|
Verleden

Op 11 juli
1962 werd ik geboren in het Brabantse land, om precies
te zijn in
Dongen (vlakbij de Efteling),
op loopafstand van de Hervormde Kerk, waarvan het
middenschip een complete ruïne is, zoals je op de foto
kunt zien.
De directe omgeving van ons huis prikkelde mijn
fantasie en mijn favoriete tijdverdrijf bestond dan ook
uit het bedenken van spannende verhalen, die ik met mijn
broer en zus en kinderen uit de buurt naspeelde in de
buurt van "het hut". Mijn eerste herinnering gaat terug
naar de geboorte van mijn zusje Caroline in 1965. Een
beschuit met muisjes ging er goed in:

Een jaar later ging ik
naar de kleuterschool Sint-Joseph en daar kon ik mijn
draai niet goed vinden onder het schrikbewind van Zuster
Frederika. Gelukkig ontfermde Juffrouw Trudy zich over
mij en kwam ik het volgende jaar terecht in een nieuwe
klas op de Notedop.

Je vindt me op de tweede
rij van onder, derde van rechts. Ik houd met mijn benen
een klasgenootje in de houdgreep.
Aan de lagere school heb ik in het algemeen niet zulke
fantastische herinneringen bewaard. Liever ging ik op
mijn kamer zitten en bedacht ik hele nieuwe werelden (Draakkelland,
Oberon), compleet met landkaarten, geschiedenis, en een
eigen taal, met cursusboeken en al. Ik schaamde me er
een beetje voor, want ik kende niemand die hetzelfde
deed. Groot was mijn opluchting dan ook later toen ik de
boeken van Tolkien las en de Domitiusreisgids naar
Spokanië.
Toch is er één hoogtepunt te noemen in mijn lagere
schooltijd en dat was helemaal aan het eind. Op 24
november 1973 deed onze zesde klas mee aan het
televisieprogramma Klassewerk. Apetrots was ik toen ik
het jaaroverzicht van het Weekblad voor Dongen las dat
onze Sint-Jansschool had gewonnen dankzij mijn 11 punten
voor het onderdeel Meesterwerk. Uiteindelijk hadden ze
"de professor" dan toch even nodig...

Betere herinneringen heb
ik aan de middelbare schooltijd, die ik doorbracht op
het
Sint-Oelbertgymnasium in Oosterhout, waar ik mijn
beste vriend Richard leerde kennen en genoot van de
inspirerende lessen van excentrieke docenten als dhr.
Schuurbiers (A thirsty croooowww), pater Getulius, die
wiskunde aanschouwelijk maakte door zich zelf als een
parallellogram door het lokaal te verplaatsen en die
uiterlijk veel weg had van Don Quichotte, pater
Aurelianus (LIF = Latijn is fijn, GIG = Grieks is
gemakkelijk) met zijn wekelijkse moppenuurtje (Stina!),
maar vooral de onlangs overleden pater Ambrosius, door
wiens buitengewone lessen (OIAF = onzin is altijd fout.
Prachtig!) ik bijna klassieke talen was gaan studeren.

Dat ik een taal wilde
studeren, was al snel duidelijk. Ik was er tenslotte
sinds de lagere school al mee bezig. De keuze viel
uiteindelijk op Frans en op de Rijksuniversiteit
Utrecht. Van 1980 tot 1984 woonde ik bij de familie van
Keulen in
Maartensdijk, waar ik een goede tijd heb beleefd en
de basis heb gelegd voor mijn verdere zelfstandige
leven. Ik leerde er koken, mijn financiën beheren,
zelfstandig studeren en... ik leerde Mark kennen, met
wie ik anderhalf jaar een vaste relatie heb gehad. In
1984 verhuisde ik naar de Tobbe in Utrecht. Vooral de
eerste twee jaar daar waren fantastisch. We vormden een
hele gezellige studenteneenheid en ik kijk op die tijd
terug als de spannendste en tegelijk meest onbezorgde
tijd die ik heb beleefd.

Mijn benedenbuurvrouw
Annelies zong in het studentenkoor A capella, onder
leiding van Paul de Kok. Uit nieuwsgierigheid ging ik
een keer mee, en dat is niet zonder gevolgen gebleven:
het zingen is een van mijn grootste hobby's geworden. Na
een jaar deed ik mee aan een grote
muziektheaterproductie t.g.v. het 350-jarig bestaan van
de universiteit, en ik ging zingen in allerlei koren,
waaronder
Multiple Voice en
Ensemble Bouzignac, het beste koor waarin ik ooit
gezongen heb, misschien op de
Nederlandse Bachvereniging na. Mijn andere
benedenbuurvrouw Caroline maakte mijn liefde voor de
kookkunst in me wakker, en al snel vormde ik met een
andere Caroline (Carolina di Bova) en benedenbuurman
Erik-Jan een culinaire club, die een soortgelijke club
van Paul de Kok beconcurreerde. Het laatste jaar dat ik
op de Tobbe woonde, werkte ik al op het
RML in
Rotterdam. Toen nieuwe huisgenoten haast gillend
wegholden bij het zien van mijn lerarenagenda wist ik
dat het tijd was om te verhuizen. Aanvankelijk heb ik
nog gepoogd een verdieping te betrekken aan de
Plompetorengracht, want ik had mijn hart verpand aan de
stad Utrecht. Maar in Rotterdam vond ik veel
gemakkelijker een nieuwe woonstek, aan de Spangesekade.
En hoewel mijn ouders mij daar met pijn in hun hart
bezochten (het was nogal een bouwval en al in week 1
werd ik geconfronteerd met een in een tijdschrift
verpakt zakje cocaïne bij mij op de trap...), voelde ik
mij er de koning te rijk: ik telde alle voetstappen die
ik in mijn nieuwe woonruimte kon zetten. In Maartensdijk
kon ik niet eens omvallen zonder mijn hoofd tegen een
muur te stoten...
|