,,Op de geschonden Amsterdamseweg zagen we voor hotel De Leeren Doedel twee kruisen in de grond steken; een met een Duitse helm erop, de andere met een Engelse. 'Twee moeders die zullen huilen', dacht ik direct.'' De 19-jarige Piet Schreuder was in september 1944 één van de de 95.000 evacuees die, na de mislukte Slag om Arnhem, door de Duitsers werden gedwongen hun woonplaats te verlaten met onbekende bestemming. Ruim een halve eeuw later werd de episode verwerkt in het boek 'Arnhem Spookstad', met ruim zeventig andere getuigenissen van evacuees. Op 26 mei 2004 was het de titel van een theaterstuk, waarmee Maartje van der Veen afstudeerde als Docent Drama aan de Theaterschool Arnhem. Als schrijver van het boek voelde ik me daarmee bijzonder vereerd; ik had gedacht dat vast wel eens iemand 'Arnhem Spookstad' zou gebruiken voor een scriptie, maar een live-toneeluitvoering op de plaats waar het gebeurde; een fantastisch idee! Deze persoonlijke impressie is dan ook ongetwijfeld niet objectief, maar ik was bijzonder onder de indruk.Maartje van der Veen baseert theaterstuk op 'Arnhem Spookstad'Twee moeders die zullen huilen, dacht ik directDoor ANDRÉ HORLINGS,,Om een uur of vier werd er tegen de voordeur getrapt, en geschoten toen die niet meteen open werd gedaan. Pa ging naar boven, met lood in de schoenen. Er stond een groepje Duitsers, zwaar bezopen. We moesten binnen een half uur wegwezen, anders gingen we eraan. Met tranen in de ogen zagen we hoe de Duitsers, overmoedige jonge knullen, ons huis binnenstormden. We gingen naar Velp, waar onze vertegenwoordiger woonde.''
In het schemerduister van de kille mei-avond in 2004 stormt Annemieke het portiek uit van een huis aan de Parkstraat in Arnhem om hevig ontdaan het verhaal over haar abrupte evacuatie te vertellen aan de passagiers van een feesttreintje dat zich met horten en stoten, tussen de geparkeerde auto's door, met onbekende bestemming door de oude wijken rond het centrum wurmt. Niets in de omgeving herinnert aan de chaotische dagen van september 1944, toen Arnhem werd ontruimd na de mislukte Slag om de brug die te ver bleek. Toch keert er, heel even, de beklemmende sfeer terug die bijna zestig jaar geleden op dezelfde plek in alle hevigheid heerste. AfstudeeropdrachtMaartje van der Veen (op de bakfiets) samen met Manon Veenendaal, die een belangrijke rol had in haar toneelstuk. (Foto Marc Pluim, De Gelderlander - zie hieronder) >
Maartje van der Veen, vierdejaars studente Docent Drama aan de Theaterschool Arnhem zocht voor haar afstudeeropdracht naar een onderwerp dat zou passen in de historie van Arnhem, en dat zich ter plekke zou moeten kunnen afspelen. Ze ontdekte het boek op internet en werd getroffen door de vele kleine, soms bijna onbenullige en juist daardoor indrukwekkende, details in de brieven over de evacuatie, als ‘we moesten over onze zomerkleren heen nog meer kleren aantrekken, want dat scheelde in de bagage’; ‘mijn verdriet begon al heel vroeg in de morgen, toen de buurjongen kwam om mijn konijntje te slachten’ en ‘één van de passerende soldaten stak twee vingers omhoog. Dat is het V-teken, zei moeder, van Victorie. Opeens stak ik mijn vingers omhoog en toen maakte de voorste rij gevangenen ook een V-teken. Ik schrok ervan. Ik dacht nou gaan de Duitsers op ons schieten. Maar alles bleef mooi doormarcheren en het gaf mij een heerlijk gevoel dat we elkaar een beetje hadden kunnen troosten’. WerkelijkheidMarianne Sorgedrager-Van Halewijn was acht jaar toen de evacuatie plaatsvond. Zij getuigde in haar brief uitvoerig van de chaotische gebeurtenissen van Slag tot Bevrijding. Maartje verzocht haar het verhaal nog eens te vertellen, als inleiding op de voorstelling. 'Het gaat om een stuk Arnhemse historie dat oudere generaties nog levendig voor ogen staat, maar dat jongeren opnieuw moeten gaan ontdekken', stelde ze vast in een interview met Martin Hermens van De Gelderlander. 'Zo kom je eerst met de werkelijkheid in aanraking voordat je de fictie beleeft'.Marianne neemt de toeschouwers mee naar de werkelijkheid van een bombardement: ,,Ik ben op weg naar school, moet de tram uithollen voor luchtalarm, kom nog net op tijd veilig thuis en mag daar verder blijven. 's Nachts zitten we angstig onder de trap: vliegtuigen komen over, zijn onze ramen wel goed verduisterd? Ik weet niet waar mijn vader is - pas lang na de oorlog werd me verteld dat hij toen ondergedoken zat. Mijn moeder telefoneert met mensen in Oosterbeek. Daar zijn ze al bevrijd; voor ons duurt het dus niet lang meer.'' Ze maakt met haar verhaal heel duidelijk dat het straks niet om een verrassingstocht gaat met de Pret-express, maar om een reis naar een tijd die nauwelijks voorstelbaar is. Als het treintje hakkelend van start gaat, voor het voormalige kraakhotel Bosch, brengen Manon en Marjolein de passagiers terug naar zondag 17 september 1944. Zij zijn de gidsen, die het publiek begeleiden en de voorstelling van kanttekeningen voorzien. ,,Niet alleen was er de aankondiging van Duitse vergeldingsmaatregelen, wanneer de daders van een aanslag op een spoorwegviaduct zich niet voor tien uur zouden melden. Ook het luchtalarm loeide verschillende malen, zonder dat er iets gebeurde, althans nog niet in Arnhem.'' Maar dat duurde niet lang, maakt Wiet Roelofs (actrice Anneke) duidelijk bij het evacuatie-monument aan het begin van de Apeldoornseweg. ,,De bommen kwamen terecht in de Sint Janskerkstraat. Jan Blaak en zijn vrouw konden onder de puinhopen vandaan worden gehaald. De familie Denkers, een echtpaar met een dochtertje, een blonde krullebol van een jaar of twee, werden vermist.'' De tocht gaat verder, naar het Willemsplein, waar Gert Gijsbers (Randy) het bombardement als door een wonder overleefde. ,,Plotseling verschenen Engelse vliegtuigen boven het plein. Ik zag de bommen vallen. Plafonds kwamen naar beneden, de ruiten vlamden uiteen, het was een complete hel. Brandweerlieden zaten in de val en wilden via ons huis vluchten. Maar ik hoefde de deur niet open te doen - die sloeg vlak voor mij neer. Hoe we de woning verlaten hebben weet ik niet meer; paniek overheerste. Mijn vader wilde met de sleutels het tussenhek openmaken, maar dat was een overbodige handeling: we moesten over het hek en over de puinhopen kruipen om het voorplein van de HBS te bereiken. Achteraf stelden we vast dat mijn moeder de elektrische snelkoker had gered en de tas met papieren en geld had laten staan.'' Airborneplein
Het Airborneplein in de Berenkuil, in de rotonde van de oprit van de John Frostbrug, waar oorlogsmonumenten herinneren aan de Slag. (Wikipedia)
Het treintje rijdt langs Musis Sacrum, in de oorlog het Wehrmachtsheim. Even later gaan de toeschouwers te voet verder, naar het Airborneplein, dat elk jaar in september een centrale plaats inneemt in de herdenkingsmanifestaties. In september 1944 lagen de bureau's van gemeente- en rijkspolitie er vlak in de buurt. Twee politiemannen, Hans van Maris en Joannes van Kuijk (Peter en Jeffrey) waren er getuige van de hopeloze strijd van Britse soldaten tegen de Duitse overmacht. Dertien verhalenIn 'Arnhem Spookstad' wordt het verhaal van de evacuatie, aan de hand van rond zeventig getuigenissen van gewone, machteloze mensen, verteld vanaf de Slag tot aan de terugkeer van de bewoners in hun vernielde en leeggeroofde stad. Ondanks al het verdriet is het geen boek met louter droefenis; lach en traan wisselen elkaar af. Datzelfde geldt voor 'Twee moeders die zullen huilen, dacht ik direct'. In de dertien verhalen die Maartje van der Veen gebruikte komen alle mogelijke aspecten aan de orde.
Willy Rap (Laura) vertelt over de evacué die bij haar in Harskamp aan de deur stond, met een prachtige grijze keeshond. ,,Dat zag je toen niet zo vaak. Mijn vader vroeg de man of hij het dier wilde ruilen; onze vorige hond was doodgeschoten door een Duitser. 'Dat durf ik niet. Mijn kinderen zullen huilen als ik zonder hond thuiskom. Ze zijn zo gek met dat beest', was zijn antwoord. 'Maar het wordt wel steeds moeilijker om hem eten te geven'. Mijn vader zei: 'Ik geef je er een stuk spek voor en een zak meel met eieren'. Heel lang stond de man te twijfelen. Toen zei hij: 'Ik doe he', met tranen in mijn ogen. Halverwege de dam keek hij om. De hond wilde zijn baas achterna, maar mijn vader hield de riem stevig vast. De hond at niet en dronk niet en hij lag heel zacht te janken. Drie dagen duurde het vasten. Toen gaf vader hem slachtafval en mocht hij hem aaien. Hij was heel kwaad op Duitsers en dat kwam ons goed van pas. Hij stierf heel veel jaren later, aan de voeten van mijn vader. Ik zou die kinderen zo graag vertellen hoe fijn hun hond het had bij ons - wacht even...'' Laura loopt naar het portiek en komt terug met een < grote foto; die van Roddie in het boek. 'Dat vind ik een kostbaar bezit.''De broer van Diny Kok (Manon) kwam thuis met een grote doos; toen de Duitsers een bakkerij verlieten was hij met de plunderende menigte mee naar binnen gegaan, op zoek naar voedsel. Maar in de doos zat... wc-papier. 'Nu hebben we voor de hele oorlog genoeg', riepen we uit, en hij was meteen weer teruggegaan. Maar intussen waren de Duitsers teruggekomen. Ze hadden een pantservuist naar binnen gegooid, tussen de menigte; hij zag dat een hersenpan tegen de muur geplakt zat. John Kamevaar (Ditte) zegt dat Duitsers hun huis aan de Nieuwe Kade doorzochten. ,,Vader wilde nog wat beddegoed naar beneden halen. Hij bleef lang weg en toen ben ik naar boven gegaan, om te zien waar hij bleef. Enkele SS'ers kwamen de trap af en riepen wat over terroristen en weggaan. Ik vond mijn vader in een slaapkamer met weggeschoten schedel dood op de grond liggen.'' Diny Kok (Manon), toen tien, hoorde soldaten langs het tuinhek marcheren. ,,Ze haden andere uniformen aan dan we gewend waren en rode baretten op het hoofd. Ze werden bewaakt door Duitsers. Ze keken allemaal naar mij. Eén van hen stak twee vingers omhoog; wat zou dat betekenen? Ik liep naar binnen en deed het na voor mijn moeder. 'Dat is het V-teken', zei ze, 'van Victorie'. Ik voelde me erg verdrietig, maar wat kon ik doen? Opeens stak ik mijn vingers omhoog en toen maakte de voorste rij gevangenen ook een V-teken. Ik schrok ervan; ik dacht: nu gaan de Duitsers op ons schieten, maar alles bleef mooi doormarcheren. Het gaf me een heerlijk gevoel dat we elkaar een beetje troost hadden gegeven.'' Spookstad
Arnhem werd een spookstad. Aan de Amsterdamseweg wapperden de gordijnen van de verlaten huizen uit de vernielde ramen. (Foto Pieter de Booijs) >
Manon en Marjolein, de gidsen, gebruiken de rit tussen de verschillende plaatsen van handeling om de achtergronden van de evacuatie toe te lichten. Ze vertellen dat tussen 17 september 1944 en de bevrijding in april 1945 in Arnhem 188 burgers om het leven kwamen, voornamelijk door het geallieerde bombardement, de gevechtshandelingen en de daarop volgende brandstichting door de Duitsers. ,,Toen was er het bericht: ten zuiden van de spoorlijn moet iedereen weg. Ongeloof. Waarom? Dat moet je niet geloven. Stemmingmakerij! Maar er was niet veel overtuigingskracht voor nodig om het bevel gehoorzaam op te volgen. De stad stond in brand, er werd nog steeds gevochten, de Duitsers waren gewapend en de buren gingen ook. 'Vader sluit de deur; het is zijn verjaardag. We hebben een keuze gemaakt uit ons bezit, soms waardevol, maar ook een prul nemen we mee. De deur is nooit meer opengegaan; er was geen deur meer en geen huis, geen herinnering, mijn speelgoed weg en het ergste waren de foto's. Vader en moeder waren 26 jaar getrouwd en konden opnieuw beginnen; het is nooit meer echt gelukt'. Binnen enkele dagen hadden bijna alle 95.000 Arnhemmers hun stad verlaten, met de vage hoop dat de bevrijding toch nog nabij was. ,,Het is maar voor een paar dagen.'' Gebraje duifOp het Graaf Ottoplein komt een meisje, Kiki, naar het treintje toe. Ze vertelt wat Tineke Boels zestig jaar geleden beleefde. ,,Het was een groot probleem waar de huisdieren moesten blijven. Mensen lieten poezen achter, die totaal verwilderd raakten en gevaarlijk werden. Volières werden opengezet; in een boom achter ons huis zaten opeens gekleurde vogeltjes. De achterbuurvrouw vroeg aan iedereen, op z'n Arnhems, 'Wilt u nog een gebraje duif?'. Een andere buurman kwam konijnen aanbieden, geslacht en panklaar. Wij hadden geen gas en konden ze niet opeten. Gelukkig maar, dacht ik, want we hadden zo vaak bij hem in de tuin naar die konijntjes gekeken.''Gerard Plooij (Ron), die tussen Eerbeek en Loenen ondergedoken zat, had van de verwarring gebruik gemaakt om in Arnhem nog wat spullen op te halen. ,,In een chaotisch verlaten bovenwoning aan de Steenstraat trof ik een kooi met kanarie en een heel klein Keuls potje met wat ranzige boter aan. Met het potje op m'n rug en de kooi bengelend aan het fietsstuur trapte ik omhoog, de Arnhemseweg op. Bijna boven aangekomen hoorde ik een machtig aanzwellend geluid van tanks en vrachtwagens achter me... of was het een groep bommenwerpers in de lucht? Ze waren het allebei! Met een alarm stopte de colonne en de Duitsers stoven het bos in. Een Duitser trok me mee in een schuttersputje. De wil om te overleven was zo groot, dat ik me feilloos herinner hoe een klein zwart torretje tegen de wand omhoog kroop; ik dacht: ga naar beneden, daar ben je veilig. Een golf van explosies deed een heuse aardbeving ontstaan, een stroom los zand viel op m'n lijf, zou ik levend begraven worden? Toen volgde het signaal veilig. Wezenloos stond ik naast het schuttersputje in een donker bos. De kanarie en de kooi zag ik nergens en ik heb er ook niet naar gezocht. In de Imbosch kon ik alleen maar het kleine Keulse potje afleveren, nu tot de rand gevuld met zand. Een Duitser was op die dag in september 1944 mijn beschermengel.'' In het boek voegt Plooij daar trouwens nog aan toe dat een andere Duitser, enkele maanden later, deel uitmaakte van het vuurpeloton waarvoor zijn broer, samen met negentien anderen, het leven zou laten. De moeder van Dini Kok (Manon), die vanuit Rheden ook naar Arnhem ging om nog iets op te halen, had geen geldige papieren en werd op de Geitenkamp met zo'n twintig mensen in een klein kamertje opgesloten. ,,Ze verzon dat ze de baby thuis moest voeden en liet blijken dat haar borsten pijn deden. Toen mocht ze weg. Bij de deur zag ze een oude man in de hoek zitten. Ze zei: 'Kom vader, we gaan'. Hij liep achter haar de deur uit. Ze kende hem helemaal niet, maar ook hij was vrij.'' Duizend verhalenAchter het Provinciehuis staat Kiki bij het monument aan de Rijnkade. Zij citeert Tineke Boels, die na de bevrijding, samen met haar broertje, aan weerszijden aan vaders hand, door de puinhopen van Arnhem liep. ,,En toen zei hij: 'Dit mag nooit vergeten worden. Het komt in de geschiedenisboekjes en dan kunnen jullie zeggen: dat heb ik meegemaakt'. En hij huilde.''Het zijn de laatste woorden in het boek, maar het is kennelijk nog niet het einde van de uitvoering. Want opnieuw gaan Manon en Marjolein het gezelschap vooruit, de schemer in, op weg naar een onbekende bestemming. Onderweg worden we aangeklampt door mannen en vrouwen, die hun eigen verhalen vertellen, met nog veel meer ellende dan we in de afgelopen twee uren al hebben gehoord. Maar we hebben geen tijd om er naar te luisteren; we moeten door; er is nóg een programmapunt. Op de Rijndijk staat Marianne Sorgedrager-van Halewijn, die een eigen gedicht declameert, over hoe zij Arnhem ervaart als ze de stad vandaag bezoekt, en over het kostelijk goed dat vrijheid heet. En dan is het tijd om het publiek te danken voor de aandacht. Maar er is geen doek, dat opgehaald kan worden. Maartje maakt echter optimaal gebruik van het landschap. De spelers liggen verscholen achter de dijk, totdat ze 'op' moeten komen. En dan staan ze opeens in het volle licht van de straatlantaarns. Een ovationeel applaus beloont hun indrukwekkende prestatie.
Theaterstuk met Arnhem als decorDe Gelderlander, 25 mei 2004Door MARTIN HERMENS
"Ik houd van het maken van conceptvoorstellingen", legt Maartje van der Veen uit. "Ik baseer ze op dingen die niet meer zichtbaar zijn. Voor dit project wilde ik graag iets doen met Arnhem; iets van de geschiedenis van die stad naar boven halen.
Van oorlog en gewone mensen op straatRecensie in De Gelderlander van 27 mei 2004Door SUZANNE HOENDERDAAL
Intussen lopen door oude en nieuwe straten nieuwe generaties mensen die er geen benul van hebben wat er op die plek, achter die muren, ooit is gebeurd. Daarom is het spannend om langs een aantal van die plekken gevoerd te worden en daar iets van de menselijke geschiedenissen te horen te krijgen. Over de praktijk van het snelle vertrek. Over wat er met de huisdieren moest gebeuren. Over de verwachting dat het maar voor een paar dagen zou zijn en er op die stralende septemberdag niet aan werd gedacht warme kleren mee te nemen voor de strenge winter die zou volgen.
|