|
Sander van Luit
Living 2006 
|
|
The End of History and the Last Man
Dit boek heeft een heel
lange tijd op mijn verlanglijstje gestaan, en de afgelopen weken heb ik dan
eindelijk de tijd gevonden om het te lezen.
In zijn boek behandelt
Fukuyama de these van Hegel dat er een universele geschiedenis bestaat,
waarlangs de mensheid door de systematiek van sociale en economische
veranderingen gedreven wordt. Uiteindelijk zal de mensheid, door de essentie van
de mens in de vorm van Rationaliteit, Verlangen en Thymos, zoals die door
Plato als kenmerken worden gezien, de liberale democratie als ideale vorm
van samenleven zien, en niet, zoals Marx de universele geschiedenis
interpreteerde, in het communisme.
De mens kan geduid
worden in zijn acties door deze drie aspecten van rationaliteit, verlangen en
thymos, waarbij thymos vertaald kan worden als gevoel van eigenwaarde.
In den beginne, in het begin van de
“geschiedenis”, is er de mens, die streeft naar erkenning van zijn
waardigheid. Dit kan een persoon het beste doen door zijn leven te wagen, omdat
hij daarmee laat zien dat hij een mens is; hij kan zich over zijn impuls
heenzetten om te vluchten en zijn leven te bewaren, en laat daarmee zien dat hij
meer is dan alleen verlangen; hij wordt de meester over zijn eigen leven.
Wanneer twee personen strijden, zal
er een winnaar (meester) en een verliezer (slaaf) zijn. Helaas is het zo dat
deze relatie voor beide personen geen erkenning geeft voor zijn menselijke
waardigheid. De slaaf krijgt totaal geen erkenning; hij wordt behandeld alsof
hij geen mens is. Maar ook de meester krijgt geen erkenning. Immers, de slaaf is
geen mens, en erkenning is alleen mogelijk van een ander mens.
Fukuyama gebruikt de dialectiek van
Hegel om te laten zien hoe de geschiedenis van samenlevingen verloopt.
Dialectiek gaat ervan uit dat systemen met elkaar strijden om de overmacht, en
dat systemen die intern contradictoir zijn zullen ophouden te bestaan.
Interne contradicties kunnen hier
gezien worden als gevoelens en krachten die in een samenleving opspelen die zo
sterk zijn, dat de samenleving hierdoor niet kan blijven bestaan; er breken
revoluties uit en er wordt een nieuwe staatsvorm ingesteld.
Het communisme is hierbij een goed
voorbeeld; het ideaal van gelijkheid hield een dergelijke mate van verlies van
vrijheid in, evenals een gigantische economische inefficiëntie, die ervoor
zorgden dat de samenleving uiteindelijk niet kon blijven functioneren; in 1991
werd de Sovjetunie daarom ook ontbonden en kwam er een kapitalistische
democratie voor in de plaats.
De interne contradictie van de
meester-slaaf verhouding kan opgelost worden door iedereen een meester te maken,
zodat iedereen elkaar wederzijds kan erkennen als een mens; deze universele
waardigheid en erkenning is alleen te vinden in een democratie, waarin iedereen
gelijk is en waardigheid via vertegenwoordiging afgedwongen kan worden.
Aan de ene kant zien we
dus dat democratie geen interne contradicties heeft omdat iedereen zijn
menselijke waardigheid erin kan vinden. Dit is het aspect van thymos.
Aan de andere kant zien we de
aspecten van rationaliteit en verlangen. Dit verlangen wordt het beste gevoed
door een markteconomie; dus kapitalisme.
Dit kan verklaard worden
door de strijd van landen om de wereldmacht. Om deze strijd te kunnen winnen,
dient er een technologisch hoogstaand leger te zijn die efficiënt ingezet kan
worden. Fukuyama onderstreept hierbij het belang van de wetenschappelijke
methode; doordat deze de werking van de natuur het beste kan onderzoeken en de
kennis daarover het beste toe kan passen, worden landen min of meer gedwongen om
wetenschappelijk bezig te zijn. Maar niet alleen wetenschap is nodig; ook
kapitalisme, omdat dit het meest efficiënte systeem is om producten te
produceren, en economisch de meeste macht geeft.
Het kapitalisme is verder de beste
manier om aan de verlangens van burgers te voldoen; de beste producten tegen de
laagste prijs kunnen alleen gegarandeerd worden door goed werkende markten
waarin concurrenten met elkaar strijden om op de beste manier aan de wensen van
de burgers te voldoen.
Uiteindelijk zal volgens
Fukuyama de ideale samenleving dus een liberale democratie zijn, en zullen de
meeste landen dit ook bewerkstelligen; de empirie laat dan ook zien dat over de
afgelopen eeuw steeds meer landen democratisch zijn geworden, en dat deze een
ongekende stabiliteit tentoon spreiden. Dit dus in tegenstelling tot wat Marx
beweerde, dat uiteindelijk het communisme “the end of history’ zou zijn.
Maar wat mij ontzettend
intrigeert, is dat juist de liberale democratie tot vrijheid lijdt, en in
toenemende mate tot steeds meer gelijkheid. Immers, de inkomensverschillen zijn
over de eeuwen heen steeds kleiner geworden, en er is een steeds grotere
middenklasse gevormd in de samenleving, die al met al als zeer welvarend gezien
kan worden.
Wat verder ook door Fukuyama aangehaald wordt, is dat op het einde er een
“laatste mens” zal ontstaan, die Isothymia, gelijke waardigheid voor
elke mens, tot het perfecte heeft nagestreefd. Mensen zullen op de grootste
wijze gelijk van elkaar willen worden, omdat niemand zich de mindere wil voelen
van de andere en dit in een democratie goed afgedwongen kan worden. De mens zou
dan ophouden te bestaan, omdat hij gelijk is aan ieder ander; hij zou niet meer
hoeven te strijden voor zijn waardigheid omdat die al tot in het perfecte wordt
gegarandeerd, en in zijn verlangen door marktwerking ook totaal wordt voorzien.
Niet het communisme
zorgt voor gelijkheid, maar een liberale democratie. En dat vind ik de meest
fascinerende conclusie die ik uit dit boek heb kunnen trekken.
Fukyama, Francis. 2006. The End of
History and the Last Man. New York: Free Press