Poes
Poes is dood, al een tijdje dat wel. Maar er knaagt soms wat, een gemis. Ach je hebt toch nog meer katten? Het is maar een kat. Hoor ik soms schamper. Genoeg, er blijven er vier over.
'Nee niet zomaar een kat', zeg ik dan snibbig, 'veertien jaar van mijn leven, zomaar ten einde!'
Zomaar zachtjes gingen de jaren voorbij. Poes was er altijd. Zat op de leuning van een stoel tijdens de maaltijd. Kip was haar favoriete hap. Stelen deed ze ook, niets was er veilig als het maar te eten was.
Ze was er toen mijn kater Pim verongelukte. Mijn man die werd geveld en weer op krabbelde van een hartinfarct. Poes troostte ten tijde van nood.
Hoe kom je nu aan een Poes, die Poes heet? Poes kwam op een poesloos tijdstip in ons leven. Schuw, angstig, bang, maar met de mooiste sprekende ogen die ik ooit bij een kat zag. Ze kwam, ’overzag de hei’ en koos ons uit als haar personeel, wij alleen mochten voor haar zorgen. Alle instanties op het gebied van verloren en gevonden dieren werden in geschakeld, niemand kwam haar opeisen.
Poes was niet jong, minstens vijf jaar, zei de inmiddels ook ingeschakelde dierenarts. Verder kerngezond en na de nodige prikken nam ik haar weer mee, met de mededeling, dat ze nu van mij was. En dat ik haar Poes noemde. Een fictie, want Poes was van niemand. Ze liet me in de waan en stond welwillend toe dat ik ook in bed mocht slapen. Wel stil en rustig liggen graag.
Poes met haar hangbuik, haar tijdens een ongeluk afgehakte staart, het stompje kon nog wel kwispelen wanneer ze boos werd, dan kon Poes vinnig uithalen.
Poes deelde kattig menig lel uit. Tot hier en niet verder.
Later kwamen er meer katten, want ik ben maar een half mens zonder katten om mij heen. Nooit meer een poesloze tijd.
Poes is dood, al een tijdje
08-12-2005 © Suze latorre