philibert Cauwenbergh molder. Deze Henricus Vermeeren was op 26-jarige leeftijd als secretaris van het Land en Markiezaat Westerloo voor schepenen van Tilburg op 4 feb 1670 getrouwd met de 23-jarige Maria van Geldrop, daarbij geassisteerd door zijn moeder Anna Andrea van Kerckhoven.
Bron: sH.R.1653,f.202.

De molen is dan belast met:

Op 4 mei 1686 belooft Johan Philibert Cauwenberch de evicteur 1115 gulden. Deze Jan Philibert Cauwenberch is gedoopt te Oisterwijk op 3 maart 1622, en begraven te Tilburg op 11 okt 1692. Zijn vader Philibert Adriaan Willemszn is de bovengenoemd pachter van de Kerkhovense molen (zie boven en De Brabantse Leeuw 21 (1971) p.179-181.

Lambert van Hees overlijdt op 9 dec 1691 in Leiden en wordt op 14 december begraven in Oegstgeest. Daarop laten Hendrick van Hees, procureur van Oisterwijk, en Marten van Beurden man van Adriana Marten van Hees, op 19 januari 1692 zijn nagelaten goederen taxeren. Het betreft onder meer

een twaelfde part in een wint cooren moolen onder de voorschreven Vrijheyt staende tusschen het naervolgende parceel aen d'eene zijde ende voorts rontsom de gemeenen wech getaxt op F 250:0:0.
Noch een twaelfde part in een huys, schuur hoff ende daeraen gelegen acker ende weylanden groot te samen int geheel tweeendertich loopensaden ofte daer ontrent gelegen alsvooren tusschen de kinderen Herman Ketelaers met meer anderen aen d'eene zijde ende voorts rontsom aende gemene straate getaxt op F 70:0:0.
De molen wordt derhalve getaxeerd op 3000 gulden, het aanpalende molenhuis op 840 gulden. De akte bevat verder een lange lijst gronden en een huis in Berkel aan de Heikant, waarin Lambert van Hees voor eenzesde eigenaar was. Totale waarde van de nalatenschap: 343 gulden en 14 stuivers.
Bron: RO 402,f.4v de dato 19 januari 1692.

Op 25 november 1701 verkopen Gijsbert & Cornelis 'beyde soonen van Maarten Adams van Hees' en Thomas van Beurden, voogd over de onmondige kinderen van Maarten van Beurden verwekt bij Adriana, dochter van Maarten Adams van Hees, het resterende belang in de molen, te weten:

de helft onverdeelt in een coornwintmoolen metten appendentien ende dependentien vandien, ende aenstede daerbij gelegen, bestaende in een woonhuys, stallinge ende schuur, hof, acker, ende weylandt, groot tsamen int geheel ontrent dertig loopens alle aen malcanderen gelegen onder dese vrijheyt van Oosterwijck ter Karckhoven tusschen de gemene straat aen d'eene zijde, ende tusschen erffenis van Johan Vromans met meer anderen aen d'andere zijde, streckende met den ene eynde aende Creytenheyde, ende met de andere eynde tot aen erffenis den wed. van Jeronimus Geens met meer anderen
voor 2900 gulden aan Jan Jan Cauwenbergh, zoon van de voorgaande. Hij neemt tevens 1781 gulden aan lasten op de molen over en betaalt dus in totaal 4681 gulden.
Bron: RO 406,f43v-45r.

Deze Jan Jansz Cauwenbergh was gedoopt te Venloon op 9 sep 1651 en getrouwd te Oisterwijk op 2 feb 1687 met Anna Cornelis Verstijnen; haar vader was molenaar geweest op de watermolen Ter Borch te Oisterwijk en werd daarin in 1694 opgevolgd door zijn zoon Lambert Verstijnen.

Jan Janssen Cauwenbergh de Jonge huurt in mei 1699 een achtste part in den nieuwen windcoorenmoolen aenden Heijcant te Tilburg van Govart Baeten als rentmeester van Matthijs van Cannaert, met ingang van 1 januari 1699 voor zes achtereenvolgende jaren.
Bron: Notarieel archief Arnold van Loon, archief 115, inv. nr. 48, gebonden minuutakten 1695-1699, aldaar folio 132r-133r, de dato 16 mei 1699.

Op 26 november 1701 geeft de Raad en Rentmeester Generaal, Philip van Borssele van der Hooghe, heer van Geldermalsen, een deurwaarder opdracht om de molenaar van Kerkhoven te arresteren als hij met zijn kar door Udenhout rijdt om graan op te halen. Dit gaat ten koste van de Udenhoutse molens, zoals binnengekomen klachtbrieven aantonen, en is bovendien strijdig met de placcaten. De klacht luidt dat

de molder vanden wintcorenmoolen van Karckhoven onder Oysterwyck sigh niet ontsiet met sijn karre en paert met bellen alomme geheel Udenhout door te rijden en aldaer de graenen van de ingesetenen op te laden en als dan te brengen op sijne molen om te breecken en te maelen
Bron: Rijksarchief Noord-Brabant, Archief van de raad en rentmeester generaal der domeinen, inv.nr. 314, doc.21.
In 1719 blijkt overigens Adriaen van Dal, molenaar op de windmolen Ter Nedervonder, hetzelfde te doen, met dien verschil dat hij de inwoners dreigt financieel te treffen als ze hun graan niet aan hem meegeven. Hij is namelijk pachter van de houtschat van Oisterwijk en commies van de Grote Brabantse Landtol. Hij zou gezegd hebben:
Soo gij lieden bij mij op de molens niet en cooren off granen te laten malen ofte te laten breecken en comt, soo sal ick ulieden als pachter vanden houtschat off anders als commies van thol, wel wat anders doen
(Raad en rentmeester generaal der domeinen, inv.nr. 314, doc.21, verklaringen de dato 13 t/m 22  feb 1719)..

Een notariële akte uit 1703 verwijst naar een zaak aangespannen voor de Raad van Brabant in Den Haag door Gijsbert van Hees, Cornelis van Hees en de kinderen van Adriaantje van Hees bij Marten van Beurden, alle erfgenamen van Marten van Hees, tegen Johan Cauwenbergh, molder op de Kerckhovense molen om tot voldoening te komen van kooppenningen van de helft van de molen.
Bron: NO 55,f.41 de dato 15 december 1703.

 

Van de Poll van Poeldijk, 1708-1714

Op 16 juli 1708 laat Barthold van Slingeland, rentmeester der Geestelijke Goederen van het Kwartier van Oisterwijk, deurwaarder Gratiaen Jacob de Vellé de molen in beslag nemen wegens wanbetaling van een rente van 19 gulden aan het Convent van Oisterwijk en 4 gulden 10 stuiver aan een beneficiealtaar in de kerk aldaar (RO 480,f.377). De rente was sinds 17 maart 1701 niet meer voldaan, die aan het altaar niet meer sinds Lichtmis 1707. Het onroerend goed wordt op 15 november 1708 als volgt beschreven:

Een koornwintmolen, huys, schuer, hoff, boomgaert, acker ende weylanden, gelegen onder de vrijheydt van Oisterwijck tot Karckhoven met den gerechte van gemale ende appendentien ende dependentien van dien, de voorschreven acker ende weylanden groot 't saemen vier en dartigh loopen saeten ofte wel soo groot ende kleyn de selve gelegen sijn ter plaatse voorschreven, tusschen erfenise vande kinderen ende erffgenamen van Johan Vromans ende Cornelis Jansen Smits ex uno, ende voorts rontom aende gemeente ende eenen waterloop, welke voorschreven moolen etcetera toebehoort hebbende de kinderen ende erfgenamen van Jan Couwenberch

De molen is op 7 sep 1708 verkocht aan Johan Maurits van de Poll van Poelwijk, heer van Hedel, voor 2700 gulden . De koper neemt voor 3562 gulden en 10 stuivers aan lasten over, en betaalt dus opgeteld de som van 6262 gulden en tien stuivers. De Raad van State bekrachtigt de verkoop bij resolutie van 30 oktober 1708.

De verkoopakte somt de lasten op die op het goed rusten, waaronder een grondcijns; 2 gulden 10 stuiver aan de Armen van Oisterwijk; 6 gulden reductie rogge aan de erfgenamen van Johan de Weer; 36 gulden reductie rogge aan een armhuysken bij Heer en Vrouwe van Iseren gefondeerd aan het kerckhof van Oosterwijck; tweeënhalf mud rogge; pacht van 1 mud rogge aan de Armen van Oisterwijk; 1 mud rogge aan het Sieckgasthuys; 8 loopens rogge aan het Arm Manhuys te Oisterwijk. De koper zal, aldus de koopcedulle, moeten gedoogen den voedtpadt over de voors. stede vanden noortoosten tot den zuydwesten.
Bron: sH.R.1696,f.228, de dato 15 november 1708.

 

Hubert, 1714-1752

Van de Poll van Poelwijk is maar enkele jaren eigenaar. Op 14 juli 1714 verkoopt Theodorus van Asten, notaris en klerk van de stad 's Hertogenbosch, de plaats innemende van de verhinderde evicteur seigneur Daniel Le Martinel, de molen voor 2655 gulden aan Abraham Hubert raad en regerend schepen van 's-Hertogenbosch, als meest biedende daaraan gebleven. Er rusten 3562 gulden en 10 stuivers aan lasten op de molen, waarmee het totaalbedrag neerkomt op 6217 gulden en 10 stuivers. Een van de lasten die op de molen rusten is zesendartigh gulden jaarlijx gereduceerde rogge aan het armhuys gefondeert bij den heere en vrouwe van Yssere staande aant kerkhoff tot Oisterwijck.
Bron: sH.R.1709,f.66v de dato 14 juli.

Deze verkoop is ook in het schepenbankarchief van Oisterwijk te vinden — evicteur Daniel le Martinel meldt daarin dat op 29 mei 1714 een publieke verkoop heeft plaatsgevonden, waarna een schone welgelegen corenwontmolen met de steene daarop, gemeint op Abraham Hubert, op 12 juli aan laatstgenoemde is toegewezen. Bron: RO 467, folio 127 de dato 12 juli 1714.

In 1717 voldoen de erfgenamen van Jan Janssen Couwenbergh 266 gulden 5 stuivers 4 penning, in mindering van voorwaarden van verkoping op 28 augustus 1707 als restant van de kooppenningen aan de erfgenamen van Martin van Hees van 988 gulden (sH.R.1701,f.129v de dato 20 augustus).

Op 21 april 1736 belooft Wilhelmus Bertens althans wonende Rotterdam pagter van den coorn wintmolen tot Carkhoven toebehorende den heer Abraham Hubert senior oud schepen en raad sBosch per half jaar in avans te betalen. NO 73,f.85

 

Van Heeswijk, 1752-1836

Michel Hubert, koopman te Rotterdam, verkoopt op 24 oktober 1752

Figuur 4 Het koningsschild van Willem van den Meerendonck. Foto: Jan Scheirs en Wim de Bakker.

de schoonen en welgelegen koorn windmolen met de steenen daarop leggende, mitsgaders sijn molenhuysinge, schuur, hoff, boomgaert, acker, teul, hooy, wey en groeslanden daaraan tsamen omtrent 40 loopens
aan de broers Antony en Johan van Heeswijk, inwoners van 's-Hertogenbosch (sH.R.1741,f.248v de dato 24 oktober). Na een periode waarin de molen wordt verhuurt aan Petrus van Riel, neemt ten slotte in 1790  Francis van Heeswijk (1753-1798) de molen zelf in gebruik (KM 21 (1970) p.39).

Van Heeswijk sterft in 1798, waarna de molen overgaat naar zijn weduwe Jacomijna Bolders (1763-1835), die hertrouwt met Wilhelmus van de Meerendonck (1770-1812). Deze laatste maalt de molen vanaf ongeveer 1800 tot zijn dood op 27 juni in 1812. Van deze molenaar is een zilveren koningsschild bewaard gebleven, waarop een standerdmolen is afgebeeld met de tekst

Wilhelmus van De Merendonk/Koning van 's Sebastians/gilde van Oosterwijk/Anno 1805
Bron: Jan Schiers en Wim de Bakker, Kerkhovense molen Oisterwijk (Oisterwijk 1999)

 

Van den Mijdenberg, 1834-18??

Van Meerendoncks stiefdochter Maria van Heeswijk verkoopt het goed in 1834 en 1836 aan koopman Aron van den Mijdenberg (1800-1882). Deze koopt de molen mede namens zijn broer Samson en zuster Mechelina.

Aron van den Mijdenberg is te Oisterwijk op 30 juli 1800 geboren als zoon van Meyer Aron en Sara Samsons, die op 24 juli 1812 de achternaam Van den Meydenborg aannemen ten overstaan van ambtenaren van de gemeente, ook namens hun zes kinderen (Aron, Samson, Clara en Mechelina, Catherina, Maria). Sara Samsons, geboren in Metz (Duitsland) als dochter van Salomon Samson en Clara Levie, is op 74-jarige leeftijd gestorven in Oisterwijk op 31 mei 1833 als weduwe van Meyer Aron thans genaamd Mijdenberg. Zoon Aron geeft het overlijden aan bij de ambtenaren van de Burgelijke Stand.
Bron: Oisterwijk, Register van naamsaanneming 1811-1812, inv.nr. 41, akte 4 de dato 24 juli 1812.

Aron van den Mijdenberg is volgens het bevolkingsregister van Oisterwijk in 1864 vertrokken naar Zaltbommel, van daaruit in 1870 naar Maasdriel en in november 1880 naar Eindhoven. Daar sterft hij op 82-jarige leeftijd op 12 juni 1882, zonder beroep en ongehuwd. Zijn dood wordt aangegeven door twee Eindhovense kooplieden, Meijer van Leeuwen (59 jaar) en Emanuel Hertzberger (46), geen bloedverwanten van de overledene.

 

Sprangers, 18??-1895

Op een nog onbekende datum verkoopt Van den Mijdenberg de molen aan Johannes Franciscus Sprangers, geboren in Steenbergen 22 feb 1793 en gestorven te Oisterwijk op 6 juni 1872. Hij is tot dan toe molenaar in Tilburg op de Korvelse molen (hij was dat al zeker in 1819) en was Koning van het Sint Sebastiaangilde aldaar in 1812 (schild met standerdmolen bewaard gebleven). Na hem volgt zijn zoon Antonie Sprangers (geboren Tilburg 29 maart 1834, gestorven te Berkel 7 mei 1891) en Antonie's zuster Maria Dielemans-Sprangers.

 

Van Riel, 1895-1953

Op 5 april 1895 brandt de houten Kerkhovense molen tot aan de grond toe af, waarna Maria Dielemans-Sprangers op 25 mei 1895

een windkorenmolen waarvan de gebouwen onlangs door brand zijn vernield, schuur en erf, gelegen onder Oisterwijk, kadastraal bekend onder sectie A nummer 1318 groot te zamen negen aren tien centiaren, belast met een rogge pacht van zesenvijftig vier tiende 's jaars ten behoeve van het oude mannenhuis te Oisterwijk en met eene rent van twaalf gulden in het jaar ten behoeve van het kantoor Generaal der Beurzen ad Studia te 's Hertogenbosch

met nog een woonhuis en grond te Berkel (bij elkaar 1 ha, 83 aren) voor 2400 gulden verkoopt aan Helena Vekemans, weduwe van molenaar Willem van Riel uit Dongen.
Bron: Archief notaris J.Fl. van de Mortel, akte nr.141 de dato 25 mei 1895.

Tussen 25 mei 1895 en 10 januari 1896 verrees een nieuwe stenen stellingmolen op dezelfde plek. Bij een tweede brand in 1912 ging het binnenwerk van dit nieuwe bouwsel in vlammen op.

Op 11 september 1902 verkoopt Helena Vekemans, wonende te Dongen, de molen met haar huis in Berkel voor 8500 gulden aan Adrianus van Riel (1867-1929), inwoner van Berkel. De molen is dan nog altijd belast met

eene rogge pacht van zes en vijftig vier tiende liter 's jaars ten behoeve van het oude mannenhuis te Oisterwijk en met een rent van twaalf gulden in 't jaar ten behoeve van het kantoor Generaal der Beurzen ad Studia te 's Hertogenbosch

Bron: Archief notaris G.M.N. de Ruyter, akte nr.152 de dato 11 sep 1902.

Na zijn dood gaat de molen naar zijn zoon Adrianus Josephus van Riel (geb.1904), de latere kastelein van Het Molentje in de Kerkstraat in Oisterwijk. De gemeente Oisterwijk koopt de molen in 1953 van zijn oudere broer Piet van Riel (1901-1989), waarna de stichting De Kerhovense Molen het gebouw in 1993 aankoopt voor een symbolisch bedrag.

In 1996 is tijdens herstelwerkzaamheden verkoolde grond aangetroffen onder de huidige molenvloer, maar geen concrete resten van de oude houten standaardmolen, zie Jan Schiers en Wim de Bakker, Kerkhovense molen Oisterwijk (Oisterwijk 1999) p.8..

Genealogisch overzicht: Kerkhovense Molen.pdf

 

 

 

De molen ter Nedervonder

 

Arnoldus Rover, ridder, verkoopt 20 aug 1375 een cijns van 10 ponden uit zijn windmolen Ter Vonderen in Oisterwijk aan Wilhelmus Coptiten ten behoeve van diens zuster Jutta. Bron: Den Bosch, oorkonden Tafel Heilige Geest, nr. 764. Willelmus Coptiten, en zijn zusters Elizabeth, Heylwigis, Deliana en Mechtildis dochter van wijlen Jacobus Coptyt en Goeswinus zoon van Deliana; dragen 12 sep 1383 over aan Albertus Wael ten behoeve van de Tafel Heilige Geest, een cijns van 10 ponden uit de windmolen van Arnoldus Rover, ridder, in Oisterwijk aldaar Ter Vonderen, geërfd van wijlen Jutta, zuster van Wilhelmus.
Bron: Den Bosch, oorkonden Tafel Heilige Geest, nr. 923.

Ridder Arnt de Rover (gestorven 1384), schepen van ’s-Hertogenbosch in 1349, 1353, 1355, 1371 en 1378, was zoon van ridder Dierck de Roever, hoogschout van ’s-Hertogenbosch 1320-1328 bij Jutta de Cock van Weerdenburch. Bij Catharina van Berlaer had hij een dochter Aleyt.

Aleyt de Rover (overleden 1436). Erft van haar vader de windmolen ter Nedervonderen te Oisterwijk. Getrouwd met Willem van Langelaer.
Bron: L.F.W. Adriaenssen, 'De Diessense tak van de familie Schilders', in De Brabantse Leeuw 47-4 (1998) p.153-155.

Laurentius van den Rode, weduwnaar van Sophia Willems van Langelaer, draagt 10 juli 1428 zijn deel in de Nedervondse molen in Oisterwijk over aan Willem van Langelaer ten behoeve van hem (Willem) en zijn (Laurentius') kinderen bij Sophia.
Bron: sH.R.1198,f.92-1.

Jonkvrouw Margriet Willems van Langelaer erft 26 november 1429 de windmolen Ter Nedervonderen, een deel van de riddertiende van Hilvarenbeek en de helft van het goed van Langelaer in Budel. Zij was een dochter van Willem van Langhelaer bij Aleyt de Rover en was getrouwd met Bruysten Bruystens van Oesterwyck, genoemd als schout van Oisterwijk in 1408. Voornoemde Sophia was haar zuster.
Bron: sH.R.1200,f.156v de dato 26 nov 1429. Zie ook: L.F.W. Adriaenssen, ‘De Diessense tak van de familie Schilders’, in De Brabantse Leeuw 47-4 (1998) p.153-155.

Willem de Bie verhuurt op 27 okt 1440 de windmolen ter Nedervonderen in de parochie Oisterwijk voor drie jaar aan Laurentius zoon van Wouter Vrancken. sH.R.1211,f.108-6 en 7. Willem Godefridus de Bie man van Aleijdis dochter van Bruijstens Bruijstinus Janssoen en wijlen jonkvrouw Margareta Willems van Langelaer verkoopt op 12 sep 1441 de windmolen genaamd Nedervonder aan Arnoldus Willems van der Heijden, belast met een erfcijns en drie erfpachten, alsmede een huis en erf naast de molen. sH.R.1211,f.272v-1 t/m 4. Willem Goyarts die Bye was tevens bezitter van het hertogelijk leengoed Ter Vloed te Goirle.

Figuur 5 De drie molens van Oisterwijk op een kaart gemaakt tussen 1840 en 1853. Links de Kerkhovense molen, rechts de molen Ter Nedervonder ofwel Kivitsmolen en daaronder de watermolen Ter Burgt. Bron: BHIC, Topografische kaart, circa 1840-1853.

 

Van der Heijden, 1447-1448

Arnoldus Wilhelms van der Heijden verkoopt op 27 januari 1448 voor schepenen van ’s-Hertogenbosche een windmolen, eertijds van de heer Arnoldus Rover, ridder, genaamd Ter Vonderen, in Oisterwijk, belast met een erfcijns en twee erfpachten, aan Jan Willems van Donghen.
Bron: sH.R.1218,f.238-1 en 2.

Van Dongen, 1448-1535

Jan Willems van Dongen (gest. circa nov 1448), heer van Zwaluwe, koopt 27 januari 1448 de windmolen Ter Vonderen in Oisterwijk. In 1438 had hij huis en heerlijkheid Dongen en de heerlijkheid Zwaluwe geërfd van zijn broer Willem; de heerlijkheid Dongen deed hij 29 juni 1438 over aan zijn broer Roelof. Jan werd op 26 maart 1439 beleend met Zwaluwe. Begin 1443 kocht hij voor 2150 philipsguldens het leengoed Ter Borch in Oisterwijk, met molens, van Godschalck Roesmont. Bron: De Nederlandsche Leeuw 88 (1971), no.5, p.145, met een verwijzing naar sH.R.1218 voor de koop van Nedervonder.

Jans zoon Roelof van Dalem van Dongen (geb. circa 1440, gestorven huis Ter Borch april 1517), heer van Ter Borch (beleend 1448), erft de molens in Oisterwijk. Bron: De Nederlandsche Leeuw 88 (1971), no.5, p.176.

Begin 16de eeuw is de molen eigendom van de broers Jacob, Cristoffel en Willem, zonen van Roeloff van Dongen. Jacob is op 20 januari 1518 beleend voor Ter Borch en daarmee heer van Ter Borch. Op 15 feb 1529 leent Cristoffel sone wijlen Roeloffs van Dongen een geldbedrag van Wouter natuurlijke zoon van Geryt Robben, met zijn derde aandeel in een wyntmoelen metten molenhuyse met hoeren gronden en toebehoren in Oisterwijk ter stede ter Nedervonder als onderpand. Als rente betaalt Cristoffel jaarlijks een erfpacht van 1 mud rogge Oisterwijkse maat, uit te betalen op 15 maart. De lening is losbaar met 40 carolusguldens. RO 233,f.7r-1.

Op 1 feb 1531 leent de priester heer Willem, zoon wijlen Roloffs van Dongen,, een geldbedrag van Goeyarden zoon wijlen Jorys van Hynsbergen met zijn aandeel in de molen als onderpand. Hij betaalt daarvoor jaarlijks een erfpacht van een half mud rogge Oisterwijkse maat uit te betalen op Sint Andreasdag. De lening is losbaar met 16 philipsguldens. RO 236,f.7.

Op 17 nov 1535 dragen Jacob, Jan en Christoffel, zonen Roelof van Dongen Janss, Christoffel ook names hun broer de heer Willem, de windmolen Ter Nedervonder met maalrecht en molenhuis over aan Cornelis Jansz Kievits. sH.R.1324,f.22. Op 17 maart 1536 dragen Willem, Jan en Roelof hun aandeel in het leengoed Ter Borch, met twee watermolens en een rosmolen, over aan hun broer Jacob Roelofs van Dongen. Hij draagt diezelfde dag de goederen over aan Cornelis Jansz Kievits, die belooft dat hij ze te leen zal verheffen. sH.R.1323,f.372.

Kievits, 1535- ?

Het Leenhof van Brabant verheft Cornelis Jansz Kievits op 20 juli 1536 als heer van Ter Borch. Op 20 jan 1541 maakt hij ‘in sijne slaepcamer aldaer dieselve Cornelis sieck en cranck lach in den lichaem’ zijn testament. Het leengoed dat hij gekocht heeft van de kinderen van Roelof van Dongen laat hij na aan zijn zoon Gielis. RO 245,f.27v. Op 5 maart 1541 heet zijn vrouw Barbara Gilles Claesdochter weduwe te zijn. RO 245,f.63.

Cornelis Jansz Kievits is ook mede-eigenaar van de windmolen van Moergestel, in de Heijzen. Op 18 aug 1535 verkoopt hij een erfcijns uit drievijfde in de molen. RO 239,f.47v.

Gielis Cornelisz Kievits is in 1561 en 1563 schepen van Oisterwijk. Hij is overleden voor 1 maart 1585 (RO 284,f.7.) Hij was getrouwd met Anna Jans Joordens van Boort.

Die Molder, ?-1549

Op 23 okt 1539 belooft Anthonis die Molder zoon wijlen Art Thonis een jaarlijkse erfpacht van 8 mud rugge Oisterwijkse maat op Sint Johannes de Doper uit zijn windmolen Ter Nedervonder aan Cornelis Jan Kievits. RO 243,f.47.

Op 8 feb 1548 verkopen Philips zoon wijlen Anthonis zoon van Arnt die Molder, zijn broer Arnoldo (Arnden) en hun zus Margriet, getrouwd met Wouter Diercx, hun zesde part in wyntmolen genaemt die moelen ter Nedervonder en in allet gemael ende recht derselver moelen [aan wie?] RO 252,f.11.

Op 25 juni 1549 verkopen Arnt, Katharijne (getrouwd met Jacop Willem Cornelis), en de minderjarige Anthonis en Jan, alle vier kinderen van wijlen Anthonis Arnt Anthoniss, de helft in de windmolen Ter Nedervonder aan Wouter Jan van der Veken, welke molen wijlen Anthonis zoon van Arnts Anthonis bij koop verkregen had van Cornelis Jansz Kievits. RO 253,f.61.

Van der Veken, 1549-1607

In 1549 komt de molen Ter Nedervonder in handen van Wouter Jansz van der Veke(n), schepen van Oisterwijk in 1577, 1580, 1581 en 1592. Hij is tussen 29 mei 1596 en 25 feb 1597 overleden. De eerste datum is die waarop hij zijn testament maakt (RO 291,f.28v), de tweede die waarop zijn erfgenamen delen. Mr. Henrick Wijtens, man van Elisabeth dochter wijlen Lenaert zoon wijlen Wouter van der Veke, erft die dag een kwart in de windmolen met rechten en toebehoren. RO 292,f.6v.

Op 14 jan 1550 verklaart Wouter Jan Hessels 200 carolusguldens ontvangen te hebben van Wouter Jan Henricx vanden Veeken wegens pacht van eenen wyntmoelen genaemt Creytenmoelen, zie RO 254,f.1.

Op 27 juni 1551 lost Wouter Jan Henricx [Van der Veken] een schuld af die op de windmolen rust: het betreft een jaarlijkse erfpacht van 8 mud rogge op Sint Johannes de Doper die Anthonis Artss die Molder in het verleden gekocht had van Cornelis Jan Kievits. RO 255,f.68v.

Dionys Marcelis van Vladeracken man van Elysabeth dochter wijlen Laureys zoon wijlen Wouter Jans van der Veke, Lambrecht van den Hoevel namens de kinderen van wijlen Gerit Wouter van der Veke; Wouter Jan Laureys van Rethie, zoon van Elisabeth Wouter van der Veke; chirurgijn mr. Adam Wijtens voor zijn broer mr. Henrick Wijtens, man van Elisabeth Lenaert Wouter van der Veke, verkopen op 31 jan 1607 een wyntmolen gemeynlijck genoempt de wyntmoelen ter Nedervonder tsamen mette gronde ende werff daer die muelen op is staende tsamen metten gemale derzelve muelen aan Adriaen Cornelis van Beurden. RO 301,f.20.

Van Beurden en erfgenamen, 1607-1753

Op 31 januari 1607 koopt Aryaen van Beurden alias Jongbloedt (geboren 1558, overleden vóór 20 december 1640) de molen van de erfgenamen van wijlen Wouter Jans van der Veken. Hij was tevens mulder geweest op de windmolen van Esbeek op het Spul onder Hilvarenbeek, waarvan hij in 1591 een vijfde deel kocht van zijn schoonzoon Gerrit Woutersz. van der Veken, gehuwd met zijn dochter Anna ('s Bosch R.1430, f.382). Hij verkocht dit deel weer in 1595. Vanaf 1602 pacht hij met zijn broer Peeter van Beurden de watermolen van Nieuw-Herlaer en de windmolen aan den Dungense Cant, beide onder St. Michielsgestel, voor vier jaar ('s Bosch R.1853,f.238). Ten slotte koopt hij 6 november 1611 de helft van de windmolen aan de Hinthamerse poort te 's Hertogenbosch ('s Bosch R.1485,f.65v).

Aryaen had twee zoons bij Adriaentje Jeronimus Claessen: Willem (overleden vóór 1641), borgemeester van Oisterwijk 1619 en schepen aldaar in 1632, en Cornelis, die waarschijnlijk de molen in Oisterwijk heeft bemaald.

Op 20 dec 1640 treden Gerit Wouter Rijsbroeck en Goossen Emberts van der Borcht op als voogden over Adriaen en Joorden, zonen van Cornelis Adriaens van Beurden, bij de erfdeling van Adriaen van Beurden en Adriana dr. Hiëronimus Claess, hun grootouders. Tot de nalatenschap van het overleden echtpaar behoort de windmolen Ter Nedervonder te Oisterwijk. De molen wordt gedeeld: de ene helft valt toe aan Christina en Anna, dochters van Willem Ariaens van Beurden, de andere helft aan de vijf kinderen van Cornelis Ariaen van Beurden (Cornelis, Adriaen, Joorden, Hieronimus en Maycken). Bron: RO 334,f.84.

De vijf kinderen van Cornelis Adriaen van Beurden delen hun helft op 3 januari 1641. Een kwart valt toe aan Cornelis Cornelisz Adriaen van Beurden (overleden na 2 maart 1676, zie NO 28,f.13r-79), een kwart aan Hieronimus Cornelis Adriaens van Beurden (testament Otw 20 sep 1676, overleden voor 30 nov 1677). Bron: RO 335,f.1.

Volgens een huurcedulle gepasseerd voor notaris Marten van Hees op 3 juni 1652 pachtte Wouter Peters Ketelaers de molen ter Nedervonder van Adriaen van Esch, Adriaen Melis, Cornelis Cornelissen van Beurden en diens broer Jeroon van Beurden. Wouter was 20 september 1615 gedoopt te Oisterwijk als zoon van Peter Claes Janse de Ketelaer en Geritken, dochter van Corstiaen Jan Anthonis Wijten en Lucia Wouter Jan Hessels. Hij was getrouwd met Elisabeth Peter van Baest en overleed voor 30 maart 1669. In 1645 kocht hij een huis aan de windmolen Ter Nedervonder. In 1648, 1651 en 1653 kocht hij nog wat land onder Oisterwijk, en in 1664 verkocht hij de helft van een huis onder Kerkhoven. Via zijn moeder erfde hij een twintigste deel van de Creijtenmolen te Udenhout.

De eigenaren van de molen zijn als volgt te plaatsen: Adriaen Joachim Jansz van Esch was in 1640 getrouwd met Christina, dochter van voornoemde Willem Aryaen van Beurden (huwelijkse voorwaarden RO 396, 15 feb); Adriaen Jan Melis was gehuwd met Anna van Beurden, dochter van voornoemde Willem; Cornelis (gedoopt Oisterwijk 9 dec 1612) en Jeroon (gedoopt Oisterwijk 6 mei 1620) van Beurden waren zoons van Cornelis Aryaen van Beurden en Johanna de Greef, dochter Joorden Jansz.

Op 9 jan 1657 veroordeelt de schepenbank van Oisterwijk Wouter Peter Ketelaers tot het betalen van 207 gulden aan achterstallige pacht voor de molen, met alle bijbehorende cijnsen, renten en andere lasten, aan Adriaen van Esch en de andere eigenaren. In de marge verklaart een niet genoemde persoon uit kracht van dit vonnis "het huijs ende alle de eerste gronde toebehoorende Wouter Peter Ketelaers in arrest genomen op heden den 21 juni 1657". (Bron:Schepenbankarchief Oisterwijk, bijlagen van de rol, inv.nr. 70, scan 106-108)

Op 5 maart 1657 verhuren Adriaan van Esch voor de helft, Jenneke huisvrouw Jeroon Cornelissen van Beurden en genoemde Adriaen van Esch en Adriaan van Beurden als momboiren van de onmondige kinderen van wijlen Adriaan Melissen voor de andere helft, aan Marcelis Jan Marcelissen voor vier jaar de windmolen Ter Nedervonder, tegen 20 mud rogge en 2 mud boekweit, elk mud gerekend voor 16 lopen bossche maat, per jaar en op de molen rustende lasten (Notaris Marten van Hees 5260, f.56).
Op 19 april 1661 verhuren Adriaen van Esch, man van Christina, dochter wijlen Willem van Beurden, Adriaan van Beurden toeziender over de kinderen van wijlen Adriaan Melis 'daer moeder aft was Anneken dochter wijlen Willem van Beurden' de molen aan Aelt weduwe Huybert Anchems (NO 5264,f.11)

Op 9 maart 1676 volgt een erfscheiding tussen Theodorus van Esch [zoon van Lambert Diercx van Esch], getrouwd met Willemijn Adriaen Melis, Bartel Rijnders en Wouter Peter Wagemakers. Het is nog onduidelijk wie deze laatste twee personen zijn.

De erfgenamen van Jeroon Cornelis van Beurden verkopen op 8 december 1694 een kwart in de molen aan Mattheus van Hemert ten behoeve van Bartholomeus en Adriaen, zonen van Vincent van Turnhout bij Elisabeth van Esch voor 1190 gulden. RO 402,f.267v en 269v voor de molen.

Cornelis soone wijlen Jan Gerit Rijsbroecx (gedoopt Oisterwijk 16 mei 1665) huurt vanaf 23 jan 1696 eenen coorn wintmolen met alle hare rechten van gemaal ende toebehoorten genaamt den molen Ter Nedervonder, mitsgaders een woonhuys, schuer, ende aengelegen hof te Oisterwijk voor acht jaren (Notarieel archief Oisterwijk, inv.nr. 5290d. 23 jan). Verhuurders waren Matheus van Hemert, koopman in wijnen, namens zijn vrouw Elisabeth Adriaens van Esch, voor driekwart; en Maria, dochter Adriaan Melis, weduwe Goyaart van der Aa, gewezen schepen van Oisterwijk, voor een kwart. De jaarlijks op te brengen pachtsom bedroeg 20 gulden, 24 mudden rogge en 2 mudden boekweit. Matheus van Hemert was voor schepenen van Oisterwijk 1 mrt 1693 getrouwd met Elisabeth van Esch. Zij is dan weduwe van Jacobus Betings. Maria Melissen trouwde te Oisterwijk 24 sep 1662 met Goyaart van der Aa.

Op 29 oktober 1704 verpacht seigneur Bartholomeus van Turnhout, wijnkoopman, de molen met het woonhuis, schuur en aangelegen hof voor vier jaar aan Adriaan Peeter Schonck, ende dat in sulcker voegen ende manieren als Cornelis Rijsbroeck den voorschreven molen, huysinge etcetera jegenwoordig alnog is gebruyckende. De huur van de hof gaat half maart 1705 in, die van de molen en het woonhuis op meydagh 1705 (NO 56,f.26). Op 11 mei 1709 blijkt de termijn met vier jaar te zijn verlengd (NO 5291A,1709,4). Schonck was getrouwd met Adriana, dochter van Jan Ariens van Deursen bij Seijken Jan Schapendonk (RO 484, f. 6v-12v dd 18 fev 1717). Haar zuster Helena was eveneens getrouwd met een molenaar: Jan Adriaan van der Sterre (gest.1734), die in 1711 Nicolaes van Reijmelant was opgevolgd als molenaar op de Creitemolen in Udenhout.

Volgens een akte gedateerd 20 november 1716 huurt Adriaen van Dal de windmolen Ter Nedervonder met huis van Geertruy Ermers, weduwe wijlen Bartholomeus van Turnhout. De huur wordt gecontinueerd 15 februari 1720 voor drie jaar. Gertrudis was 31 augustus 1683 te Tilburg gedoopt als dochter van Andries Jan Ermers, borgemeester van Tilburg, en Margaretha Lemnius. Zij trouwde aldaar 21 november 1702 met Bartholomeus van Turnhout, vermeld in 1694 als student aan de universiteit van Leuven, gedoopt Oisterwijk 14 januari 1677 als zoon van Vincentius van Turnhout en Elisabeth Adriaen van Esch. Uit de doopboeken wordt duidelijk dat deze Elisabeth een dochter was van Adriaan Joachim van Esch en Christina Willem van Beurden.

Kievits, 1753-1873

Johan Baptist Jansen secretaris der vrijheid Arendonk man van juffr. Margo Clara van Turnhout sterk voor Vincentius van Turnhout zijn absente zwager coopman en borger binnen stad Grave verkoopt op 5 januari 1753 voor schepenen van Oisterwijk eenen schoonen en welgelegen coornwintmoolen vanouts gent de Moolen ter Nedervonder met moolenhuysinge schuer en hof aankomst na dood ouders aan het Lindeind aan Hendrik Kievits, inwoner van Oisterwijk, en diens broer Cornelis Kievits, inwoner van Oosterhout. RO 421,f.227v.

Na de dood van zijn broer Cornelis koopt Hendrik Kievits op 15 nov 1757 de andere helft in de molen van diens weduwe Maria Boenders, die ook optreedt als voogdesse en testamentair boedelhoudster voor de twee kinderen van Cornelis uit diens eerste huwelijk met Petronella van den Bergh. In de marge van de akte staat dat Cornelis Kievits op 26 mei 1792 de enige nog levende zoon is van Cornelis Kievits. RO 422,f.291.

Op 9 feb 1768 verhuurt Hendrik Kivits, molenaar en eigenaar van de windkorenmolen Ter Nedervonder en van de korenwatermolen Ter Borcht, beide molens voor zes jaar aan Andries van Heeswijk, molenaar van de windkorenmolen te Kerkhoven. NO 97,f.37.

Molenaar Hendrik Kievits koopt in november 1768 in een publieke veiling een fraai woonhuis aan het Lindeind in Oisterwijk van de erfgenamen Gerard Nelis Smits. RO 426,f.76v. Hij kwam uit Den Dungen, woonde eerst als weduwe van Adriaantje Lodders in Gilze en ondertrouwde op 18 jan 1749 voor schepenen van Den Bosch met Geertrui Antonie Lamberts Versteynen, eigenaresse van de watermolen Ter Borcht.

Hendrik Kievits wordt op 23 sep 1779 kinderloos begraven in de kerk van Oisterwijk. Hij was schepen van Oisterwijk tussen 1748 en 1757. Zijn weduwe Geertruy Versteynen verhuurt op 12 nov 1791 ‘zoodanige wintcoorenmoolen ter Nedervonder met desselven huysinge schuur schop hof landerijen en weyden en watermolen Ter Borgt’ aan Pieter Assenbergs voor zes jaar voor 600 gulden en 32 vaten rogge in vier termijnen. Archief notaris Johannes Jacobus Heuvel, NO 118,f.6.

Het huis aan het Lindeind komt in 1804 in handen van Hendriks neef Cornelis, geboren te Oosterhout uit Cornelis Kievits en Maria Boenders. Cornelis is molenaar en overlijdt te Oisterwijk op 25 sep 1815 in de leeftijd van 60 jaar. Hij laat een weduwe Adriana van de Loo (1776-1851) achter. Zij hertrouwt in 1817 met Adriaan Hombergen (1769-1837), korenmolenaar, meester molenmaker (verplaatser van complete molens), kroeghouder en koopman in granen.

Adriaan Hombergen was op 15 mei 1769 gedoopt (RK) te Beugen (bij Boxmeer) en overleed in Oisterwijk op 14 sep 1837. Hij verplaatste in opdracht molens, wat goedkoper was dan afbreken en weer opbouwen. Zo vroeg de directie van een papierfabriek in Boxtel hem om in de zomer van 1819 een watermolen met bijgebouw aan het Smalwater te verplaatsen naar een plek een kilometer verderop.
Bron: Ruud van Nooijen, Een molentjen op den zandweg reed... (nov 2015)

De oudste zoon van Cornelis Kievits en Adriana van der Loo was molenaar Hendrikus Cornelis Kievits (1799-1878).

De molen, in de 19de eeuw ook wel aangeduid als Kivitsmolen, is in 1873 gesloopt.

 

De watermolen Ter Borcht

De watermolen wordt verheven in 1536 voor Cornelis Kivits van Vlijmen (1475-1541),

Figuur 6 Wapen van Cornelis Kievits (1569-1615), heer van Terborch, met de roos van Kievits en daaronder de molenijzers van 'Van Poort'.

lakenverkoper te Antwerpen en heer van het aanpalende leengoed Ter Borcht. Hij wordt opgevolgd door zijn zoon Gielis Cornelis Kievits (c.1525-1582), heer van Ter Borcht, lakenverkoper te 's Hertogenbosch en schepen van Oisterwijk 1561 en 1563. Deze wordt op zijn beurt opgevolgd door zijn oudste zoon Cornelis Kievits (1569-1615), heer van Ter Borcht, bij Anne van de Boirt of Poort.

Op 29 juli 1605 verkoopt de familie Kievits de molen via transport voor de schepenen van Den Bosch aan Christiaen sone Laureyns Henricx van Ravesteyn. Bron: sH.R.1425,f.287.Hij wordt op 11 juli 1607 verheven voor het Leenhof van Brabant. Bron: BHIC, toegang 19, leenregisters inv.nr.1125,p.1080.

Op 9 november 1619 komt de molen in handen van luitenant kolonel Godevaert Pynappel, om vervolgens op 28 oktober 1633 te worden verheven voor zijn weduwe Aldegonda. De leenomschrijving begint als volgt:

"twee watermolens, den eene wesende eene coorenmolen, ende den andere eene volmolen, als aen malcanderen staende..

[..] item eene rosmolen, ende nu eene olijmolen met eenen molenhuys, hoff, ende stuck ackerlant groot ontrent twee en een half loopen saet achter 't huys gelegen [..] metten recht van gemaelen ende andere sijne toebehoorten gelijck Christiaen soone wijlen Laureijs Hendricks van Ravesteijn laetste proprietaris derselven goederen die onder een heeft beseten ende gebruijckt."

> bron: RANB, Leenhof van Brabant, inv.nr. 1129,f.1463
Het echtpaar liet twee dochters na: Emerentiana Pijnappel Godevaertsdochter, 27 mei 1625 te 's Hertogenbosch getrouwd met Jan van den Poll, drossaart van Hedel en Empel, rentmeester van de graven Van den Bergh; en Maria, getrouwd met Johan Hunninga,

Figuur 7 De watermolen Ter Borcht te Oisterwijk in 1832. Het complex werd in 1876 gedeeld eigendom van de gemeenten Oisterwijk, Berkel Enschot en Tilburg. In 1924 werd wat er nog van het bouwwerk over was gesloopt. Detail van het kadastrale Minuutplan 1832.

en later met Henry Olivier van Berchhuysen. Marcelis van der Poll, een zoon van Emerentiana, wordt verheven voor Ter Borch op 3 mei 1660.

Het Kommerboek Oisterwijk vermeldt Hendrick Anthonis Stijnen als pachter van de molen in 1636. Anthonis Jan Stijnen huurt volgens hetzelfde document een hoeve Ter Borcht van de weduwe Godevaert Pijnappel. Het Verpondingskohier 1658 uit de archieven van de Raad van State vermeldt Cornelis Hendrick, die wordt aangeslagen voor een 'molderhuys en watermolen', gehuurd van de erfgenamen Pijnappel.
Het schepenbankarchief van Oisterwijk vermeldt Cornelis Hendricx Verstijnen als 'molder op den watermolen alhier' in 1665.

De watermolen wordt op 18 januari 1672 verheven voor Godefroy Frederick van der Pol en Henrij Olivier wonende tot Parijs soone ende erfgenaem van Hendrick Olivier van Berckhuysen geprocureert bij Maria Pijnappel, alsmede de weduwe en kinderen van Marcelis van de Pol en Maria Hunninga van Oostwolt. Bron: BHIC, leenregisters inv.nr.1139, p.2585.

De watermolen, voor de helft eigendom van Olyphiers wonend in Parijs en de andere helft van Johan van der Pol, drossaart van de baronie van Hedel, blijkt rond 1694 te zijn geconfisceerd door de Staten Generaal der Verenigde Nederlanden (NO 5290,1694,14, 13 april 1694). Lambert Cornelis Hendrick Verstijnen huurt sinds 13 april 1694 de helft van de watermolen Ter Borcht te Oisterwijk voor drie jaar van Philip Jacob van Borssele van der Hooge, Raad en Rentmeester Generaal der Domeinen van Brabant (NO 5290b). Met ingang van 15 juni 1695 huurt hij tevens de oliemolen gestaen aen den huyse genaemt Weyenborch te Oisterwijk voor vier jaar van Leonart van Eijs, president schepen. Hij betaalt hiervoor jaarlijks 42 gulden (NO 5290c dd 25 juli 1695). Rond 1700 huurt Joseph Nicolaas Tuelincx (Teurlings) de watermolen. In 1721 is Balthus Gerrits Versteynen de huurder en bewoner.

Op 13 juli 1731 wordt de molen verkocht aan Adriaen van Dall. Na een lange tussenperiode komt de molen later weer in handen van de familie Kievits: Hendrik Cievits (geboren 1746) is eigenaar vanaf medio 1769. Hij stamt direct af van Willem Kievits (1472-1556), een broer van Cornelis Kievits van Vlijmen, heer van Terborcht. Omstreeks 1786 is Petrus Josephus Asenbergh (1755-1822), schepen van Oisterwijk in 1798 en 1803, de pachter; in februari 1791 wordt Assenbergh genoemd als molenaar van de watermolen Ter Borg en van de molen Ter Nedervonder, zie RO 92,f.85.

Op 1 november 1792 was de molen eigendom van de in Leiden geboren wollenstoffenfabrikant en patriottisch pamflettist Pieter Vreede (1750-1837), die hem als volmolen liet gebruiken ten behoeve van zijn Tilburgse fabriek. Sinds 23 oktober 1807 stond de molen op naam van Paulus (1779-1842) en Hendrik (1781-1835) Vreede, zoons van Pieter. Op 24 juli 1812 verkochten zij hem aan G. Verbunt, maar op 20 november 1821 namen zij hem weer in bezit.

In 1836 verkocht de familie Vreede de molen aan Joh. Kievits, die hem in 1875 verkocht aan Arn. Schoenmakers te Tilburg. In 1881 ging het bezit over naar de gemeenten Tilburg, Berkel-Enschot en Oisterwijk, die hem eerst nog verpachten, maar in 1886 buiten gebruik stelden. In 1897 en 1924 is de molen afgebroken.

 


 

De watermolen van Heukelom

Al in 1340 is aan de Voortse Stroom sprake van een door water aangedreven maalderij. In 1377 wordt melding gedaan van een 'slachmoelen te Hucule', hetgeen duidt op het slaan van olie uit zaden. In de winter tussen Bamis (1 oktober) en half maart werd de molen aangedreven door water. In de zomer fungeerde deze als oliemolen, aangedreven door paarden. De twee molens werden ook wel aan verschillende pachters verhuurd. Rond 1611 wordt een derde rad toegevoegd ten behoeve van een volmolen. In dat jaar legt het Leenhof van Brabant eigenaar Hendrik de la Rivière een boete op van 150 gulden omdat hij geen toestemming heeft gevraagd voor de bedrijfsuitbreiding van de molen.

Figuur 8 De watermolen van Heukelom in 1832. Het molenhuis lag aan de oostkant van de weg naar Moergestel, op de plek waar tegenwoordig het café Mie Pieters staat. Detail van het kadastrale Minuutplan.

De molen was een leen van de hertog van Brabant. Bezitsoverdracht van vader op zoon of verkoper op koper ging in beginsel gepaard met verhef voor het hertogelijk leenhof, waarbij de leenman het leengoed ontving uit handen van de leenheer. Bij het verhef werd vaak een beschrijving van het goed gevraagd (denombrement). De archieven van het leenhof worden bewaard op het Algemeen Rijksarchief in Brussel (Archieven van het Leenhof van Brabant, periode 1312-1794) en het Rijksarchief Noord-Brabant (Archieven van Raad en Leenhof van Brabant, periode 1591/1648-1811).

De werking van de molen werd in 1869 stopgezet, waarna deze in verval raakte.

bron: A. van den Oord en W. van Oosterhout, Berkel-Enschot-Heukelom: drie zielen en één bestuurlijk hart (Berkel-Enschot 1996)

Eigendom van de familie Back (zie boven bij de Kerkhovense molen), daarna begin 16de eeuw via Adriana Back geërfd door de familie Van Brederode, die stroomafwaarts langs de Leij het huis Durendael bezaten en de windmolen van Kerkhoven.

Verheven 28 november 15.. (slecht leesbaar in het Leenregister) voor Reinier van Brederode (1520-1584), bij doode jouff. Adriana Bacx sijne moeder.

Verheven aan het Leenhof van Brabant 1 okt 1591 voor Wolfert van Brederode.

Na de dood van Wolfert volgt verheffing 13 oktober 1592 voor Catharina van Brederode, dochter van Hendrik van Brederode (gest. 1568) en kleindochter van Reinier IV (1520-1584) van Brederode. De genoemde sterfman is haar oom Maximiliaan Lubbert van Brederode. Zijn broers waren Floris (gest.1599) heer van Cloetinge (in Zuid-Beverland) en Walraven III (1547-1614), 14de heer van Brederode, Vianen en Ameide; Hendrik (heer van Asten en Catharina's vader) en Wolfard; zijn vier zusters waren Anna, Adriana (getrouwd met Hendrick van Riviere), Margaretha (non) en Suzanna (abdis).

Vervolgens verheven december 1619 voor Catharina's oom Hendrik de la Rivière (gest. 26 dec 1621) heer van Yseren, Smayenbergen en Schonenbergen, als tweede (sinds 18 feb 1593) man van Adriana van Brederode (gest. Oisterwijk 24 aug 1619). Haar familie was gegoed in Heukelom met het omgrachte huis Durendael en in Oisterwijk met de leengoederen Ten Eijnde en Ter Bijgaerde. Het echtpaar bewoonde het huis Durendael en werd begraven in de kerk van het klooster Catharinenberg in Oisterwijk. Henrick van Riviere, een achterneef van Adriana, was kapitein van een compagnie lansiers in Spaanse dienst, en zoon van Erard van Riviere, heer van Heers, Horpmaal, Jesseren, Wimmertringen etc., bij Johanna van Merode (De Brabantse Leeuw 11 (1962) p.43). Yseren is een gehucht dat grotendeels onder Oud Valkenburg in Limburg ligt, en deels onder Wylre.

De molen wordt op 24 februari 1620 verheven voor Johan Wolphart van Brederode (1599-1655), heer van Cloetingen, Brederode, Vianen, Ameiden en Noordeloos, zoon van Floris van Brederode (gest.1599) & Theodora van Haeften, na de dood van zijn tante Adriana. Hij was gouverneur van 's Hertogenbosch 1630-1655, en stond 1641 aan het hoofd van een gezantschap naar het Engelse hof om voor toekomstig stadhouder Willem II de hand te vragen van Maria Stuart. In 1642 volgde hij zijn zwager Willem van Nassau Siegen op als veldmaarschalk van het Staatse leger. In zijn eerste huwelijk getrouwd met Anna Johanna van Nassau Siegen, geboren Dillenburg 23 feb 1594, overleden Den Haag 7 dec 1636, dochter van Johan de Middelste graaf van Nassau Siegen (een neef van Willem de Zwijger) & Magdalena van Waldeck-Wildungen. Zijn tweede vrouw was Louise Christina van Solms Braunfels (1606-1669), een schoonzus van prins Frederik Hendrik van Oranje. Het is dezelfde Johan Wolphart die door Joost van den Vondel in 1629 of 1630 werd vereerd met het gedicht De Rynstroom:

"Hoe moedigh sal de Rijnsche Leck
Al schuimend bruisen langs Vianen,
Wen Wolphard, wachter van ons heck,
En d'eere der Nassausche vaenen,
Een iongen Soon geboren word,
In wiens gemoed de goude seden
Der overoudren zyn gestort,
En 's Vaders strenge dapperheden;
Een telgh, die weder bloeien doe
Den grysen stam van Brederoe"

Brederode liet vijf dochters na uit zijn eerste huwelijk, maar geen zoon. Die volgde in 1638 uit het tweede huwelijk.

Coomans/Van Dun/Van Cannaert, 1649-1729

Op 8 maart 1649 verkoopt deze Van Brederode voor schepenen van 's-Hertogenbosch de molen met het recht op de sluizen aan Adriaan Coomans (1579-1651), de laatste katholieke schout van Oisterwijk (sH. R. 1571, 458). In de verkoopakte wordt gesproken over drie molens:

"met daertoe drye raeden sijn daer om cooren te malen, d'ander om saet te slaen ende de derde diendende om laeckenen te vollen met de geregticheijden van te maelen, olie slaen ende vollen, daertoe staende dijcken, sluijsen, dammen ende toebehoorten"

Zoals hierboven reeds is aangegeven, was in 1611 een derde rad aan de molen toegevoegd om lakens te vollen. De pachter wordt ook in de akte genoemd:

"Peter Bernaerts deselven watermolens in pacht ende gebruijck placht te hebben, sijnde daervan de coorenmolen leenroerig aen de leenhove van Brabant en de slagmolen ende volmolen cijnsgoederen"

De korenmolen was dus leenroerig aan het Leenhof van Brabant, voor de twee andere molens moesten cijnzen betaald worden aan de Domeinen van Brabant: 3 gulden voor de één, 5 stuivers 10 penningen voor de ander. In de Bossche protocollen duikt in het tweede kwart van de 17e eeuw regelmatig een Peter zoon van Bernart Peter Ghijsse Wagemakers op. Hij wordt in 1620 genoemd als inwoner van Heukelom, en is veelvuldig betrokken bij de verkoop van goederen te 'Huyckelem omtrent en bij den watermolen.' Hij is zeker vóór 17 maart 1676 overleden, als Bernard z. Peter Beernts Wagemakers, wonende te Boxtel, een gedeelte in een hoeve land te Heukelom omtrent de watermolen verkoopt aan zijn broer Wouter. In 1664 wordt een Lijske, weduwe Pieter Bernaerts, inwoonster van Heukelom genoemd. Hoewel Peter Bernarts in bovengemelde akte als gebruiker wordt aangeduid, sluit dit niet uit dat hij een of meerdere van de molens onderverhuurde aan derden.

De nieuwe eigenaar Coomans wordt voor de molen op 27 augstus 1649 verheven aan het Leenhof van Brabant. (RANB, Leenhof van Brabant,inv.nr. 1129, f.1573) Hij overlijdt op 31 januari 1651 te Oisterwijk en wordt in de kerk van het klooster Catharinenberg aldaar begraven.

Later volgen verheffingen voor Livinius van Dunne, 'licentiaet in de rechten' (7 september, jaar niet genoemd); Engelbert de Cannaart als voogd over Mathijs van Cannaart (13 oktober 1661; hij overleed te Antwerpen 18 sep 1665); Johanna de Roij (4 oktober 1663) en Mathijs van Cannaert (16 oktober 1684 vernieuwd). Deze Cannart, die 'heer in Turnhout & Beerse' werd genoemd, was gedoopt in Oisterwijk 28 okt 1655 als zoon van Engelbert Frans van Cannart (1629-1665) en Martina Angelina van Dun (1632-1660). Engelbert kwam uit Loon op Zand, Martina was een dochter van Livinius van Dun (overl. Oisterwijk 23 dec 1655), licentiaat in de rechten, en Angela Comans (1609-1632). Deze Angela ten slotte was weer een dochter van Adriaan Comans, kwartierschout van Oisterwijk, die te Tilburg 29 nov 1608 trouwde met Johanna Jan Herman de Roij (overleden Oisterwijk 3 februari 1670). Mathijs van Cannart, schout van Venloon, bezat het huis 'Broeckhoven' te Tilburg en overleed te Oisterwijk 29 nov 1726.

Op 11 juli 1678 wordt Jan Philibert Cauwenberchs vermeld als pachter van de molen, die op dat moment eigendom is van Mathijs van Cannart. Wouter Peter Bernaerts, Embrecht Peynenborchs en Adriaen Bucken, inwoners van Laag-Heukelom, getuigen die dag dat zij molenaar Jan Philibert Cauwenberchs in de winter van 1676-1677 geholpen hebben met het dichten van een gat in de middelste sluisdeur van de watermolen, zie Notaris Charles de Roy, Tilburg, N.17, ongefolieerd, scan nummer 105, de dato 11 juli 1678. Waarschijnlijk is deze molenaar te identificeren als Jan Philibert Cauwenberg (1622-1692), molenaar, ook op de Kerkhovens molen te Oisterwijk, overleden te Tilburg en getrouwd met Heilwich Peterdr Verhoeven; diens vier zonen Philibert (gest.1691), Peter (1648-1691), Henricus (1649-1715) en Jan (ged.1651) zijn eveneens molenaar, zie De Brabantse Leeuw 20 (1971), p.181. Een zeker Jan Philiberts molder heet op 24 augustus 1662 molenaar op de Veldhovense molen te Tilburg te zijn, zie Notarieel archief Joannes van Rotterdam, minuutakten 1660-1661, inv.nr. 21, f.78v. Hij pacht deze Veldhovense molen van de eigenaren, vermoedelijk sinds 1659, onder wie juffrouw Anna de Hambroeck, die voor een kwart eigenaresse is, zie Notarieel archief Joannes van Rotterdam, minuutakten 1660-1661, inv.nr. 21, f.4v.

Op 17 september 1689 wordt Jan van den Elsacker, 'molder, wonende binnen dese Vrijheyt van Oysterwijck' door Goyaert Baeten als rentmeester van jonker Mathijs van Cannaart 'gecontinueerd inde huer van enen watermolen bijtaends een corenmolen, olij ende volmolen', met nog een stuk land van 20 loopen saet te Heukelom, voor 4 achtereenvolgende jaren. (RO 707).

Jan van de Elsacker wordt nog genoemd in een akte van de Tilburge notaris Arnoud van Loon gedateerd 14 februari 1690 als Jan vanden Elsacker, molder, ende respective inwoonderen der Vrijheyt van Oisterwijck, zie Arnold van Loon, inv.nr. 40, f.11v. Hij verklaart iets gehoord te hebben in de herberg van de Oisterwijkse schepen Leendert Stockvis dat van belang is voor Joachim van Esch.

Voornoemde rentmeester Goyaert Baeten verhuurt op 3 februari 1693 eenen watermolen bestaende in coornmoolen, olij- ende volmoolens, mitgaders eene huysinge, schuer, hoff ende aengelegen erfenisse so hoij als wijlant groot int geheel twintich loopensaeten ofte daer ontrent begrijpende [...] alle gelegen onder de parochie van Oisterwijck ter plaetse genaemt Huyclum, soo ende in sulcke voegen t'selve heeft in hueringe gehadt Jan vanden Elsacker molder tot Oisterwijck voorschreven voor 6 jaar aan Jan Jacob Cornelis Baesten inwoonder alhier tegen een jaarlijkse huur van 350 gulden. Borg staat Loureys Jan Adriaen Claes de Cock, terwijl Adriaen Cornelis van Baest en Jan (of Laurijs) Joachim Weijdeman de huurakte mede ondertekenen als getuigen. (notaris Arnoud van Loon, Tilburg, N.43, f.10).

Als molenaars worden in 1698 vermeld Adriaan en Lucas Baasten, die daar net als hun vader hadden gemaald. Met enig speurwerk is het familieverband als volgt te reconstrueren:

Jan Jacob Cornelis Baasten, getrouwd Tilburg (RK) 1 feb 1665 met Maria Willem Adriaen Burgmans, geboren te Udenhout. Jan woont in 1702 op Loven in Tilburg. Een zoon Lucas wordt te Tilburg gedoopt 17 dec 1670, een tweede zoon Adriaan trouwt Tilburg 6 dec 1700 met Adriaentje Jan Wouters, en een derde zoon Jan Jan Jacob Baesten (gedoopt Tilburg 4 feb 1682) trouwt Tilburg 9 jan 1704 met Helena Philibert Jan Cauwenberg (1687-1713). Een bekende zoon uit dit laatste huwelijk is Albertus Baesten (gedoopt Tilburg 22 maart 1710, aldaar overleden 13 maart 1773), van omstreeks 1754 tot omstreeks 1772 rentmeester van de heer van Tilburg.

Figuur 9 Bidprentje van Albertus Baesten uit 1733.

Op 26 april 1701 huurt Adriaen van Dal de 'coorenmolen, olij ende volmolen, mitsgaders een woonhuys, schuur en hoff' van jonker Mathijs van Cannart voor de termijn van 6 jaar. Van Dal was tevens molenaar van de Kerkhovense molen te Oisterwijk, pachter van de houtschat en vanaf 1716 huurder van de windmolen Ter Nedervonder (RO 708).

De molen ging in de nacht van 29 op 30 november 1713 in vlammen op, na in brand te zijn gestoken door Rachel Hendriks Savrij, weduwe van Jacobus Janssen Ruijtenbeeck, en haar zoon Jan, alsmede de familievriend Matthijs Wilborts uit Tilburg. Deze laatste persoon had op zijn lichaam reeds het Düsseldorfs brandmerk. Op de pijnbank bekende Rachel ook brandstichtingen in Tilburg en Boxtel. Zij werd 14 april 1718 in Den Bosch ter dood veroordeeld voor vagebonderij, bedelarij en brandstichting, en na voltrekking van het vonnis begraven in de put onder de Vughter-galg.

Op 7 december 1716 verklaart Balthus Gerrits Versteynen voor schepenen van Oisterwijk 'de watermolen tot Huyclom' in pacht te hebben sinds 24 juni 1714 (RO 504). Op 28 oktober 1720 verklaart Servaes Loots, 'molenaar op de Huyclomse watermolen' voor dezelfde schepenen met de dood te zijn bedreigd door zijn knecht Michiel Coppens (RO 505)

Op 16 juli 1729 verkoopt Engelbert Francois van Cannart d'Hamale, heer van Uyttengracht, wonende te Oisterwijk, 'eenen coorn en olijmoolen, met sijne sluijsen, ende het reght van een volmoolen' gelegen te Laag Heukelom aan Wouter van Heeswijk (zoon van Andries Peter van Heeswijk, molenaar op de Hoogeloonse molen & Cornelia Stans van Beurden) en Willem van den Abeelen (RO 586)

 

 

Molens in Moergestel

Watermolen van Moergestel
In een Placaet van keizer Karel V wordt in 1545 een graan- olie en lakenvolmolen genoemd, gelegen aan het Stokeind, ten noorden van de dorpskern aan de rivier de Reusel. Eigenaar in 1599 is Aert zoon wijlen Ghijsbrecht Aert Hoppenbrouwers, schout van Moergestel van vóór 1583 tot na 1588. Op 10 december 1616 is deze oud-schout nog in leven, zie NO Lambert van den Hoevel, inv.nr. 1 (II), folio 28v. Aert Hoppenbrouwer is slechts mede-eigenaar van vier watermolens ofte raderen in een huysinge en onder een dak te Moergestel aent Stock, zie sH.R.1477, f.432 de dato 19 juni 1606. Hij deelt het eigendom met Antonia, Gijsbert en Wyerick (ook: Wyring, Wiericx), kinderen van zijn zuster Adriaentken bij Jan Willems van Gilse alias vander Biestraten. In 1616 verkoopt Wyerick een erfcijns uit zijn kwartaandeel in vier watermolens en huysinge onder een dack, corenmolen, runmolen, volmolen en olymolen, zie sH.R.1463,f.387v de dato 8 augustus 1616. Wiering Jansen van Biestraten (begraven Moergestel, RK, op 14 januari 1641) verwekt bij Jenneken Adriaens van Haeren een dochter Adriaantje, die te Moergestel 2 februari 1645 trouwt met Jan Adriaan Daniels de Bresser. Laatstgenoemd echtpaar laat in hun testament (opgemaakt in 1659) een boerderij aan het Stokeind te Moergestel na aan twee zoons: Wiering Jansen de Bresser, en Peter Janse de Bresser. Zij delen de erfenis in 1699, zie De Brabantse Leeuw 22 (1973) p. 150.

In augustus 1651 bezoekt een delegatie van de Raad en Rentmeester Generaal der Domeinen een aantal molens in de streek. Deze 'visitatie' brengt klachten van inwoners aan het licht over de hoge waterstanden die de watermolen van Moergestel, eigendom van ene Hoppenbrouwer, in de wintermaanden veroorzaakt. Ook over de Heukelomse watermolen wordt geklaagd dat het opstuwen van het water in de wintermaanden de weilanden en huizen doet onderlopen. Zie Archief van de Raad en Rentmeester Generaal der Domeinen (RRGD), inv.nr. 438.

Enkele jaren later is de Gestelse watermolen eigendom van Adriaen Soffaerts, oud-schepen van Tilburg. Inmiddels blijkt er tussen oktober en maart niet op gemaald te mogen worden, zie Brabants Heem 31 (1979) pp. 142-160. Adriaen Soffaerts verklaart in 1659 hoe hij de molen via vererving heeft verworven:

Adriaen Soffaerts te Tilburg geeft in een rekest te kennen dat Aert Hoppenbrouwer zijn voorzaat op 20 december 1599 van de rekenkamer van Brabant het bezit verkregen heeft van de watermolen te Moergestel op basis van een recognitiecijns van 50 artois schellingen, om beneden de sluis nog een rad of volmolentje te mogen opbouwen, om daarmee het hele jaar door wollen lakens te kunnen vollen, welk recht hij echter gedurende zijn leven nooit gebruikt heeft. Genoemde suppliant zou dit volmolentje nu graag willen laten optimmeren, omdat de recognitiecijns wel altijd is betaald aan de domeinen. Een van de vier raderen van de oude molen is gebruikt om soms schors te malen. Hij verzoekt nu om het zodanig te mogen veranderen, dat hij ook lakens kan vollen. Rekest en bijlagen worden doorgestuurd naar de rentmeester der domeinen.
Bron: Rijksarchief Noord-Brabant, Resoluties Raad van State, inv.nr.201, folio 31 de dato 22 januari 1659.
Toestemming volgt in februari 1660. De Raad van State staat Soffaerts toe bij zijn watermoken een volmoolen te moogen erigeren, om laakenen daer op te vollen, zie Leen- en Tolkamer nr.133, folio 158 de dato 2 februari 1660 en De Brabantse Leeuw 19 (1970) p. 162. Soffaerts was een van de belangrijkste lakenkopers van Tilburg en was bovendien lakenreder en volder. Hij bracht Spaanse wol van Heusden naar de lakencentra Tilburg, Hoogstraten en Eindhoven, maar reed ook op Antwerpen (geparafraseerd uit Leo Adriaenssen, 'Spaanse wol voor Tilburg' in Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur 17 (1999).

Adriaen Janszn Soffaerts was schepen van Tilburg 1649-1650, 1654, 1656-1658 en borgemeester aldaar 1639-1640. Hij werd op 2 juli 1671 begraven. Hij trouwde in 1629 met Magdalena Alewijns, dochter van Antonis Alewijns (molenaar op de heimolen bij Hilvarenbeek en de watermolen van Goirle) bij Margriet Lambert Jan 's Beckers. Dispensatie voor dit huwelijk was aangevraagd op 27 februari 1629, zie De Brabantse Leeuw 46 (1997) p. 237. Haar broer Adriaen Anthonis Alewijns was schepen van Tilburg, eerst herbergier te Goirle en later lakenkoper te Tilburg. Op 15 mei 1663 (inmiddels weduwnaar) hertrouwt Soffaerts te Tilburg met de 49-jarige Angela de Roy (gedoopt 14 juli 1613, begraven 24 maart 1673), dochter van Herman de Roy, secretaris van Tilburg en Goirle 1602-1620, schout aldaar 1620-1650, notaris te Tilburg, bij Maria van Heyst. Zie De Brabantse Leeuw 4 (1955) p. 75.

Soffaerts was ook molenaar in Tilburg. Rond 6 november 1661 (exacte dag niet genoemd in de akte) verschijnt voor de Tilburgse notaris Joannes van Rotterdam seigneur Adriaen Soffaerts out schepen en coopman deser heerlijcheyt

jegenwoordig als eygenaer ende proprietaris vande helft inden Corvelschen wint, coren ende rosmolen, molenhuys ende appendentien ende dependentien vandien
Hij verhuurt de helft in de Corvelse molen aan de weduwe en erfgenamen van Jan Adr. de molder tot 1662, zie Notarieel archief Joannes van Rotterdam, minuutakten, 1660-1661, inv.nr.21,f.92r-92v.

Pachter 1670—na 1681 : familie Vander Crabben
Soffaerts verhuurt de Moergestelse water-, olie- en lakenvolmolen met ingang van 1 oktober 1670 voor zes jaren aan Jan Jan Michielssen van der Crabben, inwoner van Casteren onder Liempde, tegen een jaarlijks te betalen pachtsom van 525 carolusguldens, met voor beide partijen een periode van berouw van drie jaar. Als getuige ondertekent Andries Jan Michielssen vander Crabben mede de huurakte, zie Notarieel archief Charles de Roy, minuutakten 1669-1675, inv.nr.16,f.56r-57v, de dato 13 oktober 1670.

Van der Crabben, zoon van een molenaar uit Vught, was ook mulder van de water- en windmolen te Casteren en is te Liempde begraven op 1 juli 1700. Kennelijk liet hij het beheer van de watermolen in Moergestel over aan zijn zoon, die deze soms ook onderverhuurde. Gerrit van der Crabben alias Van Roosmalen, overleden Moergestel 26 maart 1724, was mulder te Moergestel op de coorenwatermolen, volmolen ende olimolen alhier; in 1681 verklaren de schepenen van Moergestel dat hij die molen al jaren 's winters bemaalde of deed bemalen, zie Schepenbankarchief Moergestel inv.nr. 308, f.3 de dato 20 januari 1681 en De Brabantse Leeuw 10 (1961) pp. 40-41. Gerrit van der Crabben was te Moergestel in november 1673 getrouwd met Anna van den Eynden.

Op 13 juli 1702 verhuurt Johan Baptista Soffaerts, ontvanger te Tilburg, de helft in eenen watermolen metten app. ende dependentien vandien, gereserveert de wooninge, gestaen ende gelegen tot Moergestel voor zes achtereenvolgende jaren aan Adriaan Bogaerts te Tilburg. De huurder mag vijfenhalve maand per jaar malen; het eerste jaar begint op 1 oktober 1702 en expireert half maart 1703 soo voorts van jaer tot jaer. De jaarlijkse op te brengen pachtsom bedraagt 120 gulden, zie notariel archief Jacobus Molengraeff, inv.nr. 67, f.54 de dato 13 julij 1702. Op 14 aug 1702 verplicht Johan Baptista Soffaerts zich per notariële akte dat behoorlijck werdt gerepareert ende voorsien van twee hamers van de com van de volmolen ende de oliebanck , waarbij hij opdraait voor alle kosten en schade, zie notariel archief Jacobus Molengraeff, inv.nr. 67, f.68.

Op 3 oktober 1703 verhuurt Adriaen Bogaerts, inwoner van Tilburg, de helfte in eenen watermolen mette appendentien ende dependentien vandien te Moergestel aan Michiel Nicolaus Coppens, inwoner van Moergestel, voor vijf resterende en achtereenvolgende jaren, om jaarlijks vijfenhalve maand te gebruiken, te beginnen op 1 oktober 1703 en expirerende half maart 1704; de jaarlijks op te brengen pacht bedraagt 120 gulden. Johan Soffaerts, eigenaar van de halve molen, verklaart te vrede te wesen met deze overlatinge en Coppens als huurder te accepteren en Bogaerts te ontslaan (betekent dit dat het hier om onderhuur gaat ??). Bron: notariel archief Arnold van Loon, minuutakten 1700-1703, inv.nr.49,blad 147.

Coppens is in 1714 nog altijd de pachter, zie NO 63, f.139.

In januari 1718 geldt Laureys van Heeswijck als molenaar van de watermolen, zie RA Moergestel, inv.nr. 188 (Nr. 1599).

De watermolen van Moergestel is tussen 4 en 5 juni 1722 tot de grond toe afgebrand. De Staten Generaal concluderen na taxatie door de wethouderen dat sprake is van brandstichting en statuteren een equitabele omslag te doen om eigenaar Laurens van Heeswijk wonende te Boxtel een schadevergoeding te kunnen uitkeren. NO 70,f.221.

Op 18 sep 1725 verkoopt Laureyns van Heeswijk molenaar wonende tot Boxtel eenen afgebrande plaats van eenen watermolen met een huysjen en erve daeraan, gehorende, gestaan en gelegen in den gehugten van het Stockeynde onder de heerlijkhijt Moergestel hem aangekomende bij koop en opdragt tegens mr. Pieter Verster in qualitijt als geautoriseerde evicteur der Domeynen als in leenmansbrieven deser stadt majorie en quartieren van dien de dato den vijfden november xij zestien [=1716] aan Gratiaan Jacob de Velle, ten behoeven vanden Hoog Ed: Welgeb: Heere Isaak baron van Cronstrom heere van den Nemelaar. De koopsom bedraagt 315 gulden, met 283 gulden 15 stuivers aan lasten komt het totaal op 598 gulden en 15 stuivers. Er rust een jaarlijkse erfcijns op de molen van 11 gulden, te betalen aan de Domeinen van Brabant. sH.R.1717,f.64. Noot: de in Zweden geboren baron Isaac Cronström (1661-1751), heer van Nemelaer, was brigadier in het Staatse leger. In 1718 werd hij verheven voor het leengoed Kerkhoven bij Oisterwijk. In 1747 werd hij gouverneur van 's-Hertogenbosch.

In 1832 is Nicolaas van Gorkum eigenaar van de waterkorenmolen; Johannes van de Wouw heeft de oliemolen en een woning naast het molenhuis in bezit, In 1878 stond de molen er nog met twee onderslagraderen, het jaar erop werd deze afgebroken.

 

Windmolen aan het Rietven
In oktober 1678 vraagt jonkert Matthijs van Cannart (1655-1727), heer in Turnhout en Beerse, de Raad en Rentmeester Generaal der Domeinen toestemming om een nieuwe windkorenmolen te mogen bouwen in Moergestel. De beoogde locatie is aan het Rietven, ten noorden van de dorpskern. De inwoners van Moergestel zijn, zo luidt het verzoek, nu namelijk aangewezen op een windmolen die tot wel anderhalf uur reizen staat: ten zuiden van het dorp bij de grens met Hilvarenbeek. Cannaerts wil de molen voor eigen rekening laten bouwen en stelt voor een recognitiecijns te betalen van 6 tot 8 gulden.

De Rentmeester stemt in met het verzoek en merkt in zijn antwoord verder op dat de inwoners in het noordelijke deel van de heerlijkheid Moergestel tot nu toe waren aangewezen op de watermolen van Sofferts te Tilburg, die met name in de wintermaanden niet kon worden gebruikt, zie RRGD, inv.nr. 24 folio 27 verso de dato 10 oktober 1678. Enkele decennia later volgt een geschil tussen Cannart (die ook eigenaar was van de watermolen van Heukelom) en andere moleneigenaren uit de omgeving Tilburg. Een proces voor de Raad van Brabant te Den Haag volgt, zie RRGD inv.nr. 19, document 116 de dato 4 februari 1697