De nageblevenen
Nu Zij dood zijn
en met vergaan gelaat gekuild ,
waar niemand ooit hun stem meer hoort .
Is 't mij of ik zelf hen had vermoord ,
en haat ik mij met redeloze haat .
Zij waren nog van 't leven onverzaad ,
en ik , ik had hen niet verhoord .
Nu zijn zij dood en ik leef verder ongestoord .
En lach tot iedere nieuwe kameraad .
Vloek mij , trouweloze die geen trouw kon schenken
aan hen . Eenzaam nu waart er ongebroken
hun ziel , langs wegen waar
wij samen reden .
Ik kan niet slapen , omdat ik moet denken
hoe jong hun lachende ogen zijn gebroken .
Die altijd keken of zij vrienden zagen .
Naar een gedicht van