'De hel van Rees' van Jan Krist, 3e druk (1997) >
Tussen 1940 en 1945 werkten rond 500.000 Nederlanders, meestal gedwongen, in Duitsland. Het boek ‘Van Riga tot Rheinfelden’ (1996) geldt als hèt standaardwerk op het gebied van de nazi-dwangarbeid. Karel Volder heeft in het boek de persoonlijke belevenissen van 160 dwangarbeiders verwerkt. Zijn conclusie: ‘De kampen Rees, Bienen en Empel waren nog slechter dan andere slechte plaatsen’.
Volgens dr. L. de Jong (Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 10b, pag. 146-149) maakten de Duitse razzia's in het najaar van 1944 naar schatting 140.000 mannen tot dwangarbeiders. Hij schat dat meer dan duizend van hen hun deportatie niet hebben overleefd. Het Comité Nazorg Rees registreerde al kort na de oorlog 247 mannen die in of rondom het kamp Rees overleden en begraven zijn. Dat is bijna een kwart van al die slachtoffers! En dan worden de slachtoffers die later overleden, als gevolg van hun ontberingen, nog niet meegeteld.
Maar afgezien van een (aanzienlijk bijgewerkte) herdruk van 'De hel van Rees' in 1989 en 1997 waagde zich verder geen enkele auteur aan het onderwerp. Tot 2004, toen de journalist Dick Verkijk in 'De Sinterklaasrazzia van 1944' in een uitvoerig gedocumenteerd verslag de lotgevallen beschreef van de Haarlemmers - waaronder zijn eigen vader - die eveneens in Rees terecht zouden komen. Dat boek bevat veel informatie die ook voor de Apeldoorners relevant is.

Op dit document, dat in november/december 1944 werd gebruikt voor razzia's in geheel Nederland, waren op 2 december in Apeldoorn de leeftijden 17 tot 40 jaar met een pennestreek gewijzigd in 16 tot 55 jaar en bij sommigen tot 57 en zelfs tot 65 jaar.
De razzia waarmee de lijdensweg voor de Apeldoorners begon, vond plaats op 2 december 1944. Op en rond het Marktplein werden vanaf de vroege ochtend 11.000 mannen verzameld, zonder dat er van verzorging sprake was. Van hen werden 's avond rond 4500 mannen in twee treinen afgevoerd, met onbekende bestemming.
Eén van die treinen werd de volgende dag, 3 december 1944, rond 9.30 uur beschoten door geallieerde jachtbommenwerpers. Meer dan twintig Apeldoorners stierven als gevolg van hun verwondingen.
NSB-burgemeester mr. D.F. Pont >
NSB-burgemeester mr. D.F. Pont spoedde zich onmiddellijk naar Duitsland om de gewonden in de ziekenhuizen te bezoeken. Hij wordt in het boek beschreven als een 'burgemeester met aanvechtbare principes'. Tijdens de razzia's werd hij door de Duitse autoriteiten aan alle kanten gepasseerd en later waarschuwde hij hen dat de slechte behandeling van de dwangarbeiders in Rees 'tot een schandaal dreigt uit te groeien dat de betrekkingen tussen Duitsland en Nederland in hoge mate zal beschadigen en die reeds voor een grote anti-propaganda zorgt'. Zie ook Mr. Dirk Frans Pont: geen ontzag voor autoriteiten - Overmoed belangrijkste eigenschap van NSB-burgemeester van Apeldoorn.
De website van de Stichting Dwangarbeiders Apeldoorn besteedt beknopt aandacht aan de omstandigheden in het kamp en de dwangarbeid waaraan de bewoners werden onderworpen. Als ze in de ogen van hun bewakers hun werk niet goed deden of probeerden hun honger te stillen konden ze ongenadig worden bestraft. De leidinggevenden hebben later nog hoge straffen, gekregen, maar zijn na verloop van tijd vervroegd vrijgelaten.

Kaart van Rees en omgeving. Linksboven Werth, waar de trein werd beschoten. Mechelen lag net over de grens. (Kaart uit 'De Hel van Rees van Jan Krist, 1946)
In Kamp Rees werkten dwangarbeiders uit alle windstreken: o.a. uit Haarlem, Den Haag, Rotterdam, Leiden, Delft, Scheveningen, Enschede en Apeldoorn. Er zaten bovendien krijgsgevangenen uit o.a. Rusland, Polen, Frankrijk, Italië en Roemenië. Tijdens het bestaan van het kamp, tussen eind november 1944 en maart 1945, waren er ongeveer 3000 tot 3500 mannen ondergebracht. Velen zijn ter plaatse het slachtoffer geworden van de mensonterende omstandigheden.
Eugen Hollaender, de Duitse directeur van de Apeldoornse messenfabriek Amefa, was voor de Apeldoorners van grote betekenis. >
Voor de Apeldoorners was er één lichtpuntje: de Duitser Eugen Hollaender, die zich al geruime tijd geleden in Apeldoorn had gevestigd. Hij was directeur was van de messenfabriek Amefa, met o.m. een filiaal in het Duitse Bocholt, waardoor hij vrij gemakkelijk de grens over kon. Hij trok zich het lot van de dwangarbeiders aan en organiseerde een pakketdienst van Apeldoorn naar Rees. Familieleden en bekenden konden bij hem pakjes afgeven die hij in het kamp afleverde, en niet zelden smokkelde hij dwangarbeiders terug. De Apeldoorners hadden daarmee ondanks alles een bevoorrechte positie in het kamp, want voor alle andere bewoners kwam er helemaal niemand.