De weg terug

Ja , als ik 's nachts aan boord niet kan slapen
En ik wat langs de reling sta
dan denk ik aan dat wonderlijke leven
dat ik voorgoed verlaten ga .

Zo gek als ik wel gedacht moet hebben
zat mij 't soldatenkloffie niet
maar liever is mij toch het burgerpakje
dat trek ik aan zonder verdriet .

Het waren lange , warme jaren
ver over zee , van huis en haard
brieven van thuis en van het meisje
heb ik trouw allemaal bewaard .

De jongens mochten mij er wel mee plagen
toch waren het vrienden in de nood
je hing als klitten aan elkaar gebonden
geen vriendschap was er ooit zo groot .

Ik zie 't moment al aan de ka voor ogen
muziek en vlaggen bij de vleet
terwijl je toch in al die drukke deining
al wat je lief hebt , wachten weet .

Je wilt niet , maar toch kun je het niet helpen
je krijgt die brok toch in je keel
je lacht misschien een tikkeltje verlegen
je zoent je meisje lang en veel .

Je moeder snuift wat in haar kleine zakdoek
je vader knijpt je poot haast fijn
en als je zusters ook nog staan te lachen
dan weet je zeker thuis te zijn .

Ja , als ik 's nachts aan boord soms niet kan slapen
en ik wat in de verte staar
dan denk ik aan m'n eigen kleine landje
waarheen ik op dit schip weer vaar .

GREUTER

1E JRG NR 5 , 22 OKT 1948