100 jaar Nieuwe Apeldoornse Courant: de krant in 1940-1945

(Niet gepubliceerd)

"De moeilijkheden welke we ook in Apeldoorn tegemoet gaan, zullen ongetwijfeld vele zijn en zwaar. Daartegenover kunnen we niet anders doen dan het hoofd koel houden". Dat schreef hoofdredacteur J.C. Rugaart op 10 mei 1940, "met het verre gedreun van voorbijjagende vliegmachines in de ooren".

Wegener: "Opgedrongen nieuws tot minimum beperken"

Journalistenbesluit legde in oorlog krant aan banden

De Nieuwe Apeldoornsche Courant werd door de bezettingsautoriteiten onmiddellijk gebruikt ter publicatie van een stroom van verorderingen, geboden en verboden, waaraan de bevolking zich voortaan diende te onderwerpen. De redactie ontving "niet ter publicatie" honderden richtlijnen als "Mededeelingen betreffende de censuur mogen niet worden gepubliceerd" en "Het is niet meer geoorloofd eenigen aanval te doen op de N.S.B.".

De vorig jaar verschenen kroniek "Apeldoorn in de Tweede Wereldoorlog", samengesteld aan de hand van o.a. dagboekfragmenten, politierapporten en krantenberichten, maakt de invloed van de censuur pijnlijk duidelijk. Van de daarin vermelde anti-Duitse rellen, de brandstichting in de synagoge, bombardementen en het neerstorten van honderden militaire vliegtuigen in Apeldoorn en wijde omgeving is in de NAC nauwelijks iets terug te vinden. Zelfs vrijwel geen enkel relevant nieuwsfeit blijkt de krant te hebben "gehaald". De regionale berichtgeving beperkte zich nagenoeg tot vrijgegeven politieberichten, rechtbankverslagen en activiteiten van NBS-functionarissen. Overigens maakt de Kroniek duidelijk dat veel Apeldoorners, dankzij Radio Oranje, de illegale pers of de geruchtenmachine, heel goed op de hoogte waren van de dagelijkse gang van zaken.

'Geen inmenging van derden'

Op 7 augustus 1940 kon de hoofdredactie het weigeren van een ingezonden brief tegenover het Hoofd Persdienst van de NSB nog ferm motiveren met: "De redactie denkt er niet aan, tenzij zij door hogere bevoegde instantie daar toe gedwongen wordt, een serie ingezonden stukken te aanvaarden waarvan zij niet tevoren in de gelegenheid is gesteld die te beoordelen. De redactie accepteert geen inmenging van derden, wanneer het er om gaat vast te stellen, hoe de krant samengesteld gaat worden".
Het Journalistenbesluit van 2 mei 1941 legde de pers echter definitief aan banden. Een van de bepalingen, een verplicht colofon van medewerkers, "onthult" een paleisrevolutie bij de NAC. In het eerste, van 5 mei, is redacteur-buitenland en raadsverslaggever G. Roede waarnemend hoofdredacteur naast hoofdredacteur Rugaart. Op 7 mei blijkt hij vervangen door redacteur-binnenland en verslaggever C. van der Heyden; "na beklag bij de Nederlandsche en Duitsche persautoriteiten", aldus Roede na de oorlog in een verantwoording van het redactionele beleid voor de Commissie voor de Perszuivering.
De Hauptabteilung Volksaufklärung und Propaganda hield de inhoud van de kranten nauwlettend in de gaten. Regelmatig ontving de redactie een "telefonische reprimande". Soms werd schriftelijk gedreigd met "maatregelen door de Sicherheitspolizei". Ook werd geconcludeerd dat er "goede artikelen over de Sovjet-oorlog" verschenen. Een groot deel van de inhoud bestond uit "verplichte" kopij, zoals de Wehrmachtsberichten en toespraken van hoge functionarissen. Eigen initiatief was schaars, al vond het Departement van Volksvoorlichting, dat de berichtgeving coördineerde, dat journalisten, die niet tevens commentaren leverden, "zich degradeeren tot verslaggevers".

'Alles in het teeken van de overwinning der Germaansche wapens'

Een van de zeldzame uitzonderingen was een commentaar, ondertekend door "v.d.H.", op 21 juli 1941, toen de Britse introductie van het V-teken door de Duitse propaganda werd aangegrepen om alle bezette gebieden vol te kladden met "V = Victorie want Duitsland wint op alle fronten". "Voor dezen eenen keer krijgen de jongens nu eens de vrijheid om naar hartelust te plakken op hekken en auto"s, op schuttingen en muren, zonder dat zij de kans lopen door een politieagent gegrepen te worden. ( . . . ) Zoo staat alles in het teeken van de overwinning der Germaansche wapens, waarmee de eindstrijd om het zijn of niet meer zijn van een vrij en onbedreigd Europa, gestreden wordt". In de maanden die volgden stond de krant volstrekt in het teken van de V, die dwars door vele foto"s van het Oostfront heen werd geprojecteerd.
Nauwelijks veertien dagen later, op 2 augustus, werd duidelijk waar het enthousiasme van de waarnemend hoofdredacteur op gebaseerd was. In een bijschrift bij een foto van twee heren werd verklaard: "De heer C. van der Heyden, lid van onze redactie, en de heer S.G. Brusse, persfotograaf hier ter plaatse, hebben zich heden aangemeld bij het Nederlandsche Legioen. Zij zullen deel uitmaken van de Propaganda-Kompagnie". Die persdienst van het Oostfront was een onderdeel van de SS. Opmerkelijk in de Kroniek is dat "even na middernacht", ook op 2 augustus, aldus het dagboek van de Apeldoorner W. van Houtum, "enige NSB-ers de Jodenkerk in Apeldoorn in brand steken. ( . . . ) De politie arresteert drie NSB-ers, waaronder twee beruchte van de NAC. Zij worden op bevel van de commissaris van politie weer vrijgelaten". Wie de daders waren is overigens onbekend gebleven.
Hoofdredacteur Rugaart werd eind september 1941, zonder enige motivatie, door de Duitse autoriteiten ontslagen. Zelf veronderstelde hij, in een brief aan voorzitter P.J. van Megchelen van het Verbond van Nederlandse Journalisten, dat "tekort aan positiviteit met betrekking tot de nieuwe orde" de reden was, maar volgens hem zouden de lezers van zijn krant "niet anders dan kopschuw gemaakt worden, wanneer de krant hen overviel met een overdaad van het nieuwe, zoals dat in het Nationaal-socialisme belichaamd is". In de krant werd geen letter aan het ontslag gewijd. In het colofon werd de naam van Rugaart op 27 september zonder enige toelichting vervangen werd door "waarnemend hoofdredacteur C. Roede". Die zou trouwens de hele oorlog "waarnemend" blijven. Want "op last van de Beauftragte des Reichskommissars für die Provinz Gelderland" moest de vacature worden opengehouden tot de terugkeer van Van der Heyden van het Oostfront. De oud- Apeldoorner werd echter in oktober 1944 benoemd tot hoofdredacteur van De Telegraaf en het Nieuws van de Dag (verzetsblad De Nieuwe Amsterdammer 27-10-1944, pagina 2). In 1948 werd hij, vanwege zijn publicaties, veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf en een beroepsverbod van 20 jaar.

'De plagerijen uit Den Haag waren veel en velerlei'

Zowel directeur Jo Wegener als waarnemend hoofdredacteur G. Roede werden door de autoriteiten diverse malen op het matje geroepen en soms ernstig bedreigd, "teneinde een meer positieve houding aan te nemen ten opzichte van de nieuwe orde". "De plagerijen uit Den Haag zijn veel en velerlei geweest", aldus de directie in een verantwoording na de oorlog. "Streven was van de Nieuwe Apeldoornsche Courant datgene te maken wat ze nimmer geworden is: de onbeperkte spreekbuis van een partij, die de propaganda virtuooslijk wist te hanteeren".
Zo werd het opdringen van een NSB-hoofdredacteur voorkomen met het argument dat de "vacature" immers in opdracht van de Duitsers moest worden opengehouden tot de terugkeer van Van der Heyden van het Oostfront, "al zouden wij natuurlijk voor hem nimmer deze plaats beschikbaar stellen". De NSB"er moest echter "aan een baantje worden geholpen" en kreeg een functie als Haags redacteur. Roede wist "op een enkele uitzondering na te voorkomen dat zijn pennevruchten in ons dagblad werden opgenomen". En "al spoedig bleek dat niet-plaatsing door hem in het geheel niet erg werd gevonden, als hij zijn f 250 per maand maar ontving".
In de verantwoording van zijn beleid na de oorlog wijst Roede erop dat hij het overgrote deel van "de stroom van voorschriften, bevelen en aanwijzingen van het Departement van Volksvoorlichting negeerde, in het bijzonder die opdrachten om over verschillende mij niet sympathieke onderwerpen te schrijven. Een enkele maal konden wij er werkelijk niet onderuit". Maar ook: "Anderzijds kreeg ik het aan de stok met felle anti"s, die mij uitmaakten voor N.S.B."er, in het bijzonder als wij weer eens op last van de Duitschers iets moesten publiceeren". Overigens nam Jo Wegener koeltjes afstand van zijn redactie door te stellen "dat bepaalde artikeltjes onze instemming niet hadden. De verantwoording voor hun houding valt geheel op henzelf terug".
Als gevolg van papiergebrek schrompelde de krant in de loop van de oorlog steeds verder in. Uiteindelijk, in september 1944, na de mislukte "Slag om Arnhem", resteerde een "Mededeelingenblad", dat enkele malen per week verscheen en naast een overzicht van bonnen voor meestal niet-verkrijgbare artikelen vooral oproepen bevatte van geëvacueerde Arnhemmers, op zoek naar familieleden.
Op 29 september 1944 werd de drukkerij door een verzetsgroep overvallen, die het zetsel vernietigde van een bericht van de Arbeitseinsatz, waarin alle Apeldoornse mannen tussen 17 en 50 jaar werden opgeroepen zich te melden voor graafwerk aan het IJsselfront. Directeur Jo Wegener dook onder. Na een razzia werden de werkkampen van Rees en Elten beruchte namen in de Apeldoornse geschiedenis.

'Het z.g. nieuws, door de Duitschers opgedrongen, tot minimum beperken'

In de laatste maanden van de oorlog werd het blad weer meer een krant, maar daarbij is het opvallend dat een deel van de toch nog uitermate beperkte ruimte opgeslokt werd door een aantal min of meer nutteloze en onbenullige rubrieken, die het toch al schaarse nieuws nog beperkter maakten.
Het bleek samen te hangen met het feit dat drukkerij en kantoren van Wegener in december 1944 door de Duitsers werden bezet. Zij eisten dat de krant weer dagelijks zou gaan verschijnen. De directie meende echter, aldus zijn verklaring aan de Commissie voor de Perszuivering, er goed aan te doen "het z.g. nieuws, dat ons door de Duitschers werd opgedrongen, tot een minimum te beperken" en saboteerde het bevel, "wijzende op ons papiergebrek, hoewel wij nog wel papier in voorraad hadden". Bovendien wist men binnen het "toch al zeer kleine formaat" nog plaats te winnen voor "een zeer onbeteekenend feuilleton".
De (voorlopig) laatste NAC – "In Nederland wordt melding gemaakt van gevechten bij Deventer en Meppel" – kwam uit op 13 april 1945. De bevrijding van Apeldoorn volgde vier dagen later. Een Tijdelijk Persbesluit legde een verschijningsverbod op aan alle kranten en periodieken die na 1 januari 1943 (Het Parool 21-11-1944: 'De leugenpers wordt gezuiverd') onder de bezetter legaal bleven doordraaien.

Veluwsch Dagblad

Op 28 april verscheen echter een Veluws Dagblad; volgens de uitleg omdat Apeldoorn verstoken was geraakt van de normale nieuwsvoorziening en het gemeentebestuur behoefte had aan een mededelingenorgaan. De krant stond officieel "los van de Nieuwe Apeldoornsche Courant, waarvan alleen de apparatuur wordt gebruikt om haar het aanzijn te geven".
Achteraf lijkt het er op, dat de verschijning van de nieuwe krant door de directie zorgvuldig was voorbereid. Uitgever, directeur en hoofdredacteur werd J.S. Sybrandy uit Middelburg, die al in de zomer van 1944 door Wegener was benoemd tot na-oorlogs hoofdredacteur, "met ingang van een nader vast te stellen datum, samenvallende met de bevrijding van Apeldoorn", terwijl oud-hoofdredacteur Rugaart de dagelijkse leiding kreeg.
Op 20 mei verscheen het 18e nummer, zonder dat ook maar iets in de inhoud er op wees dat dit voorlopig de laatste Apeldoornse krant zou zijn. Volgens kroniekschrijver Van Houtum waren alleen nog publicaties toegestaan die in de oorlog illegaal waren verschenen. Hij wond zich erover op dat dit evenmin het geval was met Het Vrije Volk, dat wel mocht uitkomen. "Het Persbesluit is dus door socialisten samengesteld en geeft waarschijnlijk de oude partijstrijd nieuwe adem".
Het onderzoek van de Commissie voor de Perszuivering naar de NAC duurde tot begin 1946. De Politieke Opsporingsdienst kwam daarbij tot de conclusie dat "over J.G.C. Wegener niets ten nadeele bekend is". De Nieuwe Apeldoornsche Courant liep op 1 februari 1946 weer van de persen. De krant blikte daarna vooral vooruit; weg van de tijd dat, zoals voormalig waarnemend hoofdredacteur Roede het had uitgedrukt, "de menschen maar al te zeer in de meening verkeerden, dat alle journalisten ware handlangers waren van de Duitschers of van de Nederlandsche nationaal-socialisten".