Uit Beweging 2005-4 Natuur & Recht

Een alternatief voor Intelligent Design en evolutiebiologie

 

Door Uko Zylstra

De conclusie van mijn vorige artikel (Beweging 2005/3) was dat het theoretische kader van zowel de Intelligent Design-aanhangers als de evolutiebiologen op een reductionistische ontologie berust. ID-aanhangers en evolutiebiologen werken beiden met wat ik een fysicalistische ontologie zou willen noemen – de gedachte dat de werkelijkheid in wezen fysisch-chemisch van aard is. Mijn argument is dat beide groepen slechts fysische en chemische wetmatigheden herkennen of erkennen. Immers, het is een gangbare constatering dat de concrete, materiële werkelijkheid bestaat uit moleculen en atomen, en dat moleculen en atomen enkel gehoorzamen aan fysische en chemische wetten.

Het fysicalisme biedt echter geen toereikende verklaring voor datgene wat levende wezens tot levende wezens maakt. Daar ligt de wortel van het probleem. Wat we ‘leven’ noemen, is uiteindelijk niet van materiële aard. Leven is een bestaanswijze, een manier waarop levende wezens functioneren. Leerboekjes in de biologie promoten echter de wijdverbreide misvatting door de uitdrukking ‘levende materie’. Alleen: de uitdrukking ‘levende materie’ is innerlijk tegenstrijdig. Materie op zichzelf leeft niet. We kennen alleen levende gehelen, organismen. Materie is uiteindelijk fysisch en chemisch van aard en dus onderworpen aan chemische en fysische wetten, zegt men. Maar moleculen komen niet zomaar tot leven wanneer ze in cellen en weefsels worden opgenomen. De aanduiding van levende wezens als levende materie verraadt een reductionistische ontologie.

Dat de ID-theorie ontoereikend is, komt naar mijn mening doordat deze theorie de levensfuncties van levende dingen niet kan verklaren. Hij schiet tekort als verklaring van biologische verschijnselen in onderscheid met chemisch-fysische verschijnselen. Wanneer we enkel als ‘natuurlijke’ oorzaken chemisch-fysische krachten erkennen, missen we de ware oorzakelijkheid van levensverschijnselen. Een beroep op Intelligent Design als de oorzaak voor levende verschijnselen is een beroep op een reductionistische kijk op de geschapen werkelijkheid en een inperking van ons begrip van Gods actieve betrokkenheid op de schepping. We moeten veeleer ingaan op de betekenis van wetten als relaties tussen God – de Schepper – en de schepping. Hiervoor is een diepere analyse nodig van zowel de aard van levenloze als die van levende dingen.

 

Wetsidee

 

Er schuilt volgens mij een beter antwoord op het reductionisme van het fysicalistische naturalisme in de Wijsbegeerte der Wetsidee, zoals die is ontwikkeld door de inspanningen van Herman Dooyeweerd.(1) Deze Nederlandse denker ontwikkelde niet alleen belangrijke kritiek op het wetenschappelijke beeld dat de materiële wereld op zichzelf staat, hij leverde ook een grootse bijdrage aan de analyse van de verschillende bestaanswijzen in de werkelijkheid. Dooyeweerd onderstreepte de onherleidbaarheid van deze bestaanswijzen en dat helpt ons een beter verstaan te krijgen van de eenheid, de heelheid en het geïntegreerde karakter van levende dingen.

Volgens Dooyeweerd is causaliteit vastgelegd in ‘de wet’ als relatie tussen God en de gehele schepping. De wet is precies de voorwaarde voor het bestaan van de geschapen werkelijkheid, met inbegrip van de evolutie van levende dingen. Zo opgevat is de wet de basis voor ‘natuurlijke oorzaken’. Alles wat bestaat kan er alleen maar zijn voor zover het onderworpen is aan de wetten voor hun bestaan, hun gedragingen, en hun evolutie. Zonder structurele wetten voor bijvoorbeeld eikenbomen en eekhoorns zouden er geen eikenbomen of eekhoorns zijn. Wanneer de wet die voor iets geldt zou ophouden te bestaan, dan zou dat iets zelf ophouden te bestaan. Zulke wetten worden doorgaans wel aangeduid als ‘natuurwetten’. Natuurwetten worden hier opgevat als structuurwetten, in onderscheid met normatieve wetten die voor menselijk gedrag gelden en waaraan mensen gehoorzamen (of niet). Voorts zijn er meer natuurwetten (oorzaken) dan alleen chemische en fysische. Er is een scala aan wetten die gelden voor elk van de manieren waarop dingen bestaan, waaronder de biotische bestaanswijze. Biologische structuren en verschijnselen worden ook door wetten geleid. Biologische verschijnselen kunnen worden verklaard en verantwoord doordat zij niet alleen aan chemische en fysische wetten gehoorzamen, maar ook aan biologische.

De biotische wetten die levende dingen sturen, garanderen de eenheid van een levend ding. Dit wordt duidelijk wanneer we eens kijken naar de flux van chemische bestanddelen in het voortdurende zelfherstel van het menselijk lichaam: elke vijf dagen is er een nieuw maagslijmvlies aangelegd, elke vijf maanden is er een nieuwe lever gevormd; de huid wordt binnen elke zes weken vervangen, en elk jaar 98% van de atomen in ons lichaam. (2)Deze constante vervanging van de moleculaire samenstelling van organen en weefsels (die kenmerkend is voor alle levende wezens), wordt niet gedicteerd door chemische of fysische wetten, maar door de biotische wetten die voor het organisme als geheel gelden. Door de vervanging van moleculaire componenten in zijn ontwikkeling en bestaan heen wordt de identiteit van het levende wezen gegarandeerd door principes die uitgaan boven het chemische en fysische.

 

 

Image299

Image300

Fig. 1. Schematische voorstelling van een ding. De wet is de relatie tussen God en alle dingen.

Fig. 2. Schematische voorstelling van een ding als op zichzelf bestaand. De wet wordt als immanent gezien.

 

Analyse van een ding

 

Dooyeweerds analyse kan worden verhelderd aan de hand van zijn bespreking van de structuren van een ding (1957, vol. III, ch. 2). Volgens Dooyeweerd zijn aan elk ding twee dimensies te onderscheiden: de wetzijde en de subjectzijde. Wellicht helpt het om ons deze dimensies voor te stellen als twee helften van een bol, waarvan de ene de wetzijde is en de andere de subjectzijde, zoals weergegeven in figuur 1.

De subjectzijde is de verwerkelijking van de wetzijde. We nemen de wetzijde niet rechtstreeks waar, we nemen alleen de subjectzijde waar die is onderworpen aan de wetzijde. Zodoende ervaren we de door de wet geleide aard van de werkelijkheid via de subjectzijde van elk ding (aangegeven door de lijntjes in de figuur).

Dientengevolge is ons begrip van de bepalende wetten voor de werkelijkheid indirect en onnauwkeurig. In ons denken kunnen we de aard van de natuurwetten slechts proberen te benaderen. In dat verband moeten we een belangrijk onderscheid maken tussen onze beschrijving van de wet en de wet zelf. Onze formulering van de wet is niet gelijk aan de bepalende principes zelf. Zelfs ‘de wet van de zwaartekracht’ is slechts een kwantitatieve beschrijving van onze ervaring van de manier waarop de dingen gehoorzamen aan de fysische wet voor de onderlinge aantrekkingskracht tussen fysische lichamen.

Zelfs wanneer men niets ziet in de gedachte dat wetten de relatie zijn tussen God en de schepping, hoeft dat nog niet te betekenen dat men het bestaan van wetten verwerpt. Per slot van rekening is de werkelijkheid ordelijk van aard en die orde weerspiegelt ordenende principes of wetten die verantwoordelijk zijn voor orde. Wetenschappelijk onderzoek veronderstelt een geordend universum. Als het universum geen orde zou vertonen dan zou wetenschappelijk onderzoek niet mogelijk zijn. Wetten zullen dan opgevat worden als immanent aan de werkelijkheid, zoals in figuur 2 is weergegeven. Maar of men nu in een goddelijke schepper gelooft of niet, dat de werkelijkheid door wetten wordt geleid kan niet zinvol betwijfeld worden. Het springende punt is de erkenning dat er een verscheidenheid aan wetten is die voor het bestaan van elk ding gelden. Voor levende wezens behoren daartoe de verschillende biotische wetten.

 

Biotische wetten

 

Zijn we nu in staat om wetten te formuleren die levende dingen weergeven als door wetten geleide structuren en verschijnselen? We herkennen wetten door de regelmatigheden en patronen in de wereld om ons heen. Om te beginnen, wetten die een beschrijving vormen van biotische wetmatigheden zijn bijvoorbeeld:

  1. de wet dat voortplanting alleen gelijksoortige nakomelingen voortbrengt,
  2. de wet van de celdeling, dat cellen alleen uit cellen voortkomen,
  3. de wet van de natuurlijke selectie,
  4. de wetten van hof maken en paren, waardoor vele vormen van dierlijk gedrag worden bepaald,
  5. de wetten voor ontwikkeling en groei, die verschillende waarneembare patronen en regelmatigheden bepalen,
  6. de wetten die de communicatie tussen cellen leiden, zodat cellen en organen in een samenhangend geheel functioneren. Dit zijn slechts enkele voorbeelden van ‘biotische wetten’ die aangeven dat zulke wetten verschillen van fysische en chemische wetten.

Laat ik een voorbeeld geven van zo’n biotische wet, zoals de wet van celdeling. Celdeling is een verschijnsel dat in zijn regelmaat en nauwkeurigheid zonder meer geleid lijkt te worden door biotische ordeningsprincipes. Er zijn vele genen en eiwitten ontdekt die een belangrijke rol spelen in de regulering van het celdelingproces. Dat neemt niet weg dat celdeling een eigenschap is van de cel als geheel, niet zomaar van de genen en eiwitten die erbij betrokken zijn. Deze genen en eiwitten zijn verbonden met de cel als levende entiteit. Hoewel zij als moleculen, eiwitten en nucleïnezuren als chemische en fysische structuren functioneren en gehoorzaam blijven aan chemische en fysische wetten, wordt hun specifieke rol en activiteit geregisseerd door de hele cel. De cel is onderworpen aan ordeningsprincipes die deze regie in de ruimte en de tijd van de celsamenstelling sturen. Bijvoorbeeld, de deling en migratie van de centriolen, de ruimtelijke organisatie van de ‘mitotic spindle’, het samentrekken van de chromosomen tot compacte structuren, de volgorde waarin deze gebeurtenissen verlopen – deze hele dynamiek verwijst naar ordeningsprincipes die uitgaan boven de eigenschappen van de betrokken moleculen op zich.

In wezen wordt dit punt ook gemaakt door Steven Rose, die het reductionisme in de biologie kritiseert in zijn boek Lifelines. ,,The functioning cell, as a unit, constrains the properties of its individual components. The whole has primacy over its parts.’’ Dit brengt me bij een ander essentieel punt: wat is de relatie tussen het geheel en zijn delen? Hoe blijft de eenheid van de delen bewaard binnen de eenheid van het geheel? Deze vragen beantwoordt Dooyeweerd in zijn theorie van de enkapsis, die voorvloeit uit een gedetailleerde kijk op de onderscheiden wetten en op de onherleidbaarheid van bijvoorbeeld biotische wetten tot chemische en fysische wetten.

 

Enkapsis

 

Een sleutelelement in de enkapsis-theorie is het onderscheid tussen deel-geheelrelaties en geheel-geheelrelaties. Om een simpel voorbeeld te geven nemen we een huis met kamers waarin verschillende meubels staan. De muren van de kamers zijn natuurlijk onderdeel van de kamers zelf. Wanneer we de muren weghalen, verliezen de kamers hun eenheid. Maar wanneer we de tafels en de stoelen uit een kamer weghalen, verandert er niets aan de eenheid van de kamers. Stoelen zijn dus niet werkelijk delen van kamers, maar gehelen die in de kamers zijn opgenomen. Zij dragen wel bij aan een of andere functie van die kamers, maar ze doen dat als gehelen, niet als onderdelen.

Deze enkapsis zien we ook in de relaties tussen de moleculaire bestanddelen en de cel als geheel of, iets algemener, componenten van een lager organisatieniveau die zijn opgenomen in een hoger organisatieniveau. Dooyeweerd noemt zulke relaties ‘enkaptische relaties’. Een centrale gedachte in de enkapsistheorie is dat de bestanddelen van een lager niveau gezien worden als gehelen die in een hoger niveau zijn opgenomen, en niet zozeer in het geheel opgaan, zoals de uitdrukking ‘het geheel is meer dan de delen’ suggereert. In een deel-geheelrelatie krijgen de delen hetzelfde karakter als de functie die het geheel zijn karakter geeft. Dus als het geheel wordt gekwalificeerd door een biotische functie omdat het wordt geleid door biotische wetten, zouden ook de delen worden gekwalificeerd en geleid door biotische wetten. Dat zou betekenen dat de moleculen in de cel worden geleid door dezelfde biotische wetten als die het functioneren van de cel als geheel leiden. Maar dat is gewoon niet waar. De moleculen in een cel behouden hun karakter als moleculen, gehoorzaam aan chemische en fysische wetten. Daarom moeten moleculen niet zozeer worden opgevat als delen van de cel, maar als gehelen binnen de cel. De cellen zijn op hun beurt onderworpen aan biotische ordeningsprincipes en zij omstrengelen (omkapselen) de moleculaire eenheden in de cel. De inkapseling betekent dat de chemische functie van de moleculaire bestanddelen zo wordt geregisseerd binnen de cel, dat de cel als een levende eenheid, een levend geheel, functioneert.

Valt er in deze regie iets van een intelligent ontwerp te ontdekken? Zeker! Het ontwerp vertoont zich hier net zozeer als in de structuur van het zonnestelsel of het hemoglobinemolecuul. Maar nu kunnen we het ontwerp op dezelfde manier aan biotische wetten toeschrijven als we het ontwerp in zonnestelsels en moleculen toeschrijven aan fysische en chemische wetten. Het ontwerp van de cel hoeven we niet simpelweg toe te schrijven aan intelligent ontwerp als een oorzaak die van natuurwetten losstaat.

Hetzelfde geldt voor de onherleidbaar complexe structuren en systemen die volgens Michael Behe bedacht en aangelegd zijn. Ik ben het wel met Behe eens dat ,,Life on earth at its most fundamental level, in its most critical components, is the product of intelligent activity’’ (p. 193). Maar het intelligente ontwerp zelf is niet de factor die de structuur van het leven veroorzaakt. Dat is veeleer de ontwerper die werkt door de biotische wetten voor de structuur van het bacteriële (flagellum, het cilium), het bloedstollingsysteem, et cetera, waardoor zulke structuren en processen tot stand kunnen komen. Hetzelfde concept kan worden toegepast op de evolutionaire ontwikkeling van organismen. Organismen zijn niet het resultaat van mutaties en selecties van erfelijkheidsmateriaal. Ze zijn het resultaat van biotische en morfologische wetten die gelden voor de ontwikkeling en evolutie van organismen. In dat verband moeten we opmerken dat levende dingen kunnen evolueren, maar wetten niet. Elke evolutie of ontwikkeling is onderworpen aan de sturende wetten voor die processen. En het is precies door deze wetten dat God met de wereld interacteert om alle levende wezens en ecosystemen voort te brengen die wij kunnen waarnemen. Dat is ongetwijfeld een vorm van evolutionaire ontwikkeling, maar beslist een andere dan een Darwinistische, materialistische, autonome vorm van evolutie. Gods bemoeienis met de wereld is dus niet dat Hij in de schepping of in de chemische en fysische wetten ingrijpt. God onderhoudt de schepping veeleer door middel van zowel biotische als fysische en chemische wetten.

 

Besluit

 

Sluit dit ontwerp uit? Zeker niet. Maar het schuift ontwerp als causaal verband terzijde. In plaats daarvan onderstreep ik dat de onherleidbaarheid van levende dingen terug te voeren is op de onherleidbaarheid van wetstructuren voor hogere levende wezens. Deze onherleidbaarheid wijst ook op de discontinuïteit tussen verschillende niveaus van leven. Hogere niveaus ontstaan niet zomaar uit lagere; wetten voor hogere niveaus ontstaan niet uit wetten voor lagere niveaus. Het leven is niet een of andere materiële substantie die kan worden herleid tot chemische en fysische eigenschappen. Leven is een functie van levende dingen die zijn onderworpen aan biotische wetten.

Sluit dat intelligent ontwerp uit? Dat denk ik niet. Ik beaam dat de hele schepping afhankelijk is van de Schepper en dat de door de wet geleide werkelijkheid op intelligent ontwerp wijst. Maar intelligent ontwerp is daarmee nog geen oorzakelijke kracht. Natuurwetten, de biotische wetten inbegrepen, vormen de eigenlijke grond voor de aanwezigheid en herkenning van intelligent ontwerp in de wereld. De onherleidbaarheid van biologische structuren en verschijnselen moet derhalve worden toegeschreven aan de onherleidbaarheid van biotische wetten tot chemische en fysische wetten, en niet aan een intelligent ontwerp.

Ik kom tot de slotsom dat de discussie over Intelligent Design erg verhelderend is, maar dat de ID-theorie tekort schiet als verantwoording van de structuren van de werkelijkheid. Ontwerp blijkt op alle niveaus van de werkelijkheid, inclusief de chemische en fysische. In feite is ontwerp een weerspiegeling van de wetten waaraan de werkelijkheid gehoorzaamt, van de manier waarop God betrokken is op de gehele creatuur.

 

Uko Zylstra is als Professor of Biology en Academic Dean verbonden aan Calvin College, Grand Rapids, Michigan, Verenigde Staten.

Vertaling Bart Cusveller

Voetnoten

 (1) Dooyeweerd, H. 1957. A New Critique of Theoretical Thought. Philadelphia: Presbyterian and Reformed Pub. Co.
 (2) Margulis, L. and D. Sagan, What is Life, p. 23.
 (3) Rose, S., 1997. Lifelines: Biology Beyond Determinism, Oxford University Press, p, 169.
 (4) Behe, M.J. 1996. Darwin's Black Box: The Biochemical Challenge to Evolution. New York: The Free Press.

Index Antropologie Artikelen Astronomie Bijbellezen Bijbelse Geschiedenis  Biologie
Ouderdom Aarde Diverse Bronnen Filosofie Geologie Gods Handen Klimaat Milieu