karperhengels

.De aanschaf van degelijk materiaal betekent vaak een aanval op de geldbeugel. Op zich geen probleem indien men voor het gespendeerde bedrag kwaliteitsspullen in handen krijgt, visgerei dat zijn prijs waard is. Miskopen zijn immers, ongeacht de eraan uitgegeven som, steeds te duur en bovendien vermijdbaar. Moge dit artikel er toe bijdragen dat bij een volgende aankoop van (een) karperhengel(s) bewuster gewikt en gewogen kan worden en dat het u sterker in uw schoenen zet zodat u die hengel die echt geschikt is voor dat facet van karpervissen dat u beoefent, ook aanschaft. Vooraf verontschuldig ik me daar ik ten volle besef dat een ietwat technisch onderwerp vaak aanleiding geeft tot een droog en minder makkelijk verteerbaar artikel

1.Materiaalsoorten

Het leeuweaandeel der hengels die heden ten dage gebouwd worden zijn vervaardigd uit kunststof, waarbij carbon en carboncomposiethengels de boventoon voeren. Deze materiaalsoorten hebben holglas- en splitcanehengels naar het achterplan verdrongen, al dient gesteld dat van laatstgenoemde materiaalsoorten uitstekende hengels gemaakt (kunnen) worden die zich, indien zij in de juiste omstandigheden ingezet worden, uitstekend van hun taak weten te kwijten. Een hengel dient voornamelijk garant te staan voor drie zaken. Hij dient te werpen, de haak te zetten en de vis die zich aan het aas vergrijpt af te drillen, en dit ongeacht de grondstof waaruit deze opgebouwd werd. In dit artikel wil uitgelegd zijn hoe zulks kan, wat meteen verklaart waarom het item grondstoffen hier (te) stiefmoederlijk behandeld wordt

2.Testcurve

Hengels die belast worden gaan doorbuigen. De kracht of het gewicht nodig om de top van de hengel een rechte hoek (een hoek van 90 graden dus) te laten maken ten opzichte van het achtereind, noemt men de testcurve (TC). Vaak wordt de waarde van de TC uitgedrukt in Engelse ponden, dewelke ongeveer 10 % minder zwaar zijn dan onze continentale ponden. Voor de cijferfreaks volgen de omgezette waarden in grammen van de Engels ponden.
Een zogenaamde 2 Ib hengel zal een haakse hoek (de top ten opzichte van het handvat) vormen indien deze met (ongeveer) 900 gram belast wordt.
De jongste jaren kenden een evolutie naar karperhengels met een steeds hogere TC. Hengels van 1,5 lb ŗ 2 lb die een tiental jaren geleden nog als standaard beschouwd werden krijgen heden te dage het predikaat 'licht' opgekleefd. Hengels van 3 lb of meer, toen quasi onverkrijgbaar, zijn geen uitzonderlijke instrumenten meer in de moderne karpersymfonie. Hun populariteit valt niet louter te verklaren door de grotere (en dus vaak sterkere) vissen die ermee gedrild moeten worden. Informatie betreffende de langeafstandsvisserij op Franse wateren waar zulke stokken wel efficiŽnt ingezet kunnen worden maakt dat diezelfde hengels eveneens gebruikt worden in doorsnee Belgische en Nederlandse vissituaties waarvoor ze in de overgrote meerderheid der gevallen minder geschikt zijn

3.Actie en buiging

De TC zegt niets over de actie van de hengel en al evenmin iets over het buigingspatroon ervan. Met actie wordt de snelheid bedoeld waarmee de hengel zich herstelt in zijn oorspronkelijke stand nadat deze belast werd. Actie kan snel of traag zijn, met alles daartussenin, en dat ongeacht de TC van die hengel.
In het pre-boilietijdperk (en dat is zeker niet in de prehistorie van de karpervisserij!), toen zachte deegballen als topaas golden, dienden trage, zachte hengels te voorkomen dat het aas bij het uitwerpen van de haak zou vliegen, wat bij een worp met een snelle hengel gegarandeerd zou gebeuren. Zulke zachte hengels zijn overigens nog steeds attributen die perfect een haak zetten en de explosieve uitspattingen van vriend cyprinius opvangen indien onder het kantje gevist wordt, daar waar snellere hengels het gevaar op uitscheuren van de haak niet denkbeeldig maken. Niet enkel de strakheid van de hengel (heter gezegd de snelheid) bepaalt of goed geworpen kan worden, maar ook het gewicht van die hengel, want kracht is het product van massa en snelheid. Hetzelfde geldt voor het zetten van de haak. Een trage hengel, gebruikt voor kantvisserčj, bij voorbeeld met de pen, dient voldoende massa te bezitten om de haak in de karperbek gezet te krijgen.
De TC vertelt ons dus al evenmin iets over het buigingspatroon van de hengel, over de manier dus waarop de blank buigt. Zogenaamde progressieve hengels buigen evenredig door over hun ganse lengte bij een toenemende belasting, en dit ongeacht het een hengel betreft met een TC van 1, 5 Ib, 4 lb of 30 lb. Afhankelijk van de constructie van de blank (= het kale hengeldeel dat tot een werphengel afgebouwd kan worden) kan die progressieve hengel langzaam zijn of snel met alle mogelijke tussenvormen. Actie (snel of traag) is immers iets compleet anders dan buiging (bijv. Progressief).
Fasttaperhengels hebben een zeer steil verloop. Ze bezitten een knik, een plotse overgang, na welk punt de hengel veer minder makkelijk zal meebuigen. Het achterste gedeelte van de blank heeft de grootste moeite om de buiging te volgen, dewelke bijna uitsluitend in de top gebeurt. Zeer vaak wordt verkeerdelijk aangenomen dat een fasttaper uitermate dienstig zou zijn om er ver(der) mee te werpen. Echter, de energie nodig om het werpgewicht weg te zetten wordt alsdan slechts geleverd door een beperkt gedeelte van de hengel omdat het achterste gedeelte, het gedeelte voorbij de knik, nagenoeg onbelast blijft en niet meespeelt in de energielevering. Bij een progressief buigende hengel daarentegen zal die energielevering door een groter gedeelte van de blank geschieden, wat de werpafstand ten goede komt.
Reclame wil ons laten geloven dat een lichte hengel bedoeld wordt een hengel met een gering eigen gewicht superieur zou zijn aan een zwaarder. Dat een licht

4.Geleideringen

eigen gewicht een kwaliteit zou zijn. Echter de energie die nodig is voor het zetten van de haak, het drillen en het werpen wordt geleverd door de snelheid van de hengel (de actie weet u nog wel) in combinatie met het gewicht ervan. Een kracht wordt immers gevormd door een snelheid in combinatie van de massa, een gewicht zeg maar

Het buigingspatroon van een hengel, de manier dus waarop een hengel zijn energie opbouwt, bepaalt de plaats der geleideringen en dit zowel wat betreft de plaats rondom de blank als wat betreft de verspreiding in de lengterichting

4.1.Plaatsing rondom de blank

In een ingewikkeld fabricageproces krijgt de blank, in tegenstelling tot wat de fabrikanten wel zouden wensen, een zachte en een harde kant en vaak ook een holle en een bolle kant, wat resulteert in lichtjes gebogen hengeldelen. Bij belasting zal de hengel de makkelijkste manier van buigen zoeken, de plaats met de minste weerstand en buigt hij via zijn zachtste zijde. Indien de blank zo geplaatst wordt dat deze kan roteren om zijn eigen as dan zal de zachte kant, wanneer de blank belast wordt, zich verplaatsen in de richting van het aangrijpingspunt van de kracht verantwoordelijk voor de buiging. De enige juiste plaats voor de geleideringen is dan ook de zachte kant van de blank, daar deze zijde zich tijdens de dril richting vis zal keren. Werden de geleideringen op enige andere kant gemonteerd dan ontstaat er bij belasting een geforceerde toestand waarbij de zachte kant naar beneden wil zodat de geleideringen neiging vertonen weg te willen draaien. Om de geleideringen toch richting vis te houden moet de nylonlijn extra kracht uitoefenen op de geleideringen, verspilde kracht want de hengel wordt er minder functioneel en minder efficiŽnt door en verliest aan effectieve dril- en werpkracht. Nauwkeurig werpen wordt inderdaad een stuk moeilijker. Tijdens de toenemende belasting die optreedt wanneer de worp eenmaal ingezet wordt zoekt de blank zijn zachte kant wat aan het werpgewicht een richtingsafwijking meegeeft.
Fabrikanten en hengelbouwers plaatsen de geleideringen vaak op de verkeerde plaats rondom de blank. Vaak vallen holle en zachte kant samen. Wanneer de geleideringen op de bolle kant geplaatst worden zorgt het gewicht ervan, alsmede het gewicht van de laklagen die de pootjes der geleideringen vasthouden dat de hengel recht zal trekken, wat weliswaar mooi oogt een verkoopsmotief bij uitstek doch een minder efficiŽnte hengel oplevert.
Het is voor ťťnieder een makkie om bij aanschaf van een werphengel even te controleren of de geleideringen op de juiste zijde geplaatst werden. Neem daartoe (om beurt) het (voorste en achterste) hengeldeel en zet het met zijn onderkant op de vloer. Uw voet plaatst dusdanig achter het hengeldeel dat dit niet kan wegschuiven. Met uw ene hand brengt u het hengeldeel onder spanning, uw andere hand ondersteunt het deel ongeveer in het midden. De hengel draait nu automatisch naar de zacht kant. Wijzen de geleideringen richting gebogen zijde? Kopen die hengel!
Dat een hengel wel degelijk een holle en een bolle kant bezit wordt makkelijk aangetoond met behulp van een drinkglas. Het (kale) hengeldeel wordt in evenwicht boven op het rechtstaand glas gelegd. Het zal steeds met dezelfde zijde - de holle zijde - naar beneden draaien.

4.2.Plaatsing in de lengterichting van de hengel

De geleideringen worden met een progressief groter wordende onderlinge afstand geplaatst naarmate ze zich korter bij het handvat bevinden, niet op willekeurige plaats, doch wel daar waar ze het meest functioneel staan.
Op het ogenblik dat dit artikel in voorbereiding was verschijnt er in ons magazine een interessant artikel (Mag. n' 9 juli 1998 "Bedenkingen bij de moderne karpervisserij" door Jo Mebis) betreffende het aantal en de plaatsing der geleideringen waarin Jo aanhaalt dat een hengel voldoende geleideringen moet bezitten opdat het pijl-boog effect dat de lijn ten opzichte van de hengel zou kunnen hebben vermeden wordt.
De taak van geleideringen gaat veel verder dan loutere lijngeleiding. Hun plaatsing maakt een hengel functioneel en draagt bij tot een goede krachtdistributie. De nylonlijn veroorzaakt, wanneer de hengel onder spanning staat, een wrijvingsweerstand op de geleideringen. Aldus vormt elke ring een aangrijpingspunt van de kracht op het hengeldeel waardoor de blank op die plaats doorbuigt (wet van actie en reactie) en weerstand levert, welke weerstand de vis moet vermoeien. De kracht die de karper in zijn vluchtpogingen teweegbrengt wordt meer geabsorbeerd door de weerstand die de hengel oplevert naarmate deze verder naar achteren doorbuigt en wordt over de ganse lengte van de hengel verdeeld. Het teveel aan kracht wordt afgeleid en opgevangen door een corrigerend werkende molenslip, het sluitstuk op de verdediging zeg maar, op dat moment het middel dat ons tegen lijnbreuk moet behoeden. Oorzaken die aan de basis liggen van een gebrekkige overbrenging naar de molenslip zijn een foutieve plaatsing der geleideringen waardoor de lijn ten opzichte van de hengel het bewuste pijl-boogeffect vormt of de manier van buigen van de blank. Bij een hengel met een snel of sprongsgewijs verloop, het type fasttaper dus, waarbij het achterste gedeelte niet of onvoldoende meebuigt, geschiedt de krachtdistributie onvoldoende. Dit vormt vaak dā oorzaak die een dril vroegtijdig laat sterven door lijnbreuk.

5.De werking van de slip

Hoe meer geleideringen gemonteerd worden op de blank, hoe losser de slip afgestemd kan worden. Elke ring absorbeert een deel van de kracht die de strijdende vis uitoefent. De kracht die door de slip moet opgevangen worden is gelijk aan de treksterkte minus een veiligheidsmarge ingebouwd ter voorkoming van lijnbreuk, minus de buigingsweerstand geleverd door de wrijving van de lijn op de geleideringen. Het weze overigens opgemerkt dat NIET de slip, maar de veerkracht en de massa van de gebogen hengel de constante weerstand vormen die de vis moet doen capituleren.

6.De relatie tussen testcurve en lijndikte

Hoe meer energie de hengel in staat is te leveren, hoe sterker de lijn waarmee gevist wordt gekozen moet worden. De hengel en niet de slip bepaalt wat een nylonlijn vermag. Past er bij een hengel met een TC van 2 lb ook een lijn met een trekkracht van 2 lb? Neen, want de TC leert ons niets over de maximale weerstand die een hengel in staat is te ontwikkelen. De hengel zal weliswaar geen grotere hoek maken dan die van 90į, doch naarmate de belasting opgevoerd wordt zal de hengel naar het achtereind toe verder gaan doorbuigen. Aldus wordt een krachtreserve aangesproken en is er voor het bereiken van die buiging een kracht nodig die (veel) groter is dan de 2 lb van de TC. Bovendien wordt de lijn tijdens hengelomstandigheden zelden of nooit gelijkmatig belast, maar ondergaat ze plotse schokken (uitwerpen, de krachtexplosies van een gehaakte karper...). Daarom dient een lijn gekozen worden die 4 Ö 5 maal de trekkracht bezit van de TC, zonder dat hiervoor overigens een vaste regel of formule bestaat. De 2 lb-hengel uit het voorbeeld vraagt dus een 8 Ö 10 lb sterke lijn. Bij het gebruik van een te dunne en onvoldoende sterke lijn blijft een deel van de potentiŽle buigingsweerstand onbenut. De spanning kan slechts tot op een bepaald punt van de molen teruggebracht worden. Het weze beter om naar een lichtere hengel te grijpen wil men die bepaalde lijn bezigen. Bij overbelasting gaat de slip krijsen lang voordat de lijn haar breekpunt bereikt heeft. De top van de hengel wordt in een rechte hoek getrokken. Het achtereind moet trachten de geringe weerstand van de top te corrigeren.

7. Werpvermogen

Elke hengel, ongeacht zijn buigingspatroon, actie of TC heeft een eigen ideaal werpgewicht waarmee die hengel een maximale werpprestatie kan leveren. Een hoger gewicht leidt tot overbelasting. De hengel gedraagt zich als een slappe vod en kan het werpgewicht onvoldoende snelheid meegeven waardoor de werpafstand ondermaats blijft. Een te laag gewicht zorgt dan weer voor onderbelasting. De buigkracht blijft gedeeltelijk onbenut en de maximale werpafstand wordt ook in dit geval niet gehaald. Voor het vaststellen van het ideale werpgewicht van een bepaalde hengel bestaat geen hocus-pocus formule, hoewel sommigen wel eens anders willen beweren. Het blijft een kwestie van proberen. Dat ideale werpgewicht kan vrij nauwkeurig, op enkele grammen na bepaald worden en kan nooit een ruime marge zijn (bijv. ideaal werpgewicht van 60 Ö 65 gram is mogelijk maar wie beweert dat een hengel een ideaal werpgewicht bezit variŽrend van 20 tot 100 gram heeft op zijn zachts gezegd enig gevoel voor humor. Hoe hoger de TC, hoe hoger het ideale werpgewicht in regel zal liggen.

Opmerking 1: Het ideale visgewicht is daarom niet het ideale werpgewicht. Een zelfhakingssysteem dat een kluit lood vraagt en vlak onder de oever gevist wordt mag hiervan een goed voorbeeld zijn. Er wordt in zulk geval best geopteerd voor een zachte hengel, met een lage TC om de krachtsontplooiingen van een kortbij gehaakte karper te neutraliseren en om uitscheuring van de haak te voorkomen. Met die hengel deponeert u echter een voor die hengel te zwaar lood. Conclusie: Het ideale werpgewicht is niet altijd het ideale gewicht nodig om uw rig optimaal te laten functioneren omgekeerd.
Opmerking 2: Eens te meer geef ik voor de cijferfreaks de omzetting van werpgewichten uitgedrukt in oz. naar grammen.
Opmerking 3: Hoe verder geworpen dient te worden, hoe belangrijker het gebruik van het juiste werpgewicht wordt.
Opmerking 4: Werpen met stevige zijwind is een belevenis op zich. Werpen met sterke tegen- of rugwind al eveneens. Men dient in zulke omstandigheden lager, respectievelijk hoger af te zetten omwille van de duwkracht van de wind op de lijn. Wind is alleszins nefast voor het werpen, doch het nadeel dient zo klein mogelijk gehouden te worden. Bij tegenwind duwt de wind de lijn als het ware omhoog en dient lager afgezet te worden. Wind in de rug duwt de lijn bij het uitwerpen neerwaarts en daarom dient men in zulke gevallen de boel iets vroeger los te laten. Enige oefening is wellicht op zijn plaats en zal vlug resultaten opleveren, doch bewaar uw oefendrift voor die momenten waarop de auteur niet die buurt vertoeft.

terug naar de hoofdpagina