....

Selectie bij honingbijen

Kenmerken / eigenschappen

Soorten / rassen.

Tabellen

Carnica versus Buckfast

Broednestontwikkeling

Selecteren op kenmerken

In de bijenteelt hebben we te maken met rassen, die onderling belangrijk verschillen in lichaams- en gedragskenmerken. Deze verschillen zijn deels door natuurlijke- en deels door kunstmatige selectie ontstaan. De natuur (natuurlijke selectie) stelt uiteraard andere eisen aan een bijenvolk (individu), dan de mens (kunstmatige selectie), als "gebruiker". Voor de bijenteelt hebben deze kenmerken een zeer verschillende gebruikswaarde.

Lichaamskenmerken als pantserkleur, haarlengte, viltbandbreedte, cubitaalindex en tonglengte zijn rasbepalende kenmerken, die veelal bij rassenkeuring wordt toegepast op de werksters, omdat darren zeer sterk vervliegen. Deze fysieke kenmerken zijn betrekkelijk eenvoudig uit te selecteren. Men noemt ze kwalitatieve eigenschappen, die vaak op ťťn gen berusten.

Gedragskenmerken als haaldrift, steeklust (nestverdediging), zwermdrift, raatbouw, kitgedrag en hygiŽnisch gedrag maken gericht selecteren erg moeilijk, omdat deze eigenschappen op zeer veel genen berusten. We noemen deze eigenschappen dan ook kwantitatieve eigenschappen.

Het doel van selectie (teeltkeus) is nu het sturen van die erfelijke eigenschappen, die voor de praktische bijenteelt van belang zijn. Doorgaans zullen dit de gedragskenmerken zijn, maar om deze een beetje te kunnen traceren worden de lichaamskenmerken in de professionele koninginnenteelt vaak gebruikt als bakens op een verervingstraject.

De eigenschappen die bij de werksters tot uiting komen, komen voor de helft regelrecht van koningin en voor een andere helft (bij standbevruchting) niet alleen van meerdere, maar ook van verschillende darren.

Bepaalde eigenschappen van de werkbijen als haaldrift en agressiviteit worden daarentegen ook nog eens beÔnvloed door omgevingsinvloeden, die uitgaan van het leggedrag en de feromoonproductie als genetische eigenschappen van de koningin. Er bestaat dus een samenhang tussen het functioneren van de koningin en de eigenschappen, zoals die op dat moment bij de werksters tot uiting komen.

Bovendien gebeurt het soms dat de samenwerking tussen twee eigenschappen negatief wordt beÔnvloed, als de selectie op beide eigenschappen is gericht. De processen van de selectie werken niet direct in op het genotype, maar op bepaalde kenmerken van het fenotype. Daar nu een kenmerk niet door een enkele gen, maar meestal door vele genen wordt bepaald en genen dus polyfeen werken, worden hele gen- en kenmerkcomplexen door de selectie getroffen en soms zelfs ongunstige eigenschappen bevorderd, die met selectief gunstige gekoppeld zijn.

Als je de honingopbrengst wilt verhogen, waarop moet je dan selecteren? Selecteer je dan op tonglengte, op broedaanzet of op beiden? Wat weet je van de correlatie daarvan met betrekking tot de honingopbrengst? Telen op honingopbrengst is zo moeilijk, omdat de karaktereigenschappen die hiervoor vereist zijn op geen enkele zinnige manier kunnen worden opgesomd. Je kunt dus beter op ťťn eigenschap selecteren dan op meerdere tegelijk. Als vuistregel geldt dan ook:

SELECTEERT MEN OP n KENMERKEN TEGELIJK, DAN IS DE VOORUITGANG PER KENMERK n MAAL ZO KLEIN ALS WANNEER MEN OP EEN KENMERK SELECTEERT!

Resistentie bijvoorbeeld ofwel het vermogen zich teweer te stellen is gebaseerd op het totaal aan eigenschappen, dat verankerd ligt in het genetisch patroon, welke tot stand gekomen is door genetische aanpassing. De processen van de selectie werken niet direct in op het genotype, maar op bepaalde kenmerken van het fenotype. Het bevoordeelde genotype verhoogt dus de selectiedruk tegenover andere. De processen van de selectie zijn echter niet eenvoudig en het behaalde selectievoordeel is meestal gering. Bij volledige dominantie duurt het gemiddeld 1000 generaties en bij recessiviteit meer dan 25000 generaties eer de uitgangsvorm van een gen verdwenen cq gemuteerd is.

Conclusie: een veredelingsproces is zeer moeilijk en de uitkomst soms erg relatief.

 

Beoordelingstabel met puntensysteem 1 t/m 4

4
3
2
1
Zachtaardigheid Zeer goed Goed Opvliegerig Stekerig
Raatvastheid Vast Rustig Lopend Opvliegerig
Wintervastheid Goed Middelmatig Onvoldoende Slecht
Voorjaarsontwikkeling Zeer snel Snel Normaal Langzaam
Volksterkte Zeer sterk Sterk Normaal Zwak
Zwermdrift Ontbreekt Zwak aanwezig Sterk aanwezig Zeer sterk

 

 

De honingbij - soorten / land-, cultuur- en bedrijfsrassen.

Het geslacht Apis (honingbijen) omvat wereldwijd 4 soorten. De soort die voor de mens het meest van belang is, is de Apis Mellifera (honingdraagster). Zij komt van nature voor in het Nabije Oosten, Europa en Afrika. De mens heeft deze soort later over de rest van de wereld verspreid (AustraliŽ, Nieuw Zeeland en Noord- en Zuid-Amerika).

De soort Apis Mellifera kent veel rassen. Deze rassen vertonen onderling belangrijke verschillen in lichaams- en gedragskenmerken Deze rassen kunnen we ook wel aanduiden met het begrip landrassen. Zij kwamen van huis uit in een bepaalde landstreek voor. Door de eeuwen heen heeft de mens mede invloed uitgeoefend op haar eigenschappen. De voornaamste landrassen zijn: de Caucasica (de Kaukasische bij), de Carnica (oftewel de 'Carnioolse bij', Tsjechoslowakije/JoegoslaviŽ), de Ligustica (de Italiaanse bij), de Mellifera (West- en Noord-Europa). Volgens de jongste onderzoekingen zou de laatste (A.M. Mellifera), in plaats van een ras, eerder een ondersoort van de Apis Mellifera zijn.

Van deze landrassen zijn de Carnica en de Ligustica het meest gecultiveerd. Door teeltkeus, stammen- en lijnenteelt, binnen deze rassen zelf, zijn de huidige Carnica's en Ligustica's ontstaan. We kunnen deze dan ook met een gerust hart cultuurrassen noemen. De Mellifera is, op de Nigra na (de Zwitserse landbij of Nigra, wat echter geen zuivere mellifera is), het minst gecultiveerd.

De cultuurrassen zijn echter beperkt in hun mogelijkheden en kennen hun grenzen en beperkingen. Ook kan men niet straffeloos doorgaan met het cultiveren van een bepaald ras. Worden grenzen overschreden dan treedt er spoedig verval op. Door haar raszuiverheid is de teelt naar gewenste eigenschappen uiteindelijk dus een doodlopende weg. Veredeling loopt dood als je een gebrek aan biodiversiteit hebt. Broeder Adam had dat al spoedig in de gaten en creŽerde een "nieuw ras' in de vorm van de Buckfastbij, een kruising van rassen. De nateelt hiervan is echter niet stabiel, maar de uitkomst van verschillende kruisingen. Veel eigenschappen zijn dan ook in de Buckfastbij latent aanwezig. Door selectie (teeltkeus) en combinatieteelt van lijnen tracht men de gewenste eigenschappen uit te lichten en constant te laten vererven. De achterliggende gedachte is dat - indien deze eigenschappen erfelijk zijn - het mogelijk is rassen te kweken, die de gunstige eigenschappen in hogere mate bezitten dan hun voorouders. In feite is men dan toch weer bezig een 'nieuw ras' te cultiveren met al haar ups en downs. Toch was hij op de goede weg, namelijk de weg naar een bedrijfsras uit kruisingen.

Om tot zo'n bedrijfsras te kunnen komen is de hybridenteelt echter een betere en de aangewezen weg, die ontstaat door een ingeteelde rassenlijn te kruisen met een andere ingeteelde rassenlijn, de zogenaamde gebruikskruisingen. In de praktijk betekent dit evenwel, dat

  1. de resultaten tussen de verschillende kruisingsproducten sterk uiteen lopen.
  2. binnen dezelfde kruising de resultaten verschillen vertonen naar gelang de herkomst van het gebruikte uitgangsmateriaal.

Van hieruit dient dus een onderzoek plaats te vinden naar de beste onderlinge kruisingsgeschiktheid. Door combinatieteelt binnen de afzonderlijke lijnen van het uitgangsmateriaal dient men te komen tot twee afzonderlijke groepen teeltdieren, waarvan bij kruising de gewenste eigenschappen elkaar versterken.

Bij deze twee groepen teeltdieren nu, die goed met elkaar combineren, is het wenselijk:

  1. deze combinatiemogelijkheid en -geschiktheid te behouden en
  2. het goede resultaat van het kruisingsproduct op het zelfde peil te houden en zo mogelijk nog te verbeteren.

Het product van de bij de kruising betrokken teeltgroepen wordt daardoor reproduceerbaar, d.w.z. het zal van jaar tot jaar vrijwel eenzelfde gebruikswaarde hebben.

Ons land is echter te klein, het drachtgebied ontoereikend en de bijenteelt - economisch gezien - voor haar beoefenaren van ondergeschikt belang, om tot zo'n bedrijfsras te kunnen komen.

 

 

Beoordelingstabel rassen

 

Italiaan
Carnica
Caucasica
Buckfast
Zwarte bij
Zwermneiging
zwak
sterk
zwak
zwak
sterk
Zachtaardigheid
redelijk
goed
zeer goed
redelijk
slecht
Propolis
matig
weinig
zeer veel
weinig
veel
Honingproductie
hoog
goed
goed
goed
redelijk
Voorjaarsontwikkeling
langzamer/vlug
vlug/langzamer
langzamer
langzamer
langzamer
Ziekte resistentie
goed
goed
zwak
goed
goed

 

 

Italiaan


Voordelen:

  • Behoorlijk rustig
  • Raatvast
  • Goede resistentie tegen wasmot en Europees vuilbroed
  • Geringe zwermneiging
  • Koninginnen zijn gemakkelijk te vinden.

Nadelen:

  • Neiging tot roven en vervliegt gemakkelijk, waardoor verspreiding van ziekten
  • Verzegelen hun voorraden niet al te goed

 

 

Carnica


Voordelen:

  • Veel ecotypen en stammen
  • Zachtaardig
  • Zeer vruchtbaar
  • Geen neiging tot roven

Nadelen:

  • Neiging tot zwermen
  • Koningin is moeilijk te vinden

 

 

Caucasica


Voordelen:

  • Zachtaardig
  • Lange tong
  • Geen neiging tot zwermen
  • Geen neiging tot roven
  • Goede overwinteraar
  • Meerdere ecotypen

Nadelen:

  • Zeer veel propolis
  • Koningin is moeilijk te vinden
  • Ziekte gevoelig

 

 

Buckfast


Voordelen:

  • Raamvast
  • Vruchtbaar
  • zachtaardig
  • Meerdere lijnen
  • Goede heidebij

Nadelen:

  • Vervliegen
  • Langzame voorjaarsontwikkeling
  • Neiging tot roven
  • Verzegelen kan beter

 

 

Zwarte bij


Voordelen:

  • Goed bestand tegen koude
  • Goede heidebij / laat broednest
  • Goede vitaliteit
  • Goede overwinteraar
  • Aangepast aan Noordzee klimaat
  • Goed vliegbereik en lastvermogen
  • Spaarzaam met voedselvoorraden

Nadelen:

  • Veel propolis
  • Weinig raamvast / onrustig
  • steeklust
  • Langzame voorjaarsontwikkeling
  • Zwermlustig
  • Korte tonglengte
  • Moer kruipt snel weg

 

Carnica versus Buckfast

Laten we de zaak nog eens op een rijtje zetten. Toen er duizenden jaren geleden in de teelt van huisdieren en productiegewassen nog op goed geluk werd "rondgetast", werd er slechts langzaam vooruitgang geboekt. In onze tijd gaat men door de toegenomen kennis bewuster en sneller te werk. De oorspronkelijke Carnica, afkomstig uit een gebied ten zuiden van de Oostenrijkse Alpen en de Balkan, werd door de lokale bevolking uit Krain (JoegoslaviŽ) door selectieve teelt tot de bekende Krainer-bij "gemaakt", de voorloper van de huidige Carnica. Daar zij voor de zomer over veel zwermen wensten te beschikken, werden deze Krainer-Carnica's zeer zwermlustig. Door de overschakeling van korf- naar kastimkerij in de jaren 1920-1950 en de verschuiving van het drachtaanbod in het voorjaar, kwam er behoefte aan sterke, maar ook zwermtrage volken. De gebruikte Carnica's voldeden toen geenszins aan deze eisen.

Door selectie op hoge honingopbrengsten, zwermtraagheid, zachtaardigheid en vroege voorjaarsontwikkeling kwam men rond 1930 tot de nieuwe Carnica (G.Sklenar/Oostenrijk en A. Peschetz/Oost Tirol). Stond de oorspronkelijke "Krainer-Carnica" in een slecht daglicht, de nieuwe geselecteerde Carnica werd door sommigen gezien als "een gift van moeder natuur". Anno 2001 bestaan die mensen nog steeds! En daar is gelukkig niets mis mee..!

Door selectie en combinatieteelt voegt men echter geen nieuwe erffactoren toe. Bepaalde positieve eigenschappen binnen de aanwezige erffactoren worden geÔntensiveerd en de negatieve eigenschappen worden zoveel mogelijk onderdrukt of uitgeschakeld. De raszuivere teelt naar gewenste eigenschappen, zowel bij de Carnica als de Buckfastbij, zou op de lange duur wel eens een doodlopende weg kunnen zijn. Denk in dit verband maar eens aan de vermaarde Barneveldse kip!

De Buckfaststammen zijn verkregen uit kruisingenteelt. De oude Engelse bij werd gekruist met de Ligurische bij (Italie). Toen deze een stabiele erfelijke vorm had gekregen, werden eigenschappen van de Franse bij toegevoegd en later die van de Griekse en nog later die van de Anatolische. Dit alles in de hoop dat enkele van de beste eigenschappen van de uitgangsrassen zich in zo'n nieuwe stam blijvend zouden manifesteren. Het is broeder Adam aardig gelukt om zijn "schepping" vrij stabiel te laten vererven.

In de Buckfast-bij zijn dus veel eigenschappen latent aanwezig. Door selectie en combinatieteelt kan de imker zelf kiezen of hij volken met een sterke voorjaarsontwikkeling (fruit, etc.) dan wel juist een najaarsontwikkeling (heide) wenst. Ook wereldwijd, waar de drachtomstandigheden over het jaar verdeeld nogal variabel zijn, is de Buckfast-bij goed inzetbaar.

Momenteel wordt nog steeds aan de "schepping" van broeder Adam 'gewerkt' door professionele koninginnentelers met toepassing van de huidige wetenschappelijke kennis over vererving en selectie. Door dat veel eigenschappen in deze bij latent aanwezig zijn, biedt dit steeds weer een scala aan mogelijkheden met haar diversiteit aan genen.

De stabiliteit van de beste eigenschappen is misschien niet voor de 100% gelukt, maar een ding is zeker voor wie met Buckfastbijen wil gaan werken: "Wordt Buckfast met Buckfast gepaard, dan is het resultaat Buckfast en niet een verzameling uitsplitsingstypen". Misschien mag je hier dan ook al voorzichtig spreken van een nieuw "ras". De Buckfastbij is een gecreŽerd "ras", dat regelmatig nieuw bloed nodig heeft om inteelt te voorkomen en om bepaalde genetische eigenschappen te accentueren, zoals mijt-tolerantie.

Willen we echter sterke productie-eenheden, dan is de hybridenteelt (rassenkruising) te verkiezen, boven de teelt van zuivere rassen (Carnica/Buckfast). Kijk maar naar onze huidige landbouwhuishouddieren en gewassen. Met onze F-1 methode zijn we daar, in onze doelstelling naar productie en vitaliteit, eigenlijk al een beetje mee bezig. Voor deze hybridenteelt heb je echter als uitgangsras natuurlijk wel de juiste zuivere rassen nodig.

Uit de vele onderzoekingen welke op het gebied van hybridenteelt zijn gedaan, mag worden afgeleid, dat tenminste 3 factoren van grote invloed zijn op de combinatiegeschiktheid:

A.- de kwaliteit van de stammen zelf ten aanzien van de verlangde productierichting.
B.- een al dan niet gunstige genen-combinatie (erffactoren), welke ziekteresistentie bevorderen dan wel verminderen.
C.- een al dan niet sterke heterosis

Dit alles overziende, maakt het niet veel uit of je nu met goede Carnica's, dan wel met goede Buckfastbijen van start gaat. Met beide rassen is prima te imkeren en vertonen slechts een accentueel verschil. Laten we blij zijn dat we ze allebeide in redelijke aantallen bezitten. Ze (we) zouden elkaar in de toekomst nog wel eens hard nodig hebben. Wat denkt je van Buckfastkoningin x Carnica darren (de 'Buca's')?

 

 

Broednestontwikkeling

De ontwikkeling van het broednest bij honingbijen wordt bepaald door het broedritme. Afhankelijk van het bijenras kan dat anders uitpakken. Broedritme van het betreffende ras wordt namelijk deels genetisch bepaald en deels door klimatologische omstandigheden.

4 broedcurves volgens de internationaal vermaarde Duitse bijendeskundige Prof. Dr. Ruttner.

Intermissa (zwart): zuiden van de Middellandse zee (nrd.Afrika) komt na de winter zeer snel op gang en heeft in mei reeds de grootste omvang (zeer vroege dracht!); de hete drachtloze zomer brengt een absolute broedstop; de herfst geeft een opleving, zodanig zelfs, dat er moerteelt kan plaats vinden.

Carnica (rood): komt in het voorjaar redelijk snel op gang; heeft haar top begin zomer en zwakt dan sneller af dan alle andere rassen (Balkan-klimaat).

Ligustica (geel): komt aanzienlijk trager op gang; hoogtepunt midzomer; broedt verreweg het langste door in de herfst (ItaliŽ).

Zwarte bij (blauw): De oorspronkelijk bij uit onze streken komt ook traag op gang in het voorjaar; de top in juli/augustus (heide!); eind oktober de winter in.

Wij maakten van deze rassen een mengelmoesje, dat zich deels aan de nieuwe klimaten aanpaste, maar deels toch de eigen genetische achtergrond heeft.