|
De
hedendaagse karper of beter gezegd de kweekkarper heeft er een paar eeuwen over
gedaan om van zijn oorsprong, zijnde de wilde karper, te evolueren naar de
huidige vorm. De wilde karper, een lange slanke vis met een rechte rug die
eigenlijk gedeeltelijk tot de carnivoren (vleeseters) behoorde leefde in de
grote rivieren van Oost-Europa. Door zijn relatief korte darmkanaal was de vis
aangewezen op eiwitrijk voedsel zoals mosseltjes, kreeftjes en slakjes. Toen hij
werd overgebracht naar de rest van Europa onderging hij onder invloed van de
mens een aantal ingrijpende veranderingen. Het waren in die tijd vooral de
monniken in de kloosters die de kennis en de wetenschap bezaten om planten en
dieren te "veredelen".
Vis was in die dagen een belangrijk deel van hun voedsel. Bij verdere kweek
trachtten zij door selectie en kruisingen een vis te bekomen met volgende
kenmerken : snelle groei, alleseter en zwaarder in gewicht. Vooral dit laatste
was nodig om het kweekprogramma te doen slagen. Omdat hun vissen dan in de
beperkte ruimte van hun kweekvijvers door bijvoederen van granen en zaden snel
zouden uitgroeien tot vissen die voor consumptie geschikt waren. De resultaten
van die kweekprogramma's zijn heden ten dage nog steeds aanwezig onder de vorm
van verschillende karperrassen.
In
Duitsland heeft men een kweekvorm die bijna even lang als hoog is ontwikkeld
(pankarper). Dit in tegenstelling tot Nederland waar records nog steeds in cm
tellen. Er is door de OVB jarenlang een kweekprogramma doorgevoerd waarin er
terug kruisingen gebeurden met de wilde karper. Zo ontstonden er de zogeheten
kwartwildbroedhybride. Deze vissen zouden beter bestand zijn tegen een aantal
ziekten. Ze bleken wel moeilijker vangbaar te zijn. Maar het grootste nadeel en
eveneens voor ons Belgen is dat ze nu na al die jaren beschikken over een
uitgebreid bestand aan lange slanke schubkarpers die niet de potentie hebben om
echt uit te groeien tot de hele zware "beren" zoals bij ons en in
Frankrijk. En aangezien zij ook wel eens hele grote karpers willen vangen
trekken ze dan ook veelvuldig de grenzen over om hun dromen werkelijkheid doen
te worden. Door al die kweekprogramma's veranderde uiteraard ook het uiterlijk
van de karper. Vooral de vorm is sterk veranderd. Van vissen met een kaarsrechte
rug evolueerde het tot hoogrugige karpers met een kromme rug. Het darmkanaal is
eveneens veel langer geworden, waardoor ze in staat geworden zijn om een
uitgebreider dieet te verteren. Zelfs planten en wieren komen nu op hun menu
voor. Ook het schubbenpatroon veranderde drastisch. De schubkarper gelijkt in
dit opzicht nog het meest op zijn wilde voorouder, al zijn de schubben wel een
stuk groter. De uiterst zeldzame lederkarper daarentegen heeft haast geen
schubben meer. Door zijn huid- en weefselkleur is het een bijzonder fraaie en
felbegeerde vis. Daar tussenin liggen nog twee tussenvormen zijnde de spiegel-
en rijenkarper. De spiegel heeft naast kleine ook uitzonderlijke grote verspreid
staande schubben over het ganse lichaam. Een rijenkarper daarentegen heeft aan
beide kanten en over de ganse lengte één of twee rijen schubben. Het mooiste
is natuurlijk wanneer die symmetrisch aan beide kanten gelijk en ononderbroken
zijn. Jammerlijk genoeg is dit slechts zelden het geval. Wanneer je een van deze
vormen ziet gaat het in de meeste gevallen om kweekkarper.
Anders
is het gesteld op de vele ondiepere putjes en vijvers die ons land rijk is. Een
karper plant zich normaal heel gemakkelijk voort.
Bij de wilde karper kan het kuit 10 tot 20% van het lichaamsgewicht bedragen,
bij de kweekkarper is dat 30%. De miljoenen eitjes die afgezet worden zullen
steeds voor een overpopulatie zorgen. Maar niet in onze diepere meren en
kanalen, hier is het water niet snel genoeg op temperatuur om dit proces tot een
goed einde te brengen. Een vis paait steeds zo vroeg mogelijk, dit omdat de
vislarven groot genoeg zouden zijn en voldoende voorraad zouden hebben opgedaan
om de eerste winter te overleven. Indien de watertemperatuur op het einde van de
lente naar de 17°C klimt komt het paaiproces op gang. Men mag niet vergeten dat
de karper oorspronkelijk afstamt van warmere plaatsen in Europa. Ten opzichte
van onze inlandse vissen is dit vrij laat. Vaak is het dan ook zo dat de karpers
pas paaien na gesloten tijd ! Ook wordt dit proces onderbroken wanneer een
periode van slecht weer intreedt. Af en toe gebeurt het dat de vissen slecht of
helemaal niet afgepaaid geraken. Het kuit kan eventueel door het metabolisme
terug opgenomen worden. Maar het gebeurt ook wel dat de kuit versteend is en de
vissen er aan sterven. De eitjes die worden afgezet hebben een aantal dagen een
temperatuur van boven de 18°C nodig. Indien het weer dus voor spelbreker gaat
zorgen en de warmere stukken water worden afgekoeld kan het gebeuren dat er
helemaal niks voortkomt van het zaad. Om die reden is het zo dat enkel daar een
goede kans op voortplanting bestaat op plaatsen zoals afgesloten kanaalarmen of
ondiepe plasjes.
Ook
waar warm koelwater wordt geloosd door fabrieken scheppen voor de karper een
ideale kweeksituatie. In landen met een tropisch klimaat kunnen ze zelfs
meerdere keren per jaar paaien. Op kleine vijvers ontstaan hierdoor een situatie
die op termijn problematisch wordt. In het voorjaar wordt het water hier sneller
opgewarmd en komt het vaak boven de 20°C uit. De karper zal hier volop en
succesvol voortplanten. Dit lijkt mooi voor de toekomst maar is het in
werkelijkheid niet. Twee fenomenen gaan zich namelijk voordoen : in de eerste
plaats vindt er een degeneratie plaats. Alle dieren zijn aan deze natuurwetten
onderhevig, zonder selectie keren zij na elke generatie een stukje terug naar
hun oervorm. Voor de karper betekent dit de lange slanke wilde vorm. Is het je
nog niet opgevallen dat sommige plasjes bevolkt zijn met kleine schubkarpertjes,
ook al bevatte de vijver oorspronkelijk spiegelkarpers. ?
Een tweede negatief punt dat onder zulke
omstandigheden voorkomt is de ontstane overbevolking.
Wanneer deze vissen niet voldoende worden bijgevoerd ontstaat er dwerggroei.
Door voedselgebrek kunnen vissen zich onvoldoende ontwikkelen. Het is zeer
belangrijk dat zij in hun eerste levensjaren geen gebreken mogen lijden , anders
zullen zij zelfs overgeplaatst naar een ruime en voedselrijke omgeving nooit
meer kunnen uitgroeien tot volwaardige vissen. Op kanalen en meren kan men aan
de hand van de aanwezige populatie vaak afleiden wat er in het verleden aan
uitzettingen gebeurt zijn. Op deze plaatsen is het zo dat er onderling weinig of
geen vermenging en uitwisseling plaats vindt. Door het gesloten karakter van hun
leefgebied kunnen de vissen niet emigreren naar andere wateren. Dit in
tegenstelling tot Nederland waar door de vele waterwegen, vele putten, plassen
en kanalen met mekaar in verbinding staan. De populatie verschilt dan ook veel
van water tot water. Het kanaaltje van Leopoldsburg bevat bijvoorbeeld veel
kleine schubkarpertjes omdat hier jaarlijks een beperkte kweek optreedt. Het
Kempisch kanaal 6-7 eveneens, hier kweekt de vis verder dankzij het warme water
van de centrale. Tussen 7-8 zijn de kweekvissen van de Kasseman over de dijk
gesprongen.
Op het Albertkanaal zijn de verschillen
vaak nog frappanter, bepaalde stukken herbergen zware vissen terwijl ze aan de
andere kant van de sluizen ontbreken. Soms kan men aan de hand van de gewichten
afleiden dat veel van een bepaalde jaargang afkomstig zijn. Spijtig genoeg
ontbreken er nogal veel jaargangen.
Ik doe dan ook een sterke oproep aan de verantwoordelijken voor het
uitzettingsbeleid. Geef ons a.u.b. elk jaar op elk stuk kanaal of plas een
BEPERKT aantal kweekkarpertjes. Groot genoeg om de snoekbaarzen te overleven,
sterk genoeg om de lijnen van de vismeenemers stuk te trekken. Talrijk genoeg om
na elke watervervuiling nog aanwezig te zijn. En mooi genoeg om m'n hart sneller
te laten kloppen.
DEEL 2
In
een vorig hoofdstuk hebben we gezien hoe de wilde karper zich fysisch tot een
nieuwe kweekvorm, de edelkarper (King carp) ontwikkelde. Ook wat betreft zijn
voedselopname is deze vis geëvolueerd. Van bijna carnivoor (dierlijk voedsel)
werd hij omnivoor (alles eter). Sinds de karper met de hengel belaagd werd,
heeft het nochtans lang geduurd vooraleer dit algemeen aanvaard werd. We moeten
echter wel een aantal feiten onder ogen zien die deze vooruitgang lang hebben
tegen gehouden:
- gebruik
van aas hangt nauw samen met het beschikbare materiaal;
- het
gebruikte materiaal bepaalde welke techniek er toegepast werd;
- de
toegepaste techniek bepaalde welk aas er kon gebruikt worden ;
- kennis
om dit alles toe te passen.
U ziet al bij al een
vicieuze cirkel die enkel kon doorbroken worden indien enkele voorwaarden
verbeterden :
- verbeterd
materiaal;
- andere
technieken;
- uitgebreide
kennis;
- nieuw
en ander aas.
Al
deze punten hebben vooral de laatste vijftig jaar een ingrijpende verandering
ondergaan
Materialen
:
Hengels : Van de vaste
hengel naar de werphengel werd er overgeschakeld van zodra er molens ontwikkeld
werden die het toestonden om te werpen Materialen verbeterden : van rietsoorten
naar aluminium, glasvezel, carbon, boron enz, De hengels worden nu zelfs
specifiek vervaardigd voor de toegepaste methode; penhengels voor kantvissen,
Korte-, midden- en langeafstandhengels.
Molens
: van allerlei reelsystemen voor gevlochten lijnen tot de molen speciaal voor de
karpervisserij ontwikkeld
- grootte
al naargelang van toepassing of afstand;
- degelijke
slip om de runs en krachtexplosie van de karper op te vangen;
- baitrunnersysteem;
Haken : van allerlei materialen tot de moderne
lichte en supersterke haken. Van geslepen vormen tot de chemisch gescherpte.
Totaal nieuwe vormen werden ontwikkeld, vaak specifiek voor een bepaalde
aassoort.
Beetmeldingssystemen : van pennen en
hangwakers tot swingers in combinatie met elektronische systemen.
Lijnen
: tot aan wereldoorlog twee was men van gevlochten zijde en koord afhankelijk
waarna de grote doorbraak van de nylonlijn plaats vond. Deze lijn wordt nog
steeds verbeterd en het einde is nog niet in zicht. Ook de gevlochten lijn wordt
voor een aantal toepassingen opnieuw gebruikt, vooral sinds de opkomst van de
kunstvezels die de laatste jaren werden ontwikkeld
Technieken
:
Deze werden speciaal
ontwikkeld om de verschillende beschikbare watertypes te bevissen.
Oppervlaktevissen
: vooral op ondiepe wateren met een sterke begroeiing van waterplanten. Het
vissen speelde zich af op korte afstand en gebeurde soms zelfs op zicht. Uit
deze tijd stamt nog steeds de camouflagekleding af die door veel karpervissers
gebruikt wordt, Aangezien de meesten met hetzelfde aas visten bepaalde dit niet
zozeer de vangsten, maar wel de kunst van de vis te vinden, het subtiel
aanbieden van het aas en de vis te verleiden tot een aanbeet volgt. Doordat ons
land kan bogen op grote putten en kanalen wordt deze methode niet vaak toegepast
en hebben vele karpervissers deze eerste en beginnende stap overgeslagen, Dat is
jammer want de vis opzoeken en vinden is nog steeds voor het grootste deel
bepalend voor het succes in de karpervisserijBodemvisserij
: drijvende aassoorten worden hier enkel nog gebruikt om het aas een eindje van
de bodem aan te bieden, tegengehouden door een loodhagel. Op de bodem aangeboden
aas werd ook voor een andere techniek gebruikt. Op plaatsen waarvan gekend is
dat karper er regelmatig komt om te azen wordt er bij wijze van spreken een val
opgezet. Er wordt een voerplaats aangelegd, vaak wordt er dagen vooraf gevoerd
en op het tijdstip dat men azen de karpers verwacht wordt er gevist. Van het
actieve vissen blijft hier niet veel meer over, wie het meeste tijd en geduld
heeft slaat zijn slag. Er zijn ook hier weer veel factoren die de aasperiodes beïnvloeden.
Weersgesteldheid
:
Vooral
heet weer is funest. Karpers azen vooral 's morgens, 's avonds en gedurende de
nacht. Overdag liggen ze meestal te zonnen en te genieten, vaak niet op de
aasplekken, maar wie ze kan vinden kan ze steeds vangen
Watertemperatuur
:
Het
verteringsproces hangt hier nauw mee samen. Bij 10°C duurt het circa 17 uur,
bij 15°C is dat 10 uur, bij 20°C nog 6,5 uur en bij 25°C amper 4,5 uur
alvorens het voedsel in de karperbuik verteerd is. Het is dus duidelijk dat een
karper bij warmer water meer aankan en vaker op zoek zal gaan naar voedsel. Het
aangeboden voer moet dus steeds hieraan aangepast zijn en niet zozeer aan het
aantal karpers dat men op de voerplek verwacht tijdens het vissen. Afhankelijk
van de beschikbare tijd en afstand tot de woonplaats wordt er op verschillende
manieren gevist. Dat kan gaan van een aantal uren 's morgens of 's avonds tot
een ganse dag, nacht of weekend. Tijdens vakantietrips, vooral naar het
buitenland, kunnen de sessies echter uitlopen van één tot meerdere weken. Het
nadeel van deze methode is echter dat men door het vele benodigde materiaal zeer
plaatsgebonden is en alle mobiliteit verliest. Wanneer men op een plaats zit
vastgepind is het vaak wachten geblazen tot er een karper op de voerplaats
arriveert.
AAS
EN AANBIEDING
Wanneer we over karper, aas
en systemen praten, kunnen we niet buiten het feit dat veel van de huidige
kennis overgewaaid is uit Engeland. Inderdaad, hier was al veel eerder dan bij
ons de overgang van de pan- naar de sportvisserij op gang gekomen. Ook door zich
te verenigen in clubs werd er sneller vooruitgang geboekt. Toen men eenmaal aan
de verschillende materialen verbeteringen had aangebracht kwam de zaak pas goed
op gang. Terwijl vroeger een karper eerder bij toeval gevangen werd tijdens
bijv. het vissen met de worm op paling of met deeg op andere vissoorten kon men
nu gericht op karper gaan vissen. Van wormen, dierlijk voedsel, deeg, aardappel
en brood wist men dat het karper kon opleveren.
Deze aassoorten werden daarom ook eerst gebruikt.
Het grote nadeel daarbij was echter dat het helemaal niet selectief was en veel
andere vis opleverde. Om deze reden kon er ook slecht mee gevoerd worden. Soms
was men andere vissen aan het voeren, of men voerde voor iemand anders.
Aangezien het steeds hetzelfde was had het geen eigen identiteit. De visser met
de meeste tijd of geluk trok aan het langste eind. Men ging daarom op zoek naar
nieuw aas dat de karper lustte, waar zo mogelijk andere vis afbleef en dat door
de concurrentie niet gekend was. Een van de succesverhalen op dit gebied
gebeurde met verschillende soorten saucissenvlees. Ook de deegsoorten werden
aangepast waarbij er vooral gebruik werd gemaakt van een bestaand diervoeder :
forelkorrel, honde- en kattevoer, varkensmeel enz. De eerste stappen waren gezet
naar een persoonlijk voer dat gedurende een korte tijd opnieuw vis op de kant
bracht.
Maar ook andere vissoorten volgden, en leerden het nieuwe aas waarderen. Het was
gewoon een strijd om iets nieuw te vinden en telkens een stap voor te blijven.
Tot men ontdekte dat karper ook hard aas tot zich nam. Men ging daarom het deeg
aanmaken met eieren en aanvankelijk even, later langer en langer koken. Nadat
het gedroogd was bleef er een hard balletje over dat door de meeste vissoorten,
behalve karper ongemoeid gelaten werd. Tot zover werd er voor het aas steeds
"bekende" ingrediënten zoals diervoeders en meelsoorten gebruikt.
Tot ene Fred Wilton het tweede deel van de geschiedenis op zijn naam schreef.
Hij stelde dat elk dier door zijn instinct in staat was om goed voer van
minderwaardig te onderscheiden en steeds zou kiezen voor hoogwaardig voedsel.
Daarom stelde hij een voer samen met een zo hoog mogelijk percentage eiwitten.
Aanvankelijk werden daarvoor melkeiwitten gebruikt, die hij soms zelf moest
fabriceren, omdat ze gewoon nog niet te koop waren. Deze melkeiwitten werden
samen met vetten en koolhydraten in het deeg verwerkt.
Hieraan werden tevens vitaminen en mineralen toegevoegd omdat hij van oordeel
was dat ook deze essentieel waren in een voer. De eerste successen bleven niet
uit en lange tijd behoorden deze samenstellingen tot de geheime lijst. Zijn
theorieën brachten grote opschudding teweeg toen ze werden bekend gemaakt en in
feite doen ze dat nog steeds. Wat blijft er tegenwoordig nog van over?
- Het feit dat er eigenlijk geen grenzen zijn
aan de gebruikte ingrediënten
- Melkeiwitten worden gewoon graag gelust
door karpers, alhoewel er in het water geen melkeiwitten voorkomen (maar dit
geldt ook voor de verschillende vormen van brood)
- De melkeiwitten kunnen in een aas ook
vervangen worden door dierlijke eiwitten, vooral vismelen en vogelopfokvoer
worden als vervangers gebruikt.
- Vitaminen en mineralen worden nog steeds
veel in aas toegepast. Niet zozeer om de vis te lokken, dan wel om het ten
goede komen van zijn algemene gezondheid.
- Sinds het gebruik van deze hoogwaardige
voedingsstoffen zijn onze karpers er qua gewicht sterk op vooruit gegaan,
Een aantal van hen heeft reeds lang de 20 kilo grens overschreden.
- In tegenstelling tot de wilde karper
behoeven onze huidige kweekvormen deze hoge eiwit percentages zeker niet.
Dit is bewezen door degene die met, "crap" voer vissen (laag
eiwitgehalte) en even goede, zoniet betere resultaten behaalden. Sommigen
vinden deze hoge eiwitten concurrentie tegen natuurlijk voedsel en tegen de
natuur moet men het op dit gebied afleggen. Sommige voercampagnes falen dan
ook volkomen
Men is er van overtuigd geraakt dat een karper
het vreemdste voedsel aanvaardt en na enig aanvoeren alles zal eten zolang het
maar enigszins eetbaar is.
Men had nu wat samenstellingen betreft weer genoeg om jaren verder te
experimenteren. Maar er was wel een nieuw probleem ontstaan. Door het gebruik
van sommige producten zoals caseine, cialbumine en andere werd de boilie zo hard
dat er moeilijk mee te vissen was. Doordat het aas nog steeds op de haak geprikt
werd werden er veel aanbeten gemist. Bij een aanslag kwam de haak immers niet
altijd vrij uit het aas. Tot Kevin Maddocks en Lenny Middelton d.m.v.
aquariumproeven tot een oplossing kwamen. Het aas werd niet langer op de haak
gezet, maar d.m.v. een draadje aan de haak bevestigd. Dit gaf twee voordelen :
de haak was steeds vrij van het aas en kon steeds goed gezet worden. Het aas
kreeg een meer natuurlijk uitzicht en was niet meer van het vrij liggende aas te
onderscheiden. Door het gebruik van de huidige, soepele gevlochten onderlijnen
is daar nog een derde bijgekomen : de nieuwe haken en montages (bent hooks, line
aliners) maken het mogelijk dat de haak een eigen leven gaat leiden. Zijn werk
is goed haken en dat zal hij dan ook gaan doen zonder tussenkomst van de visser.
De haak draait zich bij opnamen zodanig dat hij de meeste kans heeft om de vis
te haken, Het vangen van de vis was nu reeds betrekkelijk gemakkelijk geworden.
Het enige dat de visser nog moest doen was, na de aanbeet tijdig aan te slaan.
En ook voor dit punt werd een oplossing bedacht : een verschuifbaar of loskomend
stoppertje werd achter het lood geplaatst. Van zodra de karper het aas opnam en
zich maar enigszins verplaatste werd hij vanzelf gehaakt op de weerstand van het
lood.
De dagen van de karper zijn nu geteld...
Ware het niet dat deze zijn koppeke ook
gebruikte en elke evolutie op de voet volgt, dressuur noemt men dit hier en
daar...
Daar
moeten wij nog eens over nadenken.
terug
naar de hoofdpagina
|