Overgenomen uit de katern Natuur en Techniek van het tijdschrigt Beweging van de Stichting voor Reformatorsiche Wijsbegeerte

iMAGE 286

IS INTEllIGENT DESIGN EEN VERBETERING TEN OPZICHTE VAN EVOLUTIONISTISCH NATURALISME?

EVOLUTIE EN NATURALISME

Geschreven door Uko Zylstra, Calvin College, Grand Rapids, Mi, VS.

Vertaling Bart Cusveller

dISCUSSIE OVER DE STATUS van evolutietheorieën is onder christenen nog steeds omstreden. Aan de ene kant hopen de bewijzen voor evolutionistische theorieen zich op. Aan de andere kant sluiten evolutietheoretici doelbewust alle goddelijk ingrijpen in het evolutieproces uit. Ze gaan ervan uit dat louter natuurlijke oorzaken als wetenschappelijke verklaring van verschijnselen gelden, ook als het gaat om evolutionaire verschijnselen. Deze positie noemt men gewoonIijk 'methodologisch naturaIisme'. In feite zeggen zij dat goddeIijk ingrijpen niet nodig is om het evolutieproces te verklaren en te begrijpen. Natuurwetten voldoen prima om evolutionaire verschijnselen te verantwoorden, zo is hun stelling.

Deze evolutiebiologen komen hoogstens in de buurt van theïstische evolutietheoretici, die zeggen dat God de oorsprong en ontwikkeling van levende wezens gewoon kan bewerkstelligen door zulke natuurlijke processen te gebruiken. Zodoende is er volgens theïstische evolutionisten geen werkelijke spanning tussen seculiere evolutietheorieën en de zienswijze dat God alle biologische en natuurkundige processen beheerst. God doet dat eenvoudig op de manier waarop de evolutiebiologie zegt dat zulke processen zijn verlopen en nog lopen. God handelt in de 'natuurlijke' wereld door 'natuurlijke' oorzaken te gebruiken.

Natuurlijke oorzaken worden binnen het wereldbeeld van het wetenschappelijk naturalisme echter gedefinieerd als autonome, zelfsturende krachten. Zo'n reductionistische visie op natuurlijke oorzaken leidt tot een dualisme tussen natuurlijke oorzaken en goddelijke oorzaken, waarin het goddelijke geen verband of bemoeienis heeft met het natuurlijke en alleen betrokken is op de geestelijke of natuurlijke kant van het menselijk bestaan.

Dit dualisme legt een fundamentele spanning tussen seculiere evolutietheorieën en theïstische evolutietheorieën bloot. Die spanning vloeit namelijk voort uit de claim dat het evolutieproces ongeleid is en zonder doel. Het ontbreken van enig doel hangt samen met het principe dat de variaties tussen de organismes waarbinnen evolutiemechanismen voor selectie zorgen geheel op toeval berusten. Er is geen enkel goddelijk ingrijpen betrokken bij die variaties ofbij het sturen van selectiemechanismen.onterp

.Nu zijn er christenen die dit methodologisch naturalisme als werkhypothese hanteren, waardoor ze door de wetenschappelijke gemeenschap worden geaccepteerd. Maar veel andere christenen blijven het ongelukkig vinden om mee te moeten gaan in een seculiere theorie die doel en zin van het bestaan van levende wezens ontkent, inclusief dat van de mens. Een aantal theoretici die hierop aanzienlijke kritiek hebben geuit, zijn de zogenoemde Intelligent Design (ID ) - theoretici. Het is belangrijk om te zien dat ID niet per se aIle vormen van evolutie ontkent. Michael Behe, een van de leidende vertegenwoordigers van de ID-theorie, geeft zonder meer de mogelijkheid van gemeenschappelijke afstamming van levende wezens toe.(1) Ze verzetten zich dus niet zozeer tegen evolutie op zich. De voornaamste kritiek van de ID op evolutietheorieën is dat levende wezens complexe structuren vertonen die niet door natuurlijke selectie tot stand kunnen zijn gebracht. Om deze kritiek op waarde te kunnen schatten is het belangrijk onderscheid te maken tussen verschillende betekenissen waarin het woord 'evolutie' wordt gebruikt. Veel van de meningsverschillen en spanningen die heersen tussen aanhangers van de evolutiegedachte en degenen die er kritiek op hebben, is volgens mij terug te voeren op onvoidoende onderscheid tussen de verschillende betekenissen van evolutie en de strekking van die betekenissen voor theorieën over evolutie.

EVOLUTIE ALS PATROON, PROCES EN MECHANISME

Om het verzet van veel christenen tegen evolutietheorieën te kunnen begrijpen, helpt het om te onderscheiden tussen verschillende betekenissen van het woord evolutie en te zien of er betekenissen zijn die beter passen bij een bijbelse visie op de schepping en haar ontplooiing - en welke daar minder goed bij passen. Er is in dit verband een zinvol onderscheid gemaakt door Keith Steward Thompson, (2) die drie betekenissen van evolutie beschrijft: evolutie als patroon, evolutie als proces, en evolutie als mechanisme. Hij licht dit onderscheid toe met een eenvoudig voorbeeld. Hij wijst erop (ervan uitgaande dat men uit de volgorde van de aardlagen de leeftijden van de aardlagen kan afleiden) dat uit de vondsten van fossielen kan worden opgemaakt dat de komst van vissen voorafging aan die van amfibieën. Dat is een voorbeeld van evolutie als patroon. Dat wil zeggen, de vondst van fossielen geeft een patroon aan in de volgorde waarin verschillende soorten levende wezens in de geschiedenis ten tonele verschenen. Om even bij vissen en amfibieën te blijven en de notie van evolutie als proces aan te geven, kan men het voorbeeld aanpassen en zeggen dat de komst van vissen de komst van amfibieën heeft voorbereid. Het is duidelijk dat deze betekenis van evolutie als proces niet gereduceerd kan worden tot evolutie als patroon. Tot slot, de betekenis van evolutie als mechanisme verwijst naar de weg waarlangs het proces van evolutie verliep, bijvoorbeeld door middel van natuurlijke selectie. Natuurlijke selectie is volgens Darwin zelfs het belangrijkste mechanisme waarop het evolutieproces rust.

DE VOORNAAMSTE KRITIEK VAN DE ID OP EVOLUTIETHEORIEËN IS DAT LEVENDE WEZENS COMPLEXE STRUCTUREN VERTONEN DIE NIET DOOR NATUURLlJKE SELECTIE TOT STAND KUNNEN ZIJN GEBRACHT

Nu we deze onderscheidingen voor ogen hebben, kunnen we naar de empirische bewijzen voor deze drie vormen van evolutie kijken. Ongetwijfeld is er overstelpend veel bewijsmateriaal voor evolutie. Maar als men niet onderscheidt welk bewijsmateriaal op welke vorm van evolutie betrekking heeft, zal het onduidelijk blijven welke relevantie het bewijsmateriaal heeft voor evolutietheorieën en zullen misverstanden over de aard en rol van evolutie het gevolg zijn. Wanneer we het over evolutie hebben is het dus noodzakelijk te onderscheiden of we het hebben over evolutie als patroon, als proces, of als mechanisme.

BEWIJS VAN EVOLUTIE

De vondsten van fossielen leveren naar mijn mening inderdaad overstelpend veel bewijsmateriaal voor evolutie als patroon, dat wil zeggen, de vondst van een patroon van kwalitatieve verschillen tussen organismen over de tijd gemeten. Ander duidelijk bewijsmateriaal voor evolutie als patroon wordt geleverd door vergelijkende analyse van de volorde van aminozuren in eiwitten als cytochroom C en hemoglobine. In deze eiwitten blijkt de volgorde van aminozuren binnen groepen van 'verwante' organismen steeds in hoge mate overeen te komen. Bij organismen die veel minder aan eIkaar verwant zijn, blijkt ook de volgorde van aminozuren in zuIke eiwitten veel minder overeen te komen. De variatie in de volgorde van de aminozuren in bepaalde eiwitten lijkt geen gevolgen te hebben voor de functie ervan, wat betekent dat de variaties beperkt blijven tot die gebieden van de eiwitten die geen gevolgen hebben voor functies. Zou de variatie wel gevolgen hebben voor de functie, dan zouden zuIke 'defecte' eiwitten weggeselecteerd worden en zouden de organismen met genen voor zulke defecte eiwitten ophouden te bestaan. Dit patroon van overeenkomst en verschil biedt sterk bewijsmateriaal voor een patroon van fylogenetische verwantschap tussen soorten. Het alternatief zou zijn dat God bij de schepping van alle soorten die moleculen als cytochroom C bezitten ook alle variaties in de volgorde van de aminozuren zou hebben geschapen. Dat roept dan weer de diepere vraag op waarom cytochroom C zou worden geschapen met zo veel verschillende variaties.

Met betrekking tot evolutie als proces bestaat veel minder empirisch bewijsmateriaal. Het is vele malen moeilijker om concreet bewijsmateriaal te leveren voor een proces dat duizenden of miljoenen jaren geleden heeft plaatsgevonden. Ons begrip van het evolutieproces is dan ook in sterke mate afhankelijk van dingen die we kunnen afleiden uit de overvloed aan empirisch bewijsmateriaal voor evolutie als patroon. Het bewijsmateriaal voor zulke afgeleide kennis kan heel sterk zijn, zoals in het bovenstaande voorbeeld van de volgorde van aminozuren. Om maar wat te noemen: op basis van de bewijzen voor patronen in de evolutie lijkt mij de gedachte van gemeenschappelijke afstamming heel aannemelijk. Maar de mogelijkheid van gemeenschappelijke afstamming betekent nog niet dat het darwinistische mechanisme van natuurlijke selectie ook de weg geweest moet zijn waarlangs de verschillende soorten levende wezens zijn ontstaan. Dat levende wezens evolueren wil alleen maar zeggen dat de schepping zich ontplooit. Hiermee is nog niets gezegd over het evolutiemechanisme, zolang men deugdelijk empirisch. bewijsmateriaal heeft voor.de manier waarop een mechanisme in verschillende stadia tot ontplooiing leidt. Daarom is het zo belangrijk om de verschillende betekenissen van evolutie uit elkaar te houden.

Er is echter ook goed bewijsmateriaal dat steun biedt aan diverse theorieën over de mechanismen van de evolutie. Een voorbeeld is Darwins eigen waarnemingen op de Galapagos-eilanden. Er kan geen twijfel over bestaan dat natuurlijke selectie een belangrijk mechanisme voor evolutionaire veranderen is geweest en nog is. Er treedt alleen een probleem op wanneer men het mechanisme van natuurlijke selectie voldoende acht voor de evolutie van alle structuren en complexe processen in levende wezens. Evolutiebiologen kunnen beslist heel wat empirisch bewijsmateriaal aandragen voor de rol van natuurlijke selectie in het specialisatieproces. Maar of natuurlijke selectie voldoende is om alle structuren en processen in levende wezens tot stand te brengen is een ander verhaal. Dat vereist een ander niveau van bewijsvoering, een niveau dat vaak ontbreekt.

ONHERLEIDBARE COMPLEXITEIT

Het is precies dit probleem waarop Michael Behe wijst wanneer hij stelt dat onherleidbaar complexe structuren en processen niet door natuurlijke selectie tot stand kunnen komen. Voorbeelden van onherleidbaar complexe systemen zijn: het cilium, de bacteriële flagellum, de biochemie van het gezichtsvermogen en het bloedstollingsysteem. Het centrale punt van zijn argumentatie is dat elk van de essentiële componenten van deze structuren of systemen aanwezig moeten zijn om het systeem te laten werken. Zodra slechts één van die essentiële componenten ontbreekt, zal de structuur gewoon niet werken. Eventuele voorlopers van die structuren zullen per definitie niet de vereiste componenten of variaties van die componenten hebben met andere functies. Die zullen dan ook in het geheel niet werken voor die specifieke rol waarvoor die structuur geselecteerd zou moeten worden, omdat de benodigde componenten daarvoor niet aanwezig zijn. Het gevolg is dat eventueIe voorlopers nooit voor het systeem geselecteerd zouden worden, omdat de voorlopers (die zogenaamd 'overgangsvormen' van het ene naar het andere systeem zouden zijn) geen selectievoordelen hebben. De selectievoordelen die de functie van eventuele voorlopers zou hebben, bieden nog geen voordeel voor een nieuwe of andere functie.

Met het oog hierop meent Behe dat de darwinistische versie van evolutie, met zijn concentratie op natuurlijke selectie,

WANNEER WE HET OVER EVOLUTIE HEBBEN MOETEN WE ONDERSCHEIDEN OF HET GAAT OVER EVOLUTIE ALS PATROON, ALS PROCES, OF ALS MECHANISME

de evolutie van onherleidbaar complexe structuren niet kan verantwoorden. Ik wu bovendien willen stellen dat we onvoldoende kennis van evolutiemechanismen hebben om het ontstaan van levensvormen te kunnen verklaren.,In het bijzonder is de evolutie van genetische informatie en de celsystemen om die informatie te vertalen nog onontgonnen gebied voor de wetenschap. Er zijn geen evolutiemechanismen bekend"die een verklaring kunnen geven van deze stap in de evolutie van levende cellen.

Ik meen dat Behe's kritiek op de beperkingen van darwinistische natuurlijke selectie in hoge mate hout snijdt en dat hij hiermee evolutiebiologen voor een wezenlijke uitdaging stelt. Veel van Behe's critici zijn daarentegen wel erg snel met Behe's uitdaging klaar. Een van zijn voornaamste opponenten is Ken Miller, een vooraanstaand celbioloog, die volhoudt dat bovengenoemde celstructuren zonder meer door evolutie tot stand kunnen komen.(3) Maar in zijn kritiek houdt Miller de verschillende betekenissen van evolutie te weinig uit elkaar. De vraag is niet of zuIke structuren zijn geevolueerd.

Zelfs Behe zal dat erkennen, gezien zijn bijval voor de theorie van de gezamenlijke afstamming. Wanneer Miller erop wijst dat sommige deelstmcturen van complexe structuren aanwezig zijn als componenten van andere systemen, draagt hij bewijsmateriaal aan voor het mogelijke evolutieproces van zulke structuren. Maar het gaat hier nu juist om het evolutiemechanisme: hoe ze zijn geevolueerd. Verder maakt hij van evolutie zelf een oorzaak wanneer hij zegt dat evolutie bepaalde structuren tot stand heeft gebracht. Wanneer men aan de evolutie een dergelijk vermogen toeschrijft, komt evolutie wel dicht in de buurt van een 'god als stoplap', een bezwaar dat velen juist tegen ID hebben.

OORZAKELlJKHEID EN REDUCTIONISME

Een sleutelkwestie in heel deze discussie is de aard van oorzakelijkheid als zodanig. De vertegenwoordigers van ID willen in feite een intelligente oorzaak toevoegen aan de natuurlijke oorzaken. Het probleem is dat zowel evolutiebiologen als aanhangers van ID een reductionistische opvatting van natuurlijke oorzaken veronderstellen. Natuurlijke oorzaken worden door hen immers opgevat als fysische en chemische causaliteit. Het springende punt in onze discussie is echter of levensvormen inderdaad een apart geval van fysische en chemische verschijnselen zijn, of dat leven op een of andere manier toch niet tot een fysische of chemische verklaring gereduceerd kan worden. Simpel gezegd: zijn levende wezens slechts fysische, chemische dingen, slechts aan fysisch/chemische wetmatigheden onderworpen? Of zijn levensvormen onderworpen aan ordeningsprincipes (wetten) die verschillen van en toevoegen aan fysische en chemische,wetten? Als levende wezens onherleidbaar complex zijn, waarin bestaat dan hun complexiteit?

Ik denk dat het niet veel oplevert om intelligent ontwerp aan te voeren als oorzaak voor de genoemde onherleidbare complexiteit. Kan intelligent ontwerp de oorzaak zijn van het ontstaan van levensvormen, in het bijzonder van de structuren en verschijnselen die niet verklaard kunnen worden met behulp van fysische en chemische wetmatigheden? En, zo ja, waarin is de oorzakelijke kracht van een intelligent ontwerp dan gelegen? Is ID werkelijk meer dan een bevestiging dat het heelal is geschapen en onderhouden door een intelligent wezen of schepper-God?

Ik ben ervan overtuigd dat dit debat over de tekortkomingen van de evolutiebiologie zijn wortels heeft in een reductionistische ontologie. ID heeft die tekortkomingen niet overwonnen, omdat zij in wezen ook van die reductionistische ontologie uitgaat. Ik geloof dat een veel beter antwoord op het reductionisme van het naturalisme wordt geboden door de filosofie van de wetsidee zoals die door Herman Dooyeweerd is ontwikkeld. Dit zal ik graag in en volgend artikel uiteenzetten.

Image 287

Uko Zylstra is docent biologie en academic dean, Calvin College, Grand Rapids, Michigan, Verenigde Staten.E-mail: zylu@calvin.edu

 

VOETNOTEN

I Behe, Michael J. 1996. Darwin's Black Box: The Biochemical Challenge To Evolution. New York: The Free _res_.

2 Thomson, Keith Stewart. 1982. 'The Meanings of Evolution.' American Scientist 70, p.529-531.

3 Zie bijvoorbeeld Kenneth R. Miller, 1999. Finding Darwin's God: A Scientist's Search for Common Ground Between God and Evolution. New York: HarperCollins, en Kenneth R. Miller, 2004. 'The Flagellum Unspun: The Collapse of 'Irreducible Complexity', in W. Dembski & M. Ruse. Debating Design. Cambridge University Press.


Index Antropologie Artikelen Astronomie Bijbellezen Bijbelse Geschiedenis  Biologie
Ouderdom Aarde Diverse Bronnen Filosofie Geologie Gods Handen Klimaat Milieu