Karper cultuur?

Patrick Bauwens, Sven Hoebeeck, Marco Kraal

Onderwerp:
-Bestaat er zoiets als cultuur bij karpers?

 

 

Bijdrage Sven Hoebeeck:

Bestaat er bij karpers zoiets als cultuur?

Het woord cultuur is een veelomvattend woord en moeilijk te omschrijven laat staan te definiëren. Cultuur definieert zich pas wanneer het kan afgezet worden tegenover een andere cultuur binnen eenzelfde soort Algemeen kan cultuur omschreven worden als afwijkende gedragspatronen binnen eenzelfde (dier)soort naar aanleiding van omstandigheden of anders gezegd het maximaal uitbuiten van de mogelijkheden door de leefomgeving gecreëerd, met als bijkomende voorwaarde het gebruik van werkinstrumenten en eigen communicatievormen.
Strikt genomen is er bij karpers dan ook geen sprake van enige vorm van cultuur.
Er zijn mij geen karpers bekend die gebruik maken van werkinstrumenten of die zich zouden bedienen van communicatietekens die slechts begrijpelijk zouden zijn voor enkele individuen binnen een karpergemeenschap.
Zelfs wanneer we een minder stringente definitie zouden hanteren dan nog kan men moeilijk spreken van een karpercultuur. Een karper blijft een karper. Ze trekken graag in scholen op, houden van warm zuurstofrijk water, vertoeven van nature graag tussen wierbedden enz...en het is enkel onder druk van externe factoren dat er afwijkingen optreden.
Dit neemt niet weg dat er bijna op ieder water karpers rondzwemmen met uitgesproken voorkeuren en afwijkende gedragingen zonder dat er eigenlijk aanwijsbare redenen voor zijn en men kan zich de inderdaad de vraag stellen waarom ze niet reageren zoals het gros van de populatie. Ze vertoeven in hetzelfde water en de omstandigheden (ook externe) zijn bijgevolg voor allen gelijk.
De enige mogelijke verklaringen die ik op het eerste zicht kan bedenken zijn leeftijdsverschil, wat dan in het licht van opgedane ervaring moet gezien worden, en overlevingsdrang. Anders gezegd, de mate waarin het leerproces zich voltrokken heeft ingegeven door de sterkte van de drang tot overleven. Uiteraard gebeurt dit bij het ene exemplaar sneller dan bij het andere en ook de mate waarin is afhankelijk van karper tot karper en het is juist dit gegeven wat tot individualisering leidt. Het is mijn indruk, dat hoe verder het leerproces gevorderd is; en dus hoe ouder, hoe individueler karpers worden (omzeggens van toepassing op alle diersoorten). Wanneer het bestand hoofdzakelijk uit oude vissen bestaat merk je nog slechts zelden, de paaitijd niet te na gesproken, schoolvormig op.
De vraag die ons toegespeeld werd namelijk of de aanpassing, na verloop van tijd, van de gedragingen van nieuwe karpers in een water aan dat van het reeds bestaande bestand het gevolg is van omstandigheden of dat het om gedragsimitatie gaat laat zich dan ook gemakkelijker beantwoorden. Hierbij wordt opgemerkt dat nieuwe vissen zich aanvankelijk anders zouden gedragen. Dat ze zich aanvankelijk anders gedragen wordt geconcludeerd uit het feit dat ze over het algemeen gemakkelijker gevangen worden. Of dat ook werkelijk een indicatie is van een ander gedragspatroon laat ik in het midden Het getuigt van een ander gretiger aasgedrag maar anderzijds kan geargumenteerd worden dat ze azen op dezelfde plaatsen en vaak ook op hetzelfde tijdstip en er dus geen ander gedragspatroon op na houden. Het is ontegensprekelijk zo dat vissen die ontheemd zijn sneller vergissingen (vanuit de optiek van een visser) begaan en bijgevolg sneller geprikt worden. Het is niet zozeer omdat ze er en ander gedrag (aasgedrag niet te na gesproken) op na houden maar veeleer omdat de omgeving hen niet vertrouwd is. Hoe vertrouwder een vis met het water is, of een deel ervan, hoe moeilijker hij daar te vangen is. Je hebt daar ook alles tegen ten eerste omdat de karper zijn leefomgeving als zijn broekzak kent en hij is er waarschijnlijk resident omdat er voldoende natuurlijk voedsel aanwezig gedurende een groot deel van het jaar. Het is misschien wat ver gezocht maar ik ben er nog niet zo zeker van dat een vis die omzeggens telkenmale op dezelfde stek gevangen wordt daar ook resident is. Het is te opvallend dat ze ook nog om en nabij dezelfde periode op die stekken gevangen worden. Waarom zou het niet kunnen dat tijdens bepaalde periodes van het jaar zijn residentie, waar hij misschien nooit gehaakt wordt, niet voldoende voedsel verschaft en hij genoodzaakt is naar een ander, hem minder vertrouwd gedeelte te trekken (waar op dat ogenblik wel voldoende voedsel aanwezig is en daar telkenmale gevangen wordt? Wees gerust dat een residente vis weet wanneer hij belaagt wordt. De inslag van een lood moet hem overkomen alsof er een bom (mits enige overdrijving) in uw huiskamer valt
Na verloop van tijd merk je inderdaad dat ze de gewoonten overnemen van het bestaande bestand deels veroorzaakt door omstandigheden deels door imitatiegedrag. Eenmaal ze ontdekt hebben waar de warmere waterlagen zich bevinden, waar op bepaalde tijdstippen van het jaar voldoende voedsel aanwezig is begeven ze zich tussen de andere karpers en gaat imitatiegedrag een rol spelen. Waar de meest gunstige omstandigheden zijn bevinden zich het meest karpers en dat is dan weer een indicatie voor de stockies. Het één is niet los te maken van het andere maar van doorslaggevend belang blijven de omstandigheden

Bijdrage Patrick Bauwens:

Cultuur verwijst naar de beschaving, ontwikkeling, verfijning van het geestelijke en zedelijk levenstoestand van een bepaald volk. Ik denk dan ook dat de gekozen term niet overeenkomt met wat er uiteindelijk bedoeld wordt. Ik denk dat er meer in termen van gedragspatronen moet gesproken worden dan i.p.v. cultuur. Karpers zijn zeer zeker kudde dieren, meestal trekken ze in scholen op voedseljacht. Daarbij volgen ze bepaalde trekroutes, die men op bepaalde tijdstippen ook zeer gemakkelijk kan waarnemen. Toen ik in 1987 voor het eerst op het Land van Ghow viste kon men dergelijk gedrag regelmatig waarnemen. Tijdens mijn eerste sessie kreeg ik daar een mooi voorbeeld van te zien. Rond 6 uur 's morgens zag ik de vissen massaal springen en volgden ze een bepaalde route die duidelijk in de voor mij goede richting ging. Een uur later kon ik mijn eerste vis landen. Door gedurig bij te voeren kon ik de vissen een tijdje op mijn stek vast houden, wat op het einde van de dag resulteerde in 9 vissen met een totaal gewicht van 89,9 kg wat voor die tijd een buitengewoon goed resultaat was.
Na enkele jaren kon men dit schouwspel nog zeer zelden meemaken en dit was duidelijk een ander gedragsfenomeen veroorzaakt door de toenemende hengeldruk. Karpers gaan zich inderdaad anders gaan gedragen als ze te fel worden belaagd. Een ander mooi voorbeeld is dat vissen die doorgaans alleen overdag azen, door de toenemende druk, overschakelen naar de nacht om hun kostje bijeen te scharelen. Dit blijft natuurlijk niet onopgemerkt en het logische gevolg is dat de meeste vissers nu 's nachts gaan vissen. Na een tijdje gaan ook dan de vangsten achteruit er worden in sommige gevallen tot nihil herleidt. Die vissers die dan ook overdag blijven doorvissen beginnen dan terug resultaten te boeken en zo is de cirkel rond en kan alles van tevoren beginnen.Een ander gedragspunt is het overnemen van aasgedrag van soortgenoten. Op KK 7/8 zijn op een bepaald ogenblik een aantal jonge vissen bijgezet en toch werden ze slechts sporadisch gevangen, nochtans waren dit bijna maagdelijke vissen die nog weinig kennis gemaakt hadden met haken. Voor mij was dit een duidelijk signaal dat jonge onervaren karpers de gewoontes kunnen aanleren van hun oudere, meer ervaren soortgenoten. Toen ik enkele jaren geleden het voorrecht genoot om op een maagdelijk glashelder water te vissen heb ik tijdens observaties regelmatig het volgende kunnen waarnemen: Op de ondiepe zandplateaus had ik enkele handen vol maïs gestrooid. Na een tijdje kwamen een tweetal vissen voorzichtig over de maïs gezwommen, zonder dat ze begonnen te azen, het leek erop dat ze de stek eerst aan een grondige kontrole onderworpen. Pas daarna begonnen ze voorzichtig de korrels één voor één op te zuigen, na een tijdje kwamen meer en meer vissen uit de diepte de plateau opgezwommen om deel te nemen aan de maaltijd, die naar gelang er meer vissen ten tonele verschenen op een echte vreetorgie ging lijken, waarbij alle schuwheid op de achtergrond verzeilde. In dit geval leek het erop dat de eerste vissen voorop werden gestuurd om uit te maken of de voedselbron wel veilig was.
Een derde punt is het dominante gedrag die sommige karpers aan de dag leggen. Oudere en dus meer ervaren karpers kunnen wel degelijk een vast leefgebied opeisen. Ieder jaar worden bepaalde vissen op dezelfde stek terug gevangen, hiervan zijn voorbeelden legio. Ook de theorie van de voedselpiramide sluit hier perfect bij aan, deze theorie toont aan dat de grotere en sterkere vissen zich steeds bovenaan bevinden

Bijdrage Marco Kraal:

Als we een beetje doorfilosoferen hebben we straks met karpers te maken die zich in een luie stoel met een sigaar tussen de vlezige lippen, verdiepen in de werken van Hugo Claus en Herman Brusselmans of nog erger The Carp strikes back lezen!

Nee, het wordt echt tijd dat we eens ophouden met het vermenselijken van dieren. Ik vind dat een gevaarlijke ontwikkeling. Karpers zijn en blijven beesten zonder rede, zonder intelligentie, zonder bewustzijn, zonder humor en zeker zonder cultuur. Ik sluit me dan ook aan bij de meningen van Patrick en Sven. Karpers zijn echter, zoals ook al door hen opgemerkt, wel bijzonder goed in staat te leren. Dit leergedrag bestaat uit twee componenten. De eerste is wat we noemen de klassieke conditionering. Hierbij beschikt de karper over een specifieke aangeboren reactie op een stimulans die instinctief wordt herkend. Vb: de aangeboden tijgernoot (nieuwe stimulans) wordt vergeleken met de mossel (aangeboren stimulans) en bij herkenning volgt opname (aangeboren reactie). De andere component is 'trial and error'. Door de aangeboren nieuwsgierigheid worden allerlei zaken in het leefmilieu onderzocht en gekeurd. Een rond steentje is misschien voedsel, het wordt opgenomen, geproefd, gekeurd en vervolgens weer uitgespuugd. Vervolgens 'weet' de karper dat het voortaan niet meer loont energie te stoppen in het opnemen van het ronde steentje. Opname van een driehoekig mosseltje levert volgens 'trial and error' echter een herkenning van voedsel op. De karper zal vervolgens energie gaan steken in het doelgericht zoeken naar mossels. Dit 'trial and error' leerproces heeft als resultaat dat de karper niet steeds hetzelfde wiel hoeft uit te vinden. 'Trial and error' werkt ook de andere kant op en heeft dan als gevolg dat een haakboilie na een beperkt aantal 'trials' in de categorie 'errors' valt.

Door beide leerprocessen heeft een karper na verloop van tijd zijn gehele leefomgeving in kaart gebracht, weet waar alles te halen valt en waar het gevaar loert. De opgedane ervaringen worden daarbij aan de leefomgeving gekoppeld. De behoefte om verder te 'leren' zal dan waarschijnlijk afnemen. Bij het overzetten van karper naar een totaal nieuwe leefomgeving wordt deze door de nieuwe indrukken instinctief weer aangezet tot leergedrag en is de voor ons bekende scopexboilie -in relatie tot de nieuwe omgeving- voor de karper weer onbekend. Wel wordt er in de gedragsbiologie bij bepaalde diersoorten een vorm van cultureel leergedrag beschreven. Hieronder wordt verstaan het opvoeden van jonge dieren door een of meer ouders. Vogels bijv. hebben een aangeboren voorkeur voor voedsel van een bepaald formaat, vorm en kleur, maar zijn daarnaast in staat om het aangeleerde voedselgedrag van de oudervogel (opvoeding) over te nemen. Hierdoor wordt belangrijke informatie van individu op individu en van generatie op generatie overgebracht.

Gelukkig bekommeren karpers zich niet om hun kroost. Anders zou het snel gebeurt zijn met onze visserij. Karpers vertonen echter een type leergedrag wat Sven omschrijft als 'imitatiegedrag' en wat een beetje op het bovenstaande lijkt. Karpers worden weliswaar niet opgevoed door hun ouders, maar leren wel van elkaar. Ik ben er nl. van overtuigd dat karpers elkaar in de smiezen houden. Een vis die al een paar keer heeft kennis gemaakt met scherpe haak, warme handen en ademhalingsproblemen zal zich bijv. anders gedragen op een voerplek of in de buurt van een vislijn. Dit veranderde gedrag zal snel via 'inprinting' door de andere karpers worden overgenomen. Dit vormt de verklaring dat er maar een beperkt aantal vissen hoeft gevangen te worden om de gehele populatie argwanend te krijgen. Naar mijn mening is dit ook de verklaring dat zelfs in wateren met een lichte hengeldruk de karpers zich overdag niet meer laten vangen, niet meer springen e.d. Dergelijk gedrag kan worden overruled door andere stimulansen zoals voedselnijd