Home

Stefan Metaal's Urban Sociology Site

Home
Urban Field
Research Network
Featured Projects
Definition
Mobility
Glossary
Bibliography
Linked Articles
Stefan Metaal
Projects
CV + Autobio
Publications
Online Articles
  Home
Home

Elias minus Freud

Kunnen civilisatieprocessen zonder driften?

Aan het morele gehalte van het gedachtegoed van mensen wordt doorlopend getwijfeld. De laatste decennia wordt het begrip individualisering vaak gebruikt. Als ergens een bushokje wordt vernield, staat er al snel iemand klaar om te zeggen: 'dat is de individualisering hè, iedereen leeft maar voor zich, er zijn geen normen en waarden meer'. Individualisering staat hier voor overmatige individuele vrijheid in de keuze van gedrag, en voor het ontbreken of verdwijnen van een bindend moreel kader.

In de later geschreven inleiding van 'Het civilisatieproces' neemt Elias nadrukkelijk afstand van deze dualistische visie op mens en maatschappij. Hij ergert zich aan het feit dat mensen steeds weer worden gezien als individuen die los van de samenleving staan, óf het omgekeerde: dat mensen onderworpen zijn aan de werking van de maatschappij, die dan steeds weer los van de individuen staat (1982 I: 323). Het alledaagse gebruik van het begrip individualisering is vanuit dit dualisme goed te begrijpen: als 'de maatschappij' wegvalt, blijven er alleen nog 'individuen' over.

Dat mensen dit dualisme hanteren is volgens Elias niet zo verwonderlijk, omdat mensen in westerse samenlevingen zich steeds meer als zelf-denkende en zelf-beslissende personen zijn gaan beschouwen. Er is een innerlijke denkwereld, en alles wat daar buiten bestaat, lijkt op zichzelf te staan (1982 I: 321).

In 'Het civilisatieproces' laat Elias zien hoe omgangsvormen samenhangen met veranderingen in de afhankelijkheids- en concurrentieverhoudingen. De combinatie van intriges en overdreven 'goede manieren' van de adel, zo vaak het onderwerp van hedendaagse costuumfilms, brengt Elias op overtuigende wijze in verband met staatsvorming (o.a. 1982: II 273-275). Een ander voorbeeld van de samenhang tussen omgangsvormen en machtsverhoudingen zijn de veranderingen in opvattingen van de Duitse burgerij, die zich noodgedwongen van de adel emancipeerde. Zij richtten zich, in eigen termen, niet op de frivole manieren van de adel, maar op een zinvolle invulling van het leven, met de nadruk op werk, deugd en culturele geestelijke vorming; Kultur in plaats van Civilité (1982 I: 42, 48; 1982 II: 328). De omgangsvormen en in het bijzonder de striktere gedragsregulering, zijn een essentieel onderdeel van de machtsverhoudingen, in die zin dat zij op zichzelf een machtsmiddel vormen (1982 II: 325). Voor de hoofse adel werden die omgangsvormen op een gegeven moment zelfs belangrijker dan het streven naar rijkdom (1982 II: 277).

Omgangsvormen veranderen dus afhankelijk van de maatschappelijke omstandigheden. Maar dat niet alleen; in de verschillende door hem beschreven korte termijn veranderingen, ontwaart Elias een proces op lange termijn. De omgangsvormen hebben zich in een bepaalde richting ontwikkeld, onder andere door het ontstaan van het gewelds- en belastingmonopolie en de toegenomen onderlinge afhankelijkheid tussen maatschappelijke lagen. Hierdoor: 'worden voortdurend steeds meer mensen en steeds grotere gebieden van elkaar afhankelijk en wordt de enkeling gedwongen tot een grotere terughoudendheid, een meer precieze regulering van zijn gedrag en zijn affecten, een sterkere driftbinding en - vanaf een bepaald niveau - een meer permanente zelfdwang' (1982 II: 321-322). De hoofse adel bijvoorbeeld werd niet - zoals de krijgsadel in de riddertijd - direct door anderen tot een bepaalde handelingswijze gedwongen, maar was genoodzaakt het handelen van anderen in te schatten, en van te voren na te denken over de eigen handelingen. Het accent kwam daardoor op de innerlijke denkwereld te liggen (1982 II: 283-284). Dit is de essentie van het civilisatieproces: door centralisering van macht en door grotere onderlinge afhankelijkheid en concurrentie, worden omgangsvormen steeds subtieler en verfijnder, en zijn mensen steeds meer op hun eigen denkwereld en interne gedragsregulering aangewezen.

In het civilisatieproces spelen veranderingen in de gevoelshuishouding een belangrijke rol. Om dat te beschrijven, ontleent Elias termen aan Freud, zoals 'driften' en 'super-ego'. Toch distantieert hij zich nadrukkelijk van de psychoanalyse, waarin volgens hem driften als onveranderlijk en op zichzelf staand gegeven worden beschouwd. Volgens hem is niet alleen het super-ego, maar ook de drifthuishouding in mensen altijd al sociaal gevormd (1982 II: 295-296, 339). Maatschappelijke taboes zijn in de drifthuishouding zèlf ingebouwd (1982 I: 270). Elias lijkt, deze nuance ten spijt, toch een betrekkelijk eendimensionale tegenstelling te hanteren tussen lusten en restricties. Over de ridders in de middeleeuwen zegt hij: 'De krijger kon ... veel meer zijn gevoelens en hartstochten de vrije teugel laten, had de mogelijkheid tot wildere vreugdes, tot ongeremder verzadiging aan lust voor vrouwen of ook aan haat, in het vernietigen en kwellen van alles wat vijand was of tot de vijand behoorde'. Des te verder het civilisatieproces voortschrijdt, 'des te meer wordt het sociale bestaan bedreigd van degene die toegeeft aan spontane opwellingen en hartstochten; des te meer is diegene maatschappelijk in het voordeel, die zijn affecten kan beheersen...' (1982 II: 246). Ook zijn mening dat er geen absolute 'primitieve toestand' heeft bestaan, dat het civilisatieproces geen 'nulpunt' heeft (1982 I: 90), kan de eenvoud van de tegenstelling tussen lusten en restricties niet verhullen. Het is bovendien precies die tegenstelling die gedurende het proces zou groeien. Wouters spreekt van een groeiende kloof in de persoonlijkheidsstructuur: tussen driftencentrum en beheersingsapparaat, tussen Id en Ego of Superego' (Wouters 1990: 33). Aan een dergelijke groeiende kloof kan om verschillende redenen worden getwijfeld.

1)Affecten hoeven niet enkel lastige lusten te zijn. We kunnen ons op basis van de emotionele huishouding net zo goed een zeer vredelievend volk voorstellen in de middeleeuwen. Voor zover mensen 'meer animale impulsen en affecten' (Elias 1982 II: 254) hebben, hoeven die niet enkel problemen of conflicten te veroorzaken. Mensen hebben ook affecten die liggen op het vlak van 'rekening houden met anderen' en 'lief zijn voor elkaar'. De 'aanvalslust' van de ridders is dus geen bewijs voor een vrijelijker emotioneel leven.

2)Dat maakt duidelijk dat àls er een tegenstelling zou bestaan, die niet is voorbehouden aan complexe samenlevingen. De kritiek van Dürr (zie Goudsblom 1997: 164) en Giddens (1984: 241-242) is om deze reden niet helemaal ongegrond. Mensen in minder 'geciviliseerde' samenlevingen zijn ook onderworpen aan allerlei restricties in de vorm van interne zelfcontrole. Wellicht is de aanvalslust het resultaat van een 'civilisatieproces' waarbij onder andere mededogen werd verdrongen, en een cultus van geweld ontstond, analoog aan de cultus van cultuur van de Duitse burgerij. Dat de gevoelens bij dit 'civilisatieproces' verschillen van die bij meer recente 'civilisatieprocessen' is waarschijnlijk, maar dat hoeft niet gepaard te gaan met een groeiende tegenstelling tussen een 'driftencentrum' en een 'beheersingsapparaat'.

3) Ook de huidige inzichten over de evolutie van de menselijke soort geven weinig aanleiding tot de gedachte van een groeiende kloof. De periode dat de eerste mensachtigen verschenen wordt steeds verder teruggeschoven, en dat geldt ook voor de uitingen van cognitie en cultuur, zoals taal of het gebruik van vuur en voorwerpen. De termijn is zo lang, dat de emotionele huishouding volledig afgestemd kan zijn op cognitie. Vermoedelijk is dat ook het geval, anders zouden mensen gillend gek worden in de wereld van vandaag. Het is de vraag of een dermate complexe samenleving überhaupt denkbaar is als er een kloof groeit tussen lusten en restricties.

Elias was in 1939 met zijn nuanceringen over de verhouding tussen emotie en cognitie zijn tijd ver vooruit, maar ontkomt in de formulering van het proces niet aan het beeld van een 'kloof'. In de jaren dertig waren nog weinig alternatieve visies voor handen. Tegenwoordig is Elias' nuancering doorgedrongen tot de emotiepsychologie, waarin het idee van een kloof dan ook wordt verworpen. In die theorieën zijn cognities integraal onderdeel van emoties (N. Metaal et al 1994: 98). Wellicht dat de hedendaagse psychologie aanknopingspunten biedt voor een zorgvuldiger formulering van de veranderingen in de gevoelswereld van mensen op lange termijn (vgl Goudsblom 1997: 175).

Dan resteert echter nog het probleem dat Elias' interpretatie van het civilisatieproces, zoals Wouters aangeeft, in belangrijke mate stoelt het groeien van de kloof. De vraag is dan hoe belangrijk dit onderdeel is in zijn theorie. Kan er nog wel van een eenduidig civilisatieproces worden gesproken als de notie van een groeiende kloof tussen driftencentrum en beheersingsapparaat wordt verworpen?

Hoewel deze kwestie zijdelings aan de orde is geweest, spitste de discussie in het Amsterdams Sociologisch Tijdschrift over het civilisatieproces zich toe op een andere kwestie; de vraag of het civilisatieproces voortschrijdt, of dat het van richting is veranderd.

Wouters verwoordt de aanleiding voor de gedachte van een ombuiging: 'Wie de veranderingen tegenwoordig probeert te overzien krijgt al gauw de indruk dat al sinds het einde van de vorige eeuw steeds meer mensen, van verschillende klasse, generatie of sekse, zich informeler ten opzichte van elkaar zijn gaan gedragen' (1990: 28). Volgens Wouters is er sprake van een ombuiging van het proces, in de zin van een verbreding van de alternatieven voor gedrag. Daarentegen ziet hij ook een voortgang van het proces, in de zin van een preciezere regulering van gedrag door zelfdwang; 'het krachtiger, stabieler, gelijkmatiger en meer omvattender worden van het dominante patroon van zelfbeheersing en emotieregulering' (1990: 48). Wouters bevestigt dus de notie van een groeiende kloof, de afstand tussen 'gevoel en verstand' (1990: 34). Net als Elias, nuanceert hij die gedachte, door te zeggen: '..de aard, de intensiteit en het patroon van angsten en lusten hangen echter nooit alleen van die natuur af, maar worden vooral bepaald door de aard en de opbouw van tussenmensenlijke betrekkingen..' (1990: 34). Om dit alles kracht bij te zetten, verwijst hij niet naar recente inzichten in de psychologie of de sociologie, maar eenvoudigweg naar Elias. Dat diens inzichten op psychologisch gebied bijstelling behoeven, wordt onder andere duidelijk uit diens volstrekt mislukte analogie van maatschappelijke ontwikkelingen en de ontwikkeling van kind tot volwassene, die hij notabene een 'sociogenetische grondwet' noemt (Elias 1982 I: 230).

Desondanks maakt 'Van minnen en sterven' duidelijk dat het werk van Elias nog steeds belangrijke aanvullingen kan leveren op de hedendaagse sociologie van ontwikkelingen op lange termijn. Dat blijkt echter pas uit de tekortkomingen.

Wouters toont aan de hand van verschillende kleinschalige onderzoekjes aan dat zich een proces van 'informalisering' heeft voortgedaan in de loop van deze eeuw. Mensen leggen elkaar geen stricte regels meer op. De omgang is in het algemeen intiemer of gemeenzamer geworden. In taal, kleding en muziek is meer variatie toegestaan (1990: 29).

Wouters besteedt de meeste aandacht aan de nieuwe vorm van affectbeheersing die informalisering met zich mee zou brengen en aan de maatschappelijke processen die er aan ten grondslag liggen, het afnemen van machtsverschillen en de emancipatie van maatschappelijke lagen in algemene termen.

Voor zover hij op de omgangsvormen zelf ingaat, laat hij vooral zien hoe mensen er voor zorgen dat zij elkaar geen stricte regels op leggen en hoe zij elkaar ruimte geven. Interessant is de vergelijking tussen etiquetteboeken uit de eerste helft van de twintigste eeuw en manierenboeken uit de jaren tachtig. Zo vindt hij in de nieuwe boekjes allerlei ontsnappingsclausules, zoals 'dat is ieders goed recht' die volgen op een wat te streng geformuleerde regel. Vergelijkbaar zijn nuances als 'zo zullen onze kleinkinderen misschien ook weer om bepaalde gewoonten uit onze tijd lachen'. Ook valt hem op dat de nieuwe auteurs in hun suggesties er voor waken dat degenen die de lezer ontmoet, ook ruimte krijgen: het eigen normen opleggen. Ten slotte valt Wouters ook een egaliseringsproces op: er wordt minder onderscheid gemaakt tussen de seksen (1990: 134-137). Op deze manier laat hij zien hoe omgangsvormen van informaliteit toch weer ingang vinden in 'manieren'-boeken.

Het is echter jammer dat Wouters eigenlijk alleen oog heeft voor die omgangsvormen van informaliteit. In feite bestaan er nog allerlei andere omgangsvormen die achter die informaliteit schuil gaan, zoals je bezoek een drankje aanbieden, buren inlichten over een feest, de manier waarop je een drankje bestelt in een café. Wanneer hij zich daar rekenschap van zou geven, wordt het duidelijker waarom die informaliteit juist zo lastig kan zijn. Ook in het dagelijks leven spreken mensen per ongeluk een voorkeur als een universele regel uit, en dan volgt een relativeringsritueel, met allerlei ontsnappingsclausules.

Wat Wouters nog het meest kan worden aangerekend, is dat hij wat betreft omgangsvormen nauwelijks onderscheid maakt tussen groepen of sociale lagen. De omgangsvormen van informaliteit, zoals ik ze hier heb genoemd, lijken voor alle sociale lagen te gelden. Wel ziet hij een belangrijke rol weggelegd voor 'vertegenwoordigers van stijgende groepen' (1990: 104), die door zich te emanciperen de informaliseringsfase van de jaren zestig en zeventig inluidden, maar het wordt niet goed uitgelegd welke maatschappelijke groepen dat zijn. Het enige dat hij tot in den treure herhaalt is van algemene strekking. Er brak een fase van emancipatie aan en de machtsverschillen namen af, en dat zijn de voorwaarden voor informalisering. Het is jammer dat Wouters weinig meer ingaat op de relatie tussen gedrag en macht, zoals Goudsblom de aanpak van Elias kenmerkt (1997: 136, 149).

Toch maakt Wouters het aannemelijk dat zich zo'n fase van informalisering heeft voorgedaan, dat mensen elkaar minder stricte regels opleggen en dat zij zichzelf en anderen steeds meer als zelf-bevoegd beschouwen. Dat ligt wel degelijk in lijn van het civilisatieproces. Elias interpretatie van de begrippen psychologisering en rationalisering is bijvoorbeeld nog altijd actueel.

Wanneer het concept van de groeiende kloof achterwege wordt gelaten, treedt de gelijkenis met andere sociologische visies van de lange termijn op de voorgrond. Dan denk ik bijvoorbeeld aan het concept 'reflexivity' van Giddens. Ook hij signaleert dat mensen voor het stellen van hun normen en idealen steeds meer op zichzelf zijn aangewezen, en dat dit wordt veroorzaakt door staatsvormingsprocessen en toenemende onderlinge afhankelijkheid, al verwoordt hij dat anders.

Aan het informaliseringsproces zoals Wouters het beschrijft, kleeft hetzelfde manco als aan de theorie van Giddens, namelijk dat de verschillen tussen maatschappelijke groepen naar de achtergrond verdwijnen. De samenleving is echter nog altijd zeer gelaagd en ontwikkelingen in omgangsvormen weerspiegelen nog steeds die machtsverschillen. Een voorbeeld is de opkomst van de professionele middenklasse, die zich in de loop van de twintigste eeuw een steeds belangrijke positie heeft verworven (De Swaan 1989).

Het is juist het verband tussen het gedrag en de macht van sociale lagen die de ontwikkeling op lange termijn belangrijke impulsen geeft, en juist de theorie van Elias kan de inzichten op dat punt verhelderen.

Literatuur

Elias, Norbert, Het civilisatieproces. Sociogenetische en psychogetische onderzoekingen. Utrecht/Antwerpen (Het Spectrum) 1982, 2 dln

Giddens, Anthony, The constitution of society. Cambridge (Polity Press) 1984

Goudsblom, J., Het regime van de tijd. Amsterdam (Meulenhoff) 1997

Metaal, Nico, Jeroen Jansz en Agnetha Fisher, Pyschologie: de stad van zaken. Lisse (Swets & Zeilinger) 1994

Swaan, Abram de, Zorg en de staat. Welzijn, volksgezondheid en onderwijs in Europa en de Verenigde Staten in de nieuwe tijd. Amsterdam (Bert Bakker) 1989

Wouters, Cas, Van minnen en sterven. Omgangsvormen rond seks en dood in de twintigste eeuw. Amsterdam (Bert Bakker) 1990

Urban Sociology
Urban Policy
Housing
Urban Planning
Urbanity
Deep Sociology
Dutch Sources
Big History
Epochs
Realms
Epoch Simulation
Urban Simulation
Bibliography
Top  
Top of page
  Home
Top