Bijstand.

Ik betrap me erop dat ik net als mijn oma over vroeger zeur.“Vroeger had je echte winters,” zei ze tegen me. 

“Vroeger had je veel meer sneeuw,” zeg ik tegen mijn kleinzoon.

“Was vroeger leuk?”Vraagt hij.“Ja zeker,” zeg ik en denk aan mijn verloren jeugd. Ik vertel niet, van bittere armoede. Wel vertel ik, dat het potkacheltje zo lekker gloeide. 

“Potkacheltje oma? Hij is een kind van zijn tijd en weet niet wat een potkachel is. Als hij weer naar zijn moeder is, denk ik er nog over na.   Een echo uit het verleden galmt voorbij.

Nu hebben we centraleverwarming  en alles is computergestuurd. De goede ouwe tijd, die hoeft voor mij niet meer, zo goed was hij niet voor, armoedzaaiers zoals mijn moeder en ik.

De armoede van nu is verborgen,  maar nog net zo bitter. Later op de avond kijk ik naar een vraag gesprek met de minister-president. Ik kijk naar het gekreukelde gezicht, de zuinig samen geknepen mond. Je ziet hem denken waar kan ik ‘beknibbelen.’

“We moeten de armoede bestrijden, “hoor ik hem zeggen.Uitkeringsgerechtigen moeten worden ontzien”.

In Heerlen hebben ze een idee om het welzijn van uitkeringsgerechtigen te verbeteren.  Een riljante inval. Levensmiddelen  waarvan de verkoop datum verloopt. Brood van de vorige dag en wat de goedwillende winkelier verder wil afstaan, wordt verzameld en gaat naar een ‘goedkoop winkel’

Alleen voor uitkeringsgerechtigen, om te bewijzen dat ze gerechtigd zijn, krijgen ze een pasje om daar te kopen.

Verbeter 'hun' welzijn, verkoop genade brood. Hoe ging dat ook alweer vroeger? 

11 november 1999 © Suze

terug