| 4 oktober 1992: Vliegtuig
crash in Bijlmer flat Op 4
oktober 1992 verliest de EL-AL vracht Boeing 747-F kort na de start vanaf Schiphol twee
motoren boven het Gooimeer. Bij een poging een noodlanding te maken op baan 09-27 raakt
het vliegtuig onbestuurbaar en stort neer op de Bijlmer flat Groeneveen.
Hypotheses over de Bijlmerramp
Over de Bijlmerramp is - meer dan over welke andere Nederlandse ramp dan ook - heel veel
geschreven, onderzocht, gepraat en gegist zonder dat er een éénduidig beeld van de
gebeurtenissen is vast te stellen.
Op deze pagina een gedetailleerde uitwerking van de gebeurtenissen rond de fatale El Al
vlucht LY-1862 op 4 oktober 1992 en de meest waarschijnlijke hypotheses.
De luchtvaartmaatschappij
De staat Israël heeft sinds haar oprichting een bijzondere relatie met Nederland. De
Israëlische geheime dienst kon in Nederland ongestoord haar gang gaan en voor El Al
betekende dat op Schiphol speciale priviléges. Die priviléges dienden 2 doelen: Het
voorkomen van terroristische aanslagen en het doorvoeren van geheime militaire goederen.
Voor het voorkomen van terroristische aanslagen was er een eigen El Al veiligheidsdienst
actief op en om Schiphol. Aanvliegende El Al vliegtuigen mochten afwijken van standaard
landingsprocedures om eventuele aanvallers op het verkeerde been te zetten. Daarbij was
cruciaal dat alleen baan 09-27, de Buitenvelderd baan, in de ogen van de El Al
veiligheidsdienst voldoende bescherming bood tegen raketaanvallen vanwege de aanwezige
bebouwing (Amsterdam ZuidOost, Amstelveen) en bebossing (Amsterdamse Bos). Alle andere
banen hadden een vrij leeg polderlandschap onder de aanvliegroute, ideaal voor het afvuren
van raketten.
Vlucht LY1862
Vlucht LY-1862 werd uitgevoerd met de vracht-Boeing 747F 4X-AXG. De 4X-AXG was oud en in
slechte conditie. Na de stretch New York-Amsterdam-Tel Aviv zou het toestel buiten dienst
gaan voor groot onderhoud. Dat was nodig ook want de lijst met problemen was lang. Geen
van die problemen was echter voldoende ernstig om het toestel aan de grond te houden. Daar
had El Al overigens zijn eigen filosofie over, want op het onderhoud werd fors bezuinigd.
Noodzakelijk onderhoud op aangeven van Boeing werd niet uitgevoerd, waardoor de
ophangbouten van de 4 motoren niet waren gecheckt op metaalmoeheid en zo nodig vervangen.
Bovendien kregen El Al machines regelmatig een luchtwaardigheidsverklaring van de eigen
"rampmaintenance" terwijl dat eigenlijk onverantwoord was.
Tijdens de uitvoering van vlucht LY-1862 was met name belangrijk dat het
vibratie-signaleringssysteem, dat trillingen in de motoren moet signaleren, was uitgezet.
Op foto's die tijdens de landing op Schiphol op 4 oktober 1992 zijn gemaakt zou je kunnen
zien dat motor 3 een ongewone scheefstand had ten opzichte van andere motoren en andere
B747's. Deze scheefstand kan zijn veroorzaakt door het "passend maken" van de
ophanging en hoeft geen risico's op te leveren voor het vlieggedrag, maar zou in ieder
geval meer dan voorziene druk op de ophangpunten van de motor aan de vleugelpylon
opleveren.
Op zaterdag 3 oktober werd de 4X-AXG in New York geladen met een bonte hoeveelheid
goederen. Behalve parfum en consumentengoederen gingen er ook onderdelen voor
wapensystemen en chemicaliën mee. Zo werden voor het Israëlisch militaire
onderzoekslaboratorium grondstoffen voor zenuwgassen aan boord gebracht. Tussen New York
en Amsterdam werden ook nog explosieven vervoerd. De lading werd - vanwege het geheime
militaire karakter - afgedekt door stapels hele of halve ware en valse vrachtbrieven.
Volgens de officieële laadlijsten voldeed alle lading aan de ICAO-normen voor vervoer van
gevaarlijke stoffen door de lucht. Of dat ook gold voor de geheime militaire lading valt
te betwijfelen.
Op zondagavond 4 oktober om 18.22 uur maakte de 4X-AXG zich los van baan 01L, de
Zwanenburgbaan, voor het laatste deel van de reis naar Tel Aviv. Het toestel was zwaar en
kwam met moeite los. Tijdens de NYKE-departure (klimmend in een rechterbocht noord om
Amsterdam naar het baken op het eiland Pampus en vandaar oostwaards naar het
Nijkerk-baken) kostte het veel moeite om hoogte te winnen. "Hij klimt voor geen
meter, die El-Al", stelde de verkeersleiding vast.
Om 18.27 uur was het allemaal teveel voor de vermoeide bouten van motor 3 aan de
rechtervleugel. De bouten scheurden en de motor kwam los van de vleugel. In tegenstelling
tot wat Boeing bij het ontwerpen gedacht had viel de motor niet recht naar beneden maar
sloeg omhoog tegen de voorrand van de vleugel en schoot zijwaards tegen de buitense motor
4. Ook motor 4 raakte los van de vleugel.
Het toestel had op dat moment een hoogte van 6500 voet en vloog een zuidoostelijke koers.
Toen de motoren los raakten bevond het vliegtuig zich precies haaks op de aanvliegroute
van de 09-27 Buitenvelderdbaan ter hoogte van het Pampus-baken. In de cockpit kregen de
vliegers de grootste problemen om het vliegtuig op koers te houden. Allerlei alarmbellen,
-lampjes en -toeters gingen af zonder dat de bemanning een idee had van wat er echt
gebeurde, maar duidelijk was dat er geen vermogen meer was in motor 3 en 4 en was het
ernstig genoeg om een mayday-oproep te doen. "We lost engines 3 and 4" luidde de
boodschap.
Beide motoren stortten in het Gooimeer.
Een mayday is zelfs op Schiphol een uitzonderlijke gebeurtenis. Toen om 18.28 uur de
LY-1862 een noodoproep deed reageerde de verkeersleiding niettemin adequaat. Vliegverkeer
in de omgeving werd uit de buurt gestuurd en direct werd de meest veilige route naar de
meest geschikte landingsbaan vastgesteld. Dat was met een grote rechterbocht om het zuiden
om op te lijnen met baan 06, de Kaagbaan. Deze zou dan met een forse wind tegen worden
aangevlogen vanuit het zuidwesten. De wind tegen zou helpen om het vliegtuig zo veel
mogelijk lift te geven waardoor er met minder motorvermogen geland kon worden.
De verkeersleiders dachten dat het vliegtuig geen vermogen meer had op de 2 motoren
vanwege de vliegbetekenis van het woord "lost". Onbekend is echter of de
vliegers dat ook dachten of wel degelijk in de gaten hadden dat beide motoren ook echt
verloren waren. Vanuit de cockpit zijn de buitenste motoren alleen zichtbaar wanneer je
opstaat uit de vliegerstoel en dicht tegen het zijruit aan naar achteren kijkt. Daar was
in hectiek waarschijnlijk geen gelegenheid voor. Vliegers worden hier ook niet op
getraind. Men gaat ervan uit dat alle informatie op de cockpitinstrumenten zichtbaar
wordt, maar dat geldt niet voor het compleet losraken van onderdelen van het vliegtuig.
Omstanders hadden de motoren echter van het vliegtuig zien vallen en dat bericht bereikte
ook de verkeersleiding, zij het bij een andere afdeling dan degene die inmiddels druk
doende was het vliegtuig veilig terug te brengen. Door miscommunicatie kregen zij dat
bericht niet door en waren ze onwetend van de feitelijke situatie. Concluderend dat een
vliegtuig vliegend op 2 motoren zich normaal gesproken niet echt in een erg kritieke
situatie bevindt probeerden ze toch nog bij de El Al bemanning de ware aard van de
emergency te verifiëren maar deze bevestigde echter om 18.32 uur dat motoren 3 en 4
"out" waren en dat ze problemen hadden met de flaps. Hierop constateerde de
verkeersleiding uiteindelijk dat de LY-1862 "dik,dik,dik in de problemen zat",
maar toen had de 747 met al zijn narigheid al een compleet rondje boven Amsterdam gemaakt.
2 Minuten later verdween de blip van het radarscherm, een mijl ten westen van het baken
Weesp.
De noodlandingspoging
Eerder had Captain Fuks in plaats van de hem aangeboden noodlanding op baan 06
nadrukkelijk gevraagd om op baan 27 te mogen landen. De Boeing bevond zich inmiddels
echter te ver van de naderingslijn van baan 27 om nog recht voor de baan uit te kunnen
komen en werd door de verkeersleiding vanaf Bussum in noordwestelijke richting naar
Amsterdam gestuurd voor een extra rechterbocht, ondertussen dalend en kerosine dumpend om
het landingsgewicht te bereiken.
Waarom Fuks zo gedecideerd voor de landing op baan 27 koos is niet definitief bekend. De
verkeersleiding deelde hem nog mee dat hij dan een ongunstige wind van opzij en in de rug
zou hebben, waardoor het toestel niet kon profiteren van extra lift door tegenwind. Toch
bevestigde Fuks zijn voornemen en volgens de regels moet de verkeersleiding de bevelen van
de vlieger opvolgen, zodat de 747 met zijn zwaar beschadigde vleugel recht boven Amsterdam
terecht kwam. Er doen 2 hypotheses de ronde over deze keuze:
Toen de motoren afvielen vloog de 4X-AXG precies boven en haaks op de naderingslijn van
baan 27, die de vliegers uit hun zijraam konden zien liggen. Wie zo snel mogelijk terug
naar Schiphol wil heeft de neiging direct rechtsaf te slaan richting reddende
landingsbaan, hemelsbreed maar enkele tientallen kilometers verwijderd en dus een heel
haalbare afstand voor een vliegtuig in nood. Voor een landing op baan 06 zou hij een veel
grotere bocht moeten maken (van Bussum om de zuid tot een punt ten noorden van Leiden) en
dus veel langer in de lucht zijn. Fuks zou met de keuze voor baan 27 vrij instinctief
hebben gehandeld en geen rekening hebben gehouden met de scherpe rechterbocht die hij zou
moeten inzetten, gevolgd door een correctie naar links voor de line-up met baan 27. Ook
vloog het vliegtuig te hoog en te snel en was te zwaar voor zo'n abrupte landing.
De tweede optie is dat Fuks kon menen door een raket te zijn getroffen. Baan 06 was de
hele dag in gebruik als landingsbaan en kiezen voor het voorspelbare betekende dat hij
onderweg een makkelijk doelwit zou zijn voor een tweede aanval. Ook wist Fuks dat de 09-27
baan de meeste bescherming bood tegen raketaanvallen. In dat geval zou de militair
opgeleide Fuks een strategische keuze hebben gemaakt. Op Schiphol zou de El Al
veiligheidsdienst samen met de Nederlandse overheid snel in staat zijn de militaire
goederen te recoveren en van het hele gebeuren alleen de gewenste feiten naar buiten
kunnen brengen.
Die strategische keuze bracht zijn beschadigde toestel wel over bebouwd gebied, maar het
sparen van burgerdoelen heeft voor een militair niet de eerste prioriteit.
Tegen beide hypothesen is iets in te brengen.
Fuks kon uit de informatie die hij wel had opmaken dat zijn vliegtuig er slecht aan toe
was. Het aanvliegen van baan 27, met 2 motoren aan 1 kant uit en een straffe wind schuin
achter in de rug zou hem vrijwel zeker ergens op de aanvliegroute of tijdens de landing in
de problemen hebben gebracht. Of je op dat stuk gewoon neerstort of bij het aanvliegen van
baan 06 boven het open land mogelijk door een (2e) raket kan worden getroffen lijkt dan
nog slechts een theoretisch verschil te maken.
De enige reden die Fuks' beslissing meer zin zou geven is dat hij een tevoren door El Al
bedacht noodscenario stipt opvolgde. In dat scenario zou een El Al vliegtuig in problemen
ten koste van alles zo snel mogelijk op Schiphol moeten worden gebracht (in wat voor staat
dan ook) en bij voorkeur op de 09-27 baan, om daarmee op het beschermde en afgeschermde
luchthaventerrein een snelle en geheime berging van delen van de lading mogelijk te maken
door de eigen veiligheidsdienst. De 09-27 baan had toen geen spottersplekken voor
nieuwsgierigen en vreemde activiteiten op of langs die baan zouden dus weinig
pottenkijkers trekken.
Alleen is dit tegenstrijdig met het extra rondje boven Amsterdam om toch goed op de
aanvliegroute terecht te komen...
Fuks heeft waarschijnlijk nooit een noodlanding op het IJsselmeer of in de Flevopolders
(eventueel vliegveld Lelystad, waar de baan natuurlijk wel veel te kort was voor een 747,
maar men wel een parate vliegveldbrandweer zou hebben) overwogen. Die opties waren vanuit
het cockpitraam en op de luchtkaarten duidelijk zichtbaar. Het had in beide gevallen tot
een totale verwoesting van het vliegtuig geleidt, maar had dan geen slachtoffers op de
grond geeist.
Toen de LY-1862 zijn rondje boven Amsterdam voltooid had kwam Fuks niet goed uit op de
naderingslijn voor baan 27. Weer zat het toestel te ver naar links, maar wel met de goede
hoogte en snelheid.
Boven de polder ten zuiden van Weesp gaf Fuks het bevel de flaps (aan de
vleugel-achterrand) en slats (aan de voorrand) uit te schuiven. De snelheid van het
vliegtuig maakte het nodig het vleugeloppervlak te vergroten om zo meer draagvermogen te
krijgen. Wat Fuks niet wist was dat de rechtervleugel aan de voorrand beschadigd was door
de afvallende motor 3. De slats kwamen niet of niet ver genoeg naar buiten, terwijl dat
aan de linkerkant wel gebeurde. Daardoor ontstond er een ongelijke airflow over de
vleugels en draaide het vliegtuig naar rechts weg, richting Bijlmermeer. Er was geen
mogelijkheid om aan de rechterkant meer motorvermogen te geven om dit probleem op te
lossen. Fuks gaf in het hebreeuws nog de opdracht de flaps en slats weer in te trekken,
maar het was te laat. "Going down 1862 going down going down,copied going down "
was het laatste wat de toren hoorde.
Het toestel maakte een 180 graden bocht over Gaasperdam, rolde intussen steeds verder over
en kwam uiteindelijk vrijwel verticaal in de lucht te hangen. Het miste net de flats van
Kikkenstein en Gooioord en boorde zich uiteindelijk om 18.34 uur in de 7e verdieping van
de flats Kruitberg en Groeneveen, daar waar beide flats met elkaar verbonden zijn. Het
staartstuk bleef in de flat hangen en stortte wat later op de grond, de rest van het
vliegtuig was geheel verpulverd en lag brandend tussen het puin van de 10 flatverdiepingen
in een parkje. Sommige onderdelen waren honderden meters doorgeschoten en hadden onder
meer de metrobaan vernield.
Op de knik was het flatgebouw totaal verdwenen, zodanig dat mensen die niet ter plaatse
bekend waren het een wonder noemden dat het vliegtuig precies tussen beide flats in was
neergekomen. In werkelijkheid was dus het hele flatgebouw als met een mes doorgesneden.
Links en rechts van het gat stonden flatwoningen in brand.
De rampbestrijding
De Amsterdamse hulpdiensten, geassisteerd door de hele regio rondom het rampterrein,
pakten de situatie gezien de omstandigheden zeer adequaat aan. Er werd rekening gehouden
met honderden slachtoffers, en daarom kwam een grote hoeveelheid ambulances en SIGMA's op
de been. De branden werden redelijk snel onder controle gebracht, waarbij de Amsterdamse
brandweer hulp kreeg van 3 zware crashtenders van de luchthaven Schiphol. De crashtenders
hadden tijdens het aanvliegen standby aan de baan gestaan en het vliegtuig zien
neerstorten. Vanuit hun positie bij de landingsbaan konden ze het vliegtuig zien
neerstorten en waren ze in korte tijd via de A9 in de Bijlmer.
Ondanks de inschatting van de vele slachtoffers werden die avond maar 25 gewonden
opgevangen in het AMC en het Brandwondencentrum. Ook werden geen stoffelijke overschotten
geborgen. Alle slachtoffers moesten dus onder het puin liggen en zijn overleden,
concludeerde de Rampenstaf. Ze schatten het aantal doden heel realistisch in op 250.
Ondanks het adequate optreden van de hulpdiensten was er toch op het maaiveld en op de
verhoogde wegen rondom een chaotische situatie ontstaan, waarin iedereen op zijn eigen
wijze probeerde orde te scheppen. Temidden van deze chaos signaleerden hulpverleners ook
mensen die niet op het rampterrein thuishoorden. Sommigen van die mensen droegen de later
zo berucht geworden "witte pakken met kappen over het hoofd". De meest voor de
hand liggende hypothese is deze:
De El Al veiligheidsdienst was direct na het verlies van de motoren op de hoogte van het
probleem met de LY-1862. Het vliegtuig zou naar Schiphol terugkeren en men moest rekening
houden met een crashlanding op de baan. In dat geval zou men proberen delen van de lading
en mogelijk ook de beide 'zwarte dozen' (de Cockpit Voice Recorder VCR en de Flight Data
Recorder FDR) te redden. Een dergelijk scenario zou de veiligheidsdienst kant-en-klaar op
de plank kunnen hebben liggen, evenals de daarvoor noodzakelijke uitrusting zoals
hittewerende pakken en perslucht-appartuur. Na de Mayday van Fuks bereidde het
veiligheidsteam zich voor op een snelle actie langs de landingsbaan, maar toen het
vliegtuig in de Bijlmer neerkwam was men - via dezelfde weg als de crashtenders van de
Schiphol brandweer - razendsnel op de crashsite aanwezig om hetzelfde werk te doen. Een
extra probleem was wel dat het werk op het afgesloten luchthaventerrein makkelijker uit
beeld gehouden kon worden dan midden in een drukbevolkte woonwijk, maar dat risico moest
men lopen om toch iets te kunnen redden. Aldus liepen kort na de ramp al El Al
veiligheidsmensen in aluminium-kleurige hittewerende pakken met een kap over het hoofd
over de puinhopen om te proberen delen van de lading en de recorders veilig te stellen.
Hoewel hierover door geen enkele getuige wordt gerept zou het dragen van een hittewerend
pak ook inhouden dat de drager perslucht moest gebruiken.
Of er toen al direct zaken door deze El Al veiligheidsmensen van de rampplek zijn
weggehaald en wat dat dan is geweest blijft een mysterie. De El Al of andere Israëlische
veiligheidsdiensten zijn ook later op de avond en ook de ochtend van 5 oktober actief
geweest op de rampplek en ook toen zijn er waarschijnlijk zaken geborgen die men liever
niet in de openbaarheid gebracht zag. Of hier ook de "verdwenen" Cockpit Voice
Recorder bijzat is onbekend.
Berging van slachtoffers en
vliegtuigdelen
Nadat de branden aan het eind van de 4e oktober waren geblust werd er gewacht tot
het licht werd voordat de berging van slachtoffers en vliegtuigdelen op gang kon komen.
Het bergen van de slachtoffers ging aanvankelijk onder aanvoering van het Rampen
Identificatie Team zeer zorgvuldig, maar Burgemeester Ed van Thijn stond erop dat de
berging op vrijdag 9 oktober voltooid zou zijn en daarom moest het tempo omhoog.
Uiteindelijk werden er 46 mogelijke slachtoffers geborgen, terwijl men ervan uitging dat
er ruim 200 doden waren gevallen. Er waren intussen lijsten met honderden vermisten,
waarvan velen illegaal in Nederland verbleven. De mogelijkheid was groot dat er ook nog
eens tientallen slachtoffers niet als vermist opgegeven zouden worden vanwege hun
illegaliteit. Er startte een uitgebreidt politie-onderzoek om de lichaamsdelen te
"matchen" met de lijst van vermisten. Tot ieders verbazing slaagde men erin
uiteindelijk een 100% match te bereiken: Alle slachtoffers waren geidentificeerd en alle
vermisten waren dood of levend gevonden. Er waren aldus 43 doden te betreuren en waren
tijdens de berging dus 3 slachtoffers dubbel geteld, wat gezien de staat van de lichamen
niet zo vreemd was.
De 100% match is dat wel. Uit diverse bronnen (waaronder de Lockerbie ramp) is bekend dat
in dergelijke omstandigheden van hevig uitwendig geweld op het lchaam gevolgd door
langdurige blootstelling aan hoge temperaturen, er lichamen geheel kunnen
"verdampen''. Waar dat in Lockerbie om 10% van het totaal aantal slachtoffers zou
gaan, kunnen er in de Bijlmer omstandigheden zijn geweest waardoor dit aantal lager ligt.
Zo waren er plaatsen op de rampplek waar de hitte-straling van de kerosinebrand werd
afgeschermd door delen van de flat. Op die plekken zijn slachtoffers redelijk intact
teruggevonden. Er zijn ook slachtoffers gevallen buiten de directe brand-zone. Het
percentage zou dus genomen moeten worden over het aantal slachtoffers dat wel is
blootgesteld aan de combinatie van hevig uitwendig geweld en hoge temperaturen en waarvan
nog slechts kleine fragmenten van teruggevonden is.
In alle redelijkheid zou er van uitgegaan mogen worden dat er nog 3 slachtoffers nooit
teruggevonden zijn. Vreemd is dat deze slachtoffers nooit - officieel of in de pers -
vermist zijn, hoewel er geruchten zijn dat in Ghanese illegale kringen wel degelijke
onbekende vermisten zijn. Ook zou door reddingswerkers plekken op het beton zijn gezien
die een ander brandpatroon vertoonden, mogelijk veroorzaakt door een slachtoffer dat
geheel verdampt is maar wel het brandproces heeft beinvloed.
In ieder geval is de perfecte match eigenlijk te mooi om waar te zijn en moet in twijfel
getrokken worden.
De berging van de vliegtuigdelen is zeer onprofessioneel verlopen. De Nederlandse
RijksLuchtvaartDienst en de Dienst Luchtvaart van de Rijkspolitie die hiervoor
verantwoordelijk waren hadden - gelukkig - nauwelijks praktijk-ervaring met zo'n complex
bergingsproces. Er was geen sprake van een doordacht en systematisch bergingsplan, wat
door de beslissing van Ed van Thijn ook nog eens snel moest worden uitgevoerd. Er konden
ongecontroleerd hulpverleners, omwonenden, metropersoneel en - om wat voor reden dan ook
daar aanwezige - mensen van AeroGround Services op de plekken komen waar vliegtuigdelen
terecht waren gekomen.
En er waren daar Israëlische veiligheidsmensen die liever niet teveel inmenging in hun
zaken wensten.
Nog op de avond van de ramp werd er door RLD en RP onsamenhangend op de rampplek naar
aanwijzingen gezocht. Mogelijk bewijsmateriaal werd improvisorisch veilliggesteld en bleek
later onvindbaar. Toen het bergen sneller moest gaan is er op de rampplek grof
geselecteerd in termen van "vliegtuig"en "flat". Het vliegtuig
belandde in hangar 8 op Schiphol en de flat op de stort in Nauwerna, maar vanwege de
groffe selectie uiteraard ook omgekeerd. Het was dan ook niet heel verbazingwekkend dat de
FlightDataRecorder uiteindelijk in hangar 8 in de vliegtuigresten opdook en dat de
CockpitVoiceRecorder onvindbaar bleef, ook op de stort in Nauwerna.
Jammer was het wel, omdat de CVR uitsluitsel had kunnen geven over de reden van captain
Fuks om op baan 27 te landen in plaats van op de veel gunstiger gelegen baan 06. Er zijn 3
mogelijke hypotheses over de vermiste CVR:
De CVR is tijdens de crash uit het rack geslingert en in de brand terecht gekomen alwaar
hij geheel vernietigd is. Deze hypothese is eigenlijk onmogelijk. Het rack waar de CVR en
FDR samen in zitten is intact in hangar 8 teruggevonden met de FDR erin, en ook met de
bouten van de CVR vastgeschroeft. Bovendien zijn beide recorders gebouwd om lange tijd in
zeer vijandige omgevingen intact te blijven en de situatie op de rampplek was niet zo
uitzonderlijk dat de CVR geheel vernietigd kan zijn.
De CVR is onzorgvuldig geborgen. Op de rampplek is hij niet als zodanig herkend en ook nog
eens als flat-puin naar de stort in Nauwerna afgevoerd. Daar is hij ondanks intensief
naspeuren niet gevonden en vervolgens tesamen met alle andere puin vernietigd. In dat
geval hebben een aantal mensen het ding in handen gehad of over het hoofd gezien. Dat is
niet onmogelijk maar wel ongeloofwaardig stom. Een mogelijkheid zou ook nog kunnen zijn
dat de CVR door een verzamelaar of andere buitenstaander is herkend en voor de eigen
verzameling of voor chantagedoelen is ontvreemd.
De CVR is zeer zorgvuldig maar in het diepste geheim geborgen. Mogelijk is het staartstuk,
waarin zich het rack bevond, daartoe al op 5 oktober voor het dag werd afgevoerd naar een
onbekende plek. Daar of op de rampplek heeft de Nederlandse overheid samen met de
Israëlische diensten de CVR uit het rack gehaald en richting Tel Aviv afgevoerd. Er was
op die 5e oktober sprake van één of meer extra vrachtvluchten naar Tel Aviv met een
nooit opgehelderd doel. Bovendien had zowel de Nederlandse als de Israëlische overheid
redenen om de CVR niet te laten vinden en het gesprokene in de cockpit alleen door een
zeer select gezelschap te laten bestuderen. Op de CVR zouden dingen kunnen staan over de
lading of zaken die de bijzondere status van Israëlische diensten op Nederlands
grondgebied aan het licht zouden brengen en dat zou voor beide landen niet wenselijk zijn.
Dit lijkt een voor hand liggende en zelfs vanuit landsbelang zeer valide hypothese te
zijn. Tenslotte kan de overheid om hogere belangen veilig te stellen de noodzaak hebben
wat voor zichzelf houden, ook al komt daarmee de openbare informatievoorziening in het
gedrang.
Gevaarlijke stoffen
In de weken, maanden en jaren na de ramp werden steeds meer mensen die in de eerste dagen
na de crash op en om de rampplek waren geweest ziek. Hun klachten varieerden van chronisch
moe tot overleden aan kanker, maar van overheidswege is er stelselmatig ontkend dat de
ziekten een relatie met de Bijlmerramp hadden.
Zeker is dat de 70 ton kerosine geheel is verbrand. Daarbij komen koolwaterstoffen vrij
die geen blijvende schade aan de gezondheid aanrichten. Over de overige gevaarlijke
stoffen zijn de volgende hypothesen mogelijk:
De vracht van de LY-1862 bevatte heel geringe hoeveelheden gevaarlijke stoffen, die
allemaal aan de ICAO normen voldeden. De gevaarlijke stoffen zijn in de kerosinebrand
geheel uitéén gevallen in ongevaarlijke stoffen. Het verarmd uranium is geheel intact
geborgen. Er zijn dus niet op grote schaal en gedurende lange tijd gevaarlijke stoffen of
residu daarvan vrijgekomen waardoor mensen later ziek konden worden. Dat beeld klopt met
metingen die op de avond van 4 oktober op en rond de rampplek door de Chemische
Adviesdienst van de Amsterdamse brandweer zijn verricht.
Sommige mensen zijn later aan psycho-somatische klachten gaan lijden ten gevolge van de
ramp en er kan incidenteel iemand ziek zijn geworden door heel lokale inademing van
schadelijke stoffen, maar niet op grote schaal.
De vracht bevatte ook onbekende maar zeer gevaarlijke stoffen die niet aan de ICAO normen
voldeden. Deze stoffen zijn niet allemaal volledig verbrand en uitéén gevallen in
ongevaarlijke stoffen, maar de stoffen of een mogelijk nog gevaarlijker residu daarvan
zijn in de dagen na de ramp uit de rokende puinhopen vrijgekomen - half verbrand, waarbij
dus veel meer vrije radicalen vrijkomen dan bij volledige verbranding.
Burgers en hulpverleners hebben daardoor lange tijd aan onverantwoordelijk hoeveelheden
gevaarlijke stoffen blootgestaan en zijn daarvan later ernstig ziek geworden.
Het verarmd uranium uit het balansgewicht is deels intact gebleven, maar voor een deel
verpulverd. Mensen die de uranimum-stof in hun longen hebben gerkegen kunnen hierdoor
ernstig ziek worden en overlijden. Hiertegen zijn op de rampplek geen beschermende
maatregelen genomen, in hangar 8 later wel (echter niet van overheidswege maar op aangeven
van de KLM).
Direct na de crash bogen verschillende diensten zich over de vraag of er gevaarlijke
stoffen in het vliegtuig zaten en of die stoffen dan een gevaar voor de hulpdiensten op
crash-site konden vormen. Ook hier werd weer uiterst onprofessioneel opgetreden:
De diverse vrachtbrieven bevatten - om militaire redenen - hele en halve waarheden en
valse informatie.
Niet ale informatie werd direct door El Al doorgegeven aan de luchthaven-authoriteiten.
De informatie die wel bij de luchthaven-authoriteiten terecht kwam werd door hen
gescreend, waarbij de speciale status van El Al aanleiding was om de informatie ook nog
eens te filteren ( waarbij de term "onder de pet houden" viel).
De luchthaven-authoriteiten concludeerden heel snel dat de kleine hoeveelheden gevaarlijke
stoffen aan boord in de kerosine-brand geheel uitéén zouden vallen in ongevaarlijke
stoffen. Daarbij baseerden ze zich onder andere op de ICAO classificatie die volgens de
vrachtbrieven aan de lading gegeven was. Of die ook klopten met de daadwerkelijk lading
werd niet onderzocht.
De zeer snelle conclusie werd nog beknopter doorgegeven aan de rampenstaf in het stadhuis
te Amsterdam: '" Er zijn geen gevaarlijke stoffen aan boord".
Later op de avond boog ook de Rampenstaf en de Amsterdamse brandweer-officieren aldaar
zich over de door de luchthaven-authoriteiten verstrekte lijst en kwamen tot dezelfde
conclusie: De eventule schadelijke stoffen waren zo gering dat de 70 ton brandende
kerosine alles moest hebben afgebroken tot relatief ongevaarlijke stoffen. Hiermee was de
cirkel rond en was de aanvankelijke berichtgeving van El Al ("explosieven, giftige
stoffen, gassen") teruggebracht tot een heel onschuldige lading.
Dat de 747 zelf verarmd uranium bevatte is direct na de ramp geheel uit beeld geweest.
Kennelijk was niemand daarvan op de hoogte. Pas een dag later is die informatie
mondjesmaat naar buiten gekomen via de KLM, die in hangar 8 rond de verzamelde
vliegtuigdelen op gebruik van beschermende middelen aandrong. Op de rampplek bleef dat
achterwege.
Verarmd uranium bevat een zeer zwakke radioactiviteit, die pas wanneer de stof vrijkomt in
kleine deeltjes wordt ingeademd en in de longen schade kan aanrichten.
Door de geruststellende mededeling van de Rampenstaf aan het Commando RampTerrein dat er
geen gevaarlijke stoffen aan boord waren heeft de Amsterdamse brandweer pas laat op de
avond door de eigen Chemische Adviesdienst alsnog metingen rondom de rampplek laten doen.
Eerder al was met de standaard Dräger meetbuisjes uit de inventaris van de
C(ommando)-wagen door de Officier van Dienst gekeken of er mogelijk chemische stoffen
vrijkwamen. Deze meetbuisjes meten in 1 keer een hoeveelheid aangezogen lucht door op het
voorkomen van 6 soorten gevaarlijke stoffen, waarmee niet meer dan een ruwe indicatie
verkregen kan worden, maar voldoende houvast geeft om verder onderzoek door de CA-dienst
te laten doen. Daarvan was die avond geen sprake. De extra metingen door de CA-dienst
waren een voorzorgsmaatregel omdat het Commando RampTerrein met zicht op de brand en neus
in de rook - in tegenstelling tot de Rampenstaf in de veilige bunker ten stadhuize - de
zaak niet vertrouwde. Ook de meer uitgebreide metingen, waaronder op radioactiviteit,
gaven geen aanleiding tot extra veiligheidsmaatregelen.
Door de zekerheid die de Rampenstaf had over de lading werden er geen extra
veiligheidsmaatregelen genomen voor de hulpdiensten en omstanders. Wel werkte de brandweer
in de eerste uren met perslucht, maar de rest was aangewezen op de eenvoudige witte
stofkapjes. SIGMA- en RVHV-bergingsteam hadden alleen maar eenvoudige overalls aan tijdens
de berging.
Omdat niet bekend is wat er echt in het vliegtuig heeft gezeten kan niet worden
uitgesloten dat er onbekende chemische, radioactieve of bacteriologische stoffen zijn
vrijgekomen, en dus ook niet dat de ziektesymptomen van de diverse nabij-betrokkenen wel
degelijk te relateren zijn aan vliegtuig of lading.
Zeker nadat de kerosinebrand was geblust zijn er veel stoffen als vrije radicalen
vrijgekomen door gedeeltelijk verbranding bij lage temperatuur. In de dagen na 5 oktober
is er helemaal niet meer gemeten. Ook het vrijkomen van kleine deeltjes van het verarmd
uranium uit de contragewichten is niet uit te sluiten. Hierop kon met de apparatuur uit de
meetwagen van de brandweer CA-dienst waarschijnlijk niet op gemeten worden. Daarvoor zou
veel gevoeliger appartuur van het RIVM nodig zijn geweest.
In stof uit hangar 8, waar de vliegtuigdelen opgeslagen werden, werd later inderdaad
verarm uranium aangetroffen.
In februari 2003 bracht een onderzoek aan het licht dat de Bijlmerramp-hulpverleners meer
gezondheidsklachten hebben dan een vergelijkbare groep die niet op het rampterrein heeft
gewerkt. Er kon echter geen oorzaak voor die klachten worden gevonden. Blootstelling aan
verarmd uranium of de mycoplasma fermentans bacterie kon niet worden aangetoond.
Een "gewone" ramp of
mysterie ?
In zekere zin was de Bijlmerramp een "gewone" ramp met een "'ongewoon"
vliegtuig. Het neerstorten van het vliegtuig was direct ten gevolge van een mechanisch
falen. Dat mechanisch falen was op zijn beurt weer te wijten aan achterstallig onderhoud.
Wonen onder de aanvliegroute van Schiphol houdt een (veel hoger dan te berekenen) risico
in betrokken te worden in een vliegtuigongeval. Daar waar Schiphol verder uitbreidt, er
meer vliegbewegingen plaatsvinden en tegelijkertijd de technische staat van de vliegtuigen
door ouderdom en bezuigingen op onderhoud slechter wordt neemt statistisch de kans op een
ongeluk elke dag toe. De vliegramp in de Bijlmer was dus in die zin voorspelbaar.
Dat de ramp niet in de Bijlmer had plaatsgevonden als gezagvoerder Fuks voor een
noodlanding op baan 06 had gekozen is evident, maar of er dan minder slachtoffers op de
grond zouden zijn gevallen is daarmee niet zeker. In de Bijlmer heeft het toeval voor een
zeer laag aantal dead on ground gezorgd, maar of dat nog minder zou zijn geweest bij een -
veel langere - aanvliegroute naar baan 06 is niet aantoonbaar. Ook onder die route liggen
dorpen en stadjes die getroffen hadden kunnen worden.
Dat het vliegtuig in zijn wrakke toestand nog een complete ronde recht boven Amsterdam
heeft gemaakt is wel een onaanvaardbaar hoog risico geweest.
Dat de overheid tijdens de rampenbestrijding fouten heeft gemaakt - en die vervolgens
tracht te maskeren - is in rampsituaties eigenlijk ook een logische en te verwachten
reactie. Iedereen die onder hoge spanning grote verantwoordelijkheden draagt en daarbij
aantoonbaar fouten maakt die ernstige gevolgen hebben zal graag de schuld daarvan buiten
zichzelf te zoeken. Tot zover dus een "gewone" ramp.
De enige factor die de Bijlmerramp tot een "ongewone" ramp maakt was de status
aparte van El AL en de staat Israël op Nederlands grondgebied. Zij mochten dus dingen
doen die "gewone" luchtvaartmaatschappijen en landen niet waren toegestaan.
Het El Al vliegtuig vervoerde geheime militaire goederen. Die goederen en de bijzondere
priviléges van El Al en Israël in Nederland zou door de crash in internationele
schijnwerpers komen te staan. Daarom moest zowel het bergen van die goederen als de
bijzondere priviléges onder dekens van mist geplaats worden.
Helaas slaagde de Nederlandse overheid daar nauwelijks in, want in het leggen van
rookgordijnen is zij zeer slecht. Er konden eenvoudigweg op sommige vragen geen antwoorden
worden gegeven, en daar waar het wel kon was men verstrikt geraakt in eerdere
"cover-ups". Uiteindelijk is men verdwaald in de eigen mist en zijn zaken tot
buitenproportionele mysteries uitgegroeid. |