terug

Bijlmerramp / Pa Sem heeft geen spijt

bron: Trouw 2002-10-04

Willem Symor redde een tienjarig jongetje uit de flat Groeneveen in de Bijlmer toen zich daar het El Al toestel in had geboord. Het jongetje bleef ongedeerd, al twee weken na de ramp kon hij weer naar school. Symor, in de Bijlmer bekend als pa Sem, raakte zwaargewond en voor het leven verminkt.

Tien jaar geleden is het nu, maar voor Symor (66) lijkt het gisteren dat de twee flats tot op de grond toe afbrandden. Officieel vielen er 43 doden, maar Symor mist meer mensen. ,,Er zaten zoveel illegalen, zoveel mensen die ik nooit meer heb gezien.'' Hij werd de held van de Bijlmer, nog steeds herkent iedereen hem, al was het maar door zijn gehavende uiterlijk: gezicht en armen vol littekens, een half oor en halve vingers. ,,Iedereen vraagt hoe het gaat. Dat doet me hartstikke goed.''

Maar held voelt hij zich niet. ,,Dat maken jullie journalisten ervan. Toen ik nog op de brandwondenafdeling in Beverwijk lag, kwamen de eerste verslaggevers van de Telegraaf al langs. Karel van de Graaf haalde me zelfs uit Suriname, op zijn kosten met het vliegtuig.''

Hij vindt het wat overdreven allemaal. Elk jaar weer zoekt iedereen hem op. ,,Vlak na de ramp raadde een arts me aan veel van me af te praten. Hoe meer je praat, hoe meer emoties je weggeeft. Daar gebruik ik de interviews dan ook maar voor, hoewel soms de tranen nog komen, hoor.''

,,Veel mensen zijn weg. Zoals Beertje, het jongetje dat nog 's middags bij me binnen was geweest. 'Pa Sem', had hij gezegd, 'als ik later groot ben neem ik je zaak over.' Hij zat met zijn moeder vast in de lift. Ze hebben het niet overleefd.''

Symor werkte tien jaar geleden als vrijwilliger in een buurtcentrum 'Het Groentje' in de flat Groeneveen. Hij was afgekeurd en zat in de WAO vanwege een versleten heup, maar wilde zich nuttig maken. Vanaf de jaren zestig woonde Symor altijd in Rotterdam, toen hij slechter ter been werd, vroegen zijn kinderen hem naar Amsterdam te verhuizen, zodat ze hem een beetje in de gaten konden houden.

In het buurthuis kwam iedereen binnenlopen: alleenstaande moeders die even oppas voor hun kinderen zochten, illegalen, criminelen. Mensen van alle mogelijke nationaliteiten konden er voor weinig geld eten en drinken. ,,Er is armoe in de Bijlmer, jawel, veel meer dan de mensen zich realiseren. Zo'n moeder die voor een paar honderd euro bijstand moest rondkomen, moest wel zwart gaan werken. De kinderen konden bij mij blijven spelen. Ik maakte eten voor ze als het nodig was, lekker Surinaams. Er waren weken dat ik zes kinderen in de kost had, de moeder betaalde wat ze kon missen en dat was nooit veel.''

,,De kinderen noemden me pa Sem. Als er een voor een kwartje een blikje kocht, en zijn vriendjes hadden geen geld, verdeelde ik het fris over glazen en gaf ze allemaal wat. Nu noemt iedereen me pa Sem.''

Op de zondag vier oktober 1992 iets voor half acht 's avonds, waren er acht kinderen binnen. ,,We hoorden een knal en toen brak er brand uit. Met de kinderen rende ik door de vlammen naar buiten. We stonden daar veilig, volkomen verdwaasd. Overal was vuur, mensen sprongen van zes, negen hoog naar beneden. Toen trok een klein Antilliaans meisje aan mijn broek: ,,Pa Sem, mijn broertje is er niet.'' Ik rende weer naar binnen en hoorde Reinaldo schreeuwen. Een paar Afrikanen buiten riepen 'don't go, you'll get killed.' Maar ik ging, wat kon ik anders? Die kinderen waren aan mij toevertrouwd.''

Symor duwde het jongetje de flat uit. Vlak voor de uitgang liet er een brandende staaf aan het plafond los die dreigde op Reinaldo's hoofd te vallen. Symor ving de gloeiendhete balk met zijn handen op, het jongetje rende naar buiten. De staaf schroeide vast, hij schudde hem af, de staaf viel op zijn hoofd en rug en zijn shirt vatte vlam. Hij vocht voor zijn leven, als een fakkel rende hij naar buiten waar omstanders het vuur doofden. Symor lag drie weken in coma, toen pas hoorde hij wat er was gebeurd. ,,Ik wist helemaal niet dat het een vliegtuig was geweest.''

Iedereen zou hebben gedaan wat hij deed. ,,Stel dat ik niet terug was gegaan: hoe had ik daarmee kunnen leven? Dan was ik er nu nog slechter aan toe geweest.'' Symor is in 1994 door oud-burgemeester Van Thijn onderscheiden met een erepenning. ,,In zijn speech zei Van Thijn: wie een kind redt, redt een volk. Dat vond ik zo mooi gezegd. Misschien dat daarom iedereen zoveel aandacht aan mij besteedt.''

,,Die kinderen van toen zijn nu groot, lange slungels. Een kleine Afrikaanse vriend belt me nog elke week om te vragen hoe het gaat. Met Reinaldo heb ik nog weinig contact. Vlak na de ramp wilden journalisten hem spreken. Ik heb hem en zijn familie afgeschermd, ik wilde niet dat hun uitkering gevaar zou lopen.''

Herdenken dat doet Symor tussendoor, als zijn hoofd ernaar staat. ,,Dan ga ik met een blikje bier bij het monument zitten. Ik bid wat in mezelf, ik kijk naar de namen van de slachtoffers, praat wat met hen.''

Ook tien jaar later is er nog veel verdriet en onverwerkt leed. Symor is er na een lange herstelperiode weer aan toe om zich onder de andere slachtoffers te mengen, hij wil iets voor de mensen doen. ,,Er is nog een klein meisje en een vrouw die zo erg verbrand zijn als ik. Maar het meeste leed is er van mensen die dierbaren zijn verloren. Ik moet zelf zo goed en zo kwaad doorgaan. Maar vaders en moeders die kinderen hebben verloren, moeten daarmee leren leven. Dat is misschien nog wel zwaarder.''

Willem Symor heeft zijn 'sociale gevoel' in zijn jeugd meegekregen. Hij is geboren in Suriname, in een gezin met 21 kinderen. ,,We waren 'plantagejongens'. We woonden naast de Suriname rivier, mijn vader werkte voor een baas, hij kapte hout. Mijn broers gingen met de boot naar school. Uur heen, uur terug. Toen ik vier was, werd ik door een tante weggehaald. Zij heeft mij naar school gestuurd, maar ze overleed op mijn twaalfde. Wij moesten voor onszelf zorgen, maar er waren altijd mensen die ons in de gaten hielden.'' Hij had het nooit gered zonder hulp, zoals van het notarisgezin, waar de kinderen op zondag aten, en van de gepensioneerde agent ('opa Doelie') die hen naar school stuurde als ze spijbelden om te werken. Zo iemand wilde Symor zijn voor de kinderen in de Bijlmer.

Pa Sem kwam in de jaren zestig naar Rotterdam met een toneelgezelschap. Bij zijn vorige vrouw kreeg hij zeven kinderen. Zijn huidige vrouw kent hij nu zeventien jaar. Een jaar na de ramp zijn ze getrouwd op het stadsdeelkantoor in Amsterdam-Zuidoost. ,,Zij heeft mij er doorheen gesleept. Verder ben ik ook altijd goede mensen tegengekomen: ik had iemand van de thuiszorg die me verzorgde, een geweldige fysiotherapeute die me overhaalde door te zetten.''

Hij heeft geen hevige pijn meer. Wel staat hij iedere ochtend om vijf uur op om zoals hij zelf zegt ,,zijn huid soepel te maken.'' Hij doet oefeningen met zijn handen. ,,Het duurt vier uur voordat ik een sigaretje of een tandenborstel kan beetpakken.''

Nu zit Pa Sem vaak op het bankje voor zijn huisje in Gein, een paar metrohaltes van de rampplek, zijn huid warmend in de najaarszon. In zijn achtertuin verbouwt hij tomaten, spitskool en vooral de bloemkool geeft dit jaar een goede oogst. Er is veel dat hij niet meer kan, koken bijvoorbeeld. Een blikje kan hij inmiddels wel weer zelf open krijgen, door een lepel achter het lipje te wrikken. In de tuin werken is zijn eigen therapie, hij komt er tot rust. Om onder de mensen te zijn werkt Symor vier uur per dag als portier.

Symor is vlak na de ramp met zijn vrouw en zijn enige nog thuiswonende dochter naar Suriname verhuist. ,,Daar ging het beter: ik smeerde mijn huid in en ging lekker in de zon zitten. Maar mijn dochter van veertien had heimwee, dus zijn we een jaar geleden teruggekeerd. Vorig jaar was een zachte winter, toen had ik niet veel extra last. Hopelijk blijft de vorst dit jaar weer weg.''

terug