Wim Spoelder   Homepage
  Schrijf een bericht in het gastenboek laatste aanpassing 20 december 2010   Bekijk hier mijn gastenboek.
 

 

Een kopie van  

een oude familie foto  

is van harte welkom.  

 

Fotopagina

van't Kruis            van't Kruijs           van't Cruijs          van het Cruijs

  home
e-mail
terug genealogie
  Wie zijn dit?  onbekende foto´s waarschijnlijk van´t Kruis WIE ZIJN DIT?  

 

     
  VII.4.b Hester van´t Kruis VII.9.b Overlijden Arie Blok    

 

 

 
 

VIII.4.a Arie van der Sluis  vader van Adriana van der Sluis

briefkaart verzonden aan

IX.3.a Willem Worp  en Aagje van 't Kruis door

Adriana van der Sluis.

(dorpstraat Amstelveen)

 

 

 

 

 

 

 

   
 

VIII.4.a   Adriana van der Sluis  geboren 04-03-1830 Mijdrecht 

gehuwd met Klaas van 't Kruis

 
    terug genealogie

 

 
 

IX.1.b

Arie Boekenkruger

geb 28-12-1856

   IX.4.a.

Niesje van't Kruis

geb.29-04-1868

 

IX.5.a

Klaas van't Kruis

geb.31-08-1871

IX.5.a

Trientje van 't Kruis-Mulder

geb. ca.1878

IX.3.a

Aagje van't Kruis

geb.06-06-1874

 

 

 
 

IX.4.a

Niesje van 't Kruis - Willem Verburg

Kinderen: Adriaan Verburg  Sien Verburg

Han Verburg  en ....... Verburg

 

 

IX.4.a

Niesje van 't Kruis

 

 

IX.5.b.

Marijtje van't Kruis

IX.3.a

Aagje van 't Kruis - Willem Worp

Kinderen: Simon Worp 

Klaas Worp  en Cornelia Adriana Worp 

 

 

 
 

IX.3.b

Nicolaas van't Kruis

geb.18-01-1859

IX.3.b

Anna van't Kruis-Piet

geb.05-03-1857 

X.1.a

Leendert van't Kruis

geb. 30-06-1891

X.2.b

Geertruida van't Kruis

geb.19-09-1893

X.3.b

Willem van't kruis

geb. 24-05-1896

 

 

 

Marinus Jacobus van ’t Kruijs, heeft door zijn lange voorzitterschap (34 jaar)

een belangrijk stempel gedrukt op de ontwikkeling van de NGV afdeling Gelderland. Van ’t Kruijs werd geboren in het Villapark te Maastricht op

22 november 1918. Hij was een laatkomertje, zijn ouders waren al 13 jaar getrouwd. Hij bleef enig kind. Zijn vader, als chemicus en afdelingschef werkzaam bij het Rijkslandbouwproefstation,leed al enige jaren aan een hartkwaal en overleed in 1926 plotseling. Moeder en zevenjarige zoon verhuisden naar Den Haag, later naar Scheveningen,waar toen nog familie van haar zijde woonde. Zodoende groeide hij op temidden van de familie van zijn moeder. “Op” Scheveningen doorliep hij het Vrijzinnig Christelijk Lyceum. Na het behalen van het diploma Gymnasium A (1939), ging hij rechten studeren aan de Universiteit van Leiden en gelijktijdig kunstgeschiedenis aan de Academie voor Beeldende Kunsten in Den Haag. In 1942 behaalde hij zijn kandidaats rechten; de universiteit was inmiddels algesloten wegens de oorlogsomstandigheden. Al spoedig volgde toen de evacuatie van Scheveningen. Eerst moeder, later ook zoon, kwamen terecht in Nijmegen, waar de moeder in 1943 overleed. Van’t Kruijs dook onder om zich aan de “Arbeitseinsatz” te onttrekken. De studie in de kunstgeschiedenis heeft hij daardoor moeten afbreken, de rechtenstudie zette hij echter voort bij repetitoren in

Nijmegen en Amsterdam. Zodoende kon hij direct na de oorlog zijn bul in ontvangst nemen aan de Vrije Universiteit te Amsterdam (1946).In maart 1946 werd hij aangesteld als beëdigd klerk ter griffie aan de arrondissementsrechtbank te Arnhem. Bij deze rechtbank klom hij op tot substituut-griffier en vervolgens bekleedde hij dezelfde functie bij het Gerechtshof aldaar, tot aan zijn pensionering in 1983.

In deze functie was hij tevens plaatsvervangend secretaris van de Kamer van Toezicht op de Notarissen. In 1960 huwde hij met Louise A.C. Heukels; het huwelijk bleef kinderloos. Uit sociale belangstelling en ook om de andere kant van zijn werk te ervaren, was hij in deze jaren ook geruime tijd reserve-officier, laatstelijk in de rang van kapitein, bij de rijkspolitie. Al heel vroeg, 12-13 jaar oud, had hij belangstelling voor de genealogie. Het verhaal in de familie Buijs over een miljoenenerfenis van mr. Johan Meerman (1753-1815), zoon van

Gerard Meerman en Maria Catharina Buijs, een rijke erfdochter, wekte onder meer zijn belangstelling, al stond hij kritisch tegenover een eventuele verwantschap met deze familie. Later bleek uit familiepapieren, dat ook betovergrootvader Arie Buijs zich al met deze kwestie had beziggehouden. Enige jaren geleden bleek echter alsnog de mogelijkheid van een zeer verre verwantschap, daar beide families uit Gorinchem afkomstig en zeer welgesteld waren. Bij Van ’t Kruijs zijn van moederskant zeer veel familiepapieren

opgemaakt en bewaard gebleven. Daardoor bevat het rijke familiearchief vele originele 18e en 19e eeuwse stukken, akten, tekeningen, miniaturen en foto’s. In 1954 werd hij lid van de Nederlandse Genealogische Vereniging (NGV). Binnen deze vereniging bekleedde hij in de loop der jaren een aantal functies. Direct in 1954 werd hij bestuurslid van de afdeling Gelderland, reeds een jaar later voorzitter, een functie die hij 33 jaar zou blijven vervullen.

Van 1963-1986 was hij lid van het Hoofdbestuur.

 

 

X.1.b

Marius Jacobus van't Kruijs

geb.22-11-1918

 

 

 
       

terug genealogie

 

 
  X.7.a Jacobus van't Kruis- Hillegonda van den Berg

X.5.a. Jan van't Kruis en Niesje van den Berg

                X.2.b Geertruida van´t Kruis

XI.3.a Nicolaas van't Kruis

 

 
 

X.7.b. Frederik Matthijs van´t Kruija

en Maria Christina Bonzet

 

XI.2.b. Maria Christina van´t Kruijs

en Pieter Kikke 1938

XI.4.a Willem (Bill) van´t Kruis en

Cornelia van Leeuwen 1947

 

XI.4.a Willem (Bill) van´t Kruis en

Cornelia van Leeuwen met

Leendert Nicolaas en Aaltje Louise

 

 
 

X.1.c Marie Nijsina Hermina

Ram-van ‘t Kruijs

 

X.1.c Marie Nijsina Hermina

Ram-van ‘t Kruijs

 

IX.5.c   Simon van ‘t Kruijs

Magdalena Nijsina Hermina van Roosebeek

X.8.a.Leendert van't Kruis en

Dirkje Immerseel

 

 

 

Een onbekende opera over Den Briel

 

Inleiding
Liedjes, rijmpjes en gedichten die betrekking hebben op het veroveren van Den Briel zijn er al eeuwen.
De vroegste gedichtjes en liedjes zijn bijna even oud als het feit zelf. Van alle versjes die vanaf 1572 op de inneming van Den Briel gemaakt zijn, werden het spotrijmpje  Op 1 April, verloor Alva zijn Bril' en het liedje 'In naam van Oranje, doe open de poort, de Watergeus ligt aan den wal' het meest bekend. Tot nu toe zijn ze in bekendheid nog niet overtroffen. Ook Johan Been, een dichter-schrijver van eigen bodem, heeft over dit onder-werp niet iets geproduceerd waarmee hij buiten Brielle blijvendebekendheid heeft verworven. Toch waren zijn gedichten en liedjes in zijn tijd gewild. Grote namen uit de toneel- en muziek-wereld, zoals de acteur Louis Bouwmeester of de componist Bernard Zweers, vroegen Been wel eens iets voor hen te schrijven. Ook heeft hij ooit een opera geschreven over de verovering van Den Briel, genaamd 'De Watergeuzen'. Daarin vind je 'het lied van

Rochus Meeuwiszoon' waarmee hij, wanneer het lot hem goedgunstiger was geweest, zijn naam in de wereld van de muzikaal-dramatische kunst had kunnen vestigen.

Jenneke Groeneveld

 

Hoe zat deze geschiedenis in elkaar?


Een Nederlandstalig Operagezelschap
In 1886 richtte J.G. de Groot, onderdirecteur van de Parkschouwburg te Amsterdam, de 'Nederlandsche Opera' op. Daarvoor was moed nodig geweest want de geschiedenis van de Nederlandse opera was er een van opstaan en vallen. Vanaf 1772 was er geen nationaal operagezelschap in geslaagd voor langere tijd vaste voet te krijgen.
De Groot echter liet zich niet beïnvloeden door de negatieve ervaringen van eerdere Nederlandstalige operagezelschappen. Hij voer zijn eigen koers en ging voortvarend te werk. Nog in oktober van datzelfde jaar 1886 werd de in het Nederlands vertaalde opera 'Faust' met Nederlandse zangers uitgevoerd. Hierna verzette De Groot de bakens nog wat rigoureuzer: nu streefde hij naar oorspronkelijke opera's in het Nederlands. Aan het bezwaar dat men in Nederland niet over goed opgeleide zangers kon beschikken werd tegemoet gekomen door de in 1890 te Amsterdam opgerichte Vereniging tot bevordering van de Nederlandsche Muzikaal-dramatische Kunst, waar zangers en zangeressen opgeleid en gevormd konden worden. Ook componisten werden aangemoedigd opera's te maken, bij voorkeur over een vaderlands onderwerp. Een van die componisten die de handschoen oppakte was Marius van 't Kruijs.

 

Het libretto

Op het moment dat er sprake was van een Franse vertaling, haastte Been zich het zesenveertig pagina's tellende libretto in het Elseviers Geïllustreerd Maandschrift van juni 1896 te publiceren. Daarmee werd de oorspronkelijke tekst vastgelegd.

De operatekst verscheen in twee afleveringen en werd rijkelijk geïllustreerd met onder andere tekeningen van Johan Braakensiek. Kon Been zich als librettist nog getroost voelen door een zekere erkenning voor de tekst en een levenslange vriendschap met Braakensiek, voor anderen moet de teleurstelling zeer groot geweestzijn. De Nederlandsche Opera, in 1886 met zoveel zelfvertrouwen door De Groot opgericht, werd na jaren tussen hoop en vrees te hebben gezweefd in 1896 opgeheven. De verhouding tussen C. van der Linden, de orkestdirecteur van Nederlandsche Opera en Van 't Kruijs escaleerde. Been schreef aan een bekende: 'Van 't Kruijs is 'n kwaaie korporaal; goeie hemel, hij is zoo lastig, en hij heeft dien armen Van der Linden op z'n tabberd gegeven, dat er de vlokken afstoven'. Na dit debacle heeft Van 't Kruijs zich nooit meer aan een opera gewaagd. Gelukkig heeft de samenwerking met Been, getuige de liedjes en gedichten die hij door de jaren heen voor hem op muziek zette, stand gehouden.

IX.1.f Marinus Hendrik

van't Kruijs

     A. van der Valk (tekenaar)

 

 
  Johan Been
         
 

Vader en zoon Van 't Kruijs in Brielle

Toen Marius van 't Kruijs rond 1894 de Catharijnekerk bezocht, was hij niet de eerste Van 't Kruijs die

interesse voor het orgel toonde. Twintig jaar daarvoor had ook zijn vader, Jan van 't Kruijs, het orgel bespeeld. Van 't Kruijs junior kwam naar de Catharijnekerk omdat hij plezier beleefde aan het zien en spelen op voor

hem vreemde orgels. Van 't Kruijs senior had andere drijfveren. In 1865solliciteerde hij naar de vacature van de functie organist en klokkenist van de Catharijnekerk. Volgens de examinatoren, voor wie hij zijn proeve van bekwaamheid moest afleggen, had hij met kopen schouders boven de andere gegadigden uitgestoken. In weer-wil daarvan echter kwamen de kerkvoogden en het gemeentebestuur tot een andere keuze. De heer

J. van 't Kruijs had het nakijken en keerde terug naar Oudewater waar hij behalve organist-klokkenist ook muziekonderwijzer en koordirigent was. Twee jaar later, in februari 1867, horen we opnieuw van deze

Van 't Kruijs. In Caecilia, het muziektijdschrift van die dagen, komt een berichtje voor waarin staat dat het vijfjarig zoontje van den heer J. van 't Kruijs, muziekonderwijzer en organist te Oudewater, een verdienstelijke uitvoering op de pianoforte heeft gegeven. 'Hij', zo luidt de mededeling, 'voerde de stukken met zooveel juist-heid, aplomb en gevoel uit, dat men zich nauwelijks kon voorstellen, dat een zoo jeugdig kind aan de piano zat. Men mag dan ook gerust verwachten', vervolgt het berichtje, 'dat hij, bij voortdurende ijver en studie, onder zoo bekwame leiding als die van zijn vader, eenmaal een sieraad der muziekale wereld zal worden.' En inderdaad, de jonge Marius ontwikkelde zich tot een zeer begaafd en 'allround' musicus. Al op 20-jarige leeftijd verliet hij, hoogst eervol, de Koninklijke Muziekschool te Den Haag. In 1884 werd hij benoemd tot organist van de Laurenskerk en tot leraar aan de muziekschool te Rotterdam. Het zal omstreeks 1894 geweest zijn toen hij naar Brielle kwam om het orgel te bestuderen en er orgelconcerten te geven. Een ontmoeting met Johan Been, die het in die dagen druk had met het wel en wee van de kerk, lag voor de hand. Een kennismaking tussen de 35-jarige Been en de 33-jarige Van 't Kruijs bleef dan ook niet uit. Wie van de twee het eerst het idee geopperd heeft om gezamenlijk een opera te gaan maken, is niet bekend, maar dat Van 't Kruijs erover begon, lijkt het aan-nemelijkst. Hij had als componist van de 'De bloem van IJsland' immers al een opera op zijn naam staan. Bovendien was hij bekend met het feit dat er een grote behoefte was aan oorspronkelijke opera's, dat wil zeggen aan opera's met muziek en tekst van vaderlandse kunstenaars en bij voorkeur over een vaderlands onderwerp. Van 't Kruijs en Been besloten zichgezamenlijk aan de opera 

'De Watergeuzen' te wagen

 

Johan Been schrijft het libretto

Het jaar 1894 is voor Johan Been in meer dan een opzicht belangrijk geweest: hij kreeg naamsbekendheid buiten Brielle en leverde het libretto voor een opera. Bekendheid buiten Brielle verwierf hij zich met de brochure 'Een Baken in nood!'. Met deze tweeëndertig pagina’s tellende brochure wees hij op het dreigende verval van de Brielse Toren en maakte duidelijk wat de toren, die uit 1482 stamt, voor de geschiedenis van het vaderland heeft betekend. De restauratieplannen van de toren zullen waarschijnlijk Van 't Kruijs' interesse geprikkeld hebben, want aan de binnenkant van deze toren hing het bekende Kam-orgel, het orgel (waarvan hij de dispositien nog niet had beschreven en) waarop ook zijn vader nog gespeeld had. Vanaf die tijd bezocht Van 't Kruijs op eigen initiatief en soms ook op verzoek de Brielse Dom om er een orgelconcert te geven. Een onderwerp voor de opera dat hen beiden aan-sprak, was snel gevonden. Aangezien een opera met de titel 'Leidens ontzet' van de componist C. van der Linde een jaar daarvoor in première was gegaan en goed ontvangen, lag een opera over een ander ijkpunt uit de Tachtigjarige oorlog, 'De inname van Den Briel', dus voor de hand. Toen Been aan zijn opera begon, kon hij nog niet bogen op een publicatie in boekvorm. Wel waren er al een paar feuilletons in landelijk bekende tijdschriften opgenomen en had hij voor een novelle in een krant een zilveren medaille gewonnen, maar landelijke bekend was hij daarmee niet geworden. Evenmin had hij op het gebied van poëzie en drama het niveau van plaatselijk gelegen-heidswerk nog nauwelijks overschreden. Een opera schrijven met een talentvolle componist aan zijn zijde, was dus een enorme uitdaging en wellicht een springplank naar een toekomst in de kunstwereld met de grote 'K'.  De historische bijzonderheden rondom de inname kende Been als geen ander. En misschien was het daarom dat hij besloot het accent niet op de inname van 1 april te leggen. Dat stond immers in elk geschiedenis-boek. De slag om Brielle op 5 april 1572 was heel wat minder bekend, hoewel van groot belang. Op die dag immers hakte Rochus Meeuwiszoon een sluisje open waardoor de polder blank kwam te staan en de Spaanse soldaten, bang voor water, zich terug hadden moeten trekken. Deze glorieuze daad van Rochus Meeuwiszoon zou in de opera centraal komen te staan. Been schreef het libretto in metrische verzen en verlevendigde het geheel met fragmenten uit geestelijke liederen, een paar oud-Hollandse volksliedjes en vaart makende roeiliedjes.

 

Een fragment uit het lied van Rochus Meeuwiszoon:

 

Den Heere dank- en niet zijn knecht....

Hier is een plicht ons opgelegd,

Om in benauwde en droeve dagen

Het leven voor zijn land te wagen

Neen- reik mij thans de driekleur aan.

Zij heeft in angst en vreezen

Het kloppen van mijn hart verstaan....

En nu de vreugd het blij doet slaan

Moet zij ook bij mij wezen. (..)'

 

 

IX.1.f Marinus Hendrik

van't Kruijs

 

 

terug genealogie

 

 

De opera wordt voorgespeeld

In mei 1895 kon de componist Van 't Kruijs, het woord 'einde' zetten onder de partituur die zonder departijen 575 pagina's in oblong-formaat telde. Nog dezelfde maand werd het zangspel voorgespeeld.  De opera werd goedgekeurd door twee orkestdirecteuren (waaronder C. van der Linden). Zij beloofden de opera nog hetzelfde seizoen in première te laten gaan. Door interne moeilijk-heden en de ongunstige financiële situatie kon er op dat moment van een opvoering geen sprake zijn naar de mening van de Raad van beheer. Gelukkig bood de Fransche opera in Den Haag uitkomst. Zij bood aan het zangstuk van de Nederlandsche Opera-Vereeniging te willen overnemen, op voorwaarde dat de tekst in het Frans vertaald zou worden. De Pers reageerde hierop verbouwereerd. Dwazer geval konden zij zich nauwelijks indenken. Kwam het er niet op neer, dat in plaats van het gretig aangrijpen van een Nederlandstalig werk hier van minachting voor dit oervaderlands product getuigd werd?

De Nieuwe Rotterdamsche Courant nam het voor de 'Watergeuzen' op. In een artikel van F. Buitenrust Hettema, werden alle kwaliteiten van de opera breed uitgemeten. Vooral op het feit dat het hier om een vaderlandslievend product ging, werd de nadruk gelegd. ‘En nu, zo eindigde het krantenstuk, 'zou men dit Hollandsch Origineel in ‘t Frans, en nog wel alleen in ‘t Fransch doen opvoeren. In die taal zou klinken ons Wilhelmus? Wie ijvert mee om dit te voorkomen? Wie doet het zijne om nog dit jaar het eigen Hollandsch te hooren in z’n volle klank, in z’n volle uitwerking?’

Deze oproep heeft niet mogen baten: de opera verdween letterlijk en figuurlijk van het toneel.

 

 

Het archiefleven van de opera 'De Watergeuzen'

Van 't Kruijs werd in 1897 benoemd tot dirigent van het Gronings orkest De Harmonie. Tot harmonieus samenwerken kwam het daar echter niet. Na een conflict met de bestuursleden van de vereniging legde Van 't Kruijs zijn functies neer en vertrok in 1905 naar Den Haag. Hier bracht hij vele jaren weliswaar ambteloos, maar gezien de productie van 126 werken in druk zeker niet werkloos door. In 1911 besloot hij Nederland vanwege het hem benauwende muziekklimaat vaarwel te zeggen. Volgens een krantenberichtje in de Nieuwe Brielse Courant vernietigde hij, voor zijn vertrek naar Montreux, het grootste gedeelte van zijn manuscripten en 'daaronder bevond zich ook ‘de partituur eener Ned. Opera, ter opvoering aangenomen door de Ned. Opera-vereeniging’. Het vertrek en de vernietiging van de partituur zal Johan Been het gevoel van een definitief afscheid van zijn opera en samenwerking met de musicus gegeven hebben. In april 1918 echter ontving hij na jaren weer een levensteken van Van 't Kruijs. Deze schreef hem: '(..) gisteren speelde ik onze opera 'De Watergeuzen, want al zijn alle partijen vernietigd, de partituur heb ik nog behouden! En ik durf het nu gerust zeggen: onze opera was een knap werk, voor Holland een meesterwerk, en ik vergeef 't de lui nimmer dat, in plaats van met open armen zoo'n werk te ontvangen, nijd, afgunst, kuiperij 't me onmogelijk heeft gemaakt die opera opgevoerd te krijgen!- 't Is niet voor niets dat ik Holland verlaten heb, want bij veel waardeering is ook veel miskenning, laster. De intrige is mijn lot geweest.(..)' In 1919 stierf Van 't Kruijs in een ziekenhuis te Lausanne. Hoe het verder met de partituur gegaan is, is onduidelijk. Waarschijnlijk is zijn werk geschonken aan of aangekocht door de violist en muziekverzamelaar Willem Noske (1918-1995) die zich op het verzamelen van Nederlandse muziek uit vooral uit de periode 1850-1950 had toegelegd. Rond 2005 kon iedere bezoeker van het Muziekarchief te Den Haag deze collectie inzien, en, jawel, daarin bevond zich ook de partituur van 'De Watergeuzen' in manuscriptvorm.

 

Tot slot

Bij alle liedjes, rijmpjes en gedichtjes over de inneming van Den Briel kan nu ook een opera gevoegd worden. Een succesnummer zal het niet meer worden. Daarvoor zijn tekst en muziek te gedateerd, maar met het liedje van Rochus Meeuwiszoon is diens naam en daad aan de vergetelheid ontrukt en dat was de bedoeling van Johan Been toen hij het libretto schreef.

 

Van de auteur:

Mw J.T. Groeneveld schreef een doctoraalscriptie over het schrijverschap van Johan Been tot 1905. De periode 1905 tot 1930 is in voorbereiding. Vanaf mei 2007 kunt u de website van Johan Been bezoeken.

Een onbekende opera over Den Briel

 

 

 

XI.2.d. Willem POLAK, (1924-1999)
Willem Polak,  journalist en bestuurder (Amsterdam 14-9-1924 - Ilpendam (N.H.) 1-10-1999).  Zoon van Philip Polak, magazijnbediende, later handelsreiziger in textiel, en Clara Jacobs.  Gehuwd op 14-5-1947 met
 

XI.2.d. Johanna Charlotta van 't Kruijs (geb. 1924).

 

De familie waarin Wim Polak als enig kind opgroeide, werd door hem zelf omschreven als 'mensen die altijd goed hun brood hebben verdiend' en 'typisch een goed-burgerlijk milieu, niet een arbeidersgezin' (Hol). Hoewel buitenkerkelijk, was het in menig opzicht een echt joods milieu. Men at op vrijdagavond kippensoep, en als dertienjarige deed Wim

'bar mitswa'. De vader was vakbondslid, stemde op de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) en las Het Volk, maar bij de arbeidersbeweging was hij niet actief betrokken. Zoals vele Amsterdamse joden indertijd deden, verhuisde het gezin Polak in de jaren twintig vanuit de oude Jodenbuurt naar 'De Pijp' en vervolgens, begin jaren dertig, naar een comfortabeler behuizing in de Rivierenbuurt. Polak volgde het middelbaar onderwijs op de Tweede Openbare Handelsschool in de P.L. Takstraat. Met goede cijfers deed hij daar in 1941 eindexamen HBS-A. Inschrijving aan de Universiteit van Amsterdam, waar hij economie wilde studeren, was toen sinds enkele maanden voor joden verboden. Ter compensatie nam hij privé-lessen bij de latere hoogleraar economie Salomon Kleerekoper.In oktober 1942 werden zijn ouders door de Duitse bezetter weggevoerd: zijn moeder werd vermoord in het vernietigingskamp Sobibor en zijn vader kwam 'ergens in Midden-Europa' om het leven. Polak zelf vond door bemiddeling van een oom, die evenals zijn vader handelsreiziger was, eind 1942 een onderduikadres bij een arbeidersgezin in Rossum, ten noorden van Oldenzaal. Hier hield hij zich tweeënhalf jaar schuil, zijn tijd ingeschreven aan de Universiteit van Amsterdam, maar hij gaf aan deze studie een lagere prioriteit dan aan zijn journalistieke werk. In 1948 haalde hij het kandidaatsexamen, maar verder is hij niet gekomen. In 1951 - kort nadat Polak met zijn gezin was verhuisd naar de Amsterdamse nieuwbouwwijk 'Bos en Lommer' - werd hij binnen de Amsterdamse PvdA voorzitter van de afdeling Nieuw-West. In 1954 werd hij tweede voorzitter van het federatiebestuur. Dezelfde ontwikkeling voltrok zich eind jaren vijftig: in 1958, niet lang nadat hij met zijn gezin naar de nieuwbouwwijk 'Slotervaart' was verhuisd, werd Polak vice-voorzitter van de pas opgerichte PvdA-afdeling Slotervaart-Osdorp. Hoewel hij wegens zijn journalistieke en politieke werkzaamheden vaak van huis was, betoonde hij zich een huiselijke man, die graag in zijn gezin verkeerde. Polak loochende zijn joodse afkomst geenszins. Maar die identiteit had voor hem niets exclusiefs, en hij ging er opvallend ontspannen mee om (Menno Polak, NIW). In september 1962 werd Polak tot lid van de gemeenteraad van Amsterdam gekozen. Dankzij de expertise die hij zich als journalist in sociaal-economische aangelegenheden had verworven, maakte hij daar snel carrière. In mei 1964 werd hij voorzitter van de PvdA-fractie, en in september 1965 volgde zijn benoeming tot wethouder voor Financiën, Belastingen en Kunstzaken. Na vijf jaar werd hij - als oudste wethouder - tevens loco-burgemeester. In die functie heeft hij wegens ziekte van I. Samkalden het burgemeesterschap van oktober 1971 tot maart 1972 waargenomen en opnieuw in de zomer van dat jaar. Als beheerder van de portefeuille Financiën had Polak te kampen met een deficit van 90 à 100 miljoen gulden op de begroting. Bij zijn aantreden als wethouder sprak hij dan ook de gedenkwaardige woorden: 'Wie ben ik, dat ik zo'n groot tekort mag beheren?' ( Het Vrije Volk, 1-9-1965). In 1966 was de financiële situatie dermate nijpend dat Polak tijdens zijn zomervakantie in Schotland vrijwel elke dag naar het stadhuis belde met de vraag of er nog genoeg geld in de kas zat om de ambtenaren te betalen

(Roegholt 310). Tegenover zijn ambtenaren was wethouder Polak veeleisend. Als oud-journalist was hij een vaardige stilist, en met die bekwaamheid kon hij zijn ambtenaren danig op de huid zitten. Wanneer hij een ambtelijke tekst in handen kreeg, ging hij er onmiddellijk in schrappen en wijzigen. Soms werd, wanneer hij dat nodig vond, zelfs de hele tekst door hem herschreven (Slot, 95). Niettemin vonden de ambtenaren hem innemend, en zij waardeerden hem vooral als de gewone Amsterdammer met zijn snelle humor.

 

 

Op 11 mei 1973 verruilde Polak zijn wethouderszetel voor de post van staatssecretaris van Binnenlandse Zaken in het kabinet-Den Uyl. Aangezien hij in deze functie speciaal was belast met de gemeentefinanciën, kreeg hij de kans de financiële problemen van de grote steden aan te pakken. Zo zorgde Polak ervoor dat het ministerie van Binnenlandse Zaken een coördinerende bevoegdheid kreeg inzake alle aspecten van de financiën van gemeenten en provincies. Amsterdam werd door zijn toedoen van 1975 tot 1983 een zogeheten 'Artikel 12'-gemeente, waardoor de stad onder curatele van het rijk kwam te staan: elke uitgave vereiste voortaan voorafgaande departementale toestemming. Overigens opereerde Polak, wanneer de Amsterdamse belangen aan de orde waren, uiterst behoedzaam in het Haagse milieu. Achteraf herinnerde hij zich hierover: 'Ik zorgde ervoor, dat ik als staatssecretaris nooit zelf Amsterdam deed. Elke schijn van partijdigheid moest worden vermeden' (Roegholt, 314).
Kort na de val van het kabinet-Den Uyl op 22 maart 1977 werd Polak benoemd tot burgemeester van Amsterdam als opvolger van Samkalden. Op 15 juni van dat jaar werd hij geïnstalleerd. Doordat nu 'een doodgewone Amsterdamse jongen' de ambtswoning aan de Herengracht 502 betrok, kwam er volgens de pers een einde aan de reeks hoofdstedelijke burgemeesters van deftigen huize ( NRC Handelsblad, 15-6-1977). Dit beeld werd door Polaks voorkomen bevestigd. Hij was een kleine, beweeglijke man met een scherp getekend gezicht, getooid met grijze haren en een grote zwarte bril en daaronder een eeuwige glimlach. Vooraf liet Polak weten niet langer dan één zesjarige termijn burgemeester te willen blijven. 'Ergens ligt immers die bananenschil waarover ik kan uitglijden', verklaarde hij (Roegholt, 348). Uitglijders vielen er genoeg te maken, want hij aanvaardde zijn ambt juist op het moment dat er binnen de Amsterdamse gemeenteraad uitzonderlijk scherpe controverses over de stadsvernieuwing leefden, die vooral zijn eigen PvdA-fractie in twee onverzoenlijke kampen verdeelden.
Polaks ambtsperiode was eveneens het tijdsbestek waarin de kraakbeweging het meest actief was. Bij herhaling werd hij als burgemeester gedwongen panden gewapenderhand door de Mobiele Eenheid te laten ontruimen. Een dergelijk besluit nam hij nooit lichtvaardig. Een ontruiming door de politie kostte immers veel tijd en energie. Zijn grote frustratie was dat hij zich in zulke periodes niet kon wijden aan de werkelijke problemen van de stad, zoals het behoud van werkgelegenheid en de economische ontwikkeling. Terwijl het pand 'Groote Keyser' aan de Keizersgracht, dat eind 1979 was gekraakt, nog na taaie onderhandelingen kon worden vrijgemaakt, leidde het verwijderen van krakers uit de 'Vondelvrijstraat' in februari 1980 tot massaal gewelddadig verzet. Polak maakte daaraan een eind door met een bulldozer-tank van het leger de door de krakers opgerichte barricades te verwijderen. Hij deed dat zonder steun van de politieke leiders in de gemeenteraad, die in meerderheid terugschrokken voor hard optreden. Kort na de rellen in de Vondelstraat vond op Koninginnedag 1980 in Amsterdam de inhuldiging van koningin Beatrix plaats. Krakersacties onder de leuze 'Geen woning, geen kroning' liepen uit op felle gevechten in de binnenstad. Met de mogelijkheid van demonstraties had het gemeentebestuur van meet af aan rekening gehouden. Maar toen de politieleiding aan Polak voorstelde om van te voren alle bruggen tussen het Waterlooplein en de binnenstad op te halen - om te verhinderen dat de actievoerders naar de Dam zouden optrekken - wees hij dat plan af. Achteraf merkte hij hierover op: 'Opgehaalde bruggen in de stad had ik immers al een keer meegemaakt: in februari 1941 toen de SS de bruggen om de oude Jodenbuurt had opgehaald of versperd als inleiding tot de eerste grote razzia op joodse mannen en jongens' ( Amsterdammer en sociaal-democraat). De Mobiele Eenheid moest met honden, paarden, waterkanonnen en traangas optreden om het krakersgeweld te beteugelen. Slechts met moeite kon worden voorkomen dat de relschoppers de Dam bereikten, waar in de Nieuwe Kerk de inhuldigingsplechtigheid plaatsvond.

 

Willem Polak, (Burgemeester Amsterdam)

Gedurende Polaks gehele burgemeestersperiode is hij door de krakers persoonlijk aangevallen en bedreigd met teksten als 'Polak, jij zwijn, we krijgen je wel klein'. Hijzelf merkte in een interview over die beschimpingen op: 'Als ik op een muur gekalkt zie 'Polak is een zak', dan doet me dat niet zo vreselijk veel - dat hoort bij mijn werk. Wat ik wel vies vind, zijn de antisemitische telefoontjes die geregeld binnenkomen' ( De Echo, 29-4-1980).
Tot Polaks verdiensten als burgemeester behoort de besluitvorming inzake de bouw van de 'Stopera'. Voor het in 1979 geopperde plan om een nieuw stadhuis en een operatheater in één complex samen te brengen, heeft hij zich met al zijn bestuurskracht ingespannen. De bouwvergunning werd in oktober 1981 verleend.
In de pers werd vaak de indruk gewekt dat Polak weinig doortastend optrad en dat in het college van B en W de socialistische wethouder van Stadsvernieuwing J.L.N. Schaefer - Polaks voormalige collega staatssecretaris - als de eigenlijke burgemeester van Amsterdam optrad. Maar deze voorstelling van zaken is eenzijdig. Polak was een gedegen bestuurder. Hij ging bij voorkeur bedachtzaam te werk en besteedde veel aandacht aan het bedenken van spitsvondige compromissen. Wanneer het erop aankwam, zoals met betrekking tot de ordehandhaving, was hij niet alleen slagvaardig, maar ook onverzettelijk. Dat Polak een grote afkeer had van geweld, was algemeen bekend. Hij ging - zeker bij ontruimingen - tot het uiterste om ingrijpen van de Mobiele Eenheid te voorkomen. Maar stond zijn besluit om gewapenderhand op te treden eenmaal vast, dan toonde hij zich doortastend.
Na zijn afscheid als burgemeester, op 1 juli 1983, betrok het echtpaar Polak in Ilpendam een door de architect G. Rietveld ontworpen bungalow. Van 1984 tot 1994 had hij zitting in de Raad van State. Daar was hij lid van de afdelingen Binnenlandse Zaken en Financiën en voorzitter van de afdeling Economische Zaken. Tevens was hij lid van de bijzondere commissie die het jaarlijks conceptadvies van het college over de Miljoenennota opstelde. Naast het lidmaatschap van de Raad van State vervulde hij tot aan zijn dood vele bestuurlijke nevenfuncties. Na een kort ziekbed overleed hij in 1999 op 75-jarige leeftijd aan kanker.
Polaks verdiensten als wethouder, staatssecretaris, burgemeester en staatsraad betroffen vooral de verhouding tussen de rijksoverheid en de grote steden op financieel terrein. Op grond van die deskundigheid is hij als burgemeester binnengehaald, en als zodanig voldeed hij volledig aan de verwachtingen. Onder zijn leiding werd Amsterdam door moeilijke jaren van politieke consternatie en recessie geloodst en zette de stad de eerste stappen op weg naar een nieuwe, gezondere economie.

 

Gemeentearchief van Amsterdam.

 

 

  Schrijf een bericht in het gastenboek   Bekijk hier mijn gastenboek.   terug genealogie