De evolutie van professor Lever

door Willem Bouwman

prof.dr. Jan Lever was 34 jaar hoogleraar biologie aan de Vrije Universiteit en een gerenommeerd wetenschapper, lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen. In de herinnering leeft hij vooral voort als de man die de gereformeerden vertrouwd maakte met de evolutieleer. Lever, 83, is nog steeds actief. Zo schreef hij een kritische bijdrage aan het debat over Intelligent Design. Jan Lever werd op 20 juli 1922 geboren in de stad Groningen, waar zijn vader onderwijzer was. In 1924 verhuisde hij naar den Helder, zijn vader werd er hoofd van een School met den Bijbel. In Den Helder was geen christelijk middelbaar onderwijs, zodat Lever zich in 1934 aanmeldde bij de Rijks H.B.S. Hier vernam hij voor het eerst van de evolutieleer.

,,Op de lagere school en in de kerk was de evolutieleer geen onderwerp, ook niet op catechisatie of op de knapenvereniging. En op de Rijks H.B.S. was ik onwetend gebleven als ik geen klein bioloogje was geweest.

Ik was veertien, zat in de derde klas, en had veel belangstelling voor de natuur. Ik hield allerlei dieren en ging graag in de natuur op onderzoek. In de schoolbibliotheek zocht ik naar boeken over de natuur, en daar vond ik een boek van de Duitser Wilhelm Bölsche, Afstamming van den mensch. Het ging helemaal uit van de evolutieleer, dus niets geen schepping in zes dagen; het paradijs kwam er helemaal niet in voor. Het boek maakte een enorme indruk op mij en ik wilde beslist meer weten van het onderwerp.

Mijn biologieleraar kwam uit een gereformeerd gezin, maar was ongelovig geworden. Hij snapte wel waar ik mee zat. Hij gaf me een boek van de Engelse biologen H.G. Wells en Julian Huxley, De wetenschap van het leven, geheel gebaseerd op de evolutieleer. Toen wilde ik weten wat gereformeerde denkers over evolutie hadden geschreven. Al gauw las ik Herman Bavincks geschriften hierover en ontdekte dat Abraham Kuyper in 1899 aan de Vrije Universiteit een rede over evolutie gehouden had. Bij de boekhandel hadden ze die niet, maar ik moest en zou die rede hebben, en toen heeft de boekhandelaar een tweedehands exemplaar voor mij geregeld. Al mijn zakgeld - het was niet veel - gaf ik aan boeken uit.

De rede van Kuyper, Evolutie. Rede bij de overdracht van het rectoraat aan de Vrije Universiteit op 20 october 1899 gehouden, maakte geweldige indruk op mij. Kuyper bleek geheel op de hoogte van alle toenmalige theorieën over de genetica, een cruciaal probleem voor de evolutietheorie. Hij was de enige theoloog van wie dat gezegd kon worden. Kuyper aanvaardde de evolutietheorie, maar verwierp de wereldbeschouwing die erachter schuilging, het evolutionisme. Bijna niemand heeft die rede gelezen, want men vond die veel te moeilijk, denk ik. Alleen de eerste zin - 'De negentiende eeuw sterft weg onder de hypnose van het evolutiedogma' - bleef hangen. Kuyper is tegen evolutie, concludeerde men, maar dat was helemaal niet waar! Kuyper achtte de evolutiegedachte voor christenen aanvaardbaar, mits God de 'opperste bouwmeester' bleef. Hiermee was hij zijn tijd ver vooruit.

De evolutiegedachte fascineerde me. Ik hield er een inleiding over op de jongelingsvereniging, waarin ik ook kritiek leverde. Weerstand kreeg ik niet. Hooguit vonden de jongelingen het wat vreemd dat ik over evolutie sprak. Dat was in 1937, bijna zeventig jaar geleden. Ik denk dat niemand zich zo lang met de evolutieleer heeft beziggehouden als ik.''

Rood streepje
Lever ging in 1939 biologie studeren in Utrecht. Hij woonde op kamers in Zeist, bij een oom en tante, en raakte er nauw bevriend met de latere historicus George Puchinger, eveneens woonachtig in Zeist. Levers ouders lieten hun zoon met enig hartzeer naar Utrecht gaan, want ze vonden biologie een enigszins gevaarlijke wetenschap, die studenten gemakkelijk van God afleidde. ,,Toch speelde de evolutieleer nauwelijks een rol bij de biologen in Utrecht. Hoogleraren verwezen er wel eens naar, meer niet. De argumenten voor de evolutie waren toen nog mager. Als het over evolutie ging, trok ik een rood streepje langs m'n aantekeningen in het collegedictaat. Ik kocht boeken, om me te verder te verdiepen in de evolutieleer en struinde langs antiquaars en veilingen om het werk van Darwin te kopen. Hier in de kast staat zijn volledige werk en van diens geestverwant Haeckel en van Hugo de Vries, de grootste Nederlandse bioloog van de laatste eeuwen.''

Vanaf februari 1943 maakten de Duitsers jacht op studenten die weigerden loyaal aan de bezetters te zijn. Lever ging met vriend Puchinger onderduiken op een boerderij in de Wieringermeer. Toen ze daar geen boeken meer mochten lezen - die zouden hun aanwezigheid kunnen verraden - dook Lever onder in Arnhem, Bilthoven en ten slotte bij z'n aanstaande schoonouders in Zeist.

Inmiddels bezat hij zoveel boeken, dat hij zonder hulp van de bibliotheek een scriptie, 'Rondom het biologisch soortbegrip', schrijven kon. ,,Mijn verloofde heeft de scriptie naar de professor toegebracht, een week later mocht ze terugkomen om het oordeel te vernemen. Maar toen ze terugkwam, vroeg hij of ik zelf niet komen kon. Ik nam het risico, en zo kreeg ik te horen dat hij zeer tevreden was. Sterker nog, als ik er nog drie maanden aan werkte, mocht ik er op promoveren. Maar ik had nog niet eens doctoraalexamen gedaan en wilde niet als theoretisch bioloog te boek staan. Uiteindelijk ben ik in 1950 in Utrecht gepromoveerd op Onderzoekingen betreffende de schildklierstructuur, gebaseerd op laboratoriumonderzoek.''

Brief
Op z'n onderduikadres verlangde Lever naar contact met christelijke biologen die zich ook met evolutie bezighielden. Hij stuurde een brief naar de gereformeerde bioloog J.H. Diemer om namen en adressen, maar die antwoordde dat hij de enige christelijke bioloog was die zich inliet met de evolutieleer. ,,Diemer nodigde me uit voor een lezing van hem voor de Christelijke Vereniging van Natuur- en Geneeskundigen over 'Het wonder', in hotel Pays Bas aan het Janskerkhof in Utrecht. Met valse papieren ben ik er naartoe gegaan en na afloop maakte ik kennis met Diemer. In een café bespraken we onze plannen. Hij zei: 'Ga jij door met je scriptie, stuur die naar me op, en dan werken we samen verder.' Weinig later werd Diemer wegens verzetsactiviteiten door de Duitsers opgepakt; hij heeft de oorlog niet overleefd.''

Met de dood van Diemer werd een bloem in de knop gebroken. 'Wetenschap is voor mij kennis van het Woord', luidde zijn uitgangspunt. Daarom had hij zich aan de evolutieleer kunnen ontworstelen, schreef hij in 1932 aan VU-filosoof H. Dooyeweerd. Als Diemer was blijven leven, was hij wellicht hoogleraar aan de VU geworden, denkt Lever. ,,Hij was twintig jaar ouder dan ik, misschien was ik zijn assistent geworden. Hij was de enige gereformeerde bioloog die zich bezon op de evolutieleer. Anderen waren niet geïnteresseerd, hun blikveld was niet breed genoeg.''

Na Diemers dood bleef Lever zoeken naar academische gespreksgenoten. Hij stuurde z'n scriptie over het soortbegrip naar Dooyeweerd, wiens 'Wijsbegeerte der wetsidee' een leidraad in Levers scriptie was. ,,Dooyeweerd was buitengewoon gesteld op Diemer. Na lezing van mijn scriptie zag hij in mij een tweede Diemer. In overleg met Dooyeweerd heb ik mijn scriptie omgewerkt tot een serie artikelen in Philosophia Reformata, het blad van de wijsbegeerte der wetsidee. 'Door J. Lever en H. Dooyeweerd' stond er boven de artikelen - dat gaf me beslist een fijn gevoel.''

Lever promoveerde in 1950 en werd vervolgens lector bij de nieuwe studierichting biologie aan de Vrije Universiteit. Twee jaar later werd hij hoogleraar; op 20 november 1952 hield hij zijn inaugurele rede, Het Creationisme. ,,Tegenwoordig is creationisme het geloof dat de wereld zesduizend jaar geleden in zes dagen geschapen is, maar in 1952 had dit begrip bij mij een andere betekenis. Ik bedoelde dat schepping en evolutie elkaar niet uitsloten en dat de evolutie het werk van de Schepper was. Mijn creationisme stond dus tegenover het evolutionisme. Ik dacht in dezelfde lijn als Kuyper in 1899.''

Hoe is er op uw rede gereageerd?

,,G.C. Berkouwer, hoogleraar theologie aan de VU, heeft er in Trouw waarderend over geschreven. Maar veel kerkbodes moesten er weinig van hebben. Men was opgevoed met de gedachte dat de aarde in zes dagen geschapen was, en dan dit... Begrip voor mijn rede vergde dus een verandering van denken.''

Vier jaar later schreef u 'Creatie en evolutie'. Wat dreef u?

,,In mijn inaugurele rede ging het nog niet over de schepping van de mens. Ik heb me toen verdiept in het ontstaan van de mens en de mensachtigen, zodat ik er op den duur heel veel van wist. Ik hield eens een lezing voor catechisanten van de Utrechtse studentenpredikant dr. J.M. van Minnen. Tot mijn verbazing zat de beroemde geoloog en paleontoloog Von Koenigswald onder het gehoor, de vinder van talrijke menselijke fossielen op Java. We raakten in gesprek, ik mocht op het laboratorium zijn fossielen bezichtigen en in mijn hand houden. Het inspireerde me tot het schrijven van het boek. Het heette Creatie en evolutie en was opgedragen aan J.H. Diemer.

Ongeveer eens per week ging ik het land in om de mensen te vertellen over schepping en evolutie. Ik werd gevraagd en ik wilde niet weigeren. Ik heb altijd zeer voorzichtig gesproken, want ik wist met welke exegeses van Genesis 1 ze waren opgevoed. En het had mezelf ook strijd gekost om tot een andere opvatting te komen.''

Hoe heeft die verandering zich bij u voltrokken?

,,Het is vrij geleidelijk gegaan. Toen ik student was, waren er nog niet zoveel argumenten voor de evolutie. Er was veel minder over fossielen bekend dan nu. Hoe meer er bekend werd, hoe meer ik overtuigd raakte van de juistheid van de evolutietheorie. Ook de toegenomen kennis van de cel en de ontwikkeling van de genetica hebben me nog verder overtuigd: in alle planten en dieren werken gelijke genetische principes.''

U bent aanhanger van Intelligent Design?

,,Wat wij intelligentie noemen, is een beperkte menselijke eigenschap die aan het eind van de evolutie is ontstaan. Onze intelligentie schiet tekort om de miljarden melkwegstelsels die al miljarden jaren bestaan, te bevatten, laat staan te begrijpen. En wat beseffen we van de atomen in ons eigen lichaam, waarvan de kernen miljarden maal miljarden keren per seconde rondtollen. Het is hoogmoedig om de 'opperste bouwmeester' met het begrip 'intelligentie' te typeren. Hier geldt een tekst uit Psalm 139:,'Het begrijpen is mij te wonderbaar, te verheven, ik kan er niet bij.' We moeten God geen vergrote menselijke eigenschap toedichten.

De aanhangers van Intelligent Design komen allemaal uit christelijke kring. Ze moeten er eerlijk voor uitkomen dat ze in de Schepper geloven. Maar dat doen ze vaak niet, ze willen vooral wetenschappelijk zijn, en daarin lijken ze weer op dr. W.J. Ouweneel en andere creationisten. Tijdens een debat hier op de VU in 1977 heb ik Ouweneel in de pauze op mijn kamer gesmeekt om een discussie over zijn religieuze vooronderstellingen en zijn manier van bijbellezen, maar hij wilde niet.''

Ouweneel heeft het creationistische standpunt verlaten. Hoe ervaart u dat?

,,Als creationist heeft Ouweneel hoog van de toren geblazen. Nu gaat het gerucht dat hij ervan af is. Ik betreur het dat hij het niet openlijk en hardop zegt en er in een boek verantwoording van aflegt. Hij heeft tienduizenden mensen verkeerd geïnformeerd en neemt daar tot nu toe, voorzover ik weet, geen verantwoordelijkheid voor. Ook Andries Knevel is er van af. Hij heeft geen spijt betuigd, hij heeft niet deemoedig het hoofd gebogen, maar hij komt er openlijk voor uit dat hij geen creationist meer is. Dat is moedig.''

In 1956 zegt u nog dat Adam en Eva echt geleefd hebben en in 1965 zegt u dat het paradijs niet heeft bestaan. Hebt u niet een soortgelijke ontwikkeling als Ouweneel en Knevel meegemaakt?

,,Ja, heel lang geleden. Mijn opvatting dat Adam en Eva echt hebben bestaan, was een laatste snipper van het geloof dat Genesis 1 natuurwetenschappelijk gelezen moest worden. Nadien zijn er belangrijke vondsten gedaan, zoals de Australopithecus, een voorloper van de mens. Hij leefde 4,5 miljoen jaar geleden in Afrika en liep rechtop. Toen ik in 1961 gastcolleges gaf in Potchefstroom in Zuid-Afrika, heb ik de grot bezocht waar de Australopithecus gevonden was. Door nieuwe vondsten en voortgaande studie kwam ik tot het inzicht dat het paradijs niet werkelijk heeft bestaan.''

Stel dat u door studie en nieuwe vondsten ontdekt dat Jezus een gewoon mens was.

,,Ho, ho, wacht even, we moeten niet meteen alles overhoop halen.

Eerst dit. Ik kom uit een familie van schrijvers. Mijn moeder, L.A. Lever-Brouwer, schreef kinderboeken en columns. Haar vader, Pieter Brouwer, was de eerste hoofdredacteur van het Friesch Dagblad en heeft 34 boeken geschreven. En mijn zoon, die directeur is van het Centraal Bureau voor Genealogie, schrijft columns voor het blad van het Bureau.

Zelf schrijf ik ook altijd. Enkele jaren geleden dacht ik bij mezelf: 'Ik begin echt oud te worden, wat geloof ik nu eigenlijk?' Sindsdien schrijf ik voor mezelf beschouwingen over de Bijbel, over het paradijs, over de zondvloed, over het bijbels wereldbeeld, enzovoort. Langzamerhand krijg ik een indruk van wat ik geloof.''

Welke indruk krijgt u?

,,De Schepper is het beginpunt van mijn geloof. Als ik naar schelpen kijk, word ik zo religieus als wat. Of naar die bomen daar, ze staan er maar en doen niemand kwaad, en wij lopen er langs zonder er naar te kijken.''

U kijkt op historisch-kritische manier naar wat de Bijbel over schepping en zondvloed zegt. Als u op dezelfde manier zou kijken naar wat de Bijbel over Jezus zegt, moet u wellicht concluderen dat de evangeliën historisch onbetrouwbaar zijn, dat we weinig van Jezus weten en dat Hij een gewoon mens was.

,,Een gewóón mens, zegt u? Van mezelf kan ik niet zeggen dat ik goed ben, van Jezus kan ik het wel zeggen. 'Wie van u zonder zonde is, werpe de eerste steen', zei hij tegen de mensen die een overspelige vrouw bij hem brachten. Kijk, dat is het. Dan kun je zeggen, dat het verzonnen verhalen zijn. Maar er staan er zoveel van in, dat er een duidelijk beeld van hem naar voren komt.''

In uw bijdrage in het boek En God beschikte een worm, over Intelligent Design, zegt u dat de aarde planmatig is geschapen: alle facetten komen telescopisch tevoorschijn via variatie, mutatie en andere processen. Hoe is dan het kwaad in de wereld gekomen?

,,Dat is een grote vraag, ook in mijn eigen piekeren over de Bijbel en het geloof.

Wat zal ik ervan zeggen? De Bijbel is helemaal geschreven vanuit een heel oud wereldbeeld. De torenbouwers van Babel dachten dat ze met hun toren tot in de hemel konden komen. Jacob droomde dat een ladder tot in de hemel reikte. Vanuit ons gezichtspunt is dat een achterhaalde voorstelling van de werkelijkheid.

Kijk, er is ooit één iemand helemaal goed geweest, en dat was Jezus. Hem moet je als norm nemen. Die Petrus sloeg met zijn zwaard het oor van Malchus af, maar Jezus raapte het op en zette het gewoon weer op zijn plaats. Zo was Hij. Als het gaat om goed of kwaad, moet je naar Jezus kijken, en dan moeten we ons allemaal schamen.''

Index Antropologie Artikelen Astronomie Bijbellezen Bijbelse Geschiedenis  Biologie
Ouderdom Aarde Diverse Bronnen Filosofie Geologie Gods Handen Klimaat Milieu