Home Stefan Metaal's Urban Sociology Site Home
Urban Field
Research Network
Featured Projects
Definition
Mobility
Glossary
Bibliography
Linked Articles
Stefan Metaal
Projects
CV + Autobio
Publications
Online Articles
  Home
Home

Onontkoombare werkelijkheden

Giddens en Bourdieu in perspectief

Bourdieu's La Distinction en Giddens' The Constitution behoren zonder twijfel tot de meest invloedrijke sociologische werken van het laatste laatste kwart van de twintigste eeuw. In deze boeken worden de theoretische inzichten van deze twee belangrijkste sociologen systematisch en uitvoerig uiteengezet (Ritzer 1992). In dit essay wordt een korte inleiding gegeven van deze theoretische inzichten. Aan de hand van essentiŽle verschillen in de wijze van theoretiseren worden enkele tekortkomingen van de theorieŽn belicht. Ten slotte leiden enkele opmerkingen over de manier van schrijven tot een opmerkelijke conclusie over hun eigen positie in de samenleving.

In de jaren zestig en zeventig belandde de sociologische theorievorming in een impasse. Enerzijds waren er theorieŽn waarin de beperkende werking van instituties en verhoudingen op hoger aggregatieniveau centraal stonden. Wat mensen deden en dachten zou vooral op dat niveau worden bepaald. Anderzijds kwamen er perspectieven op, waarin handelende individuen het voornaamste punt van aandacht vormden. Wat mensen deden en dachten zou vooral bepaald worden in hun onderlinge interacties. Bourdieu en Giddens behoren tot degenen die deze impasse hebben getracht te doorbreken.

Giddens

Volgens Giddens is er in werkelijkheid geen sprake van een dualisme, zoals dat door het optreden van een impasse wordt gesuggereerd, maar van een dualiteit: een 'duality of structure'. De structuren die op het niveau van interacterende individuen ontstaan, zijn onlosmakelijk verbonden met de structuren die op hoger aggregatieniveau ontstaan (1984: xx-xxi, 26-27).

In The constitution zoemt hij uit van het niveau van handelende individuen - 'agency' - tot het niveau van maatschappelijke verhoudingen en instituties - 'systems' met 'structural properties'. Mensen worden niet zomaar geregeerd door de samenleving, zij oriŽnteren zichzelf actief, ze zijn geen speelpop, maar 'knowledgeable and capable actors' (1984: xix, xx). Mensen handelen niet alleen op basis van concreet ervaren gedachten, maar ook vanuit een praktisch bewustzijn, hun 'practical consciousness'. Dat maakt het onder andere mogelijk dat zij zich kunnen oriŽnteren en her-oriŽnteren op andere mensen, 'reflexive monitoring', bijvoorbeeld tijdens ontmoetingen (1984: 3-7). Die ontmoetingen zijn gelocaliseerd (1984: 118-119). Dat wil zeggen: ontmoetingen, situaties van 'co-presence', worden niet geheel en al bepaald door systemen; ze kennen ongeschreven regels die telkens ter plekke geldig worden, zoals de manier waarop mensen tijdens een gesprek van beurt wisselen (1984: 77). Maar omgekeerd hebben die ontmoetingen niet zomaar plaats omdat mensen elkaar toevallig tegen het lijf lopen. Wat mensen doen - werken, leren, recreŽren - heeft plaats in het kader van 'systems' op hoger aggregatieniveau - bedrijven, instellingen, de kapitalistische economie, het statensysteem. Anders dan ontmoetingen, zijn deze systemen als geheel niet gebonden aan bepaalde momenten of plekken; ze strekken zich uit over grote gebieden en lange periodes. Om dat te duiden spreekt Giddens van 'time-space distanciation' (1984: 181).

Ontmoetingen, en in het verlengde daarvan systemen, zijn min of meer tastbaar: ze bestaan in de ruimte-tijd. Maar dat is alleen mogelijk door bepaalde ongeschreven regels en machtsprincipes, die minder tastbaar zijn. Deze 'rules and resources' zijn fundamentele eigenschappen van systemen: het zijn de 'structural properties' van die systemen. Wat een kantoor wordt genoemd, is tastbaar in de zin dat het gaat om gebouwen en dat zich daar mensen in bewegen die met elkaar communiceren (co-presence), maar het heeft ook minder tastbare structurele eigenschappen (mode of absense), zoals de administratieve hierarchie en de daarmee verbonden regels (1984: 17-18, 21-24, 33, 142, 152).

De structurele eigenschappen, hebben in zekere zin een beperkende of dwingende invloed op hun handelen. Maar juist doordat mensen zichzelf in praktische zin oriŽnteren, vormen die structurele eigenschappen ook het vehikel waarmee zij zich uitdrukken, gezamenlijk producten afleveren, of elkaar commanderen. Om die reden zegt Giddens dat de structuren zowel 'constraining' als 'enabling' zijn (1984: 25, 169-174).

Dit alles maakt duidelijk, dat handelingen of systemen nooit op zichzelf staan of onveranderlijk zijn. Ze worden constant geproduceerd en gereproduceerd, en strekken zich uit in tijd en ruimte, waarbij ongeschreven regels en machtsprincipes een fundamentele rol spelen. Dit uitstrekken en reproduceren van systemen in wisselwerking met ongeschreven regels en machtsprincipes, duidt Giddens met het begrip 'structuration' (1984: 25). In meer alledaagse zin verwijst dit begrip naar de manier waarop de relaties in de samenleving tot stand komen en hoe in samenhang daarmee individuele mensen hun doen en laten gestalte geven; hoe met ander woorden het leven en samenleven structuur krijgt.

Bourdieu

Waar Giddens in The constitution het vraagstuk naar de relatie tussen handelende individuen en maatschappelijke structuren of systemen op een abstract-theoretische manier uitwerkt, doet Bourdieu dat in La Distinction aan de hand van een wat concreter onderwerp dat hij uitgebreid heeft onderzocht: smaak.

Het gaat Bourdieu om smaak in de zin van 'goede smaak', 'slechte smaak' of 'ieder zijn smaak', om de manier waarop mensen bijvoorbeeld een kunstwerk, een manier van sportboefening of manier van eten beoordelen, en bovenal de manier waarop mensen zich uitspreken over de smaak van andere mensen. Hij beargumenteert dat smaak niet een op zichzelf staande kwaliteit van mensen is, zoals dat wordt gesuggereerd met woorden als schoonheidsgevoel of kunstzin. Smaak is al evenmin een kwestie van vrije keuze, zoals dat tot uitdrukking wordt gebracht met 'ieder zijn smaak'. Smaak is een uitdrukking van de positie die mensen innemen binnen de maatschappelijke verhoudingen. Maar niet alleen dat: smaak is ook een middel om die positie mee te bestendigen, te verbeteren, of het tegendeel, te verzwakken.

De smaak van een persoon kan worden opgevat als een samenstel praktijken en percepties, of manieren van doen en denken. Mensen beslissen daar in praktische zin zelf over, ze worden niet rechtstreeks in hun doen en laten bepaald door hun positie in termen van klasse. Maar het blijkt dat de praktijken en percepties wŤl in belangrijke mate samenhangen met de postitie van hun ouders en de opleidingen die zij zelf volgen (Bourdieu 1984: 1, 13). Dat komt, omdat mensen door hun achtergrond zich bepaalde min of meer onbewuste neigingen of manieren van beoordeling verwerven: 'disposities'. Een voorbeeld is de estetische dispositie, de mogelijkheid om een voorwerp zoals een schilderij te bekijken puur naar vorm, kleur of compositie, zonder meteen te letten op de functie of het nut ervan (1984: 6). Iemand die opgroeit in een omgeving waar het gebruikelijk is om op die manier naar voorwerpen te kijken, ontwikkelt eerder zo'n dispositie dan mensen met een andere achtergrond.

Mensen ontwikkelen op deze manier ieder een 'habitus', een geheel van disposities. Daarbij gaat het niet alleen maar om hetgeen men direct aanleert, maar vooral om dieper gelegen neigingen die voorafgaan aan betekenisgeving (1984: 170). Vanuit de habitus krijgt het doen en denken op een praktische en onbewuste manier vorm (1984: 465). Om die reden zegt Bourdieu dat de habitus praktijken en percepties 'structureert'. Maar de habitus is op zichzelf al 'gestructureerd' door de omgeving waarin mensen opgroeien (1984: 170). Hieruit volgt logisch dat de manieren van doen en de beoordelingen van een persoon, overeenkomen met die van mensen uit dezelfde klasse, omdat die mensen onder vergelijkbare omstandigheden opgroeien en vergelijkbare disposities ontwikkelen (1984: 173).

Bourdieu verzet zich nadrukkelijk tegen het beeld van een 'maatschappelijke ladder' van klassen. Hij beklaagt zich over het feit dat sociale wetenschappers verschillende eigenschappen van klassen - zoals soorten beroepen, typen opleidingen, verschillende consumptiepatronen en varianten van inkomen en bezit - telkens in een eendimensionaal, hierachisch model proberen samen te brengen. De 'sociale ruimte' van klassen is volgens hem veel complexer (1984: 125). Maar dat betekent nog niet dat er geen patronen in kunnen worden ontwaard.

Om die patronen inzichtelijk te maken, onderscheidt Bourdieu twee variabelen: 'economisch kapitaal' en 'cultureel kapitaal'. De belangrijkste indicator voor het eerste is het inkomen, de belangrijkste voor het tweede het opleidingsniveau. Op basis van deze relatief simpele variabelen, ontstaat een tweedimensionale figuur, die de wezenlijke verschillen tussen klassen verrassend goed blijkt weer te geven - de verschillen in beroepen, opleidingen, consumptiepatronen, inkomen en bezit (1984: 128-129).

De voornaamste verschillen kunnen worden opgetekend door het economische en culturele kapitaal bij elkaar op te tellen. Langs een as van dat totaal kapitaalvolume bevindt zich achtereevolgens een dominante klasse, een middenklasse en een lagere klasse. Binnen die klassen kunnen fracties worden onderscheiden. Die verschillen op basis van de verhouding tussen economisch en cultureel kapitaal. Sommige fracties hebben weinig cultureel kapitaal, maar veel economisch kapitaal: industriŽlen, commerciŽle werkgevers, ondernemers; andere fracties beschikken naar verhouding juist over veel cultureel kapitaal: docenten, onderwijzers, journalisten, kunstenaars (1984: 115-123).

De verschillen tussen klassen en fracties illustreert Bourdieu aan de hand van smaak. Smaak is gebonden aan de levensomstandigheden in termen van noodzaak tot luxe, en aan de verhouding tussen de kapitaalvormen. Boeren en arbeiders ontwikkelen in zekere zin een smaak voor hetgeen waar zij toe veroordeeld zijn, zoals veel en vet eten (1984: 178). Degenen met meer economisch kapitaal - ondernemers, werkgevers - kunnen zich van de lagere klassen onderscheiden met luxe, zoals als kaviaar en champagne. Dat geldt niet voor degenen die naar verhouding over weinig economisch kapitaal beschikken. Docenten of kunstenaars onwikkelen een smaak voor die dingen die hen maximale 'distinctie' verlenen onder minimale kosten, zoals exotisch eten (1984: 219). In het algemeen ontwikkelen degenen die er in termen van economisch Ťn cultureel kapitaal het best voorstaan, ook de meest dominante of voorbeeldige smaak. De middenklassen trachten de voorkeuren van de dominante klassenfracties te immiteren. Maar dat lukt ze nooit echt goed, het blijft altijd geforceerd, pedant of pretentieus. De dominante klasse, en vooral het dominante deel ervan, onderscheidt zich daar weer van met een schijnbaar gemakkelijke en ongedwongene smaak, met gevoel voor bescheidenheid en understatement (1984: 249).

Zo schetst Bourdieu een beeld van een competitieve strijd, waarin mensen steeds op zoek zijn naar nieuwe middelen om zich van anderen te onderscheiden, en waarin anderen daar weer op reageren (1984: 157). In die zin kan er nog steeds gesproken worden van een 'klassenstrijd' (1984: 165). Deze pogingen om zich te onderscheiden in gedrag en voorkeuren omschrijft hij als 'distinctie'. Maar dat moet niet verkeerd worden opgevat, mensen hoeven niet bewust op dat onderscheid aan te stevenen (1984: 246). Het is een effect van de sociale verhoudingen dat doorwerkt via de habitus. Het gaat om een symbolische strijd waarbij mensen zich tekenen van distinctie toe-eigenen, maar die symbolische strijd komt zelden aan het licht (1984: 250). Er zijn allerlei effecten van vermomming of verberging, zoals de gedachte dat 'smaak' een op zichzelf staande kwaliteit is.

Contrasten

Voor zover ik het kan overzien, zijn Giddens en Bourdieu er beide in geslaagd de oude impasse te doorbreken. De theorieŽn zijn intern consistent; ik heb geen in het oog springende tegenstrijdigheden kunnen ontdekken. WŤl komen enkele eigenaardigheden aan het licht door The constitution en La Distinction met elkaar te vergelijken.

Giddens gaat uitvoerig in op de impasse zoals die hierboven is geschetst. Hij neemt de theorieŽn die er aan ten grondslag lagen als uitgangspunt, en laat ze grotendeels in tact en tracht ze tot op zekere hoogte te integreren. Zo ontleent hij rechtstreeks concepten aan onder andere Goffman, Garfinkel, Foucault en Parsons. Aan een dergelijk eclecticisme kleven volgens hem geen bezwaren (Giddens 1984: xxii).

Boudieu gaat in dit opzicht heel anders te werk. Hij laat de oude discussie in de sociologie grotendeels voor wat die was, ofschoon hij wel wijst op het bestaan van een kloof tussen 'subjectivistische' en 'objectivistische' theorieŽn. In tegenstelling tot Giddens lijkt hij die theorieŽn eerder naast zich neer te leggen en met een schone lei te willen beginnen. Een uitspraak als 'The aim is not, of course, to reintroduce any form of what is called lived experience, which is most often merely a thinly disguised projection of the researchers lived experience' kan van die houding getuigen (Bourdieu 1984: 100).

Beide manieren van werken hebben tekortkomingen. Giddens lijkt zich zodanig te hebben gebonden aan een integratieve werkwijze, dat sommige elementen van zijn structuratietheorie wat geforceerd overkomen. Dat geldt bijvoorbeeld voor het onderscheid tussen 'systems' en 'structure'. De fenomenolische conceptie van kennisvoorraad, en Foucaults abstracte conceptie van macht, zijn moeilijk te rijmen met de veel tastbaarder concepten van ontmoetingen en sociale systemen van Goffman en Parsons. Mogelijk heeft dat geleid tot het merkwaardige onderscheid tussen een 'mode of absense' en een 'mode of presence' dat ten grondslag ligt aan het verschil tussen structuur en systeem. Dat zo'n onderscheid wat kunstmatig is, blijkt uit de theorie van Bourdieu, waarin alles even aanwezig of afwezig is.

De werkwijze van Bourdieu kan vanwege het omgekeerde worden bekritiseerd. Nadat hij zich van andermans theoretische dwalingen heeft ontdaan, bouwt hij voort aan zijn eigen theorie, die daardoor nogal rigide en stellig wordt geponeerd. De symbolische strijd (slot hoofdstuk 4) lijkt bijvoorbeeld zo onoverkomelijk, dat er geen ruimte over blijft voor andere sociale processen. De voetnoten laten zich eerder lezen als intellectuele scherpzinnigheden dan als serieuze verwijzingen of kritische kanttekeningen. La Distinction zou zeker minder pedant of pretentieus overkomen, als hij theorieŽn van anderen serieuzer en genuanceerder behandelt, en zijn eigen conclusies nuanceert aan de hand van anderssoortige inzichten.

stelling 1: Giddens' structuratietheorie is door zijn consequente eclecticisme weliswaar niet intern tegenstrijdig, maar nodeloos ingewikkeld.

stelling 2: Bourdieu's distinctietheorie is door het zorgvuldig ontwijken van andere theorieŽn weliswaar een duidelijke eenheid, maar mist de aanknopingspunten voor een algemene sociologie over andere onderwerpen dan klasse en distinctie.

Ontoegankelijk

Twee andere stellingen ontleen ik aan aan de ingewikkelde stijl waarin de beide auteurs schrijven.

La Distinction is aanvankelijk lastig te lezen. De zinnen zijn lang, met veel bijzinnen en bijzinnen in bijzinnen. Bovendien gebruikt hij veel niet-alledaagse begrippen. Bourdieu verdedigt dat door er op te wijzen de sociale werkelijkheid nu eenmaal ingewikkeld is, en dan moet men zich van een taal bedienen waarin verschillende aspecten in perspectief kunnen worden geplaatst. Daarom is zijn werk volgens eigen zeggen sterk intellectualistisch: Latijn, filosofisch, literatair, wetenschappelijk. Hij bedient zich van zoveel stijlen om dingen te zeggen die anders in een van die talen wordt uitgesloten (xiii).

Daarbij komt dat hij ook nogal de neiging heeft tot een woordenspel: taste classifies and it classifies the classifier, structurende structuren en gestructureerde structuren.

Bovendien worden begrippen als habitus of cultureel kapitaal nergens op een overzichtelijke manier omschreven, maar altijd toegepast in een intellectuele anekdote of woordenspel. De beschrijvende gedeeltes zijn altijd intellectualistisch anekdotisch en illustratief, de conluderende gedeeltes altijd raadselachtig puzzelig en bijzonder stellend.

Dat is natuurlijk allemaal niet nodig, maar na enige oefening blijken de zinnen in ieder geval mooi te lopen en blijkt het betoog mooi te zijn opgebouwd. Maar vanwaar die sierlijke intellectualistische stijl?

Om te beginnen kan worden opgemerkt dat hij met het ingewikkelde taalgebruik dezelfde barriŤres opwerpt als in de literatuurwereld, de filosofie of de wetenschap. Mensen moeten beschikken over veld-specifieke competenties om dat te lezen. Zijn argument dat hij zo eclectisch is in zijn stijl omdat hij anders stuit op de beperkingen van ťťn stijl, is een schijnargument. Hij heft de barriŤres niet op, maar stapelt ze op.

Maar hij doet dat op een wat onorthodoxe manier. Hij heeft zich een positie verworven in een veld waarin het taalgebruik niet helemaal vastligt. Daarom zoekt hij naar onderscheidende stijlen, die hij aan de hogere intellectuele regionen ontleent, zonder werkelijk in die werelden te verkeren. Bourdieu blijkt zelf dus geenszins te kunnen ontsnappen aan de door heb zo cynisch beschreven sociale dwang tot distinctie.

Stelling 3: Bourdieu bevestigt met zijn taalgebruik de schaduwzijde van de sociale wereld die hij beschrijft.

Ook Giddens schrijft bijzonder ingewikkeld. De zinnen zijn kort en grammaticaal toegankelijk, maar daar is dan ook alles mee gezegd. Hij zaait voortdurend verwarring met zijn begrippenapparaat. Behalve een aanhoudende stroom neologismen, valt vooral het oneigenlijke en misleidende gebruik van bestaande begrippen op. De sociologisch geschoolde lezer wordt voortdurend op het verkeerde been gezet. Zijn 'stratification model' heeft niets te maken met maatschappelijke lagen, maar verwijst naar het onderscheid tussen het onbewuste en het discursieve en praktische bewustzijn (1984: 3-4). 'Structure' verwijst niet naar maatschappelijke verhoudingen of organisaties, maar naar ongeschreven regels en principes van macht, waarbij bovendien het meervoud 'structures' nog iets anders betekenent. (1984: 185-186) 'Time-space distanciation' verwijst niet naar de oerknal, maar naar het gegeven dat instituties en samenlevingen relatief duurzaam zijn en zich over grote gebieden uitstrekken (1984: 181). Met het begrip 'time-space edges' wil hij aangeven dat instituties of samenlevingen juist gťťn harde grenzen of randen hebben, maar in elkaar overlopen en elkaar beÔnvloeden (1984: 164).

Het meest verwarrende is nog wel dat Giddens zijn neologismen niet omschrijft aan de hand van gangbare of alledaagse begrippen, maar definieert aan de hand van zijn andere neologismen. Bijzonder hinderlijk is ook dat hij nauwelijks voorbeelden geeft van concrete sociale verschijnselen waar die begrippen op slaan.

Hij maakt zelf eigenlijk nauwelijks gebruik van de 'double hermeneutic'; het gegeven dat alle verhalen die de socioloog vertelt, verwant zijn aan verhalen die in de samenleving rondgaan, en dat ze nooit onafhankelijk zijn van elkaar. Hij creŽert zo een eigen wereld, die geheel is ontstegen aan de alledaagse betekenisgeving van mensen en niets meer gemeen heeft met de verhalen die zij aan elkaar vertellen. Om hem te volgen, moet alle bestaande kennis over boord worden gegooid en moet de lezer zich zijn begrippenapparaat toe-eigenen. Dat is precies waar hij de geprofessionaliseerde, kapitalistische samenleving impliciet van beschuldigt: deskilling en fetisjisme (1984: 189-193).

Stelling 4: Giddens bevestigt met zijn taalgebruik de schaduwzijde van de sociale wereld die hij beschrijft.

Urban Sociology
Urban Policy
Housing
Urban Planning
Urbanity
Deep Sociology
Dutch Sources
Big History
Epochs
Realms
Epoch Simulation
Urban Simulation
Bibliography
Top  
Top of page
  Home
Top