De historie van het Landmachtonderdeel Aan en AfvoerTroepen.

Wanneer Nederland in 1914 bij het begin van de 1e wereldoorlog een algemene mobilisatie instelt , wordt het duidelijk dat het leger een grote behoefte heeft aan modern transportmateriaal. Immers , tijdens een mobilisatie is het zaak om zo snel mogelijk een compleet leger met al zijn materiaal en voorraden op de plaats van bestemming te brengen.

Het eerste begin van de latere A.A.T. is het Etappen - en Verplegingsbataljon. Voor transportdoeleinden worden vrachtwagens gevorderd en voor Fl. 3,- per dag worden de benodigde chauffeurs ingehuurd. Vanaf 1915 worden dienstplichtigen hiervoor opgeleid bij de Depotafdeling van de zgn. Autotreindienst.

Na de 1e wereldoorlog wordt een en ander beter georganiseerd en ontstaat het Korps Motordienst. Dit Korps wordt gevestigd in de Ripperda - kazerne te Haarlem , dezelfde kazerne waar in 1946 de 14e cie A.A.T. zijn rijopleiding zal krijgen.

de Ripperda kazerne in Haarlem

Tijdens de mobilisatie van 1939 is de Motordienst inmiddels uitgegroeid tot een volwaardig onderdeel van het Nederlandse leger.

Na de 2e wereldoorlog wordt de Motordienst als onderdeel van de landmacht opgeheven en komt er een zelfstandig transportonderdeel voor in de plaats. Op 1 oktober 1947 wordt het Regiment Aan - en Afvoertroepen opgericht.

Tot zover de historie van de A.A.T. tot hun uitzending naar Indie. Het regiment bestaat nog tot op de dag van vandaag , vanaf 2000 echter onder de naam Dienstvak Bevoorrading en Transport.

Het doel van de A.A.T. was en is nog steeds :

Het vervoeren van personeel en goederen ter land , ter zee en in de lucht op de juiste plaats en tijd.

Een vrij complexe opdracht , vandaar de lijfspreuk van de A.A.T. :

Nil nobis absurdum ( niets is ons te dol )

het A.A.T. mouw enbleem , een gevleugeld wiel.