Home Stefan Metaal's Urban Sociology Site Home
Urban Field
Research Network
Featured Projects
Definition
Mobility
Glossary
Bibliography
Linked Articles
Stefan Metaal
Projects
CV + Autobio
Publications
Online Articles
  Home
Home

Interculturele stad

Een verslag uit de Vrolikstraat in Amsterdam-Oost

De grote steden beginnen steeds meer het karakter van 'interculturele steden' te krijgen. De gemengde bevolkingssamenstelling confronteert de bewoners soms met onverwachte situaties, maar dat is meestal geen groot probleem omdat bewoners elkaar met respect behandelen. Dit kan worden geconstateert op basis van uitgebreide vraaggessprekken in de Amsterdamse Oosterparkbuurt, een voorbeeld van een gemiddelde interculturele stadswijk.

Anders dan vaak wordt beweerd in overheidsrapporten, doen zich in de dagelijkse omgang tussen bewoners weinig conflicten voor. De problemen liggen niet bij de bewoners in de woning of het trappenhuis, maar op straat. En de bewoners kunnen tegen de criminaliteit en het geweld op straat weinig uitrichten. Het gaat namelijk om een relatief klein aantal, gespecialiseerde criminelen. Het probleem leggen bij 'de jeugd' of een deel van de bewoners zou dus hoogst merkwaardig zijn.

De omgang tussen de bewoners wordt gekenmerkt door alledaags respect. Mensen laten elkaar met rust. Men weet wie er in het trappenhuis woont, maakt af en toe een praatje en biedt zo nu en dan de helpende hand als dit nodig is. Maar het is zeker niet de gewoonte om de deur bij elkaar plat te lopen. Op deze manier leert men elkaars cultuur langzaam kennen. Dat leidt vaak tot verbazing, meestal tot nieuwsgierigheid, soms tot ergernis en bijna altijd tot verlegen glimlachen. Dat is het mooie van de interculturele stad.

In dit artikel wordt de alledaagse omgang centraal gesteld, niet de criminaliteit, want daar horen we al zo vaak over. Ook wordt ingegaan op de maatschappelijke positie van de bewoners, want ook daarover bestaan veel misverstanden.

Het dagelijks leven

Eigenlijk zijn mensen weinig bezig met hun buurt en de mensen die er wonen. De meeste bewoners zijn op zich wel geïnteresseerd in de straten van de wijk, de buren in het trappenhuis en de winkels in de buurt, maar feitelijk zijn dat in hun levens maar bijzaken. De meest betekenisvolle interacties hebben plaats op het werk, bij de opleiding of in persoonlijk kring (binnenshuis of in een willekeurige semi-openbare gelegenheid). Deze positie in de wijk wordt toegelicht met uitspraken als 'ik woon hier toevallig' en 'ik heb gewoon mijn eigen leven'. De meeste bewoners willen dat ook graag zo houden: 'als er echt wat gebeurt is het goed om te weten wie hier wonen maar ik hoef niet iedereen op de koffie hebben'.

De contacten tussen buren beperken zich overwegend tot groeten en af toe een praatje. Daardoor kunnen zij de andere bewoners van hun trappenhuis of portiek globaal omschrijven naar leeftijd, huishoudenssamenstelling, soms het beroep, meestal het land van herkomst, en vaak ook of het gaat om een 'geboren Amsterdammer' of niet. Dikwijls zijn ook andere details bekend als 'die komt altijd laat thuis' of 'zij heeft drie katten' of meer in het algemeen: 'dat zijn volgens mij wel leuke mensen' of 'die zijn een beetje raar'. Het naburige trappenhuis kan men ook wel beschrijven, hoewel daar meestal een woning bij is waarvan men 'echt niet weet wat er woont'.

Iets dergelijks geldt ook voor het koopproject en de eigenaar-bewoners van de Vrolikstraat, ook al is de samenstelling van de trappenhuizen en portieken daar minder divers en zijn de bewoners daar min of meer gedwongen om vanuit gemeenschappelijke belangen samen te werken. Een bewoner van het koopproject beschrijft de sfeer in zijn portiek.

Ik heb wel het idee dat ik weet wie hier allemaal woont en ook waar iedereen woont. We zeggen elkaar gedag en zien elkaar op vergaderingen van de vereniging van huiseigenaren. Ik ken iedereen van gezicht en er zitten een paar mensen tussen waar ik wel even mee aan de praat raak als ik ze zie.

Sommige bewoners (zowel in koop- als in de huurwoningen) kennen elkaar wat beter. Meestal in de context van wederzijdse 'burenhulp' (planten verzorgen, formulieren invullen, ambulance bellen) of eens in de zoveel tijd een gezamenlijk etentje.

Verder woont in elk trappenhuis wel iemand die iemand anders in de straat persoonlijk kent, als vrienden. Die hebben elkaar leren kennen via het werk, de opleiding of via gemeenschappelijke vrienden, en zelden via de straat of de buurt. Over deze contacten zegt men bijvoorbeeld 'ik heb ook een kennis toevallig hier verderop in de straat wonen'. Ook immigranten praten er zo over. Eigenlijk breiden alleen kinderen hun persoonlijke netwerk uit in de straten van de buurt.

Het is dus zeker niet zo dat een stadswijk als de Oosterparkbuurt bruist van de contacten. In de regel kennen bewoners elkaar 'een beetje'. Op die manier worden zij vertrouwde vreemden, zoals Anderiesen en Reijndorp het zo'n tien jaar gelden hebben omschreven .

Een uitzondering op deze regel zijn misschien wel de contacten tussen de ouders van jonge kinderen die elkaar kennen via de school, de straat of het kinderdagverblijf: 'we passen ook weleens op de kleine van hiernaast; die mensen zijn eigenlijk wel vrienden geworden'. Toch rekent men deze bevriende ouders meestal niet tot de persoonlijke kring.

Alledaags respect

Buurtbewoners houden anders gezegd een beleefde afstand ten opzichte van elkaar. Dat blijkt ook uit de terughoudendheid in het veroorzaken van lawaai èn het klagen daarover. Een nieuwe stedeling uit de Vrolikstraat:

“Overlast? Ja joh, soms overlast van de buurman boven mij, dan draait hij muziek. Dan denk ik moet dat nou? Gelukkig is dat maar een kwartiertje en het leidt niet tot conflicten. Als het te erg wordt ga ik er wat van zeggen. Als er feestjes zijn in de buurt, dan wordt er altijd een briefje in de bus gedaan.”

Buurtbewoners doen hun best om onbelangrijke vormen van overlast ook onbelangrijk te houden. Een vertrokken gezin oorspronkelijke stedelingen klaagde destijds niet over het buitenlandse gezin dat boven hen woonde, en dat gezin klaagde ook niet over hun.

“Als ze visite hadden, ze hadden zeil op de grond, dan werd je helemaal horendol, maar normaal liepen ze op slofjes. En dan ga je niet over zo'n avond zeuren. Zij hadden drie kinderen, dat hoor je ook, maar ze zullen ook wel wat van ons hebben gehoord. Ze zeggen van niet. Maar ja dat is alleen maar goed.”

Dit is het dominante patroon van burenrelaties in de Oosterparkbuurt.

Deze beschrijving van de alledaagse gang van zaken doet misschien wat prozaïsch aan. Maar het is belangrijk om in te zien dat de dagelijkse taferelen in de straten en trappenhuizen weinig enerverend zijn en dat juist dàt bijdraagt aan de waardering van de wijk.

Uit de interviews blijkt verder hoe opvallend weinig mensen zich intolerant opstellen ten opzichte van bewoners met een andere achtergrond. Of mensen uit de stad komen, uit een dorpje of uit een ander land, of ze hoog of laag zijn opgeleid en of ze veel of weinig geld hebben, dat maakt allemaal weinig uit. In de regel behandelen bewoners elkaar met hetzelfde alledaags respect.

In de trappenhuizen en portieken komt het dan ook zelden tot slepende conflicten op basis van verschillen in levensstijl. Dat voert deels terug op een actieve tolerante houding, op weloverwogen welwillendheid ten opzichte van mensen met andere gewoontes. Voor een ander deel kan de relatieve rust en verdraagzaamheid worden beschouwd als iets dat onbedoeld tot stand wordt gebracht. De buurt komt in het leven van de bewoners nu eenmaal niet op de eerste plaats. Buren houden ten opzichte van elkaar een beleefde afstand, zodat zij ieder ongestoord hun eigen leven kunnen leiden.

Liever een interculturele wijk

Dat de geïnterviewden weinig moeite hebben met het idee van een gemengde wijk, ligt in het verlengde van deze rustige en relatief tolerante omgang tussen bewoners. De respondenten spreken zonder uitzondering hun weerzin uit tegen een eenzijdige bevolkingssamenstelling. Voor nieuwe stedelingen is dat een belangrijk punt, wat in het volgende hoofdstuk nog aan de orde komt. Ook oorspronkelijke stedelingen zien liever een gemengde bevolking dan een bevolking die voornamelijk bestaat uit niet-Nederlanders.

(vrouw:) “Ik denk ook dat ze niet al die allochtonen er in moeten zetten. Allochtoon is een beetje een naar woord hè? Maar niet alleen maar niet-Nederlanders. Want wij waren op die trap al de enige Nederlanders en toen wij weggingen zijn er weer Surinaamse mensen voor in de plaats gekomen en dat is toch een beetje jammer vind ik.”

(man:) “Het beleid is gewoon dat die mensen bij elkaar worden gezet. Je ziet het in de Bijlmer, die flats zijn ze nou aan het slopen. Dat is gewoon een crime om al die mensen bij elkaar te zetten.”

Deze uitspraken zijn in de ogen van nieuwe stedelingen nogal ongenuanceerd, maar wat die zeggen komt in grote lijnen op hetzelfde neer. Ook de geïnterviewde immigranten hebben bezwaren tegen een eenzijdige bevolkingssamenstelling. Een fragmentje uit een interview met een Marokkaans gezin.

(dochter:) “Er wonen geen Marokkaanse mensen in het trappenhuis.”

(vader:) “Vind ik niet jammer.”

(dochter:) “De Oosterparkbuurt is een gezellige buurt.”

De dochter stelt het wel op prijs dat er veel Marokkaanse scholieren in de wijk wonen, maar kan ook goed opschieten met kinderen van andere herkomst. De vader maakt het niet zoveel uit wie er in het trappenhuis wonen, als ze hem maar met rust laten. Een andere Marokkaanse respondent denkt er net zo over.

“Ik woon liever met Nederlanders dan met buitenlanders. Ik weet dat, ik heb al op tien verschillende woningen gewoond. Omdat buitenlanders zich altijd overal mee bemoeien, dit is niet goed: wat doe je voor werk, waarom dit, waarom dat. Nederlanders zeggen alleen goedemiddag. Ik wil liever niet met veel Marokkanen in de buurt wonen.”

Zijn zoon woont in de Indische Buurt en kent geen Marokkanen in zijn straat en hij zou er graag wat meer in zijn omgeving zien. Hij heeft op zich geen bezwaar tegen de immigranten uit andere landen die op zijn trap wonen, behalve als hij er niet mee kan onderhandelen.

“Ik vind het wel goed om met Marokkanen in de buurt te wonen. Dan kan ik mijn eigen taal spreken. Nu is het een Surinamer, een Turk, een Portugees, een Zuid-Amerikaan. Geen problemen. Vroeger had ik wel last, met Surinamers. Die maakten hele harde muziek, en rookten hash. Ik heb ze gewaarschuwd. Ik heb ze drie keer gewaarschuwd. Maar de Surinamer luisterde niet. Toen heb ik klap gegeven, Surinamer rustig.”

Zoals gezegd: de betrekkelijke rust op de trappenhuizen wordt niet uitsluitend door een welwillende houding in stand gehouden. Waar verbale onderhandelingen tekortschieten wordt de balans soms met harde hand hersteld.

Gewone bewoners

Dat soort ingrepen zijn uitzonderlijk, omdat de meeste bewoners ongeacht de herkomst overlast binnen de perken weten te houden en met elkaar blijven praten. In tegenstelling tot wat men zou verwachten op basis van angstverhalen over individualisering en het verdwijnen van sociale verbanden, blijken bewoners met totaal verschillende achtergronden er telkens in te slagen op een betrekkelijk rustige en aangename manier met elkaar om te gaan. Ook de diversiteit van de bevolking en de relatieve anonimiteit in de wijk ziet men niet als een probleem. Dat hoort allemaal bij de combinatie van afstandelijkheid en tolerantie die hier omschreven is als alledaags respect.

Als bewoners zich ergens zorgen over maken dan gaat het zelden over de interacties tussen gemiddelde bewoners van een straat. De problemen die naar voren komen uit de interviews worden zelden veroorzaakt door de 'gewone bewoners' en krijgen vaak de vorm van 'extreme overlast'. Een Surinaamse onderscheidt in dit verband de mensen die in de buurt wonen van de bezoekers van coffeeshops.

“De buurt gaat achteruit. Er zijn wel heel veel andere mensen komen wonen, veel buitenlanders. Zwartjes natuurlijk. Meer zwarten. Niet uit Suriname of zo, maar meer uit andere delen: Turkije, Marokko. Ik vind dit goed, heb er geen moeite mee. Dat het slecht gaat ligt niet aan die mensen. Het ligt gewoon aan de coffeeshops. Díe mensen. De mensen die naar coffeeshops gaan.”

De meeste geïnterviewde bewoners maken een dergelijk onderscheid. Een oorspronkelijke stedeling signaleert met betrekking tot allochtonen bijvoorbeeld een verschil tussen 'criminelen' en 'gewone gezinnen'.

Als bewoners zich negatief uitlaten over hun wijk betreft het overlast die niet door de gemiddelde bewoners wordt veroorzaakt.

Spelende kinderen

Over de kinderen en jongeren die op straat spelen hebben de respondenten weinig klachten. Het past bij de trend om de kinderen en jongeren op straat te rekenen tot 'rondhangende jongeren'. In een recente nota van de gemeente Amsterdam staat zelfs 'dolende jongeren' - alsof het rondhangen ook leidt tot maatschappelijk dwalen. Een van de meer persistente misverstanden over problemen in de wijk is het idee dat kinderen op straat onvoldoende begeleid worden. De Marokkaanse respondente van vijftien jaar oud, ziet er geen enkel probleem in.

“Wij zien elkaar allemaal op straat – Marokkaans, Surinaams, Nederlands. Daarom spreken we ook altijd Nederlands tegen elkaar. Ik heb het meest Marokkaanse vriendinnen Eigenlijk geen Turkse, gek hè, want ik heb helemaal niets tegen Turkse mensen. Ik zou best een Turkse vriendin willen hebben, maar die ken ik niet.”

“.... Nou dat is helemaal niet zo. De grote letten op de kleintjes. Mijn zus lette ook altijd op mij en ik let ook op de kleintjes die ik ken. En met de kleintjes gaan ook heel vaak de moeders en de vaders mee. Maar vond jij het leuk als je vader kwam?”

Het is belangrijk om het verschil te blijven opmerken tussen tussen spelende kinderen en criminelen die zich op straat ophouden. De pleinwerkers en buurtconscierges die overal in de stad worden aangesteld, kunnen natuurlijk vraagbaak zijn voor de kinderen en faciliteiten aanbieden. Dat moet nadrukkelijk worden opgevat als iets nieuws. Pleinwerkers zijn geen vervanging van een denkbeeldige 'Ome Joop' die vroeger het speelgoed verdeelde.

Verantwoordelijkheden

Het beeld dat naar voren komt is tweeledig. Enerzijds een overwegend rustige en respectvolle alledaagse omgang tussen bewoners. Anderzijds incidenten of systematische overlast van geweld of criminaliteit. De dagelijkse gang van zaken tussen gemiddelde bewoners of de verhoudingen tussen die bewoners kunnen dan ook niet als problematisch worden aangemerkt. Problematisch zijn specifieke vormen van overlast. Die overlast heeft niet alleen te maken met relatief autonome ontwikkelingen, zoals drugshandel en de komst van de metro. Het heeft ook te met een onderschatting van die ontwikkelingen door de overheid en andere instellingen, en een te grote permissiviteit ten aanzien van die ontwikkelingen. De oorzaken van de verbeteringen moeten dan ook gezocht worden in de koerswijziging van het beleid zelf.

Drie uitgangsposities

Stadswijken worden ook vaak geanalyseerd in termen van achterstandsscores. Hoeveel uitkeringstrekkers wonen er? Hoeveel geweldsdelicten worden er gepleegd? Hoe hoog is het percentage allochtonen? Hoe laag is het gemiddeld inkomen? Als in meer detail naar de situatie van bewoners wordt gekeken, blijken etiketten van succes of falen daar niet altijd even makkelijk op te plakken. Er zijn heel verschillende manieren van achterblijven of vooruitkomen. De maatschappelijke positie van bewoners wordt hier opgetekend op basis van de afkomst, het traject van opleidingen en banen, variaties in het inkomen en de woongeschiedenis.

Voor de analyse van maatschappelijke posities is het nuttig om de bevolking in te delen in categorieën. In de praktijk doen bewoners dat zelf ook. Bewoners en geïnteresseerden blijken altijd een beeld te hebben bij 'echte Amsterdammers' en 'buitenlandse gezinnen'. Dat onderscheid wordt altijd gemaakt, onafhankelijk van de levensstijl of affiniteiten van de waarnemer zelf. Desgevraagd wijzen respondenten ook wel op een derde type bewoner, maar de beschrijvingen zijn bepaald niet eenduidig: 'alternatieve mensen, alleenstaanden, van die yuppen, mensen die gestudeerd hebben, jonge mensen zoals ik, tweeverdieners, mensen die net als ik de zeventiger jaren nog hebben meegemaakt zal ik maar zeggen'.

De onderzoekers van oude stadswijken kampen met vergelijkbare definitieproblemen. Naast immigranten staat meestal een onderscheid centraal tussen oorspronkelijke bewoners en nieuwkomers, maar de onderzoekers zijn het niet eens over de eigenschappen. Als criteria worden genoemd: de woonduur, het inkomen, de opleiding, de plaats van herkomst, de actieradius, de mentaliteit en het type netwerk . Ondanks deze definitiekwesties komen de indelingen allemaal ongeveer op dezelfde drie groepen uit. Soms worden meer categorieën onderscheiden, maar die kunnen zonder al teveel problemen worden opgevat als subcategorie van een andere. Vaak ook wordt een soort categorie buiten de andere categorieën onderscheiden, zoals 'achterblijvers' of 'geïsoleerden'; een verzameling mensen die als het ware buiten de boot valt. Hoewel de positie van sommige mensen inderdaad weinig benijdenswaardig is, heeft het geen nut om die mensen onder één noemer te scharen; het wordt dan immers niet duidelijk hoe zij in die positie terecht zijn gekomen. Mensen kunnen alleen achterblijven of vooruitkomen vanuit een bepaalde uitgangspositie. Om die reden is bij de indeling die hier wordt gehanteerd de uitgangspositie centraal genomen. Dat wordt hier opgevat als de manier waarop de respondenten in de stad terecht zijn gekomen. Andere eigenschappen van de respondenten hangen er sterk mee samen, vooral de woongeschiedenis en het traject van opleidingen en banen. Deze criteria leiden tot de volgende indeling in categorieën.

Oorspronkelijke stedelingen zijn opgegroeid in de stad. Het inkomen en het opleidingsniveau is relatief laag (van ongeschoold tot mbo?niveau). De levensloop sluit aan op die van de ouders. Uit de woongeschiedenis en het traject van opleidingen en banen van de oorspronkelijke stedelingen spreekt continuïteit. Het traject en de woongeschiedenis van de nieuwe stedelingen is grilliger. Het opleidingsniveau is hoog (HBO of universiteit) terwijl de hoogte van het inkomen varieert. Nieuwe stedelingen komen overwegend uit dorpen, buitenwijken of kleine provinciesteden en zijn voor hun studie naar de stad verhuisd. Hoewel de onderlinge cultuurverschillen tussen immigranten de cultuurverschillen tussen stadsbewoners van Nederlandse origine overtreffen, komen veel immigranten onderling overeen in hun uitgangspositie als nieuwkomer in een westerse verzorgingsstaat.

Ook sommige nieuwe stedelingen figureren in de achterstandsscores, met name het type 'culturele uitkeringstrekker'. Dat zijn in feite mensen met veel cultureel kapitaal en weinig economisch kapitaal. Zij vormen geen goede indicatie voor serieuze achterstand, vooral omdat zij meestal weinig problemen hebben met hun situatie; soms kiezen zij er zelfs voor. Vanuit een breed maatschappelijk perspectief is dat naar andere mensen toe misschien wat minder elegant – uiteindelijk moeten andere mensen voor die keuze betalen – maar dat maakt deze mensen nog niet tot een achterstandsprobleem. Begrippen als gettovorming zijn er in ieder geval niet op van toepassing.

Voor immigranten ligt dat heel anders en dat komt door hun uitgangspositie als immigrant. Veel immigranten in de Oosterparkbuurt komen het land binnen zonder enige vorm van kapitaal. Velen van hen konden in de jaren zestig en zeventig aan de slag in fabrieken en werkplaatsen, maar van dat soort werk is steeds minder over. Verder blijken veel opleidingen uit het land van herkomst hier niet bruikbaar; het cultureel kapitaal waar zij mee aankomen in Nederland is niet altijd relevant. De uitgangspositie van deze immigranten is lastig, omdat voor werk steeds meer cultureel kapitaal nodig is (niet alleen een opleiding, maar ook allerlei andere vormen van kennis en vaardigheden, te beginnen met hoge eisen aan taalgebruik). Desondanks kan worden geconstateerd dat veel immigranten er toch in slagen om cultureel en economisch kapitaal te vergaren of hun kinderen daar uitzicht op te geven. Het meest succesvol zijn degenen die cultureel kapitaal met zich meebrengen, die hun kinderen intrinsiek weten te motiveren en die realistische inschattingen blijven maken van manieren om vooruit te komen. Dergelijke inzichten raken ondergesneeuwd als een te algemeen beeld wordt geschetst waarin ongunstige maatschappelijke vooruitzichten worden gekoppeld aan de wijk.

In het verlengde van het denken in termen van achterstandswijken, ligt de suggestie dat sociale stijging gepaard gaat men een vertrek uit de wijk. Mensen vertrekken om uiteenlopende redenen, en niet per definitie omdat ze een betere baan krijgen. Oorspronkelijke stedelingen kunnen alleen vertrekken als hun inkomen toereikend is, maar de 'sociale stijging' die ze doormaken is niet de drijfveer om te verhuizen (het inkomen is overigens al snel toereikend voor een eengezins-huurwoning in Purmerend of Almere). Als zij vertrekken, doen zij dat omdat de sfeer van vroeger is verdwenen – oorspronkelijke stedelingen suburbaniseren omdat andere oorspronkelijke stedelingen suburbaniseren. Nieuwe stedelingen moeten de wijk soms verlaten omdat zij gaan samenwonen of op zoek zijn naar een grotere of betere woning. Bovendien is de verhuizing naar de stad in hun leven een belangrijk moment: voor hun gaat sociale stijging niet gepaard met het verlaten, maar met het betreden van de wijk. Hoe nieuwe stedelingen ondanks hun voorkeur voor de stad in buitenwijken terechtkomen komt aan de orde in hoofdstuk 3. Misschien geldt voor immigranten inderdaad dat sociale stijging gepaard gaat met een vertrek uit de wijk. Dat hoeft niet lang zo te blijven, want sommige kinderen van immigranten beginnen inmiddels de uitgangsposities van oorspronkelijke stedelingen en nieuwe stedelingen te krijgen.

Als naar de wijken en de uitgangspositie van de bewoners wordt gekeken, is achterstand eigenlijk een merkwaardig begrip. In stadswijken zijn de woningen goedkoop, en mensen die om wat voor reden dan ook een laag inkomen hebben, vinden er onderdak. Veel van die mensen krijgen na verloop van tijd een hoger inkomen, en gaan dan op zoek naar een grotere woning. Dat geldt voor studenten èn immigranten, die beide in termen van achterstandsscores onderaan beginnen. Vanuit hun oogpunt is de stadswijk niet de plaats waar zij achteruit gaan, maar de plaats waar zij vooruitkomen. Misschien zijn het eerder 'vooruitgangswijken' .

Urban Sociology
Urban Policy
Housing
Urban Planning
Urbanity
Deep Sociology
Dutch Sources
Big History
Epochs
Realms
Epoch Simulation
Urban Simulation
Bibliography
Top  
Top of page
  Home
Top