|
||
|
|
John en ik zwalken wat door Nijmegen. We lullen wat over vakantie en zo. Dagdromen over waar we heen zouden willen gaan. Waarheen? Weet ik veel! Indonesië? Waarom niet? We stappen ergens in mei 1994 voor de gein, zonder een plan een NBBS kantoor in Nijmegen binnen. “Indonesië in juli of augustus? Onmogelijk alle vluchten zijn volgeboekt.” Wat doen we? John heeft al eens verteld over zijn vakantie in Zuid-India. Klonk leuk. John wil altijd nog eens Noord-India zien. Waarom niet? We gaan dit jaar naar Noord-India! Hoe moet ik dat in godsnaam betalen? “Onze band heeft nog een chauffeur nodig. Je kan wel voor ons gaan rijden.”, stelt John me voor.
De volgende maanden rij ik met de bus voor de blues band ‘Sugar Mama’, wat centen bij elkaar. Na een beetje gelezen te hebben, stappen we het NBBS reisbureau in Arnhem binnen om onze vlucht te boeken. Eerst naar Delhi, dan direct door naar Leh in het noorden voor een trekking. Daarna gaan we wel met het openbaar vervoer verder naar het zuiden, terug richting Delhi.
De directe vlucht van Delhi naar Leh is echter volgeboekt. Het alternatief is de omweg via Srinagar in Kashmir. De Indiase deelstaat Kashmir ligt tegen de Pakistaanse grens aan. Er was een tijdje geleden nogal wat gerotzooi tussen militairen en jongens uit Kashmir die onafhankelijk van India wilden worden. Het schijnt nu, op wat kleine incidentjes na, wel rustig te zijn. “Nou dan gaan we toch via Kashmir! Dan nemen we daarna wel de vlucht over de Himalaya, naar Leh in Ladakh. Oh, is dat één van de meest spectaculaire vluchten ter wereld? Tof!”
India: 22 juli 1994 - 28 augustus 1994
1. Kashmir
dag 1: Vrijdag 22-07-1994
Samen met ma, Patrick, Pascale en Nancy ben ik vanmorgen John bij zijn moeder thuis gaan ophalen. We troffen hem met rode ogen aan, de telefoon in zijn hand. Zijn vriendin Saskia wist niet dat we naar India gingen, ze hebben de relatie verbroken. Hij moet wel even opschieten, want er liggen nog allemaal spullen, niet ingepakt op de vloer. Na het inpakken en afscheid van zijn moeder te hebben genomen, vertrekken we met z’n zessen naar Schiphol.
Om 12:50 checken we aan de balie van Tower Air in. Iedereen krijgt een persoonlijk interview met een beveiligingsbeambte van deze vliegtuigmaatschappij. Dit schijnt zeer gebruikelijk te zijn voor een Amerikaanse maatschappij. Om 15:15 vertrekken we richting India, met een uur vertraging. De vlucht doet wat primitief aan, maar van zo’n Hfl. 1.400,-- mag je niet teveel verwachten.
dag 2: Zaterdag 23-07-1994
Het is acht uur later als we landen op het Indira Ghandi Airport in Delhi. De plaatselijke tijd is 02:45 in de nacht. De lucht is warm en vochtig. Met zo’n 29°C doet alles me een beetje aan Burgers Bush denken. We halen stempels voor ons paspoort, worden gefouilleerd, beantwoorden vragen en wisselen wat geld. De roepies krijgen we in pakjes met een nietje erdoor. Voorzichtig haal ik het nietje eruit, beschadigde biljetten worden hier in India bijna, of zelfs helemaal niet geaccepteerd. Hier en daar zie je mensen op de grond slapen, onder tafels of tegen een muur. Buiten zie ik in de broeierige nacht, geel zwarte taxi’s van een vooroorlogs type voor de ingang staan. Vreemde mensen met lange gewaden lopen heen en weer. De sfeer is ongelofelijk, vreemd, als in een film, haast onwerkelijk. Omdat we op een binnenlandse vlucht naar Srinagar in de noordwestelijke deelstaat Kashmir over moeten stappen, nemen John en ik voor 10 roepies (27 eurocent) een oude gammele pendelbus naar het andere vliegveld, een paar kilometer verderop.
Na een zwoel ritje door een landschap van vlakke akkers komen we bij het Domestic Airport aan. Weer in de rij en weer ondervraagd en gefouilleerd. Ik moet de batterijen van mijn walkman in bewaring geven in verband met eventueel bomgevaar (!). Alles verloopt volgens schema en om 08:00 vertrekt het vliegtuig naar Srinagar. Het is een oude Boeiing 737, met bloemetjes behang. Er hangt een gezellige sfeer aan boord, ik heb het idee dat de bemanning van dit vliegtuig bestaat uit een vrolijke huisvader, zijn vrouw en hun dochters. We krijgen allemaal een zuurtje van moeders, haar dochters showen de reddingsvesten en pa zit achter de stuurknuppel. Even schrikken als we met het vliegtuig in Jammu landen, zitten we in een verkeerd toestel? Het blijkt een onaangemelde tussenlanding te zijn.
De gevolgen van de moesson periode zijn buiten duidelijk waarneembaar. Als de kist weer opgestegen is, zie ik onder mij het modderige land met vele buiten de oevers getreden rivieren. Een overstroming is voor de plaatselijke bevolking niets vreemds. Aan boord hebben wij het beter voor elkaar. We krijgen thee, koffie, rijst met een soort gekookt ei, vlees met veel kruiden, een bakje heerlijke Indiase yoghurt, en een croissant, uit Delhi..…
Wanneer we op het vliegveld van Srinagar aankomen, is het er stampvol militairen. Bij een loket kan ik mijn batterijen terugkrijgen. Na veel gezoek in een berg van die energiestaafjes, vind ik ze. Ze zijn gelukkig niet geëxplodeerd!
Net zoals iedere toerist, krijgen wij een ‘begeleider’ aangewezen, die ons langs een schreeuwende groep taxichauffeurs naar een bus loodst, die naar de stad rijdt. Tijdens de rit gaan we geen straat voorbij zonder gewapende militair en geen kruispunt, zonder daar midden op, een bunker met afweergeschut. Een erg gemoedelijk, knus dorpje zal ik maar zeggen. Als we het centrum naderen neemt het militaire machtsvertoon gelukkig wat af.
Als we bij een busstation in het centrum van Srinagar uitstappen, nemen we een motorriksja naar een groot meer, het Dal Lake. Onze begeleider, die de naam Latif draagt, verteld ons, dat hij de perfecte accommodatie voor ons heeft. Hij begeleidt ons naar een shikara, een soort gondel. Srinagar staat bekent om zijn twee meren, het Nagin Lake en het Dal Lake. Hier leven de mensen op woonboten. Het schijnt zo geweest te zijn, dat in de tijd van de Engelse kolonialisatie sommige groepen mensen geen land mochten bezitten. De mensen zochten daarom hun heil op het meer.
Het meer is omgeven door in wolken gehulde bergtoppen. We varen langs veel houseboats en zien badende kinderen, vissende mannen en wassende vrouwen. Alles straalt een enorme rust uit, het is hier prachtig. De shikara brengt ons naar Latif’s eigen woonboot, ‘Raja’s Garden’ genaamd. Latif biedt ons aan de boot te huren. We zullen eerst eens kijken, of de boot ons bevalt.
Na de houseboot te hebben gezien, besluiten John en ik op het voorstel van Latif in te gaan. De boot heeft een veranda, een woonkamer, een eetkamer en twee slaapkamers. We mogen alles gebruiken, er zijn boeken en spelletjes, en zolang er electriciteit in de stad is, hebben we ook wat aan de radio en zwart/wit televisie. Dit wordt ons tijdelijk onderkomen voor 150 roepies per persoon per nacht. Een gulden of negen, inclusief ontbijt, thee en warm eten. We hebben de hele boot tot onze beschikking. De familie van Latif komt er af en toe wel op, maar verblijft hoofdzakelijk in de houten hutjes langs de loopplanken, die de boot met de oever verbinden. Nadat we onze spullen in de slaapkamer hebben gelegd, neemt Latif’s broertje Riaz ons mee, voor een tocht met een shikara over het Dal Lake.
We varen kalmpjes aan over het rustige meer. Overal zien we witte en roze lotusbloemen, roofvogels en ijsvogels, de zogenaamde Kingfishers. We gaan naar de Floating Gardens. Het zijn op het meer drijvende plaggen grond, waar de mensen gewassen als tomaten en komkommers op verbouwen. Als Riaz op een plag gaat staan, zinkt hij tot zijn knieën in het water weg. Halverwege de trip moeten we ons op een klein eilandje bij de water-/meerpolitie melden. John is intussen op de shikara in slaap gevallen, hij voelt zich sinds Delhi al niet zo jofel. Dit zal zich ‘s avonds dan ook in een vreselijke koorts van wel 37,7°C gaan uiten, ik hoop dat hij deze huiveringwekkende ellende overleeft…..
Als we onderweg alle bont-, papier maché- en sieraden-handelaren in hun shikara’s van ons hebben afgeschut, en weer bij de houseboat aankomen, worden we getrakteerd op Kashmiri thee. De thee is met allerlei kruiden, zonder melk gekookt. We krijgen er harde Kashmiri broodjes met honing bij, heerlijk. Na een dutje gaan we om 16:00 uur aan tafel voor het avondeten. Een lekkere Indiase vegetarische maaltijd en een hele schaal zure vruchten die op pruimen lijken, als toetje. ‘s Avonds is het tijd om heerlijk te relaxen. John knapt alweer wat op. Op de met houtsnijwerk gedecoreerde veranda van de boot genieten we van een kopje thee en praten we met Latif over ditjes en datjes. Hij vertelt ons onder meer over de politieke situatie van Kashmir, dat zich met het Pakistaanse deel van Kashmir willen herenigen. Er woedt een soort van burgeroorlog tussen de Indiase regering en de separatisten. Momenteel is alles redelijk rustig, maar het is toch jammer van dit mooie gebied. Als toerist hoef je hier gelukkig niet echt bang te zijn. Door de oorlog is het toerisme op een erg laag pitje beland, en beide groepen nemen de toeristen min of meer in bescherming. Voor de Indiase regering zou het in gevaar zijn van de toeristen, de staat een slechte naam geven, voor de plaatselijke bevolking zijn de toeristen één van de weinige bronnen van inkomsten.
Het was eigenlijk de bedoeling om morgen met het vliegtuig naar Leh te vertrekken. Dit is een stadje in het Himalaya gebergte, oostelijk van Kashmir, in het gebied dat Ladakh heet. Maar Kashmir is te mooi na een nachtje te verlaten, dus zullen we ons verblijf wat rekken. Vandaag heb ik vanuit de shikara een fort op een van de omringende heuvels gezien, die willen we nog wel van dichtbij bekijken. We zullen morgen de vertrekdatum op onze tickets moeten veranderen, maar volgens Latif is het toeristenburo op zondag gesloten. Om 01:00 gaan John en ik slapen onder onze klamboe. Latif slaapt op een matras in de woonkamer van de boot. Het was een vreemde, mooie, maar vermoeiende dag.
dag 3: Zondag 24-07-1994
Om 09:00 word ik wakker. Het heeft vannacht nogal flink geregend, de ochtend is heerlijk koel. Als om 13:15 de zon door komt en het lekker warm wordt, is John al een uur wakker. Na een ochtend met regen is dat prettig, dat van die zon dan, niet dat van John. We besluiten met een motorriksja naar het Hari Parbat Fort te gaan, hoog gelegen op een heuvel, voor een mooie foto van de stad. Daarna zullen we dwars door de oude stad teruglopen naar het Dal Lake.
Voordat onze tocht begint gaan we toch even naar het Tourist Reception Centre. Hier kunnen onze vliegtickets verlengd worden. John, Riaz en ik stappen er binnen, en inderdaad Latif had gelijk, het is gesloten. Weer buiten, zien we Latif, hij stopt, is een beetje pissed off. Hij had ons gisteren toch al gewaarschuwd? Vertrouwden we hem soms niet? Nou ja, het zal wel hoor. We nemen een riksja naar de heuvel waar het fort op staat. Bij een moskee aan de voet van de heuvel aangekomen, betalen we wat geld aan iemand, omdat we via het terrein van de moskee naar boven moeten lopen. Als het pad stopt, gaat Riaz ons voor bij de klim naar boven. Wanneer we een paar meter langs de keien en struiken naar boven zijn geklommen, horen we boven ons vanaf het fort een paar gewapende militairen naar ons schreeuwen. We dienen als de sodemieter op te rotten. Na wat mislukte onderhandelingspogingen van Riaz, om toch nog boven te komen, besluiten we om te keren en weg te gaan. In de verte weerklinkt het gedonder van wapengekletter. Niets aan de hand, gewoon doorlopen!
De oude stad is erg sfeervol, maar ik zie weinig mensen op straat. Waarschijnlijk is het nu te warm om buiten te zijn. Wilde honden zijn er overigens genoeg. Ze liggen overal te slapen op koele, schaduwrijke plekjes. Riaz stelt ons voor naar de grote Jami Masjid Moskee te gaan. Voor de ingang doen onze schoenen uit en betalen wat entree. De houten basiliek heeft meer dan 370 grote houten zuilen, ieder vervaardigd uit een enkele stam van een Himalayaceder, in het midden is een mooi hofje.
Met de schoenen weer aan, gaan we de stad verder in. We zullen op onze route de eeuwenoude antieke voetbrug nemen. Als we er aankomen, blijkt dat de brug net is afgefikt, jammer. Riaz verteld ons over het gevaar van dit deel van de oude stad. Gisteren is er hier nog een vrouw doodgeschoten, en eergisteren vijf vrijheidsstrijders. We lopen door, en ineens lijken we de weg kwijt te zijn. Allerlei mannen beginnen ons de weg te wijzen. Op een gegeven moment loopt er een man of vijf met ons mee. Ze leiden ons door muffe, steeds smaller wordende steegjes met open riolen vol menselijke stront. Zijn dit de middeleeuwen? We komen bij een huis aan, waar we naar binnen moeten, ik voel me wat onzeker, wat gaat er gebeuren? Het blijkt het huis te zijn van de gisteren vermoorde vrouw. We lopen smalle trappetjes op. Het is vol mensen. Bovengekomen wordt ons verteld dat dit de plaats des onheils is. Hier, op deze plek is ze doodgeschoten.
Daar staan we dan. Tientallen mensen die ons omringen. Kogelgaten in muren en palen, ramen zonder glas met uitzicht op afweergeschutten op de gebouwen recht tegenover ons. Uit een warrig verhaal van de mannen, schijnt de vrouw vanuit de tegenover liggende gebouwen te zijn beschoten door het Indiase leger. Waarom, dat weet niet één van de mensen ons te vertellen. Misschien was het een lullige fout. Misschien had de schutter een reden. Er wordt ons gevraagd foto’s te maken van de nu moederloze kinderen. Een hysterisch huilende vrouw stormt de kamer binnen. Ze blijkt de zus van de dode te zijn. Met veel heisa wordt ze uit de kamer verwijderd. We lopen naar beneden en moeten foto’s van de zus en de moeder maken. Mannen vragen ons het gebeurde aan de politie voor te leggen en te protesteren. Denken ze dat we van de pers zijn? Bij de voordeur van het huis krijgen we een krant onder onze neus geschoven met daarin foto’s van dode mensen, waaronder de vijf separatisten. De hectische menigte brengt ons naar een begraafplaats van oorlogsslachtoffers. John moet weer foto’s maken. Onze tocht gaat verder naar een tent waar de weduwen zitten. Nog meer foto’s. Of we de lijken ook nog willen fotograferen! Het wordt me een beetje teveel en ik zeg Riaz dat ik het zat ben en terug naar de boot wil. Ik kan gelukkig weggaan, deze mensen hier niet. De laatste foto’s van deze ‘excursie’ worden gemaakt, van een joelende massa die oorverdovende verzetskreten uit. We besluiten de happy tour met een riksja rit, rechtstreeks naar de boot in het veilige Dal Lake, pfff, wat een handeltje.
‘s Avonds horen we op de boot nog een paar schoten, niets speciaals, dan keert de rust weder. We doen wat spelletjes met Riaz en zijn neefjes. Ik schaak een potje met Riaz en tot mijn verbazing win ik! Na een biertje uit Nederland, wat Indiase rum en een gesprek met Latif, gaat het licht om 02:45 uur uit. De maan spiegelt mooi in het stille water van het meer. Het is goed vertoeven in Kashmir.
dag 4: Maandag 25-07-1994
Het is 11:45 als we wakker worden. Het is lekker weer, een paar laaghangende wolkjes en een hoge temperatuur. Na het ontbijt gaan we het centrum in. We nemen deze keer geen shikara, zoals we tot nu toe hebben gedaan om het vaste land te bereiken, maar de gammele treeplankjes achter de boot. Via een open raam achter in de boot komen we bij het woongedeelte van de familie Ouza. Vader, moeder, oma, vier jongens en twee meisjes. De keuken is een van planken getimmerd hokje, waar al het materiaal voor de bereiding van een lekkere maaltijd aanwezig is. Het woon-, slaapgedeelte is ook uit planken opgetrokken en de televisie staat aan zolang als er electriciteit beschikbaar is. Veilig op het vaste land aangekomen, gaan we eerst bij een jongen thuis wat ansichtkaarten en een landkaart kopen. De huizen in de buurt waar de jongen woont, zijn omringd door muren. In de muur bevinden zich lage stalen deuren. We gaan via zo’n stalen deur naar het huis van de jongen. Het is één van de voorzorgsmaatregelen, om de veiligheid van de mensen bij bomexplosies te waarborgen.
Met de kaarten op zak gaan we naar het kantoor van Indian Airlines. Na een gesprek met een medewerker blijkt dat we de vlucht van gisteren sowieso niet hadden kunnen nemen, hij was gecanceld. De volgende vlucht gaat zondag de 31e. Na dit verhelderende gesprek, lopen we naar de winkelstraat van de ‘nieuwe’ stad. Er is veel bedrijvigheid in de straat. Overal ruik ik de geur van houtskool, waar mais op wordt gepoft. Riksja’s en taxi’s rijden af en aan onder oorverdovend getoeter. Kleine open winkeltjes waar van alles verhandeld wordt. De vliegen hebben een prima leven op de hangende kadavers in de slagerijtjes, misschien laten ze nog wat voor de slager over, om te verkopen.
John en ik gaan terug naar de woonboot en nemen de achteringang weer. Ik volg Yusuf, een neefje van Riaz en John volgt mij, over de houten plankjes tussen de wal en de boot. Ik denk nog, terwijl ik over de gammele plankjes loop: “Het is gewoon afwachten, tot er een plank breekt….”, als er achter mij plotseling een gekraak en een plons weerklinken. “Mijn lens, mijn lens, godverdomme!!!” Als ik achterom kijk, zie ik een hand met daarin een fototoestel boven water uitkomen. Als in een flits neem ik het toestel over. John is te water geraakt, hij jankt van woede. Als een verzopen kat komt hij met bebloede knokkels het water uit. De plank is inderdaad gebroken, en wat er nog heel van was, heeft John in zijn razernij met zijn knuisten vernietigd. De schade blijkt mee te vallen. De lens waar John voor aan het bidden was, heeft waarschijnlijk alleen maar wat spatwater opgevangen. Dit alles dankzij John’s instinct en mijn snelle reactie.
Het geld, de tickets en John’s paspoort leggen we te drogen op tafel en we nemen een kopje thee voor de schrik. Met Latif praten we wat over de trektochten die hij in de omgeving kan organiseren. We willen wel een tochtje maken om ons op de voorgenomen trekking in Ladakh voor te bereiden. Maar wat Latif ons voorschotelt, is nogal prijzig. Misschien kunnen we beter zelf op eigen houtje een tochtje in de omgeving organiseren. Latif zegt dat dat te gevaarlijk is, en dat we dat absoluut niet moeten doen. Waarschijnlijk denkt hij alleen aan zijn portemonnaie, we moeten ons toch maar eens wat gaan oriënteren.
Om de hitte van ons lijf te spoelen, nemen we voor het eten nog een lekkere douche. De badkamer op de boot bestaat uit een wasbak, een zít-wc-pot, zodat we niet hoeven te hurken, en een badkuip met daarboven een douchekop. Wat een luxe! Maar omdat er alleen koud water is, verliest een volgelopen bad jammer genoeg al snel zijn charme. Nadat ik nog geen halve minuut onder de waterstraal sta, komt er geen druppel meer uit de douchekop. Na de vader des huizes ingelicht te hebben, en zijn “No problem!” als antwoord ontvangen hebben, horen we na een tijdje een hels kabaal op het dak van de woonboot. Wat blijkt, de goede man is een enorm waterreservoir, boven op het dak, aan het bijvullen met water dat rechtstreeks uit het Dal Lake komt! Als het water weer uit de douchekop stroomt en ik klaar ben met mijn frisse douche, vraagt John meneer om een ‘hot shower’. En er weerklinkt een tweede “No problem!”. Binnen een half uurtje krijgt John een emmer heet water, buiten in de keuken boven een houtvuurtje gekookt. Een schaaltje erbij om het water te scheppen en John heeft zijn hot shower!
Na het, alweer, lekkere avondeten komt er een bont- leerhandelaar in de boot en we kopen ieder een muts van bever-bont (…oooh!). Als vliegen komen de andere handelaren met hun shikara’s naar ons toe en stappen de woonboot in om hun waar te verkopen. We kunnen ze maar met moeite van ons afschudden. Om 22:00 uur is het weer rustig en gaan we soezen. Morgen moeten we vroeg op, want we gaan met Riaz nog vóór zonsopkomst naar de Vegetable Market, op het meer.
dag 5: Dinsdag 26-07-1994
Riaz maakt ons om 05:00 uur wakker. We konden gisteren niet goed slapen. Ik weet niet waarom, maar het was geloof ik 02:00 uur! Het is nog schemerig en een beetje koud als we de shikara naar de drijvende markt nemen. We zijn in deze vroege nevelige ochtend met z’n vieren. Riaz heeft een vriend meegenomen. De mist laat geen geluiden door, het is ijzig stil. Rustig varen we langs de lotus bloemen naar de sfeervolle markt. Een opeenhoping van shikara’s met allerlei groenten, fruit en broden aan boord. De handelaren staan in hun gammele bootjes hun waar aan de man te brengen. Hier en daar is er een opstootje. Riaz probeert onze shikara naar een mooie plek te varen, wat door de drukte haast niet mogelijk is. Handelaren vragen of we zakjes saffraan willen kopen, ‘the best’.
Om 06:30 komt de zon boven de heuvels oprijzen, een mooi gezicht. Riaz koopt wat groente en fruit voor ons avondeten, en we gaan terug naar de boot. Als we ontbeten hebben, huren we een fiets en gaan naar het postkantoor, waar we onze eerste lading brieven posten. Met de fiets, model 1148 voor Christus, gaan we verder door de binnenste binnenstad. Dat betekent links rijden, langs toeterende motorriksja’s, blèrende brommers, krijsende mensen, stressende automobilisten, dampende, stinkende tetterende vrachtwagens, honkende bussen, suïcidale taxichauffeurs en die eeuwige militairen. Onze dodemansrit brengt ons bij het busstation, waar we kijken hoe vaak de bus naar Gulmarg vertrekt, het blijkt ieder uur te zijn. Gulmarg is een bergstadje op zo’n 2730 meter, 52 km van Srinagar, vlakbij de Pakistaanse grens. Het was eens een geliefd skioord, maar dat was voor de oorlog. Het Badamalu station is één grote bazaar, het krioelt er van de mensen en we komen maar met moeite met onze fietsen door de massa heen. Op de terugweg is Riaz de weg weer kwijt, we komen weer in de fantastische ‘Old City’ terecht. Net zoals twee dagen geleden zijn er gisteren weer tien man neer geschoten. De spanning lijkt de laatste dagen op te lopen, wat we onder meer zien aan het toenemend aantal zwaar bewapende militairen. Als we door de stad, langs allerlei uitgebrande huizen de alsmaar stiller wordende kleine steegjes inrijden, fluistert Riaz me toe een beetje haast te maken. We schijnen door een nogal link gedeelte te fietsen, waar ieder moment schoten kunnen vallen. Levend en wel komen we in het veilige stuk van de stad aan. Onze fietstocht gaat verder; een rondje Dal Lake, naar één van de oude Moghul tuinen.
We rijden langs wat eens een mooie drukke boulevard moet zijn geweest. En promenade met, onder de sfeervol verlichte straatlantaarns, over het trottoir flanerende toeristen. Maar de roestige lantaarns hebben geen lampen meer en het trottoir is door de dichte begroeiing bijna onzichtbaar voor die enkele, langsfietsende toerist. Na ongeveer drie kwartier doorploegen in de volle zon, komen we bij een Moghultuin aan. We nemen eerst een ‘Thums Up‘ colaatje bij een kraampje voordat we de trap naar de tegen een helling liggende tuin nemen. Ook hier laat het onderhoud jammer genoeg te wensen over. We blijven wat hangen in de zon en praten met een jongen en een meisje die we ook in het vliegtuig naar Delhi gezien hebben. John flirt wat met een Kashmiri meisje, wat hem sterk door Riaz afgeraden wordt, in verband met eventuele represaille maatregelen van haar familie. De terugweg naar de woonboot wil ik graag nemen over de dam, die het Dal Lake van het Nagin Lake scheidt. Het is er vol militairen, het is natuurlijk een strategisch punt. We rijden langs allerlei posten met militairen die ons wat vreemd aankijken, wat moeten die gasten hier, zie je ze denken. Halverwege de dam wordt Riaz plotseling bevolen af te stappen. Hij moet zich direct legitimeren. Gelukkig heeft hij alle papieren bij zich, anders zou hij in de bak terecht zijn gekomen. Na veel moeilijk gepraat mogen we verder. De route is mooi, en op een mountainbike zou het ook een gemakkelijke route geweest zijn. Nadat we thuisgekomen zijn en ons eten op hebben, komen de handelaren weer. Ik koop een kettinkje met, volgens zeggen, onyx stenen voor mezelf en een halsband met belletjes voor Nancy. Morgen nemen we de bus naar Gulmarg, waar we twee nachten zullen blijven, weg van de militaire stress. Het is middernacht als we proberen te gaan slapen, volgens mijn thermometer is het 27°C, het zal een moeilijke klus worden.
dag 6: Woensdag 27-07-1994
Dit is de ochtend van ons vertrek naar Gulmarg. John en ik nemen Riaz mee, we zullen alles voor hem betalen. Dat is leuk voor hem, even eruit, en wij hebben voor weinig geld een prima tolk die het land en de mensen kent. We nemen een motorriksja naar het busstation, ondanks dat er gisteren is gezegd dat er geen bussen rijden. Er zou een staking zijn, in verband met de recente dodelijke gebeurtenissen. Het ziet er op straat inderdaad naar uit. Alle winkels zijn gesloten en bussen zien we niet rijden.
Eigenwijs als we zijn, gaan we toch eventjes poolshoogte nemen op het busstation. Er zijn veel door de militairen versperde wegen. De riksja chauffeur probeert via kleine steegjes toch het station te bereiken. Plotseling worden we omringd door een grote groep mannen, separatisten, blijkt later. De motorriksja moet stoppen. Veel geschreeuw. Wat gaat er gebeuren? De chauffeur wordt de riksja uitgetrokken. Volgens Riaz zal hij door de mannen een paar dagen vastgehouden worden. Hij heeft de staking verbroken en zal gestraft worden. Eén van de vrijheidsstrijders neemt het stuur over. Hij vraagt ons nors waar we heen gingen. Naar het Badamalu Busstation, antwoorden we. Zonder verder een woord aan ons vuil te maken, brengt hij ons erheen. Als we het terrein oprijden is de spanning te snijden. Een bus die toch wil vertrekken, wordt tegengehouden. We kunnen hier weinig beginnen. Er zit niets anders op dan rechtsomkeert te maken. Onze vervangende chauffeur wil ons niet terugbrengen, maar eist wel geld voor de rit. Het is nog een aardig stukje met onze rugzak op lopen, voordat we weer in de ‘rustige’ zone terechtkomen. Morgen proberen we Gulmarg wel weer te bereiken, dan is de staking hopelijk voorbij. In een kioskje ligt een krant van vandaag. Vier foto’s van dode jonge jongens, met daarbij de verhelderde tekst: “Gisteren doodgeschoten op het Badamalu Busstation”.
Ongedeerd in de boot aangekomen, doe ik nog een spelletje met de Riaz en zijn neefje. Het spel houdt het midden tussen tafel-poolbiljard en knikkeren en sjoelen, maar het wordt Football genoemd. Je moet met een knikkerbeweging een sjoelsteen tegen een andere sjoelsteen aan ketsen, die op zijn beurt in een pocket moet vallen. Er lopen allerlei lijnen over het bord, maar laat ik niet teveel in detail treden. Ik hoor John via het raam achter, de boot uitlopen. Als ik hem even later volg, zie ik dat hij samen met een paar kinderen lachend op de treeplanken ligt, met de handen in het water. In de hand hebben ze een stukje brood. Honderden visjes sabbelen aan hun handen. Ik doe mee, en voel de krioelende visjes aan mijn vingers zachtjes bijten, een raar gevoel.
We nemen de privé shikara van de familie, om naar een soort duikplateau te varen, daar kunnen we lekker zwemmen. Het is een oud lek bootje, maar met een beetje hozen, blijft het wel drijven. Om de beurt nemen we de enkele peddel in handen, een zware en lastige klus. Het vereist enige ervaring de shikara op de juiste koers te houden. Het plateau bestaat uit een roestige drijvende konstruktie met twee niveaus. Het bovenste niveau is een planken dak van een meter of 3 boven het wateroppervlak, waar vanaf gedoken kan worden. De planken zijn oud en gloeiend heet. We duiken konstant tussen de waterplanten, en amuseren ons prima met de plaatselijke jeugd. John laat zich overhalen een rondje te gaan waterskiën. Hij moet op oude houten latten achter een niet al te vlotte ‘speedboot’ aanhangen. Ik beloof als tweede te gaan, maar als John bij de start valt, en iedereen op het duikplateau kompleet in een deuk ligt van het lachen, kom ik maar op mijn belofte terug. Toch gaat het na het slordige begin van John helemaal niet slecht, en als hij klaar is met z’n rondje, krijgt hij zelfs applaus. Het water is lekker warm en we zwemmen en duiken nog een tijdje. Met de lokale bevolking vergeleken, zijn John en ik regelrechte olympische kampioenen schoonspringen.
Als we met z’n vieren teruggaan, Riaz vriend is ook van de partij, horen we verderop, vanaf een andere shikara een man of acht naar ons roepen: “Fuck you, fuck you!” Volgens Riaz zijn het ‘toeristen’ uit een verder gelegen dorp, nietsnutten en schoften. We roepen van alles terug, en de acht herrieschoppers beginnen ons serieus uit te dagen. Riaz draait de boot en we varen op ze af. Als we ze naderen, blijken de meesten lafbekken te zijn, en smeren ‘m de kade op. Er wordt over en weer gescholden en een paar stukken hout vliegen het water in. Maar alles loop af met een sisser. Een paar van de gasten zegt sorry en we varen weg. Riaz is nog steeds witheet en zegt er een paar te willen verdrinken. Verder gekomen, begint het stel weer met blèren. We kunnen Riaz maar met moeite tot bedaren brengen. Hij zegt ze te willen vermoorden en zweert dat ook te doen als hij ze in de stad tegenkomt.
We bereiken de boot en ik neem een douche. Later op de pot zie ik dat ik aan de diarree ben, zeker een slokje water uit het meer binnengekregen. John leent een bamboe hengeltje en gaat uit de boot wat zitten vissen. Ik rook met de vader van de familie wat mee aan de waterpijp. De waterpijp, of chilum, bevat alleen tabak en water. De tabak ligt boven in de pijp. Boven op de tabak worden gloeiende houtskooltjes gelegd, om de tabak te laten branden. Nadat we een uiltje hebben geknapt, gaan we eten.
‘s Avonds is het rustig en de gestoorde oom geeft een voorstelling met zijn zang en dans, hij is verzot op het bandje met housemuziek dat ik uit Nederland meegenomen heb. Door overmatig hasjgebruik in Goa, zijn z’n hersencellen wat van streek. Hij is volkomen maf, maar erg aardig. Hij loopt de hele dag te grijnzen en wat raar met zichzelf te lullen, of heeft hij het tegen de geesten. Soms praat hij met John en mij: “Yes I know you my lord,. You are my King, and your wife yes, long ago, yes, yes, mompel, mompel, yes, in another life…”. Stiekem laat hij ons telkens gniffelend plaatjes van erotische taferelen op de Khajuraho tempel zien, en stopt ze vlot weg als er een familielid aankomt. Latif ziet zijn oom liever gaan dan komen. Hij schaamt zich behoorlijk voor dit zwarte schaap van de familie.
dag 7: Donderdag 28-07-1994
Vanmorgen maakt Riaz ons al vroeg wakker. Hij is de stad al in geweest en heeft gezien, dat alle bussen weer rijden. We proberen het maar weer, we gaan naar Badamalu Station voor een bus naar Gulmarg. Het is buiten behoorlijk bewolkt, hopelijk klaart het vlug op. We nemen een riksja, en vragen de chauffeur of hij onderweg nog even bij een openbare telefoon wil stoppen. We geven de riksja chauffeur wat roepies om een kopje chai te halen terwijl hij op ons wacht en wij gaan op zoek naar te telefoon om het thuisfront te bellen. De telefoon blijkt te zijn verstopt in een zwaar bewapende bunker met zandzakken voor de ingang en fouillerende militairen. Binnen is een soort loket waar we de te bellen telefoonnummers aan een man moeten afgeven. Eerst probeer ik thuis te bellen. Collect call is in Kashmir niet mogelijk, wordt gezegd. Omdat er voor hun dan geen roepies te zien zijn natuurlijk. De verbinding kan niet gemaakt worden, dan maar Indian Airlines om de vlucht te bevestigen, ook dat mislukt. En de nummers van John? Precies, geen gehoor. Na een half uur staan we weer buiten en we stappen de riksja weer in.
Om 10:30 komen we op het station aan. Overal is het gelukkig weer een stuk drukker en levendiger in vergelijk met de grimmige, spookachtige taferelen van gisteren. De bus richting Gulmarg staat er nog, we stappen in en zoeken een plek. Zo’n busstation is natuurlijk de ideale verzamelplaats voor handelaren en bedelaren. Zelfs in de bus kom je ze tegen met hun nootjes, T-shirtjes, tasjes, fruit, of gewoon een opgehouden hand. Wanneer de motor van de bus begint te lopen, verlaten deze tijdelijke passagiers de bus weer, om buiten voor de openstaande busramen vrolijk met hun verkoop capriolen door te gaan. We hebben alle overbodige spullen in de boot achtergelaten. Alles wat we met z’n drieën nodig hebben zit in één rugzak. John en ik zitten naast de gezamenlijke rugzak op een driepersoons plaats. Driepersoons volgens Indiase maatstaven dan. We hebben totaal geen ruimte om ons te bewegen. Toch wil iedereen perse die derde plaats hebben, die we onmogelijk kunnen afstaan. Riaz zit naast het gangpad op een tweepersoonsplaats naast een vreemde. Riaz heeft een plaatselijke krant gekocht waarin staat dat er gisteren weer elf man zijn vermoord. Ook een bericht over een idioot die een zesjarig meisje heeft verkracht. De familie van het meisje heeft de schoft publiekelijk dood gestenigd, met recht!
De rit is best zwaar alhoewel hij slechts 2 ¼ uur duurt. Een route van zo’n 50 kilometer over minder dan secundaire wegen met mateloos veel stops. De bus is benauwd en stampvol mensen, zittend op de plaatsen en staand in het gangpad. Een Indiër begint met me te kletsen. Eerst denk ik dat hij alleen maar om een praatje verlegen is, maar hij wil natuurlijk iets van me hebben, hij wil mijn ketting. Als hij die niet van me krijgt, probeert hij het bij John. Hij wil zijn walkman als cadeau! Mafkees.
Steeds meer wolken pakken zich samen en het begint iets te regen. De eindhalte van de bus is Tanmarg, een plaatsje voor Gulmarg. Als we de bus uitstappen, begint het ineens keihard te onweren, de regen valt met bakken naar beneden. Het is hier echt koud vergeleken met Srinagar. We duiken gauw een theehuis in en nemen ieder twee keer een met melk gekookte kop thee en wat brood. We kunnen verder naar boven met een plaatselijk pendelbusje, maar 200 roepies voor zo’n 12 kilometer de berg op is te veel geld. Als de regen ietsjes minder wordt, nemen we de binnendoorweg van ca. 3 kilometer, te voet. Een waanzinnig zware klim, steil omhoog door de koude stromende regen, over glibberige boomwortels en langs verraderlijk losse stenen. Het water gutst de helling af en spoelt modder, hout en af en toe mij, mee naar beneden. Ik heb echt het gevoel dat ik dood ga, ik moet stoppen met roken, anders wordt die trekking in Ladakh helemaal niets! De regen mengt zich op mijn huid met grote hoeveelheden zweet. Het jack dat ik aan heb, heeft zijn nut verloren. Druipend van binnen en van buiten, heb ik het gevoel nat te zijn tot diep in mijn botten, wanneer komt er een einde aan deze kwelling? Mijn hart slaat een tempo, dat de meest doorgewinterde gabber niet kan volgen, ik hijg als een achterlijke mijn keel rauw. Na een tijdje zie ik dat we Gulmarg naderen. Halleluja! Ik wil de grond kussen, maar dat lukt me niet, die spoelt nog steeds hard de helling af naar beneden, en daar wil ik nu echt niet meer heen.
Gulmarg ligt op 2850 meter in een groene vallei, omringd door hoge toppen. Het geheel doet me nogal aan Zwitserland denken, alhoewel de bergen een stuk hoger zijn, hier in de Himalaya. We lopen langs een soort telegrafie, of telefoonhuisje. Het is een klein gebouw waar twee mannen werken. De wanden zijn vol met trossen gekleurde snoeren en schakelaars. Hier proberen we in onze doorweekte kleren de eerder genoemde telefoontjes weer te plegen. De mannen schakelen van alles aan van alles, maar ook hier is de poging niet echt succesvol. Indian Airlines begrijpt ons verhaal van de verzette vlucht naar Leh niet, en in Huize Edie is niemand thuis. John probeert zijn vlam Laura in Dronten te bellen, dat lukt. Zij zal Annie, en via Annie de familie Edie doorgeven, dat alles oké is.
Hierboven in de bergen is het niet erg warm, en omdat ik nog steeds zeiknat ben en nu flink afkoel, krijg ik het ijskoud. John, Riaz en ik gaan naar Hotel City View, waarvan we via een Italiaanse die we in Srinagar tegenkwamen, een kaartje hebben. De driepersoons kamer kunnen we voor 40 in plaats van 75 roepies per nacht krijgen, omdat een concurrerende hotelier ons een kamer voor 50 roepies aanbood. De kamer is ruim en heeft een twee en een éénpersoons bed. Het uitzicht over de Kashmir Vallei is adembenemend. We doen droge kleren aan en er wordt een houtkachel voor ons in de kamer gezet, lekker. We eten en maken een wandeling langs een prachtig pad. Als we zo lopen, zien we opvallend weinig militairen in de vallei, de sfeer is relaxed. Het is nu droog, maar de wolken blijven hangen. We zien tussen de bewolking door, een paar reuzen van het Himalaya gebergte opdoemen. Best indrukwekkend, de eerste blikken op die gigantische toppen. Jammer genoeg kan John de Pakistaanse Nanga Parbat niet ontdekken. Hij had ‘m graag gezien. Riaz duikt ineens de struiken in en gaat hurken. Ik denk dat hij moet poepen, maar niets is minder waar. Volgens Riaz hurken moslim jongens hier ook als ze plassen, dicht bij de grond. Ik heb totnogtoe inderdaad nog niemand tegen een boom aan zien plassen, nou ja, John dan. Als we weer in de buurt van het hotel komen, is het donker. Als we ons langs de koeien, en door de koeiestront een weg banen, horen we dat de telefoonmannen ons roepen, er is verbinding! Ik ga naar de ‘telefooncel’ om te bellen. Ik bel naar huis, het lukt. De verbinding is prima, iedereen in Duiven is een beetje gerustgesteld. “Very high here, very bright sky, good for satelite” zegt één van de mannen.
‘s Avonds gaan we een potje kaarten, 31-en om precies te zijn. Een jongen van het hotel, met een onuitspreekbare naam, die het meest lijkt op iets van ‘Shortcut’, doet gezellig met ons drieën mee. Na het kaarten zoek ik in het stille duister de weg naar het donkere hokje waar ik me voor het slapen zal gaan douchen. Als ik omhoog naar de hemel kijk, word ik bevangen door een onwaarschijnlijk gevoel. Nog nooit heb ik zó veel sterren gezien. Wat voel ik me klein.
dag 8: Vrijdag 29-07-1994
Om 07:45 wordt het ontbijt op onze kamer gebracht door een man van het hotel. Gisteravond moesten we alles wat we voor de maaltijd wilden hebben, doorgeven. Hij doet nogal opdringerig en blijft maar doorzeuren of alles naar wens is en of we echt niet nog meer willen bestellen, of we ook echt zeker weten dat we voldoende te eten hebben, of het echt genoeg is. Ga toch weg vent! Uiteindelijk gaat hij ook. Het was vannacht aardig koud. Ik lig met John in een tweepersoons bed, maar de deken is geloof ik éénpersoons. Het weer is iets beter dan gisteren, het is droog, maar het is nog wel erg bewolkt. We gaan een dagje stappen. Onze dagtocht voert ons richting één van de ons omringende toppen, waar een bergmeer te vinden zou zijn. Er zijn voldoende gletsjers te zien, dus aan smeltwater is geen gebrek. Volgens de mensen in het hotel, duurt het tochtje 5 uur, 3 uur heen en 2 terug.
Om 09:15 vertrekken we met z’n drietjes. Op één fles na, is er in Gulmarg geen fles mineraalwater meer te vinden. Drie personen 5 uur op één fles water, het moet te doen zijn. De tocht blijkt niet al te gemakkelijk. Daar komt bij dat we met al die dichte laaghangende bewolking en mist vandaag weinig referentiepunten zullen kunnen ontdekken. Er is goed te zien dat Gulmarg in rustiger tijden een wintersport vakantieoord was. Er is een kabelbaan aanwezig, maar er is geen toerist die naar boven gaat. Na een tijdje de kabelbaanroute te hebben gevolgd, komen we in een klein bergdorpje aan. Een stuk of vijf zes lage houten woningen met plaggen gras en grond op de daken. Riaz vraagt voor ons in één van de huisjes om een kopje thee, en krijgen die van de vrouw die in het huisje woont. De thee met melk en het brood dat we ook krijgen, smaken heerlijk, en het scheelt ons wat water. De vrouw komt het huis niet uit, maar laat Riaz alles regelen. Volgens Riaz blijft ze binnen uit respect voor ons mannen. We geven haar 20 roepies baksish voor haar gastvrijheid, en lopen verder naar boven.
Na nog een tweede dorpje gepasseerd te hebben, komen we na 2 ½ uur aan, bij het einde van de kabelbaan, maar er is geen bergmeer in zicht. Om ons heen zien we dikke lagen mist, langs de berghellingen naar beneden rollen. We ontmoeten een oude, in een gewaad met een tulband gehulde man, die ons wel voor 50 roepies de weg door de mist, naar het meer wil wijzen. Hij verteld ons, dat als we wat doorlopen, wij over twee uur bij het meer zijn. Ja ja, we zullen wel zien, volgens het hotel duurde de klim maar drie uur, dus met een uurtje moeten we er toch echt wel zijn. Onze gids is erg snel en hij leidt ons langs steile en bijna ondoordringbare wegen. De ouwe taaie zegt iets tegen Riaz, wat hij op zijn beurt voor ons in het Engels vertaald: “Als we met dit tempo doorlopen, kan het nog wel een uur of vier duren”. Onzin, denken we als we een top zien en lopen ons eigen tempo door. We stoppen bij een berghutje waar een man en een vrouw met hun drie kinderen, kippen en geiten wonen. We krijgen wat te drinken. Het is thee. Maar het is geen thee die we gewend zijn, deze thee is roze van kleur is met boter klaargemaakt en smaakt erg zout. Ik vind het wel lekker pittig, maar John vindt het maar niets. Er loopt een klein bergstroompje voor het huis langs. We vangen wat water op en vragen of de vrouw dit voor ons wil koken, om onze veldfles wat aan te vullen. Nadat we nog een kopje thee krijgen, rook ik wat mee aan de waterpijp met de man van de hut en onze gids. We lopen verder naar boven over een met gras begroeide helling waar grote rotsblokken liggen. Een paar koeien grazen in de mist. In de pauzes die we nemen zingt onze gids af en toe. Het lijken me gebeden die hij door de stilte van de bergen laat weerklinken. Rustig geniet ik van de omgeving. Als we verder gaan merk ik dat de tocht steeds zwaarder wordt. Achter iedere top komt weer een andere top uit de nevel tevoorschijn. Ik krijg het moeilijk, ik kan bijna niet meer op adem komen, hoe lang ik soms ook rust. Ik klim toch door. Maar het heeft gewoon geen zin meer, ik ben duizelig, heb hoofdpijn, en één stap na iedere rust, slaan mijn hart en longen weer op tilt. De hoogte eist zijn tol. Het is al vier uur ‘s middags en het kan nog 1 ½ uur duren. Mijn humeur daalt tot een dieptepunt, ik kan nergens meer van genieten. Zelf het gezang van de ouwe kan ik niet meer verdragen. John, Riaz en de gids gaan ook terug, dan maar geen bergmeer. We dalen langs een gletsjer af, richting het dal. Dit gaat me heel wat beter af, maar John krijgt last van zijn knieën en doet het rustig aan. Nog even stoppen we bij het berghutje en nog wat water koken. Onze voorraad is uitgeput en we sterven haast van de dorst. Het is 18:27 als we afscheid van onze gids nemen en de afdaling zelf voortzetten. John is moe en behoorlijk chagrijnig.
Eindelijk is daar Gulmarg en we krijgen een lift van een stel militairen die ons bij een standje afzetten waar mineraalwater te krijgen is, eindelijk vocht! Helaas hebben we geen geld bij ons. Morgen gaan we terug naar Srinagar, maar we beloven de man morgen voor ons vertrek te betalen. Na 10 ½ uur afzien komen we om 19:45 in het hotel aan. Als we bij de mensen van het hotel navragen hoe het kan, dat de wandeltocht meer dan twee keer zo lang duurde, dan zij hadden gezegd, krijgen we te horen: “Maar we hadden gezegd 5 uur per paard!”. Paard? Nou ja, maar snel douchen, wat eten en een potje kaarten. Om 23: uur gaan we maffen.
dag 9: Zaterdag 30-07-1994
Vanmorgen staat ‘Shortcut’ al om 07:00 op de deur te beuken. Dit op verzoek van John. Hij heeft Shortcut gevraagd hem de Nanga Parbat aan te wijzen. Samen gaan ze op pad, hopelijk zit het weer hun mee. Maar als ik door het raam naar buiten kijk, zie ik dat het half bewolkt is. Niet ideaal voor een vergezicht, lijkt me. Even later komt John wat teleurgesteld de kamer in, hij heeft inderdaad niets gezien.
Na ons ontbijt is het inpakken, handjes geven, en aftaaien. Terug naar avontuurlijk Srinagar! We nemen een plaatselijke busje naar Tanmarg. Na zo’n twintig minuten haarspeldbochten, wordt de bus halverwege de afdaling tegengehouden. Het is de drankverkoper, die we nog 13 roepies schuldig zijn voor het water van gisteren, maar die waren we vergeten te betalen. De verkoper heeft ons in de bus zien wegrijden en hij was het niet vergeten. Hij is dus voor de 35 eurocent, loodrecht de berg af komen rennen. In Tanmarg is de temperatuur een stuk hoger dan in Gulmarg. De zon schijnt hier ook, terwijl die daarboven in de valei maar niet door de wolken heen kon prikken. Als we een buskaartje willen kopen, horen we tot onze grote verrassing, dat er weer eens een staking is. Een hoge Piet van de militante separatisten is gevangen genomen, er komt geen bus die naar Srinagar rijdt. Ik heb ineens weer het fijne gevoel, van vrijheid en vrede in Kashmir, dat ik een paar dagen kwijt was. We nemen gewoon de eerste bus, die de richting van Srinagar op gaat, dan zien we wel verder. Binnen in de bus is geen plaats, dus gaan we maar op het dak zitten. Later komen er nog een paar mannen, inclusief hun schapen, boven op de bus zitten. De zon schijnt flink op onze schedels, dus is het lekker vertoeven. In het plaatsje waar de bus stopt, vinden we een taxi die ons verder wil brengen. Om de kosten te drukken delen we het vehikel met nog drie volwassenen en een baby.
Nadat we rondom Srinagar wat wegafzettingen hebben omzeild, komen we uiteindelijk bij het Dal Lake aan. Eerst nog even informatie inwinnen bij Indian Airlines, of onze vlucht van morgen naar Leh, gewoon volgens schema vertrekt. Er wordt ons verteld, morgen gewoon op tijd bij het vliegveld te zijn. Bij de houseboat aangekomen, gooi ik al mijn kleren in een sopje, en ga een half uurtje pitten.
Riaz heeft zijn vriendje met de shikara gecharterd en we gaan met z’n vieren naar de oude stad, waar speciale Kashmiri honing te krijgen zou zijn. Als de shikara bij een groot oud huis aanlegt, worden we geholpen door een middelbare ongetrouwde vrouw. We moeten in een klein vertrek zitten. Er liggen overal potjes honing. Twee Australische grieten die hier alleen op vakantie zijn, gaan net weg. Ze hebben allebei een pot saffraanhoning gekocht. De vrouw laat ons allerlei smaken honing proeven, saffraan, lotus, rozen. Zelf zit ze opvallend vaak te snoepen van de marihuana- en opiumhoning. “One teaspoon each in coffee or tea, very good!” Ze kijkt na een theelepeltje of tien, in onze nabijheid, wel erg vreemd uit haar ogen. Wie weet hoeveel potten er vóór onze komst al soldaat zijn gemaakt. Ze laat ons haar plakboeken zien. In de boeken staan foto’s en brieven van haar bekendste klanten in. We zien namen als Mick Jagger en de Beatles. Is dit echt? Wie zal het zeggen. Nadat mevrouw ons een stuk bijenwas heeft gegeven, die we als kauwgum dienen te kauwen, staat ze op en laat ons vol trots haar hele huis zien. Met een knipoogje opent ze ook de toegang tot haar ogenschijnlijk favoriete vetrek. “And this is my bedroom”, zegt ze broeierig. De rillingen lopen me over de rug, “Yes, yes, very nice”, zeggen we, en lopen snel door. Zij weet John en mij met haar vreemde charmes toch nog over te halen, tot het kopen van ieder een potje opium- en marihuanahoning. Ze doet, alsof de afgesproken prijs een koopje is, maar toch voelen we ons door deze sensueel lachende dame besodemieterd. ‘Happy’ zet ze op het ene potje en ‘smile’ op de andere, in verband met eventuele problemen bij de douane, legt ze ons uit.
Teruggekomen in ‘Raja’s Garden’, laat de man des huizes (of des boots, wat je wil) ons twee met thee en specerijen gevulde zakjes zien. We hadden eerder enige interesse getoond en dat heeft hij onthouden. Twee halve pondjes thee met wat specerijen om met de thee mee te koken, moeten 400 roepies opbrengen. Vijfentwintig gulden voor twee keer een half pond, lichtelijk aan de prijzige kant amigo, we gaan er niet op in. We komen in gesprek met twee Duitsers die inmiddels ook hun intrek in de boot hebben genomen. Ze zeggen dat ze aan het lijntje gehouden worden, mogen nergens alleen heen gaan, voelen zich afgezet en belogen. Ach, over een paar dagen zullen ze er wel aan gewend zijn en prikken ze er doorheen.
Het eten in de boot is weer prima. Na het eten pakken we onze spullen in, voor ons vertrek van morgen. Ik begin de situatie hier een beetje zat te worden, hoe mooi het ook is. We nemen nog wat thee en ik win voor de zoveelste keer verrassend met schaken van Riaz. Morgenvroeg gaat om 06:30 het ontbijt alarm en wellicht een paar uur daarna onze vlucht naar Leh. Het is 23:30 als ik mijn Mag-Lite uitmaak, John ligt al een tijdje op één oor.
dag 10: Zondag 31-07-1994
Om 06:15 wordt er op de deur geklopt, het is Riaz. We pakken snel de laatste beetjes in. Buiten hangen de wolken laag boven het meer. We nemen een Riksja naar het vliegveld. Hopelijk wordt er vandaag niets gecanceld. Bij de toegangsweg van het vliegveld, staat het vol politie. We stoppen, moeten uitstappen, en onze bagage moet open. De hele rimram wordt gecontroleerd. Standaard procedure. Als alles weer is ingepakt, gaan we opgelucht verder. Maar na een paar meter moeten we weer stoppen. Dit keer door het leger. Hetzelfde liedje: fouilleren, alles uitpakken, batterijen uit de walkman, zaklamp en fotocamera. Standaard procedure. Ik word niet goed. Bij de ingang van de vertrekhal krijgen we te maken met een grote verrassing: alles en iedereen wordt gecontroleerd! We moeten ook een formulier met hoe, waar, wanneer, waarom en met wie vragen invullen. Standaard procedure! Maar uiteindelijk komen we dan toch nog binnen. We zetten onze bagage klaar, om te kunnen inchecken en nemen tijdens het wachten wat te drinken. Het is 09:00 uur. Nog 60 minuten en dan verlaten we dit hectische gebied eindelijk……….NIET! Vanwege de slechte weersomstandigheden in Leh blijkt de vlucht wéér te zijn gecanceld. Verdomme, we mógen gewoon niet weg. Mensen die hun ticket bij Indian Airlines gekocht hebben, krijgen hun geld terug. Maar wij dus niet, wij hebben het in Nederland via NBBS gekocht. We kunnen ons geld, volgens de mensen op het vliegveld, pas in Nederland terug vorderen. We kunnen vanzelfsprekend ook nog een weekje wachten, misschien vertrekt het vliegtuig volgende week wel. Ja, doei, we nemen wel een taxi!
Twee Zwitsers, een jongen en een meisje, kiezen ook voor de alternatieve route over land, naar Leh, die twee dagen zal duren. Ze zijn bereid de taxi met ons te delen. Vier man en de taxichauffeur, klaar voor een lange rit, over de enige weg van Kashmir naar Ladakh, dwars door de Himalaya. We spreken af tot Kargill te gaan, dat is een plaats halverwege de weg Srinagar - Leh. We laden onze bagage in en rijden eindelijk de stad uit……….NIET! Overal in Srinagar is het een chaos, het lijkt wel of vandaag de bom echt is gebarsten. De weg die ons de stad uit leidt, is geblokkeerd door het leger. Er is een razzia bezig, of we effe om willen keren! De chauffeur weet nog een andere weg. Maar dat idee wordt snel getorpedeerd, een wegversperring, militairen beletten ons ervan, de straat in te rijden waar zojuist een bomaanslag is gepleegd! Volgende poging. Jammer dan, een huiszoeking. De weg wordt omgeleid door bewapende militairen. Goeiedag, wat een zootje! De allerlaatste mogelijkheid gaat via een omweg langs het Dal Lake. Onze chauffeur verteld, dat de top van de separatisten opgepakt is, vandaag is er weer een staking gaande. De sfeer is niet echt gezellig. Plotseling komen er een stel jonge gasten op de taxi, en ons, afrennen. Ze willen de auto met latten en stenen te lijf gaan, de chauffeur heeft de staking gebroken! Met piepende banden weet de chauffeur ze te ontwijken en rijdt richting rustigere oorden. Met gemengde gevoelens, begint de uittocht uit het fascinerende Srinagar.
2. Ladakh
De tocht blijft, met uitzondering van de vele militaire controles onderweg, rustig. We bevinden ons in het gebied ten zuiden van de grens met China, in een omstreden zone vlakbij een soort niemandsland. De route is prachtig, maar de kwaliteit van de weg is ongelooflijk slecht. Het worden 10 uren van gaten, kuilen, bulten, zand en keien, over een lengte van 203 kilometer de bergen in. De paspoortcontroles zijn op een gegeven moment niet meer te tellen en het merendeel komt bij mij volkomen zinloos over. Het typeert de Indiase bureaucratie, overal is iedereen bezig met heel veel papiertjes, en iedereen is directeur, chef, of generaal.
De auto raakt wat aan de kook, en tijdens een tussenstop denkt onze chauffeur slim te zijn. De motorklep gaat open en hij rijdt de oververhitte auto onder een straal water die uit een pijp een helling afstroomt. Overal komt stoom vandaan, en de auto wil natuurlijk niet meer starten. De taxi wordt onder de straal vandaan geduwd, en na wat poetsen en veel geduld, slaat de motor wonderwel weer aan. Wanneer we een hoge pas oprijden, begint het behoorlijk naar benzine te stinken, en ik kan mij niet aan de indruk onttrekken, dat er iets goed mis is.
Af en toe stoppen we, en begint de chauffeur met een schroevendraaier op het motorblok te meppen! Zolang we Kargill maar halen, vind ik het best. Hij vraagt ons of hij ons morgen naar Leh zal brengen. Nou, nee, dank je wel, we pakken wel een bus!
Als we 's avonds in Kargill aankomen, rijdt de chauffeur het stadje snel voorbij. Hij wil ons een duur hotel aansmeren, voor de provisie die hij daar krijgt natuurlijk. Maar we zeggen hem dat hij terug naar Kargill moet rijden. We willen voor naar het Crown Hotel. Veel goedkoper en naast het busstation. De chauf is niet blij. Wanneer hij voor de omweg in Srinagar om extra geld vraagt, en dat niet krijgt, is hij echt pissed! Maarja, Rp. 2.500,- voor vier personen vinden we genoeg.
Het hotel is goedkoop maar enorm goor, vooral de WC die in de slaapkamer is, met als afschijding een anderhalf meter hoog muurtje, Jezus!
Ik ben blij dat de verlichting het niet doet, en dat ik meeste ellende niet met mijn zaklamp kan zien. We leggen onze spullen neer en gaan een hapje eten.
Op de terugweg van het restaurant naar het guesthouse proberen we een rit naar Leh te regelen op het busstation. Officieel is er in Kargill geen ticket te krijgen voor Leh, alleen in Srinagar. Het lukt ons een "luxe"bus naar Lamayuru te regelen voor Rp. 100,- in plaats van Rp. 750,- met de taxi. Lamayuru is een boedhistisch klooster in Ladakh, tussen Kargill en Leh. We betalen de roepies vooruit en gaan naar het hotel terug.
Teruggekomen, vragen we het personeel ons om 03:30 te wekken, de bus zal om 04:00 vertrekken. Het is 23:30 als ik mijn smerige bed wat nachtrust probeer te krijgen.
dag 11: Maandag 01-08-1994
Ja hoor, daar wordt op de deur geklopt, het is 03:30 uur. Het licht doet het nog steeds niet en er is geen water. Snel opstaan, inpakken en naar de bushalte. Het is buiten nog donker en met uitzondering van enkele op de stoep slapende mensen, is er niemand op straat. Het busstation ziet er verlaten uit. Waar en bij wie moeten we ons melden? Na wat speurwerk vinden we het buspersoneel. Het blijkt dat ze liggen te slapen op het dak van de bus.
Om een uur of halfvijf vertrekken we. De fantastische rit voert ons door Ladakh. Een droog en dor landschap over hoge passen van rond de 4.000 meter. De hemel is strak blauw en de zon brandt. Ver beneden ons, onder aan steile afgrond van honderden meters, stroomt een riviertje. Dit gebied wordt ook wel klein Tibet genoemd vanwege het boedhistisch geloof, de tibetaanse vluchtelingen en de vele Gompa's, boedhistische kloosters. Het gebied schijnt erg op het Tibet van vóór de Chinese bezetting te lijken.
Dan komen we aan in Lamayuru, een prachtig gezicht. Het klooster en dorpje, halverwege een dal dat in de loop der tijd door de rivier is uitgesleten. Het complex bestaat uit verschillende witte gebouwtjes rond het feitelijke klooster. De monniken heben eigen vertrekken er is een keuken en een winkeltje. Het geheel is voorzien van vele gekleurde gebedsvlaggen. We zien beelden van Boedha in vele incarnaties en andere tibetaans-boedhistische goden. Langs de muren staan gebedsmolens opgesteld. Ze zien eruit als een soort met tekst versierde metalen trommeltjes. Van boven naar onder loopt een as waarlangs ze kunnen draaien. Binnenin de trommeltje zitten heilige geschriften opgeborgen. De mensen lopen aan de linkerzijde langs de gebedsmolentjes en zetten ze met behulp van hun hand in beweging. Eén grote gebedsmolen staat in een gebouwtje dat tegen de helling van het dal is gebouwd. Deze wordt door de wind rondgedraaid. Overal liggen mani stenen, waar de mantra "ohm mani padme hum" in gegrafeerd staat. Op de centrale binnenplaats staat een grote stupa. Stupa's zijn boedhistische monumenten, waar volgens zeggen de relikwieën en overblijfselen van monniken onder begraven liggen. Kleinere stupa's zijn her en der over het terein te vinden. We nemen onze intrek in één van de gebouwtjes van het klooster. Het ligt op een verhoging, waar we komen via een soort labyrint van gangetjes en trapjes. Onze kamer die we met het Zwitserse stel delen, heeft vier bedden. Het vertrek is stoffig en gaat van binnenuit op slot door middel van een stok die we rechtop tegen een gammele dunne deur aanzetten. De onderzijde van de stok priemen we in de vloer van zand. De ramen bestaan uit plastic zakken.
De sanitaire voorzieningen zijn wat beperkt. Er is één toilet voor het gehele tempelcomplex. Boven aan een helling is een hok geplaatst, met de vloer "hangend" boven de afgrond als een soort balkon. In de vloer zit een gat, waar je je boehoefte in kan doen. Het stinkt er en het barst van de vliegen. Als ik door het gat naar beneden kijk, zie ik een dampende hoop stront, en de varkens die er zich tegoed aan doen. De enige wasgelegenheid bestaat uit een tuitje in de muur waar een straaltje koud water doorheen stroomt. Hoe kan ik me grondig wassen, zonder de monniken te shockeren?
Als ik in het dorpje onder in het dal bij het tweede hotel van Lamayuru ga kijken, krijg ik aardig last van de hoogte van 3.300 meter. Het hotel ziet er aardig uit. De terugweg naar boven is nog zwaarder. Naar boven lopend over het steile pad, in de brandende zon, kom ik behoorlijk wat adem te kort. Ik doe het rustig aan en ben blij als ik weer boven bij het klooster ben.
We besluiten hier in het klooster te blijven slapen. Op een gegeven moment begint er een zware wind op te steken en de lucht betrekt een beetje. De wind staat pal op de deur van onze kamer. Het zand waait door alle gaten en kieren naar binnen. Wanneer de stok, die de deur dicht moet houden, het begeeft, slaat de kamerdeur naar binnen open en komen er grote wolken stof en zand de kamer in, erg lekker! We krijgen de stok haast niet meer op zijn plaats. Ik wil om een andere kamer vragen, als de "Boss" naar me toekomt. Hij vraagt me of we de kamer voor twee andere kamers willen ruilen. Deze vierpersoons kamer was gereserveert voor een stel Italianen, dat was hij vergeten. Onze andere kamers zijn iets kleiner, twee-persoons, we hebben een normale afsluitbare deur en er waait geen stof naar binnen. Met enige tegenzin (…niet!), verhuizen we ons hebben en houwen naar de andere kamer. Biedankt vor die bloemen enne die aandereh kammer Italianos! Om zes uur wordt er een boedhistische mis opgedragen, die John en ik bijwonen. Binnen het klooster zitten de monniken op de vloer met instumenten die lijken op toeters, pannendeksels en trommeltjes. Overal hangen kleurige doeken en achterin de ruimte staan met sjaaltjes omhangen beelden en offerplaatsjes opgesteld. De mis is indrukwekkend. Er wordt gelezen van een soort perkament rollen waar de heilige mantra's op geschreven staan. Monotoon doordringende zang en blikkerige muziek. Behalve John en ik zitten er nog twee andere reizigers binnen. Ze doen erg hun best om in hun yoga-zit een zo sereen mogelijk gezicht op te zetten, en lijken in trance te zijn. Als ik de kloosterlingen observeer, zie ik hoe relaxed zij doen. De monniken lachen, en de jonge monniken in opleiding lopen ongedwongen heen en weer. Omdat we aan de mis deelnemen krijgen we brood, een perzik en zoute boterthee. Ik vind het een ongelooflijke ervaring. Na anderhalf uur kleermakerszit op houten planken, zit de mis erop. We gaan wat eten. De moniken blazen buiten nog op een soort grote midwinterhoorn. Het geluid doet me denken aan een kruising tussen een doedelzak en een bronstige stier.
Buiten is het al donker. De hemel is helder, het is droog gebleven. De sfeer is goed, dus neem ik maar een Indiaas biertje. We gaan vroeg slapen. John heeft wat heimwee, dus voor hem wordt het waarschijnlijk wat later. Het is tien uur. Morgen gaan we het klooster en het dorp nog eens wat beter bekijken.
dag 12: Dinsdag 02-08-1994
Om zes uur gaat John zijn bed uit om foto's te gaan maken. Ik draai me nog een keertje om en kom er om 07:00 uit, vroeg zat. Het belooft weer een hete dag te worden. Ik ga mijn tanden poetsen wassen onder het kraantje, waar we nu vanuit onze "nieuwe" kamer zicht op hebben. Omdat ik me wat uitgebreider wil wassen en niemand in een shocktoestand wil brengen, vul ik een twee plactic flessen met water en loop naar de toiletruimte. Tussen de vele vliegen en de stank, was ik me. Erg schoon voel ik me achteraf niet.
Na het ontbijt bezoeken we het oudste deel van het klooster. Eerst moeten we goedkeuring vragen, want eigenlijk is dit deel niet toegankelijk voor bezoekers. Na wat aandringen krijgen we toestemming. Een oude kromme monnik gaat ons voor. Met een oude sleutel worden de verweerde deuren geopend. We stappen de muffe, stoffige ruimte in. Het achterste deel van het vertrek is met palen afgeschermd en stamt uit de 15e eeuw. Hier is het hele kloostercomplex omheen gebouwd. Het is een apart gevoel om hier te mogen zijn.
John, de Zwitsers en ik gaan naar de rivier om wat stof van ons af te spoelen. Als we vanuit het klooster naar beneden lopen, maak ik terloops een foto van twee oudere vrouwen. Meteen beginnen ze te schreeuwen en te gillen om Roepies. Ik beloof ze wat geld als we nog wat meer foto's mogen nemen. Nadat ik ze betaald heb, begint het gegil opnieuw, ze vinden dat ze te weinig gekregen hebben. We lachen erom en lopen verder naar de rivier, onder in het dal.
Hier, langs het riviertje staan bomen, terwijl de rest van de omgeving droog en kaal is. Het is genieten. Lekker pootjebaden in het water en zitten in de schaduw van de bomen. We spoelen ons af onder een watervalletje, dat het riviertje instroomt. Terwijl we het zo een paar uurtjes lekker volhouden in de zon, bouwen we in de ondiepe gedeelten van het stroompje wat dammetjes.
Als John en ik terug naar het klooster gaan, blijven de Zwitsers nog een tijdje zitten. Later vertellen ze ons, dat vlak na ons vertrek een oud mannetje de dammetjes die wij hadden gebouwd, weer verlegde naar de oorspronkelijke staat. Het bleek een door hemzelf aangelegd irrigatiesysteem te zijn, dat naar zijn plantjes voerde….
Als we een middagdutje doen op onze kamer, komt een man onze kamer binnenstormen. Het is niet de eerste keer, gisteren was hij er ook al een paar keer. Hij is een pony-man, die vergezeld van een stel pony's, belangstellenden op lange tochten door de omgeving leidt. Hij vraagt ons steeds of we interesse in een zo'n trekking hebben. We maken hem duidelijk, dat we niet geïnteresseerd zijn.
's Avonds koken we wat bamisoep op het brandertje van John. We doen het de rest van de avond rustig aan. We kaarten een beetje en pakken alvast wat spullen in. Morgen proberen we een bus naar Leh te pakken. Het begint buiten weer te waaien, te donderen en donker te worden, maar regen komt er niet. Om 21:00 gaan we slapen.
dag 13: Woensdag 03-08-1994
Het is halfzes als een irritante vlieg me begint te vervelen. Het beest houdt zijn getreiter tot zes uur vol, dan ga ik het bed maar uit. In Ladakh heb je verder weinig andere insecten, ik heb nog geen mug gezien. Waren het in Kashmir muggen en libelles, hier zijn het vliegen.
Ons geld is bijna op. We hebben alleen nog wat reserve roepies voor de reis naar Leh. Gisteren zochten we in het dorp naar een bank, die we niet vonden. Het ontbijt krijgen we van de monniken, we hoeven niets te betalen. Na het afscheid verlaten we het klooster via een stijl zandpad het dal uit. Ik dacht dat ik al een beetje aan de hoogte gewend was, maar de weg naar boven met bagage is zwaar. Het is pas halfnegen, maar de zon fikt behoorlijk. We doen het kalm aan, maar soms móeten we gewoon stoppen. John gaat een beetje dood, maar we komen toch boven.
Boven aan het pad, bij de weg, wachten we samen met de Zwitsers, op de bus naar Leh, die om 9:45 arriveerd. Ik werk de bagage van ons vieren op het dak van de bus, en zorg ervoor dat alles stevig vastgebonden wordt. De anderen zoeken een plaats in de bus. Die plaats zullen ze niet vinden. De bus is stamp- en stampvol, iedereen en alles ligt op en over elkaar. Alle banken zijn bezet en het gangpad is volgebouwd met rugzakken, tassen, dozen, reistbalen en passagiers. Aan de voorzijde van de bus is een afgesloten ruimte voor de chauffeur. Er zitten al drie passagiers bij de chauffeur in deze bestuurders cabine. We besluiten er met zijn vieren bij te kruipen. Daar hangen we dan met acht man inclusief chauffeur en bagage, in een ruimte voor maximaal vier man, als haringen in een ton. Het is een vreselijke rit, samengepropt in bus, onze ledematen over elkaar heen gevouwen. Het is behoorlijk heet, buiten schijnt de zon flink en onder ons geeft de vloer van de bus warmte af, daar zit het motorblok van de bus ergens onder. De planning is, dat wij om 16:00 uur in Leh zullen zijn, ware het niet dat er onderweg, om 12:15 een "kleine" opstopping is. We staan in een flinke file, op een smalle weg, langs een afgrond. Iedereen maakt van de gelegenheid gebruik, om hun benen uit de nek te halen, en deze buiten te strekken. Ik ga even kijken wat de oorzaak van de opstopping is. Als ik de lange rij auto's, bussen en vrachtwagens gepasseerd ben, zie ik dat twee grote takelwagens een wagen uit het ravijn proberen te takelen. Ik zie daar beneden nog een wagen op zijn kant liggen. Wagen nummer één blijkt een takelwagen te zijn, die het ravijn ingedonderd is, bij zijn poging wagen twee uit de afgrond naar boven te trekken. Hij had zichzelf de diepte ingetakeld! Maar goed, als ik me de bus weer inwurm, omdat we weer kunnen rijden, is het 14:45. Na 2,5 uur file rijden we langs de plek des onheils. De twee voertuigen liggen er nog. De takelmissie is mislukt.
Onze buschauffeur wil de verloren tijd inhalen. Volgens mij kan je dat beter niet doen met een overladen oude bus. Met gevaar voor zijn eigen, en ons leven, raast de maniak over de zandweg passen op, en passen af. Constant moet de radiator bijgevuld worden. De motor lijkt oververhit te raken. In de propvolle bestuurderscabine, is de temperatuur niet meer te harden. We worden alle kanten opgeschudt. Het lijkt een regelrechte rit naar de hel. Zie ik daar een duivelse grijns op de lippen van de buschauffeur? Het is vandaag de dertiende dag van onze reis . . .
Doordat het motorblok kookt, wordt de ijzeren bodem van de bus waar wij zitten gloeiend heet, en daarmee ook mijn daypack met daarin mijn fototoestel en alle lege en volle diarolletjes. De kunststof doosjes waar de rolletjes inzitten, kan ik maar amper vastpakken. Ik hoop dat er niets mee gebeurt, maar dat zal ik pas merken wanneer ik terug in Nederland ben.
Om 18:15 komen we in Leh aan. Ik heb het idee dat dit de laatste rit van deze bus was. Hij lijkt me kompleet naar de kloten. Leh valt me op het eerste gezicht een beetje tegen. De voorstad is grauw, stoffig en rommelig. Maar het kunnen natuurlijk ook mijn vermoeidheid, en de zich samentrekkende wolken zijn, die mijn beeld beïnvloeden. Hopelijk is de binnenstad leuker.
Als de bus stopt en wij uitstappen, staat er een harde wind. Zand en stof worden recht ons gezicht ingeblazen. Met moeite kunnen we er wat zuurstof uit filteren. Ik ben chagrijnig. Ik baal een beetje van Leh, en John met mij. Als het niets wordt gaan we hier snel weg, en cancelen we door ons geplande trekking wel!
Leh ligt op dik 3000 meter. Smalle straatjes waar geen auto of riksja rijdt en kleine witte stenen huisjes gebouwd aan de voet van een bergwand, waartegen een oud paleis is gebouwd. Het paleis ziet er erg sober uit en heeft de vorm van een taps naar boven lopend vierkant blok. In het centrum van leh zien we winkeltjes zonder voorgevel, kleine huisje, guesthouses en stupa's. Midden in de stad bevindt zich een poloveld, het hoogst gelegen ter wereld. De mensen zien er hier erg Tibetaans uit. Veel vrouwen zijn gekleed in klederdracht, vaak getooid met een hoofddeksel dat vol zit met turkois. Vanwege de hoge ligging van Leh, de extreme droogte, hitte en kou, ziet de huid van de bevolking er gelooid en doorleefd uit.
Het zoeken naar een geschikte slaapplaats is ook een probleem op zich. De twee zwitsers zoeken iets, en John en ik lopen met onze over- en overcomplete bagage rustig achter ze aan. Sjokkend met een gigantische gewicht aan soepen, chocolademelkpoeder, potten Jam, pasta, rijst, koekjes, pakken roggebrood, melkpoeder, koffie, thee en vooral veel muesli, buiten onze standaard uitrusting om, raken we de Zwitsers uit het oog. John baalt enorm, hij weigert verder te lopen, en staakt hij zijn martelgang. Hij knielt met tranen in zijn ogen neer bij het poloveld. Ik leg mijn spullen bij de zijne en ga op zoek naar een slaapplaats. Alle guesthouses blijken vol. Wanneer ik John maar weer op ga halen om samen verder te gaan, komen we het stel aus der Schweiz tegen. Ze hebben iets leuks gevonden in het Tak guesthouse en wij kunnen bij ze op de kamer! John en ik willen die eerst met onze eigen ogen zien. Het is inderdaad erg de moeite waard. Een ruime vier persoonskamer op de eerste verdieping, waar je via een buitentrap binnenkomt. De WC en douche zijn voor gezamelijk gebruik en bevinden zich op de gang. Eén etage hoger is een groot dakterras met een prachtig uitzicht op het paleis van Leh, en het Himalaya gebergte met witte toppen rondom. We trekken bij de zwitsers in. Omdat we een beetje van onze gigantische proviand voorraad afwillen, koken we 's avonds ons eigen potje eten op de brander van John, buiten op de gang. Het worden tortelini en soep.
Na een ijskoude douche ga ik slapen. Als ik mijn zaklantaarn om 22:00 uit doe, liggen de andere drie al flink te snurken.
dag 14: Donderdag 04-08-1994
Vannacht werd ik af en toe wakker van jankende en vechtende honden. Verder sliep ik redelijk. We nemen roggebrood met jam als ontbijt. Nadat we de kamer wat hebben opgeruimd, lees: "een pad gecreëerd", gaan John en ik Leh in. Eerst checken we een kleine trekkings-agency, waar we een vierdaagse trekking gaan regelen. De kosten zijn Rp 1.600,- voor twee personen, een kleine honderd gulden. We krijgen de beschikking over een ponyman, c.q. gids met twee pony's, of met een paard, dat is nog niet duidelijk. De route zal gaan van Spituk naar Rumbak, over de Stok La-pas naar Stok. We moeten een voorschot van Rs 1000,- betalen. Geen van ons twee heeft cash op zak. "Vanmiddag gaan we naar de bank, daarna komen we wel terug om te betalen", beloven we de manager.
Leh ziet er in mijn ogen behoorlijk toeristisch uit. Alles draait hier om de trekkings die in de omgeving te maken zijn. Overal is materiaal te koop en te huur; slaapzakken, tenten, wandelstokken, schoenen kleding en ander materiaal. Ook zien we winkeltjes waar ze voedsel verkopen. Liggen daar niet de pakjes bamisoep die we in Nederland voor het dubbele hadden gekocht, naast al dat andere ons zeer bekend voorkomend proviand? Dachten we dus lekker slim te zijn om al die kilo's foerage de halve wereld over te slepen, "want ja, we gaan toch naar een onder-ontwikkeld land!" Omdat we het toerisme nog niet erg heftig hebben meegemaakt, voel ik me wat ongemakkelijk in deze kermis. Wat een souvenierswinkels, wat een kraampjes met tierelantijntjes, wat een toeristen.
Ik laat me meeslepen en verdwijn in de massa. Ik koop een leren kettinkje met een turkois voor Rp 90,- en we gaan wat drinken bij, jawel, een "German Bakery".
Vandaag moet ik echt nog de vuile was gaan doen, ik heb bijna geen schone kleren meer. Maar ik ben een een zéér luie bui. De ansichtkaarten die ik vandaag gekocht heb, hoop ik vandaag of morgen te versturen, anders komen ze aan wanneer ik al lang en breed thuis ben. Maar eerst snel naar een bank, ik hoop dat het daar een beetje opschiet.
Ah, die Indiase bureaucratie. Om mijn travelers cheques voor roepies in te wisselen, loop ik de drukke bank binnen. Ik word door een portier naar een lid van de bewaking gestuurd, die mij op zijn beurt weer naar een volgend lid van de bewaking doorstuurd, die op de eerste verdieping staat te wachten. Van hem krijg ik één van de vele loketten aangewezen. Ik sluit aan in de lange rij. Als ik uiteindelijk aan de beurt ben, vul ik een formulier in, met het hoe, waarom en hoeveel. Als beloning krijg ik een stempel op het formulier, en een grote metalen munt. Nu word ik gesommeerd in een klapstoeltje tegen de muur plaats te nemen. Rechts van mij zitten nog veel meer mensen op zo'n stoeltje. Ik blijk weer in een rij te zitten. Af en toe schuif ik een stoeltje door, totdat er geen stoeltjes meer zijn, en de rij verder gaat, de trap op. Uiteindelijk krijg ik van een bewaker te horen bij welk loket ik mijn geld kan halen. Na vijf kwartier sta ik weer buiten, met $210 aan roepies in mijn moneybelt.
's Middags blijven we op onze kamer hangen. Er komen wat wolken opzetten. We nemen wat koffie, thee en soep. De brander begint wat te haperen. De plaatselijke bevolking kookt ook op branders en gebruikt hiervoor kerosine. John heeft op straat een flesje van die brandstof gekocht. Zijn brander schijnt niet zo best tegen dit goedje bestand te zijn. De steekvlammen slaan werkelijk aan alle kanten de brander uit. De brander en het pannetje zijn zwart uitgeslagen van het roet. We balen behoorlijk. Waarom gebeurt dit nu vlak voordat we een trekking gaan doen? Gelukkig kunnen we een indiase brander van de guesthouse eigenaar lenen voor Rp.50,-. We hadden ook een nieuwe op de markt kunnen kopen voor Rp200,- maar ze zijn behoorlijk groot, en na de trekking hebben we er weinig aan.
Na even diep ademgehaald te hebben, besluit ik dan toch mijn kleren te wassen. Als ik de kraan van de douche opendraai, komt er geen druppel uit. Ook de andere kranen van het guesthouse weigeren dienst. Er is niets kapot, op dit moment is er gewoon geen stomend water in Leh beschikbaar. We hebben vanmorgen gezien dat de plaatselijke bevolking hun water tapt uit een pomp, een eindje van ons guesthouse vandaan. John en ik lenen een zinken emmer van de guesthouse eigenaar en gaan wat water halen. Na de was opgehangen te hebben, gaan we met z'n vieren wat shoppen. Ik heb vandaag wat grappige Ladakhi pantoffels gezien, ze zijn van allerlei kleuren jakwol en hebben een opstaande punt. De Ladakhi zijn een stuk kleiner dan ik, en is zijn de pantoffels helaas nergens in mijn maat te krijgen.
Omdat John's brander door de kerosine onbruikbaar is geworden, kunnen we onze voedselvoorraad niet verder laten slinken. We zijn genoodzaakt om uit te gaan eten. Voordat we van het Tak guesthouse weggingen, was mijn maag wat aan het rommelen, maar na het eten van wat pasta met knoflook-, kaassaus wordt het wel héél erg. Krijg ik last van een Delhi-Belly? Ik sprint terug naar ons hotelletje, maar het blijkt gelukkig alleen maar gasvorming te zijn.
In de Lonely planet lazen we een stukje over een geheimzinnig, clandestien gebrouwen rijstwijn uit Ladakh, dat naar de naam chang luistert. Het is verboden om verkocht te worden, omdat het te sterk is om als bier door te gaan. Iedereen die we vragen waar we dit mysterieuze drankje kunnen krijgen, doet of zijn neus bloedt. Uiteindelijk komt John aan een adres. Als we aankloppen en de deur wordt opengedaan, wordt ons verteld, dat dit niet het seizoen voor chang is. We vragen het de eigenaar van het Tak guesthouse. De eigenaar is moslim, alcohol is voor hem taboe. Hij waarschuuwt ons op een berispende toon voor het gevaarlijke goedje. John en ik staken onze "Quest for Chang". Het heeft vandaag niet zo mogen zijn, maar misschien komen we het ooit nog eens op ons pad tegen.
Op de kamer tegenover de onze, slaapt een Noors meisje. Zij vertelt ons in de tuin van het guesthouse, tijdens een kopje thee, iets over een in trance zijnd, bloedspuwend orakel, Lamu genaamd. Zij heeft haar vandaag een bezoek gebracht, in een dorp, 10 minuten van Leh. Ik wil dat wel met mijn eigen ogen zien. Morgen zal ik proberen de rest over te halen.
dag 15: Vrijdag 05-08-1994
Vanacht heb ik erg onrustig geslapen, ik weet niet waarom. Misschien heb ik onbewust de hele nacht over dat orakel liggen dromen. We gaan naar het plaatsje Choglamsar, de Lamu bezoeken. Ja, ik heb de rest kunnen overhalen erheen te gaan. We nemen de bus, en stappen uit in een stek met een theehuis een winkeltje en een paar losse huisjes, midden in de zandvlakte, Choglamsar. We nemen een glas chai, en vragen de mensen in het theehuis, waar er de lamu kunnen vinden. Ze wijzen ons de weg. We betalen en stappen op. We lopen in de richting van een huisje, dat we op een afgelegen plek op de zandvlakte zien liggen. Er gaat geen pad naar het lemen huisje toe. Lopend over een zand en keien, komen we om negen uur bij de lamu aan. Een man heet ons welkom, en leidt ons naar de keuken. Er zitten al zo'n tien mensen op de stenen vloer als wij binnenkomen. Het is er koel en donker, de muur hangt vol met potten en pannen. Centraal in de keuken is een open kookplaats. Het is erg waarschijnlijk dat de mensen hier, net zoals we in Lamayturu ook al zagen, gedroogde mest gebruiken om te koken. Omdat er in Ladakh weinig bomen groeien gebruiken de Ladakhi uitwerpselen; dierlijk, mag ik aannemen. De mest wordt 's ochtends verzameld en tot pannenkoeken gevormd. De pannenkoeken liggen de hele dag te drogen, en als ze droog zijn, branden ze uitstekend. Een prima oplossing voor een gebied met weinig hout voorhanden. Langs twee wanden van de keuken is de vloer iets verhoogd. Wij gaan langs één wand zitten, langs de andere wand zit de lamu. Ze begint monotoon te zingen voor een klein altaar met wierook, een kaars, koperen schaaltjes met kruiden en rijst. Ceremonieel bezweert ze de specerijen. Terwijl haar gezang door blijft klinken, kleedt ze zich aan. Ze doet een dunne sjaal voor haar mond, een andere doet ze over haar hoodt. Op haar hoofd zet ze een kleurige kroon van stevig papier. Op de kroon zie ik afbeeldingen van boedhistische goden. Na een klein halfuurtje zingen, neemt ze een koperen bel in de ene en een handtrommeltje in de andere hand. Terwijl ze een vreselijk kabaal veroorzaakt, raakt ze steeds dieper in trance. Haar stem verandert van wram diep naar ijzig hoog. De rillingen kruipen over mijn rug. Ze begint te schudden en te beven, waarna ze tot rust komt. Het is stil in de keuken.
De mensen die de lamu bezoeken hebben allerlei kwalen. Iedereen hier gelooft dat de lamu hen van hun klachten af kan helpen. Ik zie verschillende mensen met een ontblote buik voor de lamu knielen.
De lamu begint patiënt na patiënt, de kwalen uit de ontblote buiken te zuigen. Af en toe stopt ze, en spuugt ze kwijl en bloed in een met as gevulde schaal. Sommige bezoekers behandelt ze met een blaaspijpje. Ze blaast lucht in hun gezicht om zo van hun ziekte af te komen. Op een gegeven moment komt er een meisje naar voren toe. De man van de lamu vertelt ons in gebroken engels, dat dit meisje bezeten is door een boze geest die haar wil doden. Een zeer aangrijpend schouwspel begint. Het meisje zit met samengevouwen handen op haar knieën voor de zingende lamu. De lamu plaatst een schaal wierook voor het meisje. Het meisje wordt met haar gezicht in de rook geduwd terwijl de lamu haar vingers met touwtjes aan elkaar vastbindt. De lamu grijpt het meisje stevig bij de haren vast en begint van alles te schreeuwen, tegen de duivel neem ik aan. Een ceremoniële dolk wordt tevoorschijn gehaald en tegen verschillende lichaamsdelen van het meisje aangehouden. Het meisje begint te trillen en te huilen. Ze verteld in sneltreinvaart hele verhalen, terwijl ze door de lamu constant aan de haren in de richting van de wierook wordt getrokken. Dan pakt de lamu een soort sabel tevoorschijn en begint met veel kabaal, links en rechts van het meisje op de vloer te meppen. Ze slaat het meisje een paar keer met het sabel op de rug en dwingt haat allerlei dingen te zeggen. Het meisje schreeuwd en is door het dolle heen. Na een minuut of 25 is het exorcisme volbracht. Het meisje is totaal uitgeput. Ze wordt naar buiten gebracht. John volgt haar en ziet haar buiten op haar buik in het zand liggen. Ze is compleet afgemat. Binnen in de keuken volgen nog enkele rituele bezweringen. Een gloeiend mes wordt uit een vuur gehaald. De lamu houdt het mes tegen haar tong, waardoor een sissend geluid weerklinkt. Ze blaast deze geneeskrachtige stoom in het gezicht van de patienten, die er hoogst waarschijnlijk beter van zullen worden. De man vanb de lamu vraagt of wij nog klachten of pijntjes hebben. We slaan de behandeling vandaag liever over, mischien een volgende keer. Als afluiting gaat de lamu nog rond met de wierookpot om iedereen te zegenen. Ook wij krijgen een lading van haar mee. Ze gaat weer zitten zingen, terwijl ze zich plechtig van haar ceremoniële hoofdtooi ontdoet. Alles bij elkaar, heeft het een uurtje of twee geduurd. We geven de lamu een kleine bijdrage en zijn diep onder de indruk als we de bus terug naar Leh nemen.
Teruggekomen in het guesthouse, schrijven we wat ansichtkaarten. Na de lunch ga ik naar het postkantoor om de kaarten van John en mij te versturen. Het postkantoor bevindt zich in een kleine ruimte op de begane grond van een groot pand. De overige vertrekken worden gevuld door winkeltjes, opslagruimten en woningen. In het donkere onverlichte postkantoor zitten geen ramen, maar roestige tralies. In lange rij die buiten begint, wachten mensen voor een enkel loket met daarachter een man, om hun brieven te posten. Handelszwijze postkantoor Leh:
1. Haal postzegels bij de man. Slechts zegels met de waarde van Rp.1,- zijn beschikbaar, de grotere waarden zijn uitverkocht.
2. Plak de zegels op de ansichtkaarten. Probeer eerst een plekje te vinden in de drukte, om op een schap voor de tralies je kaarten te behangen met 6 zegels van Rp 1,-
3. Sluit opnieuw aan in de rij waar je net al uit ontsnapt was, om bij dezelfde man waar je net je zegels kocht, je behangen kaarten in te leveren.
4. Let goed op! Ergens in een donker hoekje achter het loket, zit een man de zegels op de kaarten en brieven te stempelen. Soms vergeet hij het stempelen, en gaan de zegels terug de verkoop in.
Wanneer ik eindelijk aan de beurt ben zijn er nog voor slechts Rp.100,- aan postzegels te koop, niet genoeg voor alle kaarten die ik bij me heb, maarja, beter dan niets. Als ik eindelijk uitgelikt ben en mijn tong veranderd in een stuk rauw leer, wil ik de rij opnieuw ingaan, om de kaarten af te geven. Jammer! Ze hebben pauze, en vertikken het om mijn kaarten aan te nemen. Het is nu 13:15 en ik moet maar om 14:00 terugkomen! Ik zoek John en de zwitsers maar op die ergens bij de winkeltjes rondkijken. John en ik pakken onze spullen voor de trekking in. Morgen gaan we van start, maar we gaan vandaag al naar Spitok, waar we morgenochtend onze gids zullen ontmoeten. Op weg naar de bushalte, gaan we eerst nog langs het postkantoor. Ik laat John de klus maar klaren.
De bus naar Spitok is naar Indiase gewoonte weer eens bomvol. In Spitok aangekomen, vinden we geen hotel of guesthouse. We klimmen omhoog naar het een klooster. Wie weet. Één van de monniken zegt dat slapen in het klooster taboe is. Alleen hooggeplaatse lama's mogen de nacht hier doorbrengen, vertelt hij ons. Wat een tegenvaller. Waar moeten we slapen, zullen we de tent opzetten? Een jonge monnik nodigt ons uit om bij hem in zijn vertrek te slapen. Aan de voet van het klooster, tegen de berghelling, zijn kleine huisjes gebouwd waar de monniken in wonen. De jonge monnik vertelt ons, dat aan ieder huisje een naam hangt. Iedere monnik die er in woont, krijgt automatisch de naam van het huisje mee. Zo gaat het al generaties. De naam van onze monnik-vriend is Thupten Lodos, zijn huis heet Baloe, dat beer betekent. Zolang Thupten hier woont, zal Thupten naar de naam Baloe luisteren. Het lemen huisje is klein en heeft openingen, die als deur en raam dienen. Binnen hangen foto's van de Dalai Lama, Boedha, en, jawel, Ruud Gullit en Marco van Basten! Op een altaartje staan kaarsjes en wierook te branden. In de hoek liggen dikke matten en dekens opgestapeld. Vanavond worden die op de vloer uitgelegd om op te slapen. Baloe is kok. Samen met zijn koksmaatje maakt hij een tibetaanse maaltijd. Tsampa, kleine geplette deegballetjes met groente. Het wat ongare goedje smaakt een beetje zanderig, maar vult prima. Baloe en alle andere monikken dragen net zoals de moniken in Lamayuru, bordeaux rode gewaden. Baloe draagt een sweatshirt met een grote "Reebok" print erop. Maar ja, de kleur is bordeaux rood, en daar gaat het om. We praten over India, Nederland en voetbal. Het is gezellig. Morgen vroeg moeten we tussen zes en zeven uur bij de brug over de Indus zijn die we vanuit het hooggelegen huisje zien liggen. Daar zal de ponyman op ons wachten. Om 23:30 gaan we slapen. Ik mag van Baloe binnen slapen. John en Baloe zelf, passen niet meer in het huisje, en gaan buiten liggen. De twee zwitsers zijn nog in het Tak guesthouse. Zij zullen waarschijnlijk al wel langer op één oor liggen. Mischien komen we ze deze vakantie nog ergens tegen.
Deze website is voor het laatst bijgewerkt op 04/29/03