Artikel 12

karper

karper, ook schubkarper of boerenkarper, de algemene zoetwatervis Cyprinus carpio uit de familie Karpers.

Hij is gekenmerkt door o.a. vier voeldraden bij de bek, een lange rugvin met ca. 25 vinstralen en een geelbruine kleur. De karper wordt 75Ė120 cm lang en voedt zich met plankton, kleine bodemorganismen (wormen, muggenlarven, enz.) en planten. De wijfjes bereiken meestal geslachtsrijpheid na vier jaar, de mannetjes na drie jaar. De paaitijd (zie paaien) valt in meiĖjuni.

De karper is afkomstig uit Centraal-AziŽ. De vis heeft zich op natuurlijke wijze vanuit China naar het westen tot aan de Donau verspreid. De Romeinen kweekten reeds karpers en betrokken hun broedparen uit de Donau. Sinds de middeleeuwen is de karper door monniken gekweekt als voedsel tijdens de vasten. Zij hebben de vis in de rest van Europa geÔntroduceerd. Tegenwoordig is de karper geÔntroduceerd in vele gematigde gebieden over de gehele wereld. In Nederland en BelgiŽ wordt de karper massaal gekweekt en jaarlijks uitgezet ten behoeve van de hengelsport. Behalve de gewone karper worden nog een aantal variŽteiten gekweekt en uitgezet: spiegelkarper, met onregelmatig verspreide schubben van ongelijke grootte; edelkarper, met regelmatig geplaatste schubben; lederkarper, bijna zonder schubben, ook wel naaktkarper genoemd; rijenkarper, met ťťn enkele rij grote schubben op de zijlijn en enkele kleine schubben verspreid op de rug. De wettelijke minimummaat voor het vissen met de hengel is in Nederland 35 cm, een lengte die de vis na ca. vier jaar bereikt; in BelgiŽ 25 cm (na twee ŗ drie jaar).

De karper ontwikkelt zich soms tot een plaag voor het ecosysteem in de gebieden waar hij is uitgezet. Door zijn neiging tot omwoelen van de bodem, neemt de helderheid van het water af. Daarnaast ontwortelt en vernietigt hij een belangrijk deel van de in het water levende planten, waardoor de schuilgelegenheid van andere waterdieren afneemt. In 2001 werd de karper door de IUCN uitgeroepen tot een van de 100 soorten die het meest schadelijk bleken te zijn voor de biodiversiteit in andere ecosystemen.

karperteelt

INLEIDING

karperteelt, de teelt van karpers. Waarschijnlijk werden reeds door de Grieken en Romeinen karpers als consumptievis in vijvers geteeld. In de Nederlanden werd de karper aan het eind van de 14de eeuw ingevoerd door monniken, als voedsel voor vastendagen. Het ontstaan van de Europese karperteelt in zijn huidige vorm wordt aan de 16de-eeuwse bisschop Dubravius van Bohemen toegeschreven. Tot aan de 18de eeuw maakte deze teelt een grote bloei door, m.n. in Midden-Europa. Tijdens de Dertigjarige Oorlog verloor deze vorm van visteelt zijn betekenis.

Eerst vanaf het midden van de vorige eeuw vond een hernieuwde opbloei van de vijverteelt plaats, gepaard gaande met een doelgerichte intensivering ervan. Zo wordt vijverbemesting toegepast, teneinde de planktonproductie, en daarmee het voedselaanbod voor de karper, te verhogen; aanvankelijk geschiedde dit met natuurlijke mest en later met kunstmest. Bij bemesting met natuurlijke mest kon de geassocieerde karperteelt ontstaan (vooral voorkomend in Zuidoost-AziŽ), waarbij bijv. de uitwerpselen van eenden van een eendenmesterij als bemesting dienen. Men gebruikt ook wel mest van varkens of andere landbouwhuisdieren, alsmede humane mest (een probleem hierbij is de overdracht van ziekten). Voorts wordt bijvoedering toegepast met granen, lupine, slachtafval e.d., en gedurende de laatste jaren Ė m.n. in geÔndustrialiseerde landen Ė complete korrelvoeders.

1. KWEEKPROCES

 Het telen van karper begint met het winnen van karperbroed, waarbij men enige teeltdieren laat afpaaien in een speciaal daartoe geconstrueerde vijver, waarvan de bodem voorzien is van een grasmat (Dubisch-vijver), waarop de eieren worden afgezet. Bij het Kakaban-systeem in IndonesiŽ en in andere delen van Zuidoost-AziŽ worden de eieren afgezet tegen in de vijvers aangebrachte drijvende plantendelen. Zodra het broed is uitgekomen, wordt dit naar grotere groeivijvers overgebracht.

De vermeerdering van de karper komt in vele gevallen via geÔnduceerde voortplanting tot stand (zie ook visteelt). Deze vermeerderingstechnieken vinden in speciale daartoe ingerichte Ďbroedhuizení plaats, waarbij optimale omstandigheden voor het houden van ouderdieren, het uitbroeden van de eieren, en het opkweken van het jonge broed kunnen worden gerealiseerd. De grootste karperproducerende centra zijn gelegen in China en in Zuidoost-AziŽ. Naast de gewone karper (Cyprinus carpio) wordt daar een aantal Chinese en Indiase karpersoorten gekweekt.

Bij toepassing van vijverbemesting en bijvoedering zijn in ons gematigd klimaat opbrengsten van ťťn tot enkele tonnen per ha op jaarbasis als maximaal te beschouwen. In een warmer klimaat (IsraŽl, India) kunnen deze stijgen tot 10Ė15 ton/ha.

Sinds het begin van de jaren zeventig wordt in Nederland met succes karper gekweekt in drijvende kor en in het koelwateruitstroomkanaal van elektriciteitscentrales. Deze uiterst intensieve vorm van viscultuur maakt gebruik van een compleet korrelvoeder.