(©
W.M. van Poelje 2010
dit artikel verscheen in Tijdschrift voor Yoga nr. 2/11, jaargang 22, juni 2011)
Pranayama
in de Bhagavad Gita? Dat is niet de eerste plaats waar je informatie
over de adem zou verwachten. De Bhagavad Gita betekent letterlijk het
‘Lied van de Heer’. Het is opgenomen in de Mahabharata, een groot heldenepos
uit lang vervlogen tijden. De Gita zelf dateert waarschijnlijk uit de eerste of
tweede
eeuw.
U
herinnert zich het verhaal nog wel. De Gita is een dialoog tussen Krishna
en Arjuna. Krishna is een incarnatie van de god Vishnu en Arjuna is een
krijgsheer. Arjuna bevindt zich op het slagveld waar twee legers tegen over
elkaar opgesteld staan. Als Arjuna twijfelt omwille van de vele familieleden die
gedood zullen worden, leert Krishna hem dat hij toch zijn plicht als krijger (dharma)
moet vervullen. Krishna gebruikt deze context om de yoga van de handeling uit te
leggen.
Veel
hindoes beschouwen de Gita als geopenbaarde (shruti) literatuur, net als de
Veda's. De Gita was het favoriete geschrift van Mahatma Gandhi. Maar ook
veel westerlingen hebben zich er door laten inspireren, zoals de filosofen Hegel
en Schopenhauer, en de dichter Walt Whitman. De Gita is een bron van inspiratie
en wijsheid voor veel hedendaagse yogi’s.
Maar
pranayama, dat verwacht je er niet in aan te treffen. En toch gaan in het vierde
en vijfde hoofdstuk enkele verzen wel degelijk over adembeheersing. Juist
omdat dit vroege verzen zijn, ongeveer duizend jaar voor het opbloeien van de
hatha yoga, is het de moeite waard om ze te bestuderen.
4.29 Weer
anderen
die geneigd zijn tot de beheersing van de ademhaling (pranayama), controleren de
adembeweging en offeren de uitademing (apana)
in de inademing (prana), en de inademing (prana) in de
uitademing (apana). Anderen, beheerst in hun
dieet, offeren de zintuigen in de levensadem.
In het Sanskriet staat er apāne juhvati prāņam = uitademing (apana) offer (juhvati) inademing (prana).
5.27 - 5.28 Afgesloten van onnodige indrukken van de zintuigen, met de blik gericht tussen de wenkbrauwen, maakt hij de ingaande en uitgaande luchtstroom in de neusgaten gelijk. Met de zintuigen, het denken en de rede beheerst, wordt de wijze die enkel gericht is op bevrijding vrij van begeerte, angst en woede. Altijd in deze staat verkerend is hij waarlijk bevrijd.
In het Sanskriet staat er prānāpānau samau = inademing (prana) uitademing (apana) gelijk (sama).
Het belangrijkste woord aan het einde van het vierde hoofdstuk is zondermeer het woord "offer". In vroegere geschriften, de Veda's, speelde het offer ook een grote rol. Toen ging het echter om externe offers, zoals vuuroffers volgens ingewikkelde rituelen. Hier gaat het om symbolische, interne offers. Eerdere verzen spreken over het offeren van rijkdom door ascetisch te leven, het offer van zelfstudie en het offer van yogabeoefening. Steeds gaat het over een offergave uit devotie. In dit vers (4.29) gaat het om het offer van de levensadem, het mengen van apana en prana zoals geklaarde boter en melk in vuur geofferd worden.
Pranayama gaat over het beheersen en uitbreiden van prana, de levensenergie. Juist omdat prana het meest duidelijk voelbaar is in de ademhaling begint pranayama vaak met ademhalingsoefeningen. Toch is prana veel meer dan de adem. Prana (met een hoofdletter) is universele energie, de oerenergie van het universum. In vroegere yoga teksten wordt zij vayu genoemd, wind of lucht. Prana is zelf onkenbaar en wordt alleen door haar effecten bekend. Net zoals de wind onzichtbaar is en herkenbaar wordt in het bewegen van de takken van een boom. In het lichaam beheerst zij alle levensprocessen. Prana is de subtiele energie van de inademing en de uitademing. Prana is de kracht achter het bewegen van een gedachte. Prana stuurt de vertering van voedsel en zintuiglijke indrukken. Prana verspreidt zuurstof en voedsel door het hele lichaam. Prana zorgt voor de uitscheiding van afvalstoffen. Prana is voelbaar als een energieveld rondom het lichaam. Prana zorgt ervoor dat iedere cel in het lichaam kan leven en functioneren. Enzovoort. Vijf prana'sIn het lichaam wordt prana onderverdeeld in vijf primaire vormen naar gelang het lichaamsgebied: prana, apana, samana, udana, en vyana. Iedere van de vijf energieën heeft ook een eigen beweging en werking op bepaalde organen.Toch zijn het allemaal manifestaties van één levenskracht (Prana). De belangrijkste energieën zijn prana en apana omdat ze nauw verbonden zijn met het ademhalingsproces. Ze zijn daarom ook door de yogi te beïnvloeden. Tabel 1 geeft meer uitleg. |
Figuur 1: vijf prana's |
|
Energie |
Betekenis van de naam |
Lichaamsgebied |
Werking |
|
prana |
Voorwaarts bewegende adem, inademing |
hart (tussen strottenhoofd en middenrif) |
Inademing van lucht |
|
Apana prana |
Uitgaande adem, uitademing |
anus (tussen navel en bekkenbodem) |
Uitademing, uitscheiden van afvalstoffen |
|
Samana prana |
Balancerende adem |
navel (tussen navel en middenrif) |
Absorptie van zuurstof uit de lucht, vertering van voedsel |
|
Udana prana |
Opwaarts bewegende adem |
keel (en hoofd, armen en benen) |
Spraak, bewegen van armen en benen |
|
Vyana prana |
Doorgaande adem |
doordringt het hele lichaam |
Verspreiding van voedsel, zuurstof, bloed en lymfe door het hele lichaam. |
|
Prana (mahaprana) |
Universele energie, alom en altijd tegenwoordig (maha = groot) |
||
TABEL 1: De vijf prana's: Het concept van de vijf energieën (panchaprana) is wijdverbreid in de oude yogaliteratuur, met als één van de vroegste referenties de Brihadaranyaka Upanishad.
De Bhagavad Gita heeft het over prana en apana, de subtiele energie van de inademing en de uitademing. Prana is werkzaam rondom het hart, in het gebied tussen het middenrif en de keel. Prana is de energie verantwoordelijk voor de inademing. Apana is werkzaam in de onderbuik tussen de navel en het perineum. Apana stuurt de uitscheiding van afvalstoffen zoals urine en feces, maar ook de uitademing van koolzuur. De navel ligt tussen de gebieden van prana en apana. Hier heerst samana.
Prana en apana hebben verschillende kwaliteiten. In de neusgaten voelt de inademing (prana) koeler aan dan de uitademing (apana). Prana is dus koel en apana is warm. Als we inademen kunnen we een opwekkende energie voelen in de hartstreek (prana). Tijdens de uitademing kunnen we een grondende beweging voelen in de onderbuik (apana). Als we de energieën met een plant vergelijken dan is prana de opbloeiende, verruimende kwaliteit van de bloemen. Apana is de grondende, neergaande kwaliteit van de wortels. Als dit niet gelijk duidelijk is dan kan je de adem even inhouden. Apana is de impuls die de uitademing op gang brengt. Maak ook eens een pauze met lege longen. Prana is dan de energie die zorgt dat de inademing weer begint. De energieën zijn elkaars tegenpolen, maar kunnen toch tot elkaar komen.
In vers 5.27 staat dat prana en apana aan elkaar gelijk worden. Dat kan op verschillende wijzen uitgelegd worden - van alledaags tot meditatie. Neem bijvoorbeeld een eenvoudige ademhalingsoefening. Ga gemakkelijk zitten met een rechte rug. Beoefen de in- en uitademing met een licht geknepen stemspleet zodat er een licht geruis in de keel ontstaat (ujjayi). Het geruis van de oceaan. Adem zo lang mogelijk in zolang dat gemakkelijk gaat. Adem zo lang mogelijk uit zolang dat gemakkelijk gaat. Bijvoorbeeld vier ademhalingen per minuut. Maak de inademing ongeveer net zo lang als de uitademing (1:1). Gelijkmaken van prana en apana zegt dan iets over de stijl van beoefening. Het geluid van de inademing is gelijkmatig en dat is zo vanaf het begin tot het einde van de inademing. Dat is ook zo voor de uitademing. De lengte, het geluid en de ademstroom van de in- en uitademing worden zo aan elkaar gelijk (5.27).
Terwijl we zo zitten kunnen we ook overgaan tot het observeren van de ademhaling, in plaats van met de adem te "oefenen". Door de blik zachtjes op het punt tussen de wenkbrauwen te richten keren we naar binnen. Alleen al door het observeren van de ademhaling worden de ademstromen na verloop van tijd subtieler, verfijnder. We worden ons zo gewaar van de adem in de adem, de subtiele ademenergie. De adem wordt zo verfijnd dat de verschillen tussen in- en uitademing lijken te verdwijnen. Prana en apana worden aan elkaar gelijk (5.27); ze zijn als het ware aan elkaar geofferd (4.29).
De hele adembeweging bestaat uit
een inademing, een uitademing en de twee pauzes er tussen. Dat geldt voor
iedere ademtocht. Na langdurige beoefening kunnen er ook spontane pauzes
in de ademhaling ontstaan. In de adempauzes blijft alleen een gelijkmatig gevoel
van stilte over, de verschillen tussen inademing en uitademing zijn verdwenen.
De zintuigen worden hier minder gevoelig voor de omgeving. De gedachten
verdwijnen naar de achtergrond. En de emoties worden gekalmeerd zodat de
geest wordt gezuiverd van begeerte, woede en angst (5.28). Dit is een stap naar
bevrijding.
De subtiele energie van de inademing (prana) en van de uitademing (apana) - daar gaan deze verzen van de Bhagavad Gita over. En over het gelijkmaken ervan. Zoals we hebben gezien is het gelijkmaken op veel manieren uit te leggen. Er zijn alledaagse en meer subtiele verklaringen. Gelijkmaken kan betekenen dat de ademhaling regelmatig wordt. Of dat we ons bewust worden van de subtiele, gelijkmatige ademenergieën.
De Gita spoort ons aan om te oefenen met een houding van devotie. Terwijl we de zintuigen beheersen offeren we de ademstromen aan elkaar en in elkaar. Dat werkt bevrijdend. Het verenigen van de polariteiten van prana en apana is een offer aan het hogere. Want uiteindelijk kan "ik" de verlichting niet bereiken; alleen iets dat groter is kan dat bewerkstelligen. Dat is de pranayama die verwoord wordt in het Lied van de Heer.
G.
Feuerstein, The Yoga Tradition, Hohm Press, 1989
C.
Keus, Bhagavad Gita, Ankh-Hermes, Deventer, 1983.
www.bhagavad-gita.org:
Sanskriet en Engelse tekst met vier commentaren