WIL DE ECHTE FLORIS V NU OPSTAAN? - een lezing

Een waarschuwing vooraf: dit verhaal gaat niet in de eerste plaats over Floris V. Hij komt er wel in voor, en steeds meer naarmate het verhaal vordert. Toch is de invalshoek bij het schrijven niet het leven en sterven van deze dertiende-eeuwse Hollandse graaf geweest. Dat komt, doordat de relatie tussen geschiedenis schrijven en verhalen vertellen mij al schrijvend steeds meer ging boeien. Daarom wil ik beginnen met een kort exposé over historische romans, om van daaruit via wat toneelstukken en een Oscar-winnende film bij mijn eigen boeken en het onderwerp daarvan uit te komen.

BASTAARDKINDJE

In 1839 werd in het toen nog jonge literaire tijdschrift De Gids een roman van ene W. van Rehburg gerecenseerd, een nu vergeten auteur die zelfs het standaardwerk over de 19e-eeuwse historische roman, Drops Verbeelding en historie, niet heeft gehaald. De titel van Van Rehburgs roman luidde Sint Jansavond, of De graaf en zijn raad, het onderwerp was de moord op Floris V. De recensent was de 19e-eeuwse cultuurpaus Bakhuizen van den Brink, en zijn kritiek was niet mals. Van Rehburg, aldus Bakhuizen, had geprobeerd twee onverenigbare Florissen in één romanfiguur samen te voegen. Enerzijds Floris V als ideaal vorst, de welbekende `keerlen God', anderzijds Floris V als vuige aanrander van adellijke dames en politieke tyran, de visie van 17e-eeuwers als P.C. Hooft. Het resultaat: een ten enenmale ongeloofwaardig personage. Nee, zegt Bakhuizen, had dan liever de moed opgebracht om partij te kiezen. Dan hadden we tenminste een Floris uit één stuk gehad.

Van Rehburgs feilen is volgens Bakhuizen behalve aan gebrek aan talent ook te wijten aan een misstand binnen de historische romankunst zelf. Dit genre is min of meer uitgevonden door Sir Walter Scott, de auteur van o.a. Ivanhoe, en vanuit de Britse eilanden naar hier overgewaaid. Het was al van meet af aan controversieel. Veel critici vreesden dat dit bastaardkindje van literatuur en historie bij ondeskundige lezers de plaats van het serieuze geschiedwerk zou gaan innemen. Er werd met klem tegen gewaarschuwd, zowel door historici als literatuurkenners.

Toen de opmars van het genre desondanks niet te stuiten bleek werd in arren moede maar geprobeerd die in goede banen te leiden. Auteurs van historische romans moesten zich beperken tot 1. het getrouw weergeven van de zeden uit vroeger eeuwen en 2. het oproepen van de Tijdgeest, wat dat ook wezen moge. Afwijkingen van de historische overlevering waren uit den boze. Dreigend stelt een recensent in 1837: `Men mag de geschiedenis aanvullen, maar niets ter neder zetten dat haar openlijk wederspreekt.' Veel mensen denken er heden ten dage nog precies zo over.

Daarbij werd en wordt iets wezenlijks uit het oog verloren. Om een bekend spreekwoord te parafraseren: waarom zou een aanvulling op de geschiedenis niet minstens zo erg zijn als een hele leugen? Er zijn verzinsels die beter blijven hangen dan feiten en in het geheugen merkwaardige transformaties ondergaan. Een voorbeeld. In het Floris-herdenkingsjaar 1996 verscheen er in de Volkskrant een artikel over de Hollandse graaf waarin het hele verhaal van de moord door de edelen nog eens werd naverteld. De artikelschrijver wist o.a. te melden dat het toegesnelde volk lappen in het bloed van de dode had gedoopt om die als een soort relikwie te bewaren. Ik schreef hem een brief om te vragen waar hij die wetenschap vandaan had, en in zijn antwoord moest hij toegeven dat het uit mijn boek De Laatste Dagen van Floris V was, en nergens anders uit. Het was een verzinsel, een `aanvulling' van mij die op niets anders was gebaseerd dan mijn persoonlijke idee dat het waar had kúnnen zijn. Evengoed belandde het als `historisch feit' in de krant. Foei! Geschiedvervalsing! Mythevorming in een embryonaal stadium; laten we hopen op een miskraam! Toch heb ik de regels van die 19e eeuwse recensent beslist niet overtreden.

FEITEN EN FICTIE

Waar het hier feitelijk om gaat is het wezen van de historische roman. Die heeft zijn eigen wetten, die niet per se samenvallen met die van het geschiedbedrijf. Ook een historische roman is in de eerste plaats fictie en de auteurs horen zich niet voor het karretje van historici te laten spannen. Aldus de strekking van het betoog dat de al genoemde Bakhuizen hield naar aanleiding van het Floris V-boek van Van Rehburg. Exit al die lieden die zo hun best deden om keurig netjes volgens het geschiedenisboekje te werken. Maar de kritiek was terecht, en gelukkig kreeg Bakhuizen ook medestanders. Langzaam won het inzicht veld dat in de benaming `historische roman' het woord roman het zelfstandige en het woord historische het bijvoeglijke naamwoord is. Het genre kon emanciperen.

Kon - maar heeft het dat ook gedaan? Of is het een soort stiefkindje van de literatuur gebleven? Daar lijkt het soms wel op (hoewel hier in Nederland het aantal serieuze historische romans de laatste jaren weer duidelijk toeneemt). Toch blijft het een wat problematisch genre. In theorie is de gedachte dat ook zulke teksten vooral op hun literaire merites moeten worden beoordeeld, wel algemeen aanvaard. Maar in de praktijk blijkt het toch niet helemaal zo te werken. Zo stelde onze `eigen' Huizinga eens vast dat zijn aarzelende waardering voor Saint Joan, het toneelstuk van Bernard Shaw over Jeanne d'Arc, voornamelijk stoelde op de historische betrouwbaarheid van het werk. Het beroemde boek Ik Claudius van Robert Graves, over een episode uit de Romeinse geschiedenis, werd meteen na publicatie door een Duits historicus naar de prullenbak verwezen: het zou wemelen van de onjuistheden. Degenen die het vele decennia later voor de televisie verfilmden hebben zich daar overigens niets van aangetrokken, en het is nog steeds een uitstekende serie.

Nu worden historische romans niet in de eerste plaats door historici gelezen; die zijn bij het publiek nogal ondervertegenwoordigd. Ook recensenten zijn meestal geen geschiedkundigen. Toch blijft bij de beoordeling het historische element een onevenredig grote rol spelen. De ervaring leert dat vragen als `Klopt het met de feiten? Is dit echt gebeurd?' nog altijd vaak worden gesteld.

Bakhuizen had het antwoord `dat doet er niet toe' vast goed gerekend, denk ik. De auteur van Verbeelding en historie, W. Drop, wil zich bij zijn analyse van een reeks 19e-eeuwse historische romans uitdrukkelijk `niet inlaten met de vraag, in hoeverre de historische gegevens juist zijn'. Zelf twijfel ik, en ik ben de enige niet. Zo acht de Engelse schrijver P.H. Doherty het nodig het nawoord van een van zijn talloze historische detectives te beginnen met de mededeling: `This novel is based on fact', en hij staat hier voor een zee van andere auteurs die in vergelijkbare nawoorden soortgelijke mededelingen doen, alsof het toch een aanbeveling is om zoiets te kunnen zeggen.

Zelf heb ik diverse malen vragen van lezers gekregen die wilden weten of het waar was wat ik in allemaal in mijn eerste boek Floris V en de Schotse troon had geschreven. Als de feiten redelijk kloppen, zo was de teneur, willen wij de andere twee boeken ook wel lezen. Mijn eerste neiging is dan om een lang betoog te houden, mijn tweede om te roepen: `lees vooral niet verder, want er klopt toch geen moer van.' Alleen is dat laatste nu ook weer niet waar.

BILDERDIJK

In wezen is een historische roman het topje van een ijsberg waarvan het gedeelte onder water bijna geheel uit feitenmateriaal bestaat. Wie aan een historische roman begint levert een aanzienlijk stuk literaire bewegingsvrijheid in. Hij of zij haalt zich een massa werk in de vorm van historisch onderzoek op de hals. En na gedane inspanning loopt hij het risico dat zijn produkt wordt bekritiseerd om redenen die weinig of niets te maken hebben met de kwaliteiten van het boek als fictie, als literatuur. Maar hoe dwingend is de eis van die strenge recensent uit 1837 dat de feiten niet wedersproken mogen worden?

Vóórdat de navolgers van sir Walter Scott als paddestoelen uit onze vaderlandse bodem begonnen op te schieten was er weinig aan de hand. In mijn eigen nawoord bij De laatste dagen van Floris V haal ik aan wat Willem Bilderdijk eind 18e eeuw over de toneelschrijver zei: `Hij verdicht alles zo 't hem goeddunkt, en neemt slechts zo veel uit de ware gebeurtenissen over..., als met zijn ontwerp best bestaan kan.'

Een voorbeeld van die werkwijze is te vinden in Bilderdijks eigen toneelstuk Floris V uit 1805. Volgens de historische overlevering, die ook Bilderdijk kende, kreeg Floris een poosje voor zijn gevangenneming en dood een schrijven waarin heer Jan van Kuyk zijn leenband met het graafschap Holland opzegde. Die brief is bewaard gebleven, met zegel en al. Melis Stoke, die het voorval optekent in zijn Rijmkroniek, weet te vertellen dat de brief bij Floris werd bezorgd door ene Heinric, de kapelaan van Kuyk (deze episode komt voor in het eerste hoofdstuk van mijn tweede Florisboek, De Laatste Dagen.)

Bilderdijk vond kennelijk dat deze gang van zaken met zijn ontwerp niet goed `bestaan kon' en laat Kuyk zijn leenband in eigen persoon opzeggen, waarna hij door Floris V - die hem merkwaardigerwijze niet herkent - tot ridder geslagen zou zijn, ware het niet dat Kuyk dat al was. Kapelaan Heinric daarentegen wordt samen met de brief geschrapt. Bilderdijk zag er dus geen been in, de geschiedenis omwille van een tamelijk ongeloofwaardige toneelhandeling te vervalsen, en dat terwijl hij zelf historicus was, of althans activiteiten op het terrein van de geschiedschrijving ontplooide.

VAN LENNEP

Dat was in 1805. Maar later mocht dat dus niet meer, omdat de argeloze consument anders een verkeerd beeld van de geschiedenis zou krijgen. In de praktijk werd de soep weer eens niet zo heet gegeten als ze werd opgediend. Een ander voorbeeld. Jacob van Lennep, een van onze meest produktieve 19e-eeuwse romanschrijvers, heeft een aantal historische versromans nagelaten, compleet met notenapparaat als betrof het hier wetenschappelijke verhandelingen. Eén daarvan is De Strijd tegen Vlaanderen, een tendentieus werkje, driftig neergepend ten tijde van de Belgische afscheiding. Het heeft als held Witte van Haemstede. De geschiedenis wil, dat deze Witte een bastaardzoon van Floris V was. Van Lennep wil dat niet en voert hem op als Floris' wettige spruit. In een noot wringt hij zich vervolgens in allerlei bochten om te bewijzen dat Floris in het geheim met Wittes moeder getrouwd was. Deed hij dat omdat hij zich daartoe verplicht voelde, omdat hij vond dat hij zijn lezers rekenschap verschuldigd was?

Het lijkt er veel op, maar zo ligt het niet. In diezelfde versroman verschuift Van Lennep de huwelijksdatum van twee andere historische personages maar liefst zeven jaar naar achteren in de tijd. Dat was geen onwetendheid: Van Lennep kende de Rijmkroniek, en die geeft het juiste tijdstip voor het betreffende huwelijk. In zijn notenapparaat speuren we echter tevergeefs naar tekst en uitleg bij deze literair gemotiveerde manoeuvre. Kortom, Van Lennep geeft hier dus een fraai staaltje van dichterlijke vrijheid ten aanzien van de historische overlevering weg, en wel binnen een kader dat juist lijkt te zijn opgezet om de schijn van historische betrouwbaarheid te wekken.

Nu hield Van Lennep wel van spelletjes - het wemelt bij hem b.v. van de incognito's - en het kan zijn dat het notenapparaat een rookgordijn was om de scherpslijpers onder de recensenten te misleiden. Je zou haast denken dat de schijn van historische betrouwbaarheid voor Van Lennep belangrijker was dan die betrouwbaarheid zelf, die per slot van rekening maar door een klein deel van het publiek gecontroleerd kon worden.

Of eigenlijk zou ik moeten zeggen `kan worden'. Als er een Oscar voor historische betrouwbaarheid bestond was die vast niet naar de film Braveheart gegaan; daarin wordt aanwijsbaar met de feiten geknoeid. Toch heeft deze rolprent over dè Schotse held van de Middeleeuwen het tot beste film van 1995 gebracht. Zelf had ik hem een half jaar voor de Oscar-uitreikking al geheel spontaan bezocht, want Braveheart wil o.a. laten zien wat er zoal fout ging in Schotland nadat de Engelse koning onze graaf Floris daar niet tot koning benoemde. Ik moest er dus wel heen. Dat de feiten in de film evenveel geweld werd aangedaan als de held zelf deed geen afbreuk aan mijn kijkgenot.

CONSTRUCTIES

Inmiddels ben ik stiekem aan een zelfrechtvaardiging begonnen: Hoewel mijn eerste Floris-detectives grotendeels kloppen met de historische overlevering houd ik me niet niet altijd aan de feiten. Dat Floris op de kroon van Schotland aasde is historisch. Dat hij de heren Bruce en Balliol als mededingers had en dat eerstgenoemde een wat merkwaardige rol speelde eveneens, en ook dat de Engelse koning stad en land heeft laten afzoeken naar een paar zoekgeraakte documenten die Floris' claim moesten onderbouwen. Maar soms heb ik de feiten wel degelijk naar mijn hand gezet.

Om te beginnen is een van mijn hoofdpersonen, Arnoud van Ranst, alleen in naam historisch. Er heeft wel iemand bestaan die zo heette, maar dat was een edelman, geen man uit het volk zoals bij mij. En dat is nog niets vergeleken bij deze calamiteit: Hoewel vaststaat dat Floris V diverse malen naar Schotland is gegaan, is het bepaald niet zeker dat hij dat ook in het najaar van 1292 heeft gedaan. Er is geen enkel document waaruit dat blijkt. Sterker nog, er zijn bronnen waaruit het tegendeel te concluderen valt. Het verhaal gaat dus over een man die mogelijk helemaal niet was waar ik hem laat zijn.

Mocht u nu ondanks het voorgaande geneigd zijn daar schande van te spreken dan verzoek ik u nog even te wachten. Want gesteld dat het wél zeker zou zijn dat Floris zich in het najaar van 1292 in Schotland bevond. Dan verandert dat niets aan het feit dat alle uitspraken die ik hem in mijn boeken laat doen volledig verzonnen zijn. Om nog een stap verder te gaan: al wordt onze graaf in Stokes Rijmkroniek van Holland bij herhaling sprekend opgevoerd, het is niet meer vast te stellen of Floris de woorden die hem daar in de mond gelegd worden inderdaad gebezigd heeft, of dat die slechts aan de fantasie van de kroniekschrijver ontsproten zijn. Dat weten we evenmin zeker als we zeker weten of ene Maarten Luther op de Rijksdag te Worms echt `Hier sta ik, ik kan niet anders' heeft gezegd (het schijnt van niet), of Julius Caesar `Ook gij, Brutus' in de Senaat van Rome. `Mijn' graaf Floris, kortom, is een literaire constructie, zoals iedere Floris V uit ieder geschiedenisboek slechts een historische constructies is. Alle Florissen die ooit zijn beschreven, zijn geconstrueerd.

Daarom zijn er in de loop der eeuwen ook zoveel uiteenlopende versies van deze graaf ten tonele gevoerd. Zelfs letterlijk: er zijn minstens zes toneelstukken over de man geschreven. Daarom moet iedereen die over hem schrijft een eigen standpunt bepalen. Daarom ook, maar dit tussen haakjes, wagen echt verstandige lieden zich niet aan romans, detectives of toneelstukken over bestaande figuren maar schrijven ze over hun eigen jeugd of over fictieve personages, desnoods in toga of harnas en bezield of voortgedreven door de mysterieuze Tijdgeest, maar niet over Floris V, of Luther, Caesar, of Napoleon. Haakjes sluiten.


Charles Rochussen, Floris V in de slag bij Vronen

ONACHTERHAALBAAR

Derhalve: welke Floris V een romanauteur ook opvoert, identiek met de echte is hij toch nooit. Datzelfde geldt voor de personages om hem heen, voorzover historisch, en voor de aankleding, de gebruiken, de omgangsvormen, het wereldbeeld, de mentaliteit: wel benaderbaar, maar uiteindelijk toch ongrijpbaar. Misschien dat de echte Floris V op de jongste dag nog eens opstaat - dat laat ik veiligheidshalve in het midden - maar beslist geen dag eerder. Wie desondanks koppig volhardt in het streven, een roman over deze graaf, of misschien toch liever over Willem van Oranje of Jacoba van Beieren te schrijven, kan dus beter de illusie laten varen dat hij of zij wel eens het ware verhaal zal vertellen. Dat bestaat hooguit op een plaats die wij niet meer kunnen bereiken.

Waar we ook niet meer kunnen komen is het dertiende eeuwse Dordrecht, of Utrecht, of Muiderberg, die allemaal in mijn boeken voorkomen. Het noemen van dergelijke namen roept onvermijdelijk verkeerde associaties op, zeker in een land als Nederland, waarvan het uiterlijk door de eeuwen heen sterk is veranderd. Dat is maar ten dele te ondervangen door ouderwetse spelwijzen, of veel couleur locale. Ook de frase de Ridderzaal `in Die Haghe', in plaats van `in Den Haag' tovert ons dat gebouw voor ogen zoals het er nu uitziet. Dat beeld klopt niet met de realiteit van eeuwen her die de vervanging van Den Haag door Die Haghe zo graag zou willen bewerkstelligen

Iets soortgelijks geldt voor het Muiderslot: het huidige gebouw is niet eens dat waar de edelen Floris V gevangen hielden. Dat werd een jaar na zijn dood tot de grond toe afgebroken en pas een eeuw later weer opgebouwd. Als we bij de naam `Muiderslot' een beeld voor ogen krijgen is dat dus onvermijdelijk het verkeerde. Zo zie je maar langs welke slinkse weg het heden de beschrijving van het verleden binnen kan sluipen om afbreuk te doen aan de waarheidspretentie van die beschrijving. Ik heb overigens niet geprobeerd dat tegen te gaan: bij mij zit Floris gevangen in de torenkamer die bij de rondleiding - met een knipoog - als zijn gevangenis wordt gepresenteerd.

NEP-GERAAMTE

De pretentie om het ware verhaal te vertellen heeft nog andere haken en ogen. In het nawoord van De laatste dagen van Floris V schrijf ik dat de historische waarheid van vandaag makkelijk door een ontdekking van morgen achterhaald kon worden. Dat was ervaringswijsheid: Jan Willem Verkaik had kort voordat ik dat schreef in zijn proefschrift De moord op Floris V, 1996, een aantal onwrikbaar gewaande feiten op Florisgebied onderuitgehaald. En enkele maanden daarna wierp de krant mij een wel heel fraaie illustratie van genoemde stelling in de schoot. Kent u die mop over de schedel van Floris V? Die was dus niet van hem. Het skelet dat kort na de Tweede Wereldoorlog op het terrein van de voormalige abdij van Rijnsburg werd opgegraven en als dat van Floris V geïdentificeerd, schijnt in werkelijkheid geen 700 maar ruim 1200 jaar oud te zijn. Intussen was het echter wel plechtig herbergraven en had het aanleiding gegeven tot een boek met een reconstructie van Floris' uiterlijk, waarop vervolgens weer een wassen beeld bij madame Tussaud in Amsterdam werd gebaseerd. Dat laatste is overigens bij gebrek aan belangstelling omgesmolten - een geluk bij een ongeluk, zou je kunnen zeggen.

Zelf had ik wat gegevens van het skeletonderzoek in mijn tweede boek verwerkt, want dat kon zo leuk met mijn ontwerp bestaan, om het met Bilderdijk te zeggen. Zo mist `mijn' Floris net als het skelet uit Rijnsburg een voortand en heeft hij in zijn kinderjaren een polsbreuk opgelopen. Maar nu is dat gebeente dus hoogstwaarschijnlijk niet van hem, waardoor de ontbrekende tand en de polsbreuk van vermeende feiten in pure fictie verkeren. Niets is zeker op dit ondermaanse. Laten we hopen dat Floris zelf geen verzinsel zal blijken te zijn.

PUZZEL

Gelukkig had ik in mijn romans al tegen de historie gezondigd. Ik lig hier niet meer van wakker sinds ik heb gemerkt dat feiten plotseling in rook kunnen opgaan, al lijken ze nog zo beenhard. Dat is eigenlijk een opluchting. Het geeft een auteur de vrijheid wat met de historie te spelen, zoals Van Rehburg niet durfde maar Van Lennep stiekum al wel deed in een tijd waarin de feiten onweerspreekbaar werden geacht. Uiteraard houdt niet iedereen van postmoderne goocheltrucjes, zoals wanneer Umberto Eco in zijn Naam van de Roos een uitspraak van de filosoof Wittgenstein in het Middelhoogduits vertaalt en zo de meeste lezers erin laat tuinen, maar van de 19e eeuw zou ik aan het eind van de 20e toch wel graag verlost willen zijn. Spelen met de feiten mag - al wil ik nu ook weer niet beweren dat het moet.

Het spelelement verklaart misschien ook, waarom er de laatste jaren zoveel historische detectives het licht zien, in ieder geval op de Engelstalige markt. Ook in een detective wordt een soort spelletje gespeeld: het is een puzzel met oplossing achterin. In wezen zit in iedere historische roman een spelelement. Zo van: we doen nu of we teruggaan naar dat en dat verleden. Dat dit element niet altijd even goed uit de verf komt heeft misschien te maken met de behoefte van de mens om in de bittere ernst van zijn spel te geloven.

Hoe het ook zij, dat ik mijn Florisromans in de vorm van historische detectives heb gegoten is een bewuste keuze geweest die veel te maken heeft met genoemd spelelement. Voor wat betreft De laatste dagen van Floris V kwam daar nog bij dat het wel erg naïef zou zijn geweest om over zo'n oudbakken en uitgekauwd onderwerp de zoveelste traditionele historische roman te willen schrijven; dat leek mij een gepasseerd station. Hoewel het achteraf niet zo erg was geweest. Er is bijna een complete generatie opgegroeid die op school niet meer lekker van de moord op Floris V heeft mogen gruwen.

TRADITIE

Ik koos dus voor het speurdersverhaal. Toch bleek de introductie van het detective-element als oplossing niet helemaal bevredigend. Dat kwam door al die Florissen die al bestonden voordat ik de mijne in elkaar zette. Niet alleen die van ruim een half dozijn Middeleeuwse kroniekschrijvers, maar ook die van P.C. Hooft, die van Bilderdijk, die van Busken Huet in zijn Land van Rembrandt, die van Hugenholtz, en noem maar op. En niet alleen de Florissen, maar ook de Gijsbrechts van Amstel en de Gerards van Velzen, die net als Floris zelf allemaal bij toerbeurt de rol van held, schavuit of slachtoffer toebedeeld kregen. Zo bleek het in de praktijk nauwelijks mogelijk de naam Gijsbrecht van Amstel te bezigen zonder de geest van Vondels Gijsbrecht op te roepen, en Gerard van Velzen sleepte het gelijknamige toneelstuk van P.C. Hooft in zijn kielzog mee.

Mede daarom heb ik Gijsbrecht van Amstel, die in onze vaderlandse literatuur nog steeds schittert als ridder zonder blaam, onder de samenzweerders een aparte plaats toebedeeld - waarbij ik dan tevens Bilderdijk naäap. Daarom heb ik in het boek een Machteld van Velzen opgevoerd. Die naam komt uit de koker van Hooft en heeft geen enkele historische relatie met Gerard van Velzen, die met ene Hildegonde getrouwd geweest was. Maar de naam Machteld heeft in de literatuur rond graaf Floris een dermate hardnekkig leven geleid - ook Frits Bolkestein voert haar in zijn toneelstuk nog als Velzens vrouw op - dat ik haar niet wilde weglaten. Bij mij is ze overigens Velzens dochter. Ten slotte heeft ook die geschiedenis van Witte van Haemstede als Floris' zogenaamd wettige zoon zijn weg naar De laatste dagen van Floris V gevonden, zij het niet op een manier die de goedkeuring van Van Lennep zou wegdragen.

Om een lang verhaal kort te maken, deze literaire traditie ging van lieverlee minstens even zwaar wegen als de feiten. En waar die twee elkaar volgens de jongste stand van het historisch onderzoek beten, gebeurde het ook wel eens dat de historische waarheid - of misschien moet ik zeggen waarschijnlijkheid - het aflegde.

Zo is het b.v. onwaarschijnlijk dat Melis Stoke rond 1296 in dienst van Floris V aan de Rijmkroniek van Holland schreef, ook al omdat hij ruim een maand na de moord in een oorkonde als stadsklerk in Dordrecht opduikt. Toch loopt Stoke in De laatste dagen van Floris V rond als kroniekschrijver - een soort journalist ávant la lettre. Alle latere generaties hebben het dramatische en tot de verbeelding sprekende verhaal over Floris' ontvoering en dood namelijk aan hem te danken. Daarom vond ik dat hij, als grondlegger van de traditie, prominent in mijn boek moest voorkomen. En omdat Stoke een fraai verhaal in zijn kroniek heeft opgenomen over Floris' jachthonden die treurend bij zijn graf zouden hebben gezeten, zitten ook die honden in mijn boek, al is het verhaal al jaren geleden als topos ontmaskerd.

Zo nu en dan laten de elkaar tegensprekende kroniekschrijvers een keuzemogelijkheid open. Als de graaf op de dag van zijn dood door de edelen uit het Muiderslot wordt weggevoerd, zijn volgens Stoke zijn benen onder het paard gebonden, maar volgens de Brabander Lodewijk van Velthem niet. Nu schrijft Velthem ruim tien jaar later dan Stoke, maar anderzijds heeft hij mogelijk de na de moord gevluchte Gijsbrecht van Amstel en Herman van Woerden als informanten gehad. Wat voor mij de doorslag gaf was de in meer dan één bron voorkomende mededeling dat graaf Floris een poging deed te ontsnappen toen hij in de verte zijn bevrijders ontwaarde. Om zijn paard aan te zetten moet hij zijn knieën hebben kunnen gebruiken, wat moeilijk is als je benen strak onder de buik van het dier zijn vastgesnoerd. Om die reden, én eerlijk gezegd ook vanwege het foute skelet in Rijnsburg, koos ik ten slotte voor de versie van Lodewijk van Velthem.

MYTHE EN WAARHEID

In mijn derde Florisboek, De Wreker van Floris V, slaat de weegschaal grotendeels naar de fictie door. Het is vrijwel onmogelijk dat Floris' voormalige schildknaap Gerard van Voorne enkele dagen na Kerstmis in Loenen aan de Vecht is geweest. Maar ik wilde hem daar hebben, dus is hij er in mijn boek wél, beleeft een avontuur dat hij nooit beleefd heeft en doet daarbij een aantal littekens op die hij in werkelijkheid nooit heeft gehad - tenzij bij toeval. Het verhaal is apocrief, maar veel details zijn wel weer aan de historische werkelijkheid ontleend, zoals de twee molens en de twee gerechtsheerlijkheden in een dorp van nog geen twintig haardsteden. De naam van de geestelijke is eveneens authentiek weer niet dat hij een Dominicaan was. Etcetera.

Het kolfspel van Loenen, dat zo'n centrale plaats in het boek inneemt, wordt in diverse verhandelingen als authentiek Middeleeuwse traditie opgevoerd. Toch is het een verzinsel - een 19e eeuwse `aanvulling' op de geschiedenis. Een soortgenoot van Van Lennep heeft deze traditie ooit verzonnen als een herdenking van het beleg van slot Kronenburg, waar een aantal moordenaars van Floris V zich had verschanst. Jammer dat deze 19e-eeuwer niet wist dat het slot na de inname met de grond gelijkgemaakt is, anders had hij de `keukendeur' van Kronenberg geen rol in die kolfwedstrijd laten spelen. Maar ik kon het spel in mijn boek te goed gebruiken, dus heb ik deze 19e eeuwse fictie gewoon in stand gehouden.

Het interessante is dan weer, dat in een artikel in een boek over de Vechtstreek verondersteld word dat ik dit uit onwetendheid heb gedaan. Daarin staat: `Nog steeds wordt deze fictie geloofd: nog onlangs (het artikel is uit 1998) verscheen er een roman over zo'n dertiende-eeuwse kolfwedstrijd in Loenen. Historische mythen zijn nu eenmaal mooier dan de waarheid.'

Nu weet Jan Willem Verkaik, die het artikel heeft geschreven, best hoe ik over dat kolfspel denk, alleen achtte de eindredacteur, blijkbaar niet gehinderd door inzicht of scrupules, het nodig hetgeen Verkaik oorspronkelijk had geschreven te verdraaien tot een sweeping statement over mythen en waarheid. Dat een mens een mythe in stand zou willen houden zonder die als waar te beschouwen wilde er bij hem blijkbaar niet in.

In nóg een geval heeft een verzinsel bij mij gezegevierd. Tijdgenoot Melis Stoke zegt niets over een relatie, al dan niet gewelddadig, van Floris V met de vrouw van Gerard van Velzen. Velthem geeft een gerucht over zo'n relatie, maar noemt de naam van de echtgenoot niet. Pas in de veertiende-eeuwse ballade Het Lied van Geraert van Velsen duikt het motief van de graaf en Velzens vrouw op, en sinds die tijd vormt het een vast onderdeel van de mythevorming rond Floris V.

De historiciteit van het motief is al ruim honderd jaar aan twijfel onderhevig. Enkele laat-19e-eeuwse jeugdboekenschrijvers laten het al achterwege, al kan het ook zijn dat ze dat doen om schade aan de tere kinderziel te voorkomen. Ik heb deze oude koe toch maar uit de sloot gehaald. Sommige feiten komen pas vele jaren na dato aan het licht, en áls Floris iets met Velzens vrouw had zal de laatste zo'n schande niet meteen van de daken hebben geschreeuwd. Het verhaal moge dan hoogst onwaarschijnlijk wezen, onmogelijk is het niet, en smakelijk blijft het.

Ter geruststelling: de waarschijnlijkheid wint het soms wél van de vastgeroeste traditie. Traditioneel werd de gevangenneming van Floris in het Loosdrechtse Bos gesitueerd. Zo heb je de bekende schoolplaat van Isings, waarop een en ander zich duidelijk onder het geboomte afspeelt. Isings haalde zijn gegevens o.a. uit de 14e eeuwse kroniek van Johannes Beka. Maar die schreef tientallen jaren na dato, en nu wil het geval dat Verkaik bij het onderzoek voor zijn dissertatie over de moord in Wenen een Latijnse nieuwsbrief heeft opgespoord die van enkele dagen na Floris' gevangenneming dateert. Deze nieuwsbrief noemt de stadsweide ten westen van Utrecht als de plaats van de ontvoering. Voorts is bekend dat Floris bij die gelegenheid als jachtvogel een sperwer bij zich had, terwijl sperwers doorgaans niet in bossen jagen. Ten slotte ligt het Loosdrechtse Bos niet echt vlakbij Utrecht als je niet over gemotoriseerd vervoer beschikt.

De combinatie van deze drie dingen laten er nauwelijks twijfel over bestaan dat de traditionele lokatie van de gevangenneming onjuist is. En dat was maar goed ook, want dat ontsloeg mij van de plicht, het jachtgezelschap via een omweg een eind ten noorden van Utrecht te laten belanden terwijl ze de stad aan de westkant hadden verlaten. Afgezien daarvan was het kersverse gegeven van die nieuwsbrief ook te verleidelijk om niet te gebruiken.

HELD OF SCHURK

Deze voorbeelden vormen aardige illustraties van de keuzes waar een auteur van historische fictie zoal voor kan komen te staan. Pièce de résistance is natuurlijk de controversiële Floris zelf, die zich al eeuwen beweegt in het spanningsveld van held, schurk en slachtoffer, en die zich maar moeilijk op een van de drie laat vastpinnen. Anders dan Van Rehburg, die zoals vermeld niet kon of wilde kiezen, heb ik wel een poging gedaan. Het eindoordeel is uiteraard aan de lezer. Maar ik moet bekennen dat twee van mijn `proeflezers' tot ogenschijnlijk uiteenlopende conclusies kwamen die ik u aan het slot van het liedje eerlijkheidshalve niet wil onthouden.

'Dus het was gewoon een ordinaire roofridder,' constateerde mijn vader streng.

`Wat jammer dat Floris dood is,' schreef mijn beste vriendin toen ze me het manuscript na lezing terugstuurde. `Ik begon hem bijna aardig te vinden.'



home    terug naar de Nederlandstalige homepage