|
Bijdrage Sven Hoebeeck:
Bestaat er bij karpers zoiets als cultuur?
Het woord cultuur is een veelomvattend woord en
moeilijk te omschrijven laat staan te definiëren. Cultuur definieert zich pas
wanneer het kan afgezet worden tegenover een andere cultuur binnen eenzelfde
soort Algemeen kan cultuur omschreven worden als afwijkende gedragspatronen
binnen eenzelfde (dier)soort naar aanleiding van omstandigheden of anders gezegd
het maximaal uitbuiten van de mogelijkheden door de leefomgeving gecreëerd, met
als bijkomende voorwaarde het gebruik van werkinstrumenten en eigen
communicatievormen.
Strikt genomen is er bij karpers dan ook geen sprake van enige vorm van cultuur.
Er zijn mij geen karpers bekend die gebruik maken van werkinstrumenten of die
zich zouden bedienen van communicatietekens die slechts begrijpelijk zouden zijn
voor enkele individuen binnen een karpergemeenschap.
Zelfs wanneer we een minder stringente definitie zouden hanteren dan nog kan men
moeilijk spreken van een karpercultuur. Een karper blijft een karper. Ze trekken
graag in scholen op, houden van warm zuurstofrijk water, vertoeven van nature
graag tussen wierbedden enz...en het is enkel onder druk van externe factoren
dat er afwijkingen optreden.
Dit neemt niet weg dat er bijna op ieder water karpers rondzwemmen met
uitgesproken voorkeuren en afwijkende gedragingen zonder dat er eigenlijk
aanwijsbare redenen voor zijn en men kan zich de inderdaad de vraag stellen
waarom ze niet reageren zoals het gros van de populatie. Ze vertoeven in
hetzelfde water en de omstandigheden (ook externe) zijn bijgevolg voor allen
gelijk.
De enige mogelijke verklaringen die ik op het eerste zicht kan bedenken zijn
leeftijdsverschil, wat dan in het licht van opgedane ervaring moet gezien
worden, en overlevingsdrang. Anders gezegd, de mate waarin het leerproces zich
voltrokken heeft ingegeven door de sterkte van de drang tot overleven. Uiteraard
gebeurt dit bij het ene exemplaar sneller dan bij het andere en ook de mate
waarin is afhankelijk van karper tot karper en het is juist dit gegeven wat tot
individualisering leidt. Het is mijn indruk, dat hoe verder het leerproces
gevorderd is; en dus hoe ouder, hoe individueler karpers worden (omzeggens van
toepassing op alle diersoorten). Wanneer het bestand hoofdzakelijk uit oude
vissen bestaat merk je nog slechts zelden, de paaitijd niet te na gesproken,
schoolvormig op.
De vraag die ons toegespeeld werd namelijk of de aanpassing, na verloop van
tijd, van de gedragingen van nieuwe karpers in een water aan dat van het reeds
bestaande bestand het gevolg is van omstandigheden of dat het om gedragsimitatie
gaat laat zich dan ook gemakkelijker beantwoorden. Hierbij wordt opgemerkt dat
nieuwe vissen zich aanvankelijk anders zouden gedragen. Dat ze zich aanvankelijk
anders gedragen wordt geconcludeerd uit het feit dat ze over het algemeen
gemakkelijker gevangen worden. Of dat ook werkelijk een indicatie is van een
ander gedragspatroon laat ik in het midden Het getuigt van een ander gretiger
aasgedrag maar anderzijds kan geargumenteerd worden dat ze azen op dezelfde
plaatsen en vaak ook op hetzelfde tijdstip en er dus geen ander gedragspatroon
op na houden. Het is ontegensprekelijk zo dat vissen die ontheemd zijn sneller
vergissingen (vanuit de optiek van een visser) begaan en bijgevolg sneller
geprikt worden. Het is niet zozeer omdat ze er en ander gedrag (aasgedrag niet
te na gesproken) op na houden maar veeleer omdat de omgeving hen niet vertrouwd
is. Hoe vertrouwder een vis met het water is, of een deel ervan, hoe moeilijker
hij daar te vangen is. Je hebt daar ook alles tegen ten eerste omdat de karper
zijn leefomgeving als zijn broekzak kent en hij is er waarschijnlijk resident
omdat er voldoende natuurlijk voedsel aanwezig gedurende een groot deel van het
jaar. Het is misschien wat ver gezocht maar ik ben er nog niet zo zeker van dat
een vis die omzeggens telkenmale op dezelfde stek gevangen wordt daar ook
resident is. Het is te opvallend dat ze ook nog om en nabij dezelfde periode op
die stekken gevangen worden. Waarom zou het niet kunnen dat tijdens bepaalde
periodes van het jaar zijn residentie, waar hij misschien nooit gehaakt wordt,
niet voldoende voedsel verschaft en hij genoodzaakt is naar een ander, hem
minder vertrouwd gedeelte te trekken (waar op dat ogenblik wel voldoende voedsel
aanwezig is en daar telkenmale gevangen wordt? Wees gerust dat een residente vis
weet wanneer hij belaagt wordt. De inslag van een lood moet hem overkomen alsof
er een bom (mits enige overdrijving) in uw huiskamer valt
Na verloop van tijd merk je inderdaad dat ze de gewoonten overnemen van het
bestaande bestand deels veroorzaakt door omstandigheden deels door
imitatiegedrag. Eenmaal ze ontdekt hebben waar de warmere waterlagen zich
bevinden, waar op bepaalde tijdstippen van het jaar voldoende voedsel aanwezig
is begeven ze zich tussen de andere karpers en gaat imitatiegedrag een rol
spelen. Waar de meest gunstige omstandigheden zijn bevinden zich het meest
karpers en dat is dan weer een indicatie voor de stockies. Het één is niet los
te maken van het andere maar van doorslaggevend belang blijven de omstandigheden
Bijdrage Patrick Bauwens:
Cultuur verwijst naar de beschaving,
ontwikkeling, verfijning van het geestelijke en zedelijk levenstoestand van een
bepaald volk. Ik denk dan ook dat de gekozen term niet overeenkomt met wat er
uiteindelijk bedoeld wordt. Ik denk dat er meer in termen van gedragspatronen
moet gesproken worden dan i.p.v. cultuur. Karpers zijn zeer zeker kudde dieren,
meestal trekken ze in scholen op voedseljacht. Daarbij volgen ze bepaalde
trekroutes, die men op bepaalde tijdstippen ook zeer gemakkelijk kan waarnemen.
Toen ik in 1987 voor het eerst op het Land van Ghow viste kon men dergelijk
gedrag regelmatig waarnemen. Tijdens mijn eerste sessie kreeg ik daar een mooi
voorbeeld van te zien. Rond 6 uur 's morgens zag ik de vissen massaal springen
en volgden ze een bepaalde route die duidelijk in de voor mij goede richting
ging. Een uur later kon ik mijn eerste vis landen. Door gedurig bij te voeren
kon ik de vissen een tijdje op mijn stek vast houden, wat op het einde van de
dag resulteerde in 9 vissen met een totaal gewicht van 89,9 kg wat voor die tijd
een buitengewoon goed resultaat was.
Na enkele jaren kon men dit schouwspel nog zeer zelden meemaken en dit was
duidelijk een ander gedragsfenomeen veroorzaakt door de toenemende hengeldruk.
Karpers gaan zich inderdaad anders gaan gedragen als ze te fel worden belaagd.
Een ander mooi voorbeeld is dat vissen die doorgaans alleen overdag azen, door
de toenemende druk, overschakelen naar de nacht om hun kostje bijeen te
scharelen. Dit blijft natuurlijk niet onopgemerkt en het logische gevolg is dat
de meeste vissers nu 's nachts gaan vissen. Na een tijdje gaan ook dan de
vangsten achteruit er worden in sommige gevallen tot nihil herleidt. Die vissers
die dan ook overdag blijven doorvissen beginnen dan terug resultaten te boeken
en zo is de cirkel rond en kan alles van tevoren beginnen.Een ander gedragspunt
is het overnemen van aasgedrag van soortgenoten. Op KK 7/8 zijn op een bepaald
ogenblik een aantal jonge vissen bijgezet en toch werden ze slechts sporadisch
gevangen, nochtans waren dit bijna maagdelijke vissen die nog weinig kennis
gemaakt hadden met haken. Voor mij was dit een duidelijk signaal dat jonge
onervaren karpers de gewoontes kunnen aanleren van hun oudere, meer ervaren
soortgenoten. Toen ik enkele jaren geleden het voorrecht genoot om op een
maagdelijk glashelder water te vissen heb ik tijdens observaties regelmatig het
volgende kunnen waarnemen: Op de ondiepe zandplateaus had ik enkele handen vol
maïs gestrooid. Na een tijdje kwamen een tweetal vissen voorzichtig over de maïs
gezwommen, zonder dat ze begonnen te azen, het leek erop dat ze de stek eerst
aan een grondige kontrole onderworpen. Pas daarna begonnen ze voorzichtig de
korrels één voor één op te zuigen, na een tijdje kwamen meer en meer vissen
uit de diepte de plateau opgezwommen om deel te nemen aan de maaltijd, die naar
gelang er meer vissen ten tonele verschenen op een echte vreetorgie ging lijken,
waarbij alle schuwheid op de achtergrond verzeilde. In dit geval leek het erop
dat de eerste vissen voorop werden gestuurd om uit te maken of de voedselbron
wel veilig was.
Een derde punt is het dominante gedrag die sommige karpers aan de dag leggen.
Oudere en dus meer ervaren karpers kunnen wel degelijk een vast leefgebied
opeisen. Ieder jaar worden bepaalde vissen op dezelfde stek terug gevangen,
hiervan zijn voorbeelden legio. Ook de theorie van de voedselpiramide sluit hier
perfect bij aan, deze theorie toont aan dat de grotere en sterkere vissen zich
steeds bovenaan bevinden
Bijdrage Marco Kraal:
Als we een beetje
doorfilosoferen hebben we straks met karpers te maken die zich in een luie stoel
met een sigaar tussen de vlezige lippen, verdiepen in de werken van Hugo Claus
en Herman Brusselmans of nog erger The Carp strikes back lezen!
Nee, het wordt echt tijd
dat we eens ophouden met het vermenselijken van dieren. Ik vind dat een
gevaarlijke ontwikkeling. Karpers zijn en blijven beesten zonder rede, zonder
intelligentie, zonder bewustzijn, zonder humor en zeker zonder cultuur. Ik sluit
me dan ook aan bij de meningen van Patrick en Sven. Karpers zijn echter, zoals
ook al door hen opgemerkt, wel bijzonder goed in staat te leren. Dit leergedrag
bestaat uit twee componenten. De eerste is wat we noemen de klassieke
conditionering. Hierbij beschikt de karper over een specifieke aangeboren
reactie op een stimulans die instinctief wordt herkend. Vb: de aangeboden
tijgernoot (nieuwe stimulans) wordt vergeleken met de mossel (aangeboren
stimulans) en bij herkenning volgt opname (aangeboren reactie). De andere
component is 'trial and error'. Door de aangeboren nieuwsgierigheid worden
allerlei zaken in het leefmilieu onderzocht en gekeurd. Een rond steentje is
misschien voedsel, het wordt opgenomen, geproefd, gekeurd en vervolgens weer
uitgespuugd. Vervolgens 'weet' de karper dat het voortaan niet meer loont
energie te stoppen in het opnemen van het ronde steentje. Opname van een
driehoekig mosseltje levert volgens 'trial and error' echter een herkenning van
voedsel op. De karper zal vervolgens energie gaan steken in het doelgericht
zoeken naar mossels. Dit 'trial and error' leerproces heeft als resultaat dat de
karper niet steeds hetzelfde wiel hoeft uit te vinden. 'Trial and error' werkt
ook de andere kant op en heeft dan als gevolg dat een haakboilie na een beperkt
aantal 'trials' in de categorie 'errors' valt.
Door beide leerprocessen
heeft een karper na verloop van tijd zijn gehele leefomgeving in kaart gebracht,
weet waar alles te halen valt en waar het gevaar loert. De opgedane ervaringen
worden daarbij aan de leefomgeving gekoppeld. De behoefte om verder te 'leren'
zal dan waarschijnlijk afnemen. Bij het overzetten van karper naar een totaal
nieuwe leefomgeving wordt deze door de nieuwe indrukken instinctief weer
aangezet tot leergedrag en is de voor ons bekende scopexboilie -in relatie tot
de nieuwe omgeving- voor de karper weer onbekend. Wel wordt er in de
gedragsbiologie bij bepaalde diersoorten een vorm van cultureel leergedrag
beschreven. Hieronder wordt verstaan het opvoeden van jonge dieren door een of
meer ouders. Vogels bijv. hebben een aangeboren voorkeur voor voedsel van een
bepaald formaat, vorm en kleur, maar zijn daarnaast in staat om het aangeleerde
voedselgedrag van de oudervogel (opvoeding) over te nemen. Hierdoor wordt
belangrijke informatie van individu op individu en van generatie op generatie
overgebracht.
Gelukkig bekommeren
karpers zich niet om hun kroost. Anders zou het snel gebeurt zijn met onze
visserij. Karpers vertonen echter een type leergedrag wat Sven omschrijft als
'imitatiegedrag' en wat een beetje op het bovenstaande lijkt. Karpers worden
weliswaar niet opgevoed door hun ouders, maar leren wel van elkaar. Ik ben er nl.
van overtuigd dat karpers elkaar in de smiezen houden. Een vis die al een paar
keer heeft kennis gemaakt met scherpe haak, warme handen en ademhalingsproblemen
zal zich bijv. anders gedragen op een voerplek of in de buurt van een vislijn.
Dit veranderde gedrag zal snel via 'inprinting' door de andere karpers worden
overgenomen. Dit vormt de verklaring dat er maar een beperkt aantal vissen hoeft
gevangen te worden om de gehele populatie argwanend te krijgen. Naar mijn mening
is dit ook de verklaring dat zelfs in wateren met een lichte hengeldruk de
karpers zich overdag niet meer laten vangen, niet meer springen e.d. Dergelijk
gedrag kan worden overruled door andere stimulansen zoals voedselnijd
|