Dressuur

Dressuur, oplossingen?

Om te beginnen zijn er meerdere vormen van dressuur.

Je hebt stekdressuur, aasdressuur, vissen die nerveus worden van strakke lijnen, en de combinaties van deze.

Dressuur staat of valt ook voor een deel met de al dan niet constante hengeldruk. In perioden van zware hengeldruk is de vis ongetwijfeld veel alerter en minder geneigd fouten te maken. Diezelfde vissen zullen wel fouten maken wanneer die hengeldruk in een later stadium afneemt. Karpers hebben geen harde schijf waarop ze voorafgaande belevenissen kunnen opslaan, analyseren en conclusies trekken.

Ze vertonen wel instinctief gedrag en kunnen onaangename voorvallen associŽren met gevaar. Het overleven van dieren is gebaseerd op instinct. Strakke lijnen het bekende pijl uit een boog-effect veroorzaakt. Idem dito met felle indringende bijvoorbeeld is iets wat een vis voelt. Elke dril gaat gepaard met dat schuren van de lijn langsheen het vissenlijf. Vandaar dat elke aanraking met diezelfde strakke lijn geuren die hem onaangename verrassingen hebben opgelevert. Niet omdat de vis dit kan beredeneren maar omdat zowel de reukzin als de hierboven aangehaalde tastzin behoren tot de zintuigen en hierop wordt (ook door mensen trouwens) instinctief gereageerd. De herkenning van die reukzin kan zowel in je voordeel als in je nadeel werken. Hoe sterker de karper deze geur kan waarnemer hoe heviger zijn reactie zal zijn.  

Wat is de beste manier om een vis aan je haak te krijgen? Hem vertrouwen geven. Vertrouwen dat je aas veilig is. Vertrouwen dat de omgeving waar hij dat aas tot zich neemt veilig is. Pas als hieraan is voldaan maak je kans dat hij je aas zal pakken. Hoe doe je dat? Door de vis met dat aas vertrouwd te maken, dus door te voeren. Door dat aas aan te bieden op plaatsen waar de vis niet of nauwelijks belaagd werd of wordt (voor zover deze nog bestaan op onze dressuurwateren).

Dressuur is er de oorzaak van dat vissen aas gaan nemen waar ze onder normale omstandigheden (zonder vissers) nooit of nauwelijks zouden azen. Ik denk hierbij aan de extreme diepten op Cassien waar vissen tot 25 meter diep worden gevangen. Op zoín diepte komt er normaal gesproken geen natuurlijk voedsel voor. De vissen nemen enkel en alleen het aas daar omdat ze er in het verleden nooit negatieve ervaringen hebben opgelopen. Naarmate ze daar meer worden gevangen zal ook dit fenomeen afnemen.

Je kan een voor dat water nieuw of relatief nieuw aas introduceren. Iets waar de vissen geen of minder nare ervaringen hebben mee opgelopen. Je kan afwijkende voertechnieken hanteren. Niet alles op vijf vierkante meter keilen maar verspreid over de helft van het water. Je kan het aas afwijkende vormen geven etc. de mogelijkheden zijn legio en een creatieve geest kan er zijn voordeel mee doen.

Er zijn natuurlijk ook nog de rigs al is dat het laatste waar ik zelf aan sleutel. Ik bedien me liever van de eerder aangehaalde strategieŽn omdat ze volgens mij effectiever zijn.

Conclusie: de beste manier om dressuur te omzeilen is de vissen vertrouwen geven.

Vissen zullen na een tijdje ook een aversie ontwikkelen voor grote voerstekken. Op veel plaatsen was de standaard procedure een beetje als volgt: men zette een marker uit, dumpte een grote hoeveelheid voer, beaasde hengels erbij en vangen maar. Deze methode brengt de dag van vandaag nog zelden het verhoopte resultaat op. De vissen hebben geleerd dat dit soort situaties veelal gepaard gaan met gevaar. Het andere uiterste is: een haakaas met daarrond een tiental free- offerings, zonder voorafgaande voercampagne. Ook dit is een methode die voor veel vissen een negatieve ervaring oproept. Want iedere keer dat hij zijn kop naar beneden doet om te azen heeft hij prijs. Ook strakke lijnen kunnen een schrikeffect teweeg brengen

Hoe kan men er nu voor zorgen dat de vissen bepaalde situaties niet met gevaar gaan associŽren?. Doe het tegengestelde van hetgeen de overgrote meerderheid doet. Vis met een afwijkende aassoort dan diegene waar er veel meegevist wordt. Indien de mogelijkheid zich voordoet, voer verschillende stekken aan. De hoeveelheid is hier van minder belang, het is beter op 3 stekken 2 kg te voeren dan op een stek 6 kg. Deze aanpak heeft nog een bijkomend voordeel dat men niet moet gaan panikeren als er toevallig iemand op je stek zit, je kan gewoon een andere nemen. De vissen zullen ook vaker je aas tegen komen zonder gehaakt te worden, wat dus veel minder vlug zal leiden tot aasdressuur. Ook het aas veel beter verspreiden kan extra voordeel opleveren.

De vorm van je aas aanpassen kan ook een oplossing zijn om de dressuur te doorbreken. Maak eens meer gebruik van verschillende diameters van boilies, ook de vorm zelf kan soms de oplossing zijn. Maak eens blokjes i.p.v. de gebruikelijke ronde vormen of cilinders, als het maar afwijkend is

 

Dressuur

De vangbaarheid van karpers met de hengel blijkt aanzienlijk te verminderen als ze reeds eerder aan de haak zijn geweest. Kennelijk leren karpers, na een eerdere ervaring met de haak, een beaasde hengelhaak te vermijden. Dit verschijnsel is bij sportvissers bekend als ‘dressuur’. Dit artikel gaat nader in op het verschijnsel dressuur en bespreekt de beschikbare gegevens over dressuur bij snoeken.

Het woord ‘dressuur’ heeft in het dagelijks taalgebruik een andere betekenis dan de betekenis die sportvissers aan dit woord toekennen. Het Woordenboek van de Nederlandse taal, de Van Dale, omschrijft dressuur op twee manieren:

Africhting; methode van africhting
Afgericht-zijn; gehoorzaamheid aan berijder.

Beide betekenissen zijn sterk gekoppeld aan de paardensport, waarbij de berijder de bewegingen van het paard voor een belangrijk deel onder controle heeft. Het paard heeft leren reageren op de commando’s die de berijder geeft. Het repertoire van reacties van het paard is uitgebreid. Tussen berijder en paard is een directe interactie, waarbij het paard heeft geleerd om op uiteenlopende manier te reageren op een reeks van aanwijzingen van de berijder.

Een dergelijk direct contact bestaat niet tussen een vis en de hengelaar. Ook is het reactierepertoire van vissen op prikkels in hun omgeving minder uitgebreid dan bij een paard. Het contact tussen sportvisser en vis vindt plaats via de beaasde hengelhaak. Hierbij kan worden vastgesteld dat vissen na een ervaring met die haak deze weten te herkennen. De herkenning leidt vaak tot het vermijden van die haak, waarbij de vis zelf uitmaakt hoe die haak wordt vermeden. Kortom, een vis is geen paard en de sportvisser is geen Anky van Grunsven. Bij de sportvisserij is eigenlijk sprake van het dresseren van sportvissers. Zij moeten leren inspelen op de reacties die vissen vertonen op het aanbieden van een beaasde hengelhaak.

Vissen kunnen leren De afgelopen dertig jaar heeft de OVB hengelproeven uitgevoerd op het OVB-Proefbedrijf in Beesd . Deze experimenten hebben laten zien, dat karpers die niet eerder aan de haak zijn geslagen, een grotere kans hebben om te worden gevangen, dan karpers die reeds eerder door hengelaars zijn gehaakt. De kans de karper te vangen is reeds na één haakervaring verkleind. Dit fenomeen, in de wetenschappelijke literatuur ‘one-trial-learning’ genoemd, is ook beschreven voor karpers die eenmaal in een zegennet waren gevangen. Uit de vijverproeven blijkt, dat gehaakte karpers gedurende de proefperiode van twee tot drie maanden minder vangbaar bleven dan niet eerder gehaakte exemplaren. In een praktijkexperiment in de Kleine Wielen bleek echter dat karpers die daarvóór op een vijver haakervaring hadden opgedaan, even vangbaar waren als de niet eerder gehaakte exemplaren.

Is dressuur te doorbreken? Het vangen van vissen is een interactie tussen mensen en vissen, waarbij de hengel als instrument wordt gebruikt. Om een vis te vangen, moet de hengelaar zich inleven in het gedrag van die vis. Daarop moet hij inspelen met de manier waarop hij deze aan de haak probeert te slaan. Zoals uit het bovenstaande blijkt, kunnen karpers wennen aan en leren van bepaalde gebeurtenissen in hun omgeving. Wanneer die gebeurtenissen sterk variabel zijn, dan leert de karper hierin geen patroon te herkennen. Daarom varieert een goede snoekvisser de manier waarop hij de snoek probeert te verschalken en kan daardoor zonder twijfel de ‘dressuur’ op de hengelhaak doorbreken.
Behalve de kundigheid van de sportvisser en het type aas dat hij de snoek aanbiedt, zullen ook de voedselomstandigheden in het water een rol spelen bij de vangbaarheid. Zo bleek bijvoorbeeld uit proeven van Tinbergen en zijn medewerkers dat uitgehongerde snoeken in plaats van stekelbaarzen te vermijden, deze leerden te eten . Ook bleek uit veldexperimenten dat grote snoeken, hoewel er veel geschikte kleine prooivissen waren, de voorkeur gaven aan het eten van stekelbaarzen. Kennelijk was de grootte van de stekelbaarzen optimaler dan de grootte van de andere prooivissen.
De invloed van de beschikbaarheid van voldoende voedsel op de hengelvangst, is bij snoeken niet onderzocht. Dergelijke proeven zijn wel uitgevoerd met snoekbaarzen en karpers. Uit die experimenten bleek dat de vangst positief werd beïnvloed, als de vissen weinig of geen voedsel tot hun beschikking hadden. Dit effect is ook bij snoeken te verwachten.

Drs. A.J.P. Raat (hoofd van de afdeling Onderzoek van de OVB)