Het einde van de evolutietheorie?

Sinds onze minister van Onderwijs, Maria van der Hoeven, belangstelling toonde voor het wetenschappelijk concept van Intelligent Design, dat in ons land op kundige wijze is stem gegeven door de moleculair bioloog prof. dr. Cees Dekker en de zijnen met hun boek Schitterend ongeluk, of sporen van ontwerp?, is de controverse waarvan iedereen dacht dat die al lang doodgebloed was, plotseling in alle hevigheid losgebarsten. Een controverse die in onze cultuur populair, doch geheel onjuist, wordt weergegeven door de twee woorden geloof en wetenschap. De NCRV-uitzending ‘Rondom Tien’ van 26 mei 2005 toonde totaal uit het lood geslagen, luid schreeuwende wetenschappers en geschokte politici. Scheiding van kerk en staat werd er bijgeroepen. Tineke Huizinga sprak van haat bij het debat daarover in de Tweede Kamer. En hoewel de storm thans enigszins uitgewoed schijnt te zijn, laait de discussie gemakkelijk weer op als er maar kleine aanleidingen zijn. En die waren er ook dit jaar. Het VPRO-programma ‘Buitenhof’ zond op 1 januari een discussie uit met als titel God of Darwin, waarin het alweer fel toeging. En op 28 februari j.l. bij de presentatie in het Haagse perscentrum ‘Nieuwspoort’ van het nieuwste boek van Dekker c.s. En God beschikte een worm was de discussie alweer behoorlijk scherp. Steeds weer klinkt de vraag aan prof. Dekker: "Hoe kun je een eerlijke wetenschapper zijn als je tevens gelovige bent? Ben je dan niet licht of misschien zwaar schizofreen?" Volgens de Nederlandse Nobelprijswinnaar Simon van der Meer is dat ook gewoon zo. Ook in het VARA-programma ‘Woestijnruiters’ van 26 februari j.l., waarin prof. Dekker te gast was, kreeg deze vraag weer volop aandacht. Voor de presentatoren Witteman en Pauw was de combinatie van gelovig christen en succesvol wetenschapper in één persoon een contradictio in terminis. Hun verbazing kende geen grenzen! Ligt er wellicht een reusachtig gebrek aan historisch inzicht in de wetenschappelijke ontwikkeling ten grondslag aan de heftigheid van het nog steeds lopende dispuut? Of wordt er misschien door Dekker c.s. regelmatig getrapt op een wel erg dicht aan de oppervlakte liggende overgevoelige zenuw, waarvan het aanraken hevige angst en pijn veroorzaakt? Ik vermoed: beide. Laten we eens op onderzoek uitgaan.

Wat is wetenschap?

Wat is wetenschap? Ik volg de gebruikelijke opvatting, er zijn ook andere in opkomst, waarover verderop. Wetenschap is het op geordende wijze en met behulp van geaccepteerde methoden en redeneringen de werkelijkheid onderzoeken, met twee doelen: 1. deze werkelijkheid te begrijpen, te doorgronden, en 2. met behulp van de verworven kennis en inzichten deze werkelijkheid te beheren en aan te wenden tot ‘nut’ van mens, dier en wereld.

Voor ons schijnt dit vanzelfsprekend, zo vertrouwd zijn wij met wetenschappelijke methoden als gereedschap om kennis te vergaren. Toch is pas voor het eerst in onze cultuur zoiets ontstaan als wat wij ‘wetenschap’ noemen. De oorzaak daarvan is, dat het onderzoek van de werkelijkheid complex is. Plato wist al van de voorgegeven structuur en de weerbarstige werkelijkheid, het onderscheid tussen de ‘Ideeën’ en de tastbare realiteit. Zonder onderliggende zekerheid dat het onderzoeken van die werkelijkheid zinvol is, komt geen wetenschap in de bovengenoemde zin tot stand. Het Platonisme bood daarvoor niet de geschikte ondergrond. Het gebruik van het verstand was één van de sterke punten van de Griekse filosofie, maar het vertrouwen op de werkelijkheid was te zwak.

Pas het doorbreken van een bijbelse kijk op de geschapen werkelijkheid bood voldoende ruggesteun om het avontuur van het doorgronden van de werkelijkheid aan te durven. Het besef dat de mens geschapen is naar het beeld van God, en met zijn verstand Diens werken kan doorzien, is een krachtig uitgangspunt gebleken om de vaak grote problemen het hoofd te bieden. Prof. R. Hooykaas heeft dat op heldere wijze beschreven in zijn boekje Religion and the Rise of Modern Science (Eerdmans, 1972).

Tweemaal Bijbel en wetenschap

In de 13e eeuw koppelde Thomas van Aquino (1225-1274) de filosofie van Aristoteles, als uitleg van de natuurlijke wereld, stevig vast aan de Bijbel, die Platonisch uitgelegd werd en daardoor nauwelijks iets over die werkelijkheid scheen te zeggen. Met Aristoteles kwam ook het Griekse kosmologische model mee, waarin de aarde onbeweeglijk in het midden staat, zon, maan en vijf planeten elke dag daaromheen draaien, en de hemelkoepel met de sterretjes het geheel omspande. Het geheel werd in beweging gebracht en gehouden door de ‘onbewogen beweger’, waarvoor men God substitueerde. Bijbelse zinsneden werden één op één op dit model toegepast en dat leek aardig te kloppen. Zo fungeerde in dit model dus de Bijbel ten opzichte van de wetenschap. Vastgeklonken. Kritiek op Aristoteles of het kosmologisch model was tegelijk kritiek op de Bijbel. En dus de kerkleer. Een volkomen gestagneerde situatie. Maar het kon gelukkig ook anders.

Ook in die 13e eeuw werden de gezonde principes van de moderne wetenschap voor het eerst genoemd door de Britse Franciscaner monnik Roger Bacon (1214-1294), die kritiek had op de hoge positie die het toch door de zonde vertroebelde denken in het systeem van Aristoteles innam, zonder dat het gecorrigeerd werd door voortdurende waarnemingen. Hier fungeerde de Bijbel onafhankelijk van de wetenschap als een verklaringskader. De belangrijke gebeurtenissen van schepping, zondeval en vloed, het optreden van de Verlosser en de aangezegde voleinding van de geschiedenis vormen de basis-elementen van dit verklaringskader. Een jong heelal, een jonge wereld, en een wereldeinde over niet al te lange tijd vormden het tijdskader van deze zienswijze. Die niet vanaf het begin met open armen werd ontvangen. De wetenschappelijke wereld baseerde zich op de autoriteit van Aristoteles. Het duurde enige tijd voordat de strijd tussen deze twee zienswijzen ontbrandde.

Aristoteles (en de kerkelijke macht) contra de moderne wetenschap (op bijbelse grondslag)

Het conflict werd zichtbaar in de persoon van Galileï (1564-1642). Die was, met alle lek en gebrek, toch welhaast het prototype van de moderne wetenschapper. Galileï keek door zijn kijker en zag allerlei dingen die volgens Aristoteles niet waar konden zijn. Wie zich tegen Aristoteles en dus de kerkleer uitsprak, moest wel lijden aan een ernstige vorm van hybris, hoogmoed. Hij had immers de autoriteit van de hele wetenschappelijke wereld tegen. En het gezag van de kerk. Toch had Galileï supporters in de kerkelijke hiërarchie, o.a. kardinaal Maffeo Barberini. Hij keek door Galileï’s kijker en besprak zijn waarnemingen met hem. Galileï moet gedacht hebben dat hij een sterke bondgenoot had, want hij daagde zijn tegenstanders op onvoorzichtige wijze uit.

Helaas, hij had zich vergist. Want toen Barberini in 1623 als Urbanus VIII paus Gregorius IV opvolgde, liet hij zijn oren hangen naar de bedreigingen van de theologen en andere wetenschappers en liet Galileï vallen als een baksteen. We weten hoe het met hem afliep.

Is dit nu een schoolvoorbeeld van het conflict tussen geloof en wetenschap? Zeker niet, het was een conflict tussen de machtige voorstanders van een verouderd en onjuist wetenschappelijk model – dat helaas door het gezag van een in dat opzicht dwalende kerkelijke organisatie werd ondersteund – en de vertegenwoordiger van de opkomende moderne wetenschap, die op heel wat gezondere basis was ontstaan.

De ontwikkeling van de moderne wetenschap

De opvattingen van Roger (let wel: niet Francis!) Bacon bleken zo vruchtbaar dat de moderne wetenschap zich in rap tempo verder ontwikkelde. Via Tycho Brahe, Kepler en Newton werd de kosmologie omgevormd tot één die we heden ten dage nog herkennen. Nieuwe gebieden werden ontdekt en verder ontwikkeld. De medische wetenschap begon haar triomftocht. En al deze onderzoekers leefden en werkten als vanzelfsprekend binnen hetzelfde bijbelse kader, dat ook Galileï al had gestuurd bij zijn ontdekkingen. Tot ver in de 19e eeuw waren vrijwel al deze onderzoekers ook belijdende christenen. Faraday, Maxwell, Pascal, Morse, Pasteur, lord Kelvin, Mendel, Joule, Herschel, en vele anderen, waren gelovige mensen die grote wetenschappelijke prestaties hebben geleverd. En ook de Duitser Wernher von Braun, die het Amerikaanse ruimtevaartprogramma leidde, was een belijdend christen. Het bijbelse geschiedeniskader en de eerder genoemde bijbelse noties zijn een vruchtbare basis gebleken voor de reusachtige ontwikkeling van de wetenschap hier in West-Europa.

De Zweed Linnaeus classificeerde het dieren- en plantenrijk in een taxonomie, die heden ten dage nog wordt gebruikt. Alleen al de mogelijkheid van een taxonomie weerspreekt evolutie.

Het verbaast misschien velen te horen, dat ook de geologie in de 18e eeuw al een bruikbaar model had ontworpen voor de verklaring van de aardlagen met de daarin gevonden gefossilisserde resten van levende wezens. Daarbij speelde de grote vloed in Noachs dagen een belangrijke rol, maar niet alles werd aan die vloed toegeschreven. Hoofdzakelijk de oudere lagen, zeg tot en met Carboon of daaromtrent, zag men als vloed-lagen, en de jongere lagen als gevormd tijdens aan die vloed aansluitende, meer lokale catastrofes. Daarvoor waren goede argumenten. In recente tijd is dit model herontdekt en wordt verder uitgewerkt met behulp van de intussen sterk toegenomen kennis.

Er verandert iets

Helaas leidden welvaart en hoge ontwikkeling niet tot een verdieping van het christelijk geloof in West-Europa. De Europese intelligentsia wendde zich af van het christelijk geloof en ergerde zich aan de Bijbel als kader voor het wetenschappelijk werk. Ondanks de vruchtbaarheid daarvan. Maar er werd in toenemende mate gezocht naar andere bronnen en andere kaders voor de wetenschap. De Franse filosoof René Descartes (1596-1650) keerde terug tot het denken als bron van kennis, zoals de vroegere Griekse filosofen. Hij probeerde ook, al denkend een compleet beeld van de werkelijkheid op te bouwen. Dat is echter al na korte tijd door nader onderzoek onbruikbaar gebleken. Het denken alleen verklaart de wereld niet.

De opkomende ‘Verlichting’ had, naast nuttige en nodige corrigerende aspecten, ook een andere speerpunt, en dat was om in Europa te komen tot een ‘ni Dieu, ni maître’. Het is dus niet zo, dat wetenschappelijke ontdekkingen geleid hebben tot het afschrijven van God en Bijbel uit de wetenschap, of omdat het bijbelse kader niet langer succesvol was voor de wetenschap, nee het was een puur filosofische kwestie.

De Britse advocaat Charles Lyell (1797-1875), zei dat zijn doelstelling was ‘to get rid of the Mosaic account’ (om de getuigenissen van Mozes uit de weg te ruimen). Hij heeft dat doel op intelligente en strategische wijze nagestreefd, o.a. door zijn werk aan de geologie van zijn dagen. Hij negeerde het werk tot dan toe, en stelde dat alle lagen in uiterste geleidelijkheid waren afgezet, met de actuele afzetsnelheid als norm. Vandaar de term ‘actualisme’. De in die lagen gefossiliseerde levensresten definieerde hij als de bewijzen van een plaats gevonden hebbende opklimmende ontwikkeling van het leven, waarbij de onderste levensvormen als ‘primitief’ werden gekenschetst.

Op het gebied van de biologie begon men nl. steeds openlijker te speculeren, dat alle soorten uit elkaar waren voortgekomen, te beginnen met levenloze materie. Een oud heidens model. Dat zo’n proces lange tijd vergde, was duidelijk, en Lyell verschafte die lange tijdsspanne met zijn actualiteitsprincipe. Maar er ontbrak nog iets: een mogelijk mechanisme dat verklaarde hoe de verschillende levensvormen uit elkaar waren ontstaan.

De evolutietheorie van Charles Darwin

Er waren al verschillende mechanismen voor zo’n ‘evolutie’ (zoals men dat begon te noemen) voorgesteld, o.a. door Lamarck (1744-1829) en Erasmus Darwin (1731-1802), de grootvader van Charles Darwin. Maar die voldeden bij nader inzien niet. Lyell liet het oog vallen op Charles Darwin (1809-1882), een kweker van duiven en kleine huisdieren, gehuwd met de rijke en vrome Emma Wedgwood, en gekweld door twee geflipte studies, n.l. medicijnen en theologie. Hij regelde voor hem een plaats als bioloog (naturalist) op het onderzoeksschip Beagle, waarop Darwin ook o.a. de Galapagos-eilanden bezocht en vaststelde dat de verschillende vinkensoorten die daar voorkwamen, uit één oorspronkelijke soort moesten zijn ontstaan. Thuis kon hij zoiets bereiken door selectief kweken, maar hier had de natuur zelf voor de selectie gezorgd van die vinkensoort die het best aangepast was aan de lokaal heersende omstandigheden. Dit bracht Darwin op het idee van natuurlijke selectie: de best aangepasten overleefden. Zou dit niet het mechanisme kunnen zijn waarnaar hij zocht?

Thuisgekomen aarzelde Darwin nog 23 jaar voor hij zijn boek over de materie publiceerde, bijna met tegenzin, zo leek het wel, maar constant aangevuurd door Lyell. Hij noemt het zelf ‘mijn theorie’, maar een theorie in stricte zin is het niet, meer een filosofie, en een enorm aantal veronderstellingen. In zijn redeneertrant komen vaak zinsneden voor als: "...is het niet moeilijk in te zien, dat..."; "....zou het best kunnen zijn, dat..."; etc. Dat is geen wetenschap, dat is speculatie. Enkele uitspraken van Darwin: "Ik huiver als ik aan het menselijk oog denk", en: "Als de tussenvormen die mijn theorie vereist, niet in de fossielen worden gevonden, is mijn theorie gefalsificeerd". Ze zijn niet gevonden.

Lyell en zijn vrienden ijverden onvermoeid voor het vervangen van de heersende opvattingen door Darwins denkproduct. Hij schonk vele exemplaren aan geestelijken van de Anglicaanse kerk want, zei Lyell, de Engelse Kerk van binnenuit nemen, scheelt 50 jaren harde strijd. En het werkte. De officiële kerk bood geen weerstand, innerlijk geestelijk verzwakt als zij was. En tegen het einde van de 19e eeuw was het doel bereikt. Niet door eerlijke wetenschappelijke strijd, maar door politiek en manipulatie. Echter ook door de weinig krachtige tegenstand van de christenen. Vele van de 19e eeuwse wetenschappers waarschuwden krachtig tegen deze ontwikkeling. Tevergeefs.

‘Wetenschap’ werd nu ook opnieuw gedefinieerd. Materialisme, c.q.atheïsme ondersteunen is nu het nieuwe doel van de wetenschap. De Amerikaanse bioloog Lewontin zegt daar o.a. het volgende over: "Het is niet zo dat de wetenschappelijke methoden en instellingen ons op de een of andere manier dwingen om een materiële verklaring te vinden. Het is juist omdat we onszelf vooraf dwingen om materiële oorzaken te vinden, om zo een onderzoeksmethode en een verzameling concepten te creëren die materiële verklaringen geven. Onafhankelijk van hoe contra-intuïtief deze zijn en onafhankelijk van hoe verwarrend [want: inconsistent] deze zijn voor de niet-ingewijden. Bovendien is dat materialisme een absoluut aspect, we kunnen geen Goddelijke Voet tussen de deur toestaan" (uit: Billions and billions of demons, 1997). Het gaat dus helemaal niet meer om inzicht in en verklaring van de werkelijkheid, nee het gaat hier uitsluitend om denkmethoden die God buiten de deur moeten houden. Vandaar dus de ongelovige gezichten van Paul Witteman c.s., als je als gelovig christen een succesvol wetenschapper bent. Hen mankeert heel wat historische kennis.

Het vervolg

Aan de universiteiten werd het steeds moeilijker om in de traditie van de moderne wetenschap te werken. Wie zich niet conformeerde. had geen toekomst. Zelfs de Vrije Universiteit, opgezet als een christelijk bolwerk tegen het atheïsme, ging door de knieën. In de christelijke wereld beperkte men zich in hoofdzaak tot aanpassingstheorieën: dagen werden tijdperken, een gat tussen Genesis 1:1 en 1:2, scheppingsbericht als ‘leermodel’ (Lever), God schiep door evolutie (het zgn. ‘theïstisch evolutionisme’), lokale vloeden in plaats van een wereldwijde catastrofe, etcetera.

De steeds verlengende tijdsspannes, nodig voor alle processen van die toch wel verbazend ingewikkelde evolutie van molecuul tot mens, werden in de twintigste eeuw schijnbaar grondig onderbouwd door het in gebruik komen van zgn. radioactieve meetmethoden tot bepaling van de ouderdom van gesteenten. Deze leidden tot het geloof in een ouderdom van de aarde van ± 4,5 miljard jaar. Toen dan ook nog in de kosmologie door bepaalde interpretaties van sterrenlicht werd geconcludeerd tot een uitdijend heelal met een ouderdom van 10 tot 20 miljard jaar (thans 13,7 miljard jaar), leek de zaak hopeloos en velen legden het hoofd in de schoot. Het was een R.K. priester (de Belgische Jezuïet Georges Lemaïtre) die het heelal-begin voorstelde als de expansie van een onvoorstelbare kleine bal energie, de zgn. ‘big bang’, waaruit dan door het wonderproces ‘evolutie’ het hele, prachtig gestructureerde heelal ontstaat.

Maar onder het gewone volk heeft het geloof in de waarheid van de Bijbel, de schepping in zes dagen en het jonge heelal altijd stand gehouden. Zij het behoorlijk aangevochten. Uiteraard werden zij voor achterlijke mutsen gehouden. In Europa was de georganiseerde weerstand klein, maar in Amerika was het verzet altijd sterker. Dat heeft geleid tot een krachtige rentrée van de bijbelse inzichten met de publicatie van het boek The Genesis Flood van Henry Morris (hydroloog) en John Whitcomb (theoloog) in 1961. Dit was een frontale aanval op het evolutionisme, en een grootse poging tot het opzetten van een bijbelse wetenschap. Deze eerste zet, door twee mensen die niet deskundig waren op de cruciale gebieden van geologie en biologie, was niet het laatste woord. Maar de beweging, die hieruit wereldwijd ontstond, ‘creationisme’ genaamd, was nu niet meer te stuiten.

 

Het creationisme

Vooral in het begin waren veel creationisten niet academisch geschoold en onbedreven in het wetenschappelijk handwerk. Vaak anti-evolutionist, maar weinig eigen inbreng. Dat heeft de zaak helaas veel afbreuk gedaan. Maar intussen zijn nieuwe generaties aangetreden, en het percentage wetenschappers onder hen groeit, en daarmee de kwaliteit van het werk.

In Amerika werkt o.a. het Institute for Creation Research, waarbij vele wetenschappers zijn aangesloten en waar grondig werk wordt verricht. In Duitsland biedt de vereniging ‘Wort und Wissen’ onderdak aan een aantal succesvolle onderzoekers, onder wie de wiskundige Werner Gitt en de bioloog Siegfried Scherer. En er wordt gepubliceerd. Maar ook in ons eigen land wordt baanbrekend werk verricht op het gebied van de geologie. De naam van Tom Zoutewelle mag hier genoemd worden. Het aantal actieve wetenschappers dat zich baseert op de bijbelse uitgangspunten groeit en de kwaliteit van het werk groeit mee. De slechte naam die het creationisme nog aankleeft is niet meer geheel terecht. Het is jammer dat iemand als prof. Cees Dekker nog steeds meent, zich daartegen te moeten afzetten.

Het bouwwerk begint scheuren te vertonen

Na de triomfantelijke uitroep van Julian Huxley in 1959, dat aan het verstand van ieder die nu nog niet gelooft in evolutie, ernstig getwijfeld moet worden, volgen reeksen gebeurtenissen, die serieuze denkers ernstig doen gaan twijfelen aan de deugdelijkheid van het evolutiegebouw.

Deze min of meer willekeurige bloemlezing uit de enorme bundel problemen, die de wetenschap onder ogen zou moeten zien, toont aan dat een herziening – of nog beter – herroeping van het evolutionisme als kaderhypothese voor de wetenschap langzaamaan een dringende zaak wordt. Of, zoals William Dembski, een van de grondleggers van de Intelligent Design-beweging het in een strijdbaar ‘statement’ zegt: "We streven niet na reformatie en aanpassing van het evolutionisme, maar zijn verwijdering en vervanging". Dat lijkt mij vooralsnog een iets te ambitieuze doelstelling. Maar het geeft wel aan dat de luidruchtige reacties van evolutionisten in de discussie niet geheel ongegrond zijn. Richard Dawkins (in De blinde horlogemaker) heeft eens gezegd: "Dank zij Darwin is het mogelijk om een intellectueel bevredigd atheïst te zijn". Het ziet er naar uit dat atheïsten op termijn op zoek moeten naar andere bronnen van intellectuele bevrediging.

Hoe nu verder?

De toekomst voor een bijbels-georiënteerde wetenschappelijke werkwijze hangt af van een aantal zaken:

  1. Het onderwijs. We moeten (christelijk) onderwijs en kerndoelen niet verder laten infiltreren en inpakken door impliciete en expliciete evolutionaire opvattingen. Daarvoor is bewustwording onder christenen nodig.
  2. Publiciteit. Het grote (ook christelijke) publiek is zich nauwelijks bewust van wat er speelt. Als onze enige voorlichters Witteman, Pauw en andere seculiere journalisten zijn, zal het niet gaan. Ook christelijke media zullen zich moeten weren. Dat wordt natuurlijk nu al erg bemoeilijkt door de uitspraak van EO’s Andries Knevel op 29 oktober 2005 bij het CGB dat ook hij niet meer gelooft in een letterlijke schepping in zes dagen.
  3. Wetenschappelijke vorming. Nodig zijn academisch gevormde christenen, die zich het vak hebben eigen gemaakt en zich niet door de schijnbare overmacht van het atheïstische denken hebben laten inpakken. Zoals we hierboven zagen, wankelt dit denken behoorlijk. Het is jammer dat prof. Cees Dekker wat dit betreft iets heeft gemist.
  4. Kerk en theologie. M.i. de moeilijkste hobbel. De theologie heeft de ‘moderniteit’ tot nu toe alleen maar gevolgd. Als de vrijgemaakt geref. emeritus prof. Douma het land rondgaat om uit te leggen dat we Genesis 1 niet letterlijk moeten nemen, en de PKN-hoogleraar Van de Beek meent dat ook Jezus het lot deelt van ons allen, n.l. afgestamd te zijn van aapachtigen, dan is aldaar duidelijk nog heel wat werk te verzetten.

Tenslotte

 

Axel, maart 2006 Rinus Kiel