Start Zorgproces News/Publicaties Relevante Links Inhoud

 Geestelijke GezondheidsZorg Eindhoven en de Kempen

 

 

 

Omhoog
Cluster A
Cluster B
Trauma/ Cl. C
Ontheemden
Forensisch

 

Doelgroep

 

Zorgprogramma

Persoonlijkheidspathologie

&

Traumagerelateerde stoornissen

(PPTgS)

GGzE

 DOELGROEP

Het zorgprogramma is bedoeld voor cliënten met als hoofddiagnose een persoonlijkheidsstoornis en/of traumagerelateerde stoornis (stoornisgeoriënteerd uitgangspunt). 

Daarnaast dient het zorgprogramma ook voor cliënten die, om te kunnen komen tot een therapeutisch proces, de "holding" van een complex en geïntegreerd behandelaanbod nodig hebben, waarin het methodisch hanteren van de relatie, centraal staat (procesgeoriënteerd uitgangspunt).

Soms is de persoonlijkheid nog weinig uitgerijpt of diagnostisch moeilijk in te schatten omwille van een manifest toestandsbeeld of onvoldoende informatie. Co-morbiditeit in de vorm van bijvoorbeeld angst- en stemmingsstoornissen, impulsregulatieproblemen of middelen misbruik is eerder regel dan uitzondering in deze groep. In de praktijk kan dan ook het onderscheid tussen persoonlijkheidsstoornis of symptoom-stoornis (alleen een as I aandoening in DSM-termen, zonder as II classificatie) soms moeilijk te maken zijn, met als gevolg onduidelijkheid in het vaststellen wat het primaire aangrijpingspunt van de behandeling/begeleiding moet zijn.

De volgende indicatoren kunnen een toewijzing aan het zorgprogramma rechtvaardigen: 

Cliënten maken de relatie met de intaker/behandelaar snel tot de kern/crux van de behandeling en geven daarbij blijk van sterke overdrachtsvervormingen (ophemelen, verguizen, verleiden, dwangmatig controleren, wantrouwen, boycotten)

Een eerdere symptomatische behandeling heeft niet tot voldoende effect geleid (snel recidief, steeds weer andere klachten) en dit is niet afdoende te verklaren vanuit matchingsvariabelen (sexe, leeftijd van de behandelaar), biologische factoren of nieuwe c.q. persisterende negatieve life-events.

Verlatingsgevoeligheid en/of een hechtingsstoornis zijn belangrijke uitlokkende of onderhoudende factoren van de symptomatologie.

Er is sprake van zodanig verzwakte Ik-functies dat een langer durende, complexe therapeutische context noodzakelijk is om te komen tot voldoende zelfhandhaving. Er moet met andere  woorden gewerkt worden aan:

ontwikkeling van bestaansrecht en basisvertrouwen;

versterking van het vermogen onderscheid te maken tussen fantasie en werkelijkheid en tussen zichzelf en de ander;

versterking van de impulscontrole, angst- en frustratietolerantie (emotieregulatie);

versterking van het vermogen om ambivalenties te verdragen;

versterking van het vermogen om alleen te kunnen zijn;

verbeteren van het vermogen betekenisvolle relaties aan te kunnen gaan;

ontwikkelen van een coherent en realistisch zelfgevoel. 

De doelgroep behelst vooral cliënten  die gedurende hun behandeling behoefte zullen hebben aan interdisciplinaire, multidisciplinaire en multimethodische behandelvormen.

Enkele afbakeningen ter verduidelijking:

Cliënten  met persoonlijkheidsstoornissen waarbij een monomethodische psychotherapie volstaat en cliënten  die lijden aan de gevolgen van een type 1 trauma kunnen protocollair worden behandeld. Zij hoeven niet te worden toegewezen aan het zorgprogramma persoonlijkheidspathologie en traumagerelateerde stoornissen. Cliënten  die lijden aan de gevolgen van een type 2 trauma worden wel behandeld binnen het zorgprogramma persoonlijkheidspathologie en traumagerelateerde stoornissen omdat het bij deze cliënten  niet te voorspellen is in hoeverre ze gedurende hun behandeling aanvullende behandelvormen nodig zullen hebben.

Vluchtelingen met traumagerelateerde problematiek (meestal type 2 trauma's) kunnen binnen het zorgprogramma persoonlijkheidspathologie en traumagerelateerde stoornissen behandeld worden wanneer ze een verblijfsstatus hebben. Zonder een verblijfsstatus is hun toekomst te onzeker om verantwoord met een behandeling te beginnen.

Om de zorgtoewijzing aan zorgprogramma's te optimaliseren is een pragmatische indicatiestelling gewenst waarbij, naast de diagnose, ook de hulpvraag en de meest gewenste methodiek meegenomen wordt in de besluitvorming.

SUBTYPERING DOELGROEP

De groep van cliënten met persoonlijkheidspathologie is heterogeen. Gelet op de verschillen in  de structuur van de persoonlijkheid en het daarmee samenhangende verschil in attitude waarmee de hulpverlener zich dient op te stellen, zijn er in de nota "persoonlijkheidspathologie en trauma gelegateerde stoornissen", d.d. maart 1999, keuzen gemaakt voor verschillende behandelarrangementen/methodieken, voor onderscheiden sub-groepen binnen de doelgroep. Die subgroepen zijn:

Cluster A

Cluster B

Traumagerelateerde stoornissen en cliënten met mildere persoonlijkheidsproblematiek al of niet in combinatie met  dissociatieve stoornissen, of posttraumatische stress-stoornis

posttraumatische stress-stoornis in combinatie met ontheemding (vluchtelingen/migranten)

Het verschil in aanpak per subgroep wordt herkend in alle leeftijdscategorieën. Bij mensen met bovengenoemde problematiek lijkt het van wezenlijk belang om de activiteiten in het kader van het zorgprogramma toe te spitsen op jeugdigen, volwassenen en ouderen. De indeling in de vier subgroepen clusters geldt voor alle leeftijden.

Bij jeugdigen tot 18 jaar kan niet in formele zin gesproken worden over persoonlijkheidsstoornissen. Wel zijn er  indicatoren voor een ontwikkeling in die richting. Wij zijn van mening dat jongeren onder de 18 jaar in principe niet in aanmerking komen voor het zorgprogramma. We achten het wel noodzakelijk dat er samenhang gebracht wordt tussen dit zorgprogramma en de overige zorgprogramma's. Als voorbeeld kunnen jeugdige cliënten gelden omdat hierop een ander juridisch kader van toepassing is.

Gelet op ouderen met bovengenoemde problematiek kan het volgende gezegd worden: er zijn drie "presentatievormen":

Mensen die al vroeg in de psychiatrie terecht gekomen zijn en daarin ouder zijn geworden en waarbij de primaire AS I problematiek verweven is geraakt met hun persoonlijkheid. Met andere woorden "mensen hebben geen  klachten en symptomen meer maar zijn hun symptoom geworden”.

Mensen die een complementaire relatie hebben gehad en dankzij die relatie niet in beeld zijn geweest binnen de psychiatrie. Pas na het overlijden van de partner komen ze in beeld.

Mensen bij wie de persoonlijkheidsstoornis in beeld komt door een knik in de levenslijn. Zij komen over het algemeen laat in beeld.

 

 

     
Laatst bijgewerkt: 29 november 2003