Gods schepping

http://www.setterfield.org/

Korte samenvatting 

van

The Atomic Constants, Light, and Time

by BARRY SETTERFIELD

and

TREVOR NORMAN

Geschreven door Helen Setterfield, November 7, 2004

Vertaald door Ir. A.Hekstra

toen de theorie van een uitbreidend heelal voor het eerst ten berde werd gelegd door seculiere geleerden werd het belachelijk gemaakt. Het werd neerbuigend de "Big Bang" genoemd, alhoewel de gedachte nog niet het idee van een grote explosie omvatte. Het werd verworpen omdat het te dicht stond bij de dwaze gedachten van de Bijbel. Omdat de Bijbel duidelijk een boek van de mythologie was, was het niet mogelijk dat de feitelijke echtheid van de kosmos ook maar in de buurt kwam van wat de Bijbel leerde.

De Bijbel zegt dat het heelal uitbreidde. Maar in de Bijbel wordt een andere term gebruikt. In de Bijbel zegt God dat Hij de hemelen uitstrekte. Dat zegt Hij 12 keer. Het verschil tussen de Big Bang en de bijbelse uitleg is dat volgens de Big Bang theorie de uitbreiding nog steeds plaatsvindt. Terwijl de Bijbel zegt dat het een éénmalige volledige gebeurtenis was.

De gegevens waarop de gedachte, dat het heelal nog steeds uitbreidt, is gebaseerd, is de rood-verschuiving van het licht van verre melkwegstelsels. Op dezelfde wijze als de toonhoogte van het geluid van een sirene lager wordt op het moment dat hij jou passeert, is het idee, dat hoe verder het licht van je verwijderd is, hoe verder de kleur roder wordt en verschuift naar het rode einde van het spectrum. (De golflengten wordt langer). Komt dat omdat het hemellichaam dat het licht uitstraalt, net als de sirene die het geluid maakt, van ons af spoed met enorme snelheid? Of is er een andere oorzaak voor wat wij zien – de roodverschuiving van het licht van verafgelegen objecten?

Als er een andere oorzaak is, dan heeft de Bijbel gelijk, als hij zegt dat het heelal niet langer uitbreid?

Als het heelal uitbreidt en als deze uitbreiding de oorzaak is van de roodverschuiving, dan zouden wij deze zien over een serie van geleidelijk toenemende hoeveelheden van nul tot de grootste mate in een serie geleidelijk toenemende grootten. Het zou vergelijkbaar zijn met een auto op een snelweg, die geleidelijk sneller rijdt vanaf de begin snelheid op het moment dat hij de weg oprijdt tot aan de snelheidslimiet.

Maar dat zien wij niet in de metingen van de roodverschuivingen. Wat wij zien is een kleine serie sprongen. Het is net alsof de metingen gebundeld zijn, en dan is er een sprong naar een nieuwe serie metingen, zonder geleidelijkheid er tussen in.

Wat vreemd, breidt het heelal zich uit in sprongen? Dat is moeilijk te begrijpen. Vooral als deze roodverschuiving groepen splitsen, precies in het midden van enkele melkwegstelsels splitsen. Wat echt gebeurt!!

Als het heelal niet uitbreid wat is dan de oorzaak van de roodverschuiving ? En van de sprongen die we zien? Wat gebeurt er Werkelijk?

Hou die gedachte vast.

Als je een container hebt en alle atomen en ander inhoud eruit haalt, dan heb je een vacuüm, OK? Ja, maar toch komt er nog warmte uit die straling veroorzaakt. Draait nu de thermostaat omlaag tot het absolute nul-punt. Nu is er geen warmte energie meer over.

En toch hebben we een probleem,want er komt nog steeds warmte uit je container, die gemeten kan worden. Erg veel. Omdat het meetbaar is bij het absolute nul-punt waar moleculen niet meer bewegen, noemen we het de nul-punt energie (NPE).

Men heeft een methode gevonden om het te meten. Zelfs een aantal methoden.

Toen ontstond er nog een probleem. De metingen gaven aan, dat de hoeveelheid energie toenam. Waarom? Wat gebeurt er?

Hou die gedachte ook vast.

Op school leren wij nooit, dat sommige van de atoom constanten waarschijnlijk helemaal niet constant zijn. De absolute constantheid is wel de ruggengraat vandaag van de natuurkunde. Dat was niet altijd zo. Tot in 1941, was het onderwerp van de variabele metingen van sommige constanten een belangrijke onderwerp in kranten die over deze onderwerpen schreven. Een aantal zaken toonden onverwachte veranderingen.

Een daarvan was de constante van Planck. Daarmee werd de NPE gemeten. Hij werd groter. Een andere was de lichtsnelheid, die werd kleiner. Een andere interessante ontdekking werd gedaan, het product van de constant van Planck en de lichtsnelheid, was wel constant. Als de een omhoog ging, daalde de andere met precies de inverse (= omgekeerde) verhouding.

Toen we in staat waren om de massa van een elektron te meten, bleek die tot ieders stomme verbazing die ook te veranderen.

Niet alleen dat, maar zowel de constante van Planck en de massa van het elektron blijken nu nog steeds te veranderen.

Hoe zit het met de lichtsnelheid? Sinds men begonnen is de lichtsnelheid te meten via andere atoom-constanten, schijnt de lichtsnelheid niet meer te veranderen. Maar denk er eens over na.Als je een veranderlijke constante meet door een andere constante die gelijktijdig veranderd,kun je dan wel een verandering in de eerste constante verwachten?

Wat gebeurt er? Allen maar een serie fouten bij metingen van roodverschuivingen en atoommassa’s en Planck’s constante en de snelheid van het licht ? Of is er iets anders aan de hand?

De sleutel tot deze raadsels ligt in de NPE, nul-punt energie, en zijn toename met de tijd. Maar waar komt die energie vandaan? Wat is de oorzaak ervan?

Ga terug naar het begin – zowel van dit artikel als van de Schepping. God breidde het heelal – of liever de hemel - uit. Trek een elastiekje uit. Blaas een ballon op en trek hem uit. Beide keren heb je energie uit je hand in het uitrekken gestopt. Omdat de energie niets doet zonder dat jij dat wilt, is het een soort verborgen energie, of potentiële energie. Maar laat het uitgerekte elastiekje los of laat de ballon (zonder hem dicht te binden) los en ineens explodeert de eMelkwegstelselnergie in beweging. Deze energie noemen we kinetische energie.

God liet de boel niet in de steek, en alles klapte niet zomaar in, in iets kleins, zoals de ballon. In plaats daarvan investeerde God een deel van die energie, in het heelal toen Hij het uitrekte, in hele kleine (veel kleiner dan elektronen) deeltjes die men Planck Partiële Pairs (Planck is de naam van de ontdekker, Partiële = deeltje, Pair = paar) noemt. Ieder deeltje heeft één positief en één negatief lid.

Hou die gedachte even vast. Ga nu naar de badkamer en vul jet bad met water. Om geen ruzie met moeder te krijgen is het beter om te denken dat het dan is gevuld. Doe nu je handpalmen tegen elkaar aan en doe ze in het water. Trek nu je handen heel snel van elkaar af. Wat gebeurt er met het water? Het begint te draaien in een aantal stroompjes en draaikolkjes.

Kijk nu op internet naar een plaatje van melkwegstelsels.

Melkwegstelsel

http://classroomclipart.com/cgi-bin/kids/imageFolio.cgi?action=view&link=Space/Galaxies_and_Stars/Galaxies&image=hst_ngc4414_9925.jpg&img=&tt=

Lijkt wel een beetje op de draaikolk van het water niet waar ?

De kleine Planck Particle Pairs deden hetzelfde, maar wel op een wat grotere schaal ! Als het heelal werd uitgerekt, werden zij uitgespreid en begonnen rond te draaien. Dit verspreiden en ronddraaien van deze kleine geladen deeltjes was het begin van de Nul-Punt Energie. Hun activiteit hangt niet af van de temperatuur (dat is het gevolg van de Nul-punt temperatuur) of van deeltjes van atomen of nog kleiner (het energie gedeelte).

Net als het elastiekje of de ballon de meeste van hun energie plotseling los lieten, deden de uitgerekte hemelen dat ook. Ontelbare veel Planck Particle Pair deeltjes werden plotseling gevormd (sorry voor de nogal technische taal) en begonnen te draaien en in het rond te kolken. Daarna werd het een beetje rustiger. Nadat de meeste en daarna al de Planck Particle Pair deeltjes waren gevormd, werd toen de Zero Point Energie wat minder?

Nee. Herinner je je dat de Planck Particle Pair deeltjes een negatief en een positief deeltje hebben? Zij begonnen samen te binden. Niet allemaal tegelijk, maar een beetje bij beetje. En bij elke keer dat een paar samenbond, kwam er een beetje energie vrij. Dit was de tweede bron van de Nul-punt energie, en dit gaat nog steeds door tot op vandaag.

De sterkte van de Nul-punt energie wordt gemeten als – wat men wel noemt – de Planck constante. Verwar dit niet met de Planck Particle Pairs. Zij dragen samen de naam van een zeer briljant geleerde, maar zijn niet gelijk. Zij hebben tegengestelde lading. De Planck constante wordt in formules aangegeven door de letter ‘h’. Deze constante nam toe tot het jaar 1970, toen een afname werd geconstateerd.

Naarmate de Nul-punt energie opbouwde na verloop van tijd, probeerde de materie eerst weerstand te bieden, net als wanneer je probeert een glas water over een tafel te schuiven, dan zal het glas eerst niet willen bewegen en dan ineens naar voren schieten. En, behalve als je harder duwt, zal het glas in schokken blijven bewegen. Dit komt omdat het een bepaald niveau van energie van jou vergt om voldoende energie op te bouwen om het glas te schuiven.

Atomen zijn net zo. Naarmate de Nul-punt energie opbouwt, zullen de atomen en moleculen eerst weerstand bieden tot een bepaald niveau als de kracht te groot wordt en geen weerstand meer geboden kan worden, en op deze manier tot een hoger energie’niveau’ gebracht worden. En bij elk atoom dat een hoger energie bereikt, wordt er een beetje licht uitgestraald dat een beetje meer energie bevat, of blauwer wordt. (Het rode einde van het spectrum is het lagere energie niveau, en het blauwe einde het hogere niveau.) Als de Nul-punt energie en de atoom reacties inderdaad zo reageren als hier beschreven, dan zouden wij inderdaad sprongen en roodverschuivingen kunnen verwachten als we de ruimte in kijken en dus ook terug in tijd.

Men zou kunnen zeggen dat de opbouw van de Nul-punt energie de ‘ouder’ is van de gekwantiseerde roodverschuiving metingen. (Kwantiseren komt van het woord kwantum, dat betekent ‘energie of licht deeltje’).

Maar de veranderende Nul-punt energie veroorzaakte ook andere veranderingen. Herinner je je Einstein’s wereld beroemde formule E = mc2 ? E = energie en c = de lichtsnelheid. De kleine ‘m’ is de atoommassa. Deze formule betekent dus dat massa en energie uitwisselbaar is. Als je dit te moeilijk vindt, denk dan aan de atoombom en de enorme hoeveelheid energie, die vrijkwam uit die kleine massa. Dat komt omdat om die enorme hoeveelheid energie te krijgen, vermenigvuldig je wiskundig de massa met het kwadraat van de lichtsnelheid.

Niet alle massa explodeert in energie. We zien met Einstein’s formule, dat de energie zelf constant is. Het blijft gelijk. Maar de massa van het elektron verandert. Als de energie constant is, maar de massa verandert, dan moet de lichtsnelheid (c) ook veranderen. En dat is ook gemeten in 300 jaar lichtsnelheid metingen. Totdat in 1941 werd verklaard dat de atoom constanten, en in het bijzonder de lichtsnelheid constant was, ongeacht de feiten, die aantoonden dat de lichtsnelheid aan het afnemen was.

Hoe zou dat komen? Was het licht moe geworden? Dat was inderdaad één theorie, het licht was moe geworden en begon te vertragen. Maar in werkelijkheid gebeurde dat niet.

Herinner je je de formule van Einstein: E =mc2 ? Er is een mogelijkheid om massa en energie van plaats te verwisselen. Dat gebeurt gedurende extreem korte perioden van nanoseconden door de hele ruimte. De enorme hoeveelheid energie in Nul-punt energie zal zoiets veroorzaken als een ‘virtueel deeltje’ dat even bestaat en onmiddellijk weer verdwijnt. Het is energie verpakt als een massa deeltje. Deze virtuele deeltjes komen ook in paren – negatief en positief. Maar zij zijn veel groter dan de Planck Particle Pair deeltjes. Virtuele deeltjes zijn ongeveer zo groot als elektronen. Zij bestaan echter maar heel kort.

Toen het heelal nog jong was waren er nog niet veel virtuele deeltjes omdat nog niet veel uitdijing energie was omgezet van potentiële energie in kinetische energie, dus was de hoeveelheid nul-punt energie nog gering. Maar spoedig veranderde dat en de hoeveelheid nul-punt energie nam snel toe en het aantal virtuele deeltjes in elk gegeven ruimte volume deel op een willekeurig moment nam gigantische toe. En elke keer als een virtueel deeltje verscheen nam het een foton licht op. (Een foton is een licht deeltje. Er zijn twee theorieën over licht, in de ene wordt het een electromagnetische golf genoemd, in de andere een foton of licht deeltje). Als het virtuele deeltjes weer verdween, bleef het foton wel bestaan. Naarmate de nul-punt energie toenam en het aantal virtuele deeltjes toenam, nam ook het aantal opnamen en afgiften van van fotonen ook toe. En elke keer kostte dat een heel kleine tijd. Maar het nam wel tijd. En zo, naarmate het heelal ouder werd en de hoeveelheid nul-punt energie toenam en het aantal virtuele deeltjes toenam, scheen de lichtsnelheid tussen zijn oorsprong en punt van aankomst te vertragen. De lichtsnelheid tussen virtuele deeltjes was nog steeds dezelfde, maar met zoveel absorpties en heruitzendingen was het als een loper bij een horden race – het licht scheen steeds trager aan te komen.

Net als de snelheid van toename van nul-punt energie en de snelle veranderingen in roodverschuiving in het begin, daalde ook de lichtsnelheid zeer snel.

Is dit een Setterfield buitengewone droom? Nee. De feiten leiden tot deze conclusie.

Er is nog één gegeven: tijd wordt door twee klokken gemeten en zij lopen met verschillende snelheden. Onze kalender klok is een ‘omloop’ of’dynamische‘ klok. Hij meet de dagen, maanden en jaren van de draaiing van de aarde om zijn as, en de omloop van de maan om de Aarde en van de Aarde om de zon. De tijdmeting is gebaseerd op zwaartekracht. Het is de tijdmaat die God voor ons gemaakt heeft (Gen. 1:14) Deze tijdmeting is vrij constant.

De andere tijdmeting is atomair – of de snelheid waarmee atoom processen plaatsvinden. Deze klok is feitelijk gemeten terwijl hij beweegt met een snelheid die verschilt van de omlooptijd. Met andere woorden, als uit radiometrische metingen blijkt dat een steen miljoenen jaren oud is, betekent dat niet dat de Aarde een miljoen keer om de zon is gedraaid sedert de vorming van de steen. Het betekent dat ALS de atomaire processen altijd dezelfde waren geweest, DAN zou de Aarde schijnbaar een miljoen rondjes gedraaid hebben om de zon.

Maar de nul-punt energie beïnvloed de snelheid van atomaire processen! Het is interessant op te merken, dat we in alle verval snelheid formules òf de lichtsnelheid in de teller vinden of zijn tegenpool de constante va Planck in de noemer. We weten dat het product van de constante van Planck en de lichtsnelheid (hc) constant is. Dat is gemeten en gecontroleerd door velen. De metingen van de lichtsnelheden hebben aangetoond dat deze (c) daalt en de constante van Planck (h) is gestegen.

En hoe groter de lichtsnelheid in het verleden hoe groter de radiometrische verval snelheid. Dus, bijvoorbeeld, als de lichtsnelheid oorspronkelijk één miljoen keer groter was dan nu, dan zouden één miljoen atomaire jaren overeenkomen met één ronde om de zon (één jaar).

Twee manieren om de tijd te meten. Twee loop snelheden op twee verschillende klokken.
 

Home

 

Artikelen