EEN FRAGMENT UIT De wreker van Floris V

Doden doolden niet, die waren in de hemel of de hel of rustten in het graf, wachtend op de jongste dag en het oordeel. De levenden, die zo vaak meenden dat ze het oordeel vóór moesten zijn, die waren gevaarlijk, gevaarlijker dan welke dode ook.

En zo ook de demonen, die loerden op zijn ziel.

Folkert keek naar de lucht, alsof hij ze daar zou zien zweven als hij maar scherp genoeg keek. De helle schulprand van een wolk verried de stand van de maan; de avond was nog niet oud. Verder viel er niets bijzonders te zien. Hij zette zich in beweging.

Pas toen hij een eindje liep besefte hij dat hij zich van de kerk en de pastorie verwijderde in plaats van op zijn schreden terug te keren. Straks kwam hij nog bij de ruïne van Kronenburg uit, en daar had hij niets te zoeken. Of toch? Folkert dacht aan het wak in de Vecht, aan de gestalte die hij wel en Geert niet had gezien, en aan de vreemde aandrang die hij eerder die avond bij het veerhuis had gehad om terug te gaan naar de plaats waar ze Sibold uit het water hadden gevist. Het wak lag tegenover Kronenburg. Hij was er niet zo ver vandaan.

Zijn fakkel, niet meer dan een stevige tak, was al ver opgebrand. Als hij naar de Vecht wilde moest hij een nieuwe zoeken. Nadat hij eerst zijn blaas had geleegd vond hij verderop langs de rand van het pad wat hij zocht: een afgebroken tak, krom, maar vrij dik. Hij lag ten dele onder een berg dorre bladeren en twijgen en was nauwelijks vochtig. Het lukte hem de tak met zijn oude fakkel aan te steken, en behoedzaam liep hij het pad verder af met vuur in beide handen.

Bij de ruïne gekomen smeet hij de bijna opgebrande tak op de bevroren slotgracht. De vlam zette het roerloze oppervlak in een oranjerode gloed. Folkert zag een stuk puin door het ijs omhoogsteken, met een hap eruit, als een mond die scheef tegen hem grijnsde. Daarachter, boven de wallekant, meende hij vagelijk een gebouw te zien dat nog intact was. Dat was hem vanmiddag niet opgevallen.

Het licht was niet voldoende om meer dan een paar voet muur te zien, en de fakkel begon al snel te sputteren. De hitte van de vlam had het ijs doen smelten en de tak lag in een plasje water.

Folkert spitste zijn oren. Had hij door het gesputter heen een kreet gehoord, ergens achter de gracht? Een nachtvogel misschien?

Het vuur op het ijs doofde. Een rooksliert rukte zich los van zijn nieuwe fakkel en dreef weg op de westenwind, gevolgd door de dampwolk van zijn eigen adem. Met de tak omhoog liep hij voorzichtig verder.

De gestalte doemde onverwachts voor hem op, nog geen zes voet van hem vandaan, meer dan levensgroot, zoals alles in dit nachtelijk duister groot leek. Hij had van tevoren niets gehoord en hoorde ook nu niets; roerloos stond de gestalte daar, gehuld in een mantel en kap die al evenmin bewogen. Het had een stenen beeld bij een kerkportaal kunnen zijn. Maar hier was geen kerk, niets dat gewijd of heilig was. Dit was de meest heilloze plek in de wijde omgeving, een oord van strijd en marteling, vernietiging en dood.

Hij was dus toch bang. Stijf van angst. Dode of demon, dat viel niet te zeggen, maar het deed er ook niet toe: het bloed was al in zijn aderen gestold.

home     terug naar de Nederlandstalige homepage